HET BAKHUIS IN HET

LAND VAN NEVELE[1]

door Antoine Janssens

Als men langs de landbouwwegen van het Land van Nevele trekt, bemerkt men op sommige boerderijen een vervallen gebouwtje dat vrij ver van de woning en de andere dienstgebouwen gelegen is. Heden ten dage heeft het geen specifieke functie meer: nu eens doet het dienst als kippen- of duivenhok, dan weer als bergplaats voor afval van hout, roeste spijkers tot zelfs afgedankte prikkeldraad van de weide-afsluitingen toe. Dat zal wel zo blijven tot het gebouwtje helemaal vervalt en ten slotte als steenslag uitgespreid wordt in een modderweg. Een roemloos einde.

Alleen zijn naam verraadt nog dat het eens een edeler functie heeft vervuld in het leven van de plattelandsbewoners: in het Land van Nevele noemt men dat gebouwtje immers het ovenmuur, ovenbuur, ovenkot en soms bakhuis. In de tijd toen alles "doe-het-zelf" was, werd er dus het brood gebakken. Tot na de Eerste Wereldoorlog had iedere hoeve en vele woningen in de dorpskom hun eigen ovenmuur. Er waren wel landbouwers die hun broodfabriek installeerden in een brashuis of braskot, maar de meesten bouwden een afzonderlijk bakhuis, liefst op een droge plek van het erf en ver (min. 12 m) van de andere gebouwen, zoo datter gheen brant of en comme oft ryse" - zoals een oude politieverordening zegt.

Dat brandgevaar zal zeker wel reëel geweest zijn, al moet men hierbij niet overdrijven. Uit een statistiek die gedurende 70 jaar door het brandweerkorps van Nevele bijgehouden werd, blijkt immers dat slechts in 20% van de gevallen uitgerukt diende te worden om een bakhuis te blussen. Het zal wel zo zijn dat onze voorouders juist in het bakhuis veel meer maatregelen troffen om brand te voorkomen dan in andere gebouwen.

Het ovenbuur bestaat uit twee delen: de voorhal (in de streek meestal ovekot genoemd) en de oven.

De voorhal

De voorhal werd in baksteen opgetrokken. Ze had een lengte van 3 à 3,5 m en de breedte varieerde van 2,5 tot 2,7 m. De zijmuren waren 2 à 2,25 m hoog en werden samengehouden met drie verankerde balken waarop men de muurplaat vastmaakte. Hierop kwam het zadeldak, dat zeer steil was om de druk op de muren te verminderen. De dakbedekking was aanvankelijk van stro, weldra van pannen. De deur (0,9 bij 1,8 m) was in de voorgeven en twee opendraaiend houten vensterluiken (0,55 bij 0,6 m) zorgden voor tocht en deden zo de rook verdwijnen die ontstond bij het stoken van de oven.

Tegen de achterwand metste men de schouwmantel en de schoorsteen, die eigenlijk een verkleinde weergave waren van de open haard die eertijds in de boerenwoningen aangetroffen werden.

In de voorhal of het ovekot werden wel eens de bussels hout opgeslagen waarmee men de oven stookte. Ook de werktuigen die bij het bakken gebruikt werden - de trog, de rokkelare[2], de (oven)pale[3] en de ton waarin de houtskool uit de oven bewaard werd - hadden er hun vaste plaats.

De oven

Tegen de achtergeven van de voorhal stond de eigenlijke bakoven. Dat gebouwtje in baksteen (1,8 m lang en 2 m breed) had ook een zadeldak. De achtergevel van de oven vertoonde soms een opening, daarin werd het hout gedroogd waarmee men de oven zou stoken. Bij het gesloten type, dus zonder opening in de achtergevel, liet men dat hout drogen in de oven zelf of in de voorhal.

Naar gelang van de constructie van het ovenfundament komen in het Land van Nevele vier types voor:

1.   De oven rust op houten bomen: hierbij werden 30 à 45 cm boven de grond tien bomen in de beide zijmuren ingemetst. Hierop streek men dan een laag klei (dialect: klijte) uit, vervolgens zand en dan legde men de ovenvloer. Deze bouwwijze bood het voordeel dat onder de oven verse lucht kon doorstromen, wat de droogte van de oven zeer ten goede kwam.

2.   De oven rust op een gemetste boog, die aan beide zijden tegen de muren duwt en zo de voute steunt. Op die boog kwam een laag zand en vervolgens de ovenvloer. Type 2 bood dezelfde voordelen als type 1.

3.   De oven rust op verscheidene gemetste bogen. Overigens dezelfde constructie en hetzelfde voordeel als type 2. Dit was echter wel het duurste procédé.

4.   De oven rust op de grond: hierbij steunen de draagmuren van de oven rechtstreeks op de fundering, die in de aarde gedolven is. De ovenvloer ligt op een dikke, aangestampte laag zand.

Van deze vier oventypes komt het eerste veruit het meest in onze streek voor.

De verdere bouw van de oven geschiedde als volgt: als de ovenvloer gelegd was, spreidde men er een grote hoop aarde op uit met juist dezelfde vorm en grootte die de ovenruimte moest hebben. Op die aarde metste men dan met bakstenen de ovenzoldering of ovenvout.Hierbij legde de metser de stenen van voren naar achteren, min of meer in de vorm van een cirkel. De eigenlijke koepel had een zeer eigenaardige vorm, die min of meer aan een halve peer herinnerde: als men door het ovengat keek, kwamen de stenen immers vooraan samen, liepen in het midden uiteen en vloeiden naar achteren weer samen. Vooraan was de ovenruimte ongeveer 45 cm hoog en in het midden ongeveer 60 cm. Met het metselwerk ging hij door tot in de nok van de oven nog een peervormig gat overbleef. Daarin werd een steen gestampt, waardoor de koepel onder een enorme spanning kwam te staan. Vooraan liet men echter een opening - het ovengat of de ovenmuil - die 40 à 50 cm breed en 25 à 35 cm hoog was. Hierdoor "schoot" men het brood in de oven en haalde men het er weer uit. Nadat het metselwerk gedroogd was, verwijderde de metser via de ovenmuil de aarde uit de ovenruimte en de oven was "bakkensklaar".

Als men dan ging bakken, werd de ovenmuil dichtgemaakt met een plank (de ovenplank) die aan de zijkanten nog eens extra met klei, modder of eertijds ook koeienmest bestreken werd. De moderne ovens hadden echter een ijzeren deurtje met twee lenen (scharnieren) en een klink (kruk). Als bij het bakken de oven aan de buitenkant wit "uitsloeg", was de ideale temperatuur bereikt; werd hij echter rood, dan stond de oven te heet en moest men proberen de warmte te "lossen". Hiertoe maakte men met een stokje een opening in de klei die aan de zijkanten van de ovenplank gestreken was; men hoorde dan de warme lucht ontsnappen.

Het metsen van een oven was dus wel degelijk een hele karwei en werd uiteraard aan vaklui overgelaten.

Wat een bakoven zijn medemens kan aandoen, bewijst de volgende anekdote.

Op de wijk Wilde te Landegem (dicht bij de autoweg) was een landbouwer hespen aan het roken in zijn ovenbuur. Een persoon die langs de autoweg reed, zag de rook die uit de schouw en door de pannen opsteeg en dacht dat het gebouwtje in brand stond. Heel plichtsbewust stopte hij en alarmeerde telefonisch de brandweer van Nevele, die zich met bekwame spoed naar de plaats des onheils begaf… Ik hoef u allicht niet de ontsteltenis van de boer beschrijven, toen twee brandweerwagens met loeiende sirenes zijn erf op kwamen gereden… om zijn gerookte hespen te blussen. Zo zijn er in ons land naast maneblussers nu ook hespenblussers en dat alles door de schuld van één van onze nog gebruikte ovenburen of bakhuizen.

In de volkstaal van het Land van Nevele leven nog enkele gezegden waarin het woord (bak)oven voorkomt:

Hij (zij) heeft ne mond 'lijk nen bakoven.

Hij (zij) heeft een muile 'lijk nen bakoven.

Doet uwen bakoven maar toe (wordt gezegd als iemand geeuwt).

Ge gaapt 'lijk nen bakoven bij 't bakken (idem).

Hoe harder dat ge rokkelt, hoe heter den oven (i.v.m. seksuele omgang).

Bibliografie

Dr. J. Weyns, Bokrijk, tuin van de Vlaamse volkscultuur, Hasselt-Heideland, 1961.

Dr. J. Weyns, Bakhuis en broodbakken in Vlaanderen, St.-Martens-Latem, 1963.

Dr. J. Weyns, Brieven uit mijn bakhuis, 1969.

A. Janssens, Brandblussen eertijds en de brandweer van Nevele, Jaarboek K.O.K. Deinze, 1960.

[1]De gegevens voor deze bijdrage heb ik in 1956 in de streek van Nevele verzameld naar aanleiding van een vragenlijst over het bakhuis die uitging van het Openluchtmuseum te Bokrijk. De globale resultaten van die enquête heeft Dr. J. Weyns gepubliceerd in zijn boek Bakhuis en broodbakken in Vlaanderen, Sint-Martens-Latem, 1963.

[2]Rokkelare, ook soms rakelare, rakel, rakelhaak (= rakelijzer). Het voorwerp diende om de as uit de oven te verwijderen en ook wel eens, als het brood in blikken gebakken werd, om het brood uit de oven te trekken.

[3](Oven)pale: bestaat uit een tongvormig houten blad (20 à 35 cm breed) en ongeveer 35 cm lang) en een 1,15 à 2,15 m lange houten steel. Zeldzaam zijn de ovenpalen die uit één stuk vervaardigd zijn. Meestal zijn steel en blad twee aparte delen die samengelijmd worden. Het blad eindigt dan op een U-vromig uitsteeksel, waartussen een stijl vastgemaakt wordt. Het blad wordt dunnen naar voren toe, om het "inschieten" van het brood te vergemakkelijken, en vooral om bij het uithalen het blad gemakkelijker onder het brood te krijgen.