BODEMKUNDIGE
SCHETS VAN
"HET LAND
VAN NEVELE"
door Guido Schaeck
Bodemkundig worden in ons studiegebied volgende texturen (grondsoorten) onderscheiden: zand, lemig zand, licht zandleem, zandleem, klei en veen. Zand en lemig zand behoren tot de Zandstreek, licht zandleem en zandleem tot de Zandleemstreek, terwijl klei en veen in de valleigronden van Zand- en Zandleemstreek worden aangetroffen.


Zandstreek
De zone ten noorden van de lijn Lotenhulle-Merendree behoort
tot de Vlaamse zandstreek. De zandgronden houden weinig water op, ze moeten
zwaar bemest worden, men beschouwt ze als de minst geschikte voor de landbouw.
De matig natte en de natte zandgronden zijn evenwel geschikt voor weiland; op de
droge gronden geeft naaldbos goede resultaten.
Alhoewel de "kanten" o.a. door mechanisatie stilaan verdwijnen,
behoudt de Zandstreek haar gesloten karakter
Zandleemstreek
De gronden ten zuiden van voornoemde lijn behoren tot de Zandleemstreek. Landschappelijk kan men twee verschillende gebieden onderscheiden: een licht-zandleemgebied en een zandleemgebied.
Het licht-zandleemgebied
Dit gebied wordt hoofdzakelijk door de kouters gevormd. Er dient te worden opgemerkt dat de top van de kouters meestal overgaat naar lemig zand. De kouters vormen een open landschap: geen grachten, geen bomen.
Landbouwkundig waardevol, zijn de licht-zandleemgronden specifiek zeer geschikt voor de tuinbouw.
Het zandleemgebied
In tegenstelling met de kouters vormt het zandleemgebied een gesloten landschap. Iets lager gelegen dan de omringende kouters zijn deze gronden matig nat; het zijn de zogenaamde "bulken".
Ten gevolge van de mechanisatie is sedert enkele jaren ook in dit gebied de tendens ontstaan om de "kanten" te rooien, waardoor het zo typische landschap stilaan verdwijnt.
Het zandleemgebied is een landbouwstreek. Werd de tarwe van "Het Land van Nevele" niet reeds genoemd in de 14de eeuw? De rentabiliteit van deze gronden wordt meestal gunstig beïnvloed door drainage, daarom mag het kuizen van het grachtenstelsel niet verwaarloosd worden.
Valleigronden
Klei en veen komen slechts voor in de alluviale gebieden van de Leie, de Kale, de Poekebeek en langs een aantal kleinere beken, o.a. de Grote beek, de Wilde beek, de Neerschuurbeek, de Kozijnbeek, de Zeverenbeek en de Kaandelbeek. Deze alluviale gebieden zijn zeer duidelijk in het landschap te herkennen. Het zijn de zogenaamde "meersen"; wilgentronken en populieren begrenzen de percelen. Een dicht grachtenstelsel wijst op een natte, laaggelegen zone.
Landbouwkundig zijn deze gronden ten hoogste geschikt voor weiland; de natste delen kunnen slechts als hooiland gebruikt worden. Populierenaanplantingen geven middelmatig goede resultaten. Een beter onderhoud, bv. regelmatiger kuisen van de Kale en van de Poekebeek, zou de rentabiliteit van de valleigronden in niet geringe mate verhogen.
Een algemeen overzicht, afgeleid van de Bodemkaart van België, uitgegeven door het Centrum voor Bodemkartering (dir. Prof. Dr. R. Tavernier) werd op bijgevoegd kaartje getekend. U merkt er de scheidingslijn tussen de Zandstreek en de Zandleemstreek, de alluviale zones van Leie, Kale, Poekebeek, Wildebeek, e.a. Opvallend is wel de ligging van de dorpen. In de Zandleemstreek ligt alleen Poesele niet op een kouter.
Voor de studie van het heem is de bodemkaart van groot belang. Talrijk zijn bv. de toponiemen die rechtstreeks met de bodem in verband staan (donk, meers, kouter, bulk, plas, e.a.).
Een gedetailleerd onderzoek naar het verband tussen de bodem en de perceelsnamen, gekoppeld aan geschiedkundige gegevens, zou een klaarder inzicht kunnen geven over de manier waarop ons schoon "Land van Nevele" in cultuur is genomen. Het is met het oog daarop dat het groepswerk "De geschiedenis van de Landname" werd op gang gebracht.