DE DORSVLOER
door
Antoine Janssens
Vóór de maai- en dorsmachines hun intrede
deden op onze hoeven, beschikte elke boer over een afzonderlijke ruimte waar het
stro met de vlegel gedorsen werd. Die plaats heette in onze streek den dèsvloer
(= dorsvloer).[1]
De dorsvloer lag (of ligt nog) gewoonlijk in
de schuur naast de bergruimte voor het stro, bij ons den tas genoemd. In
grote schuren waren er twee tassen: een voor het ongedorsen en een voor
het gedorsen stro.
Het behoeft weinig uitleg dat die dorsvloer
een belangrijke functie had en heel wat kwaliteiten diende te bezitten: hij
mocht niet te hard zijn (anders werd het graan geplet en brak heel vaak de
vlegel), ook niet te zacht (anders kreeg men het koren onvoldoende gedorsen) en
bovendien moest hij enigszins veerkrachtig zijn. Het vervaardigen van zo'n
dorsvloer was bijgevolg een delicate taak. Gewoonlijk was dat een werk voor de
boer zelf of eventueel zijn personeel. In het Land van Nevele ging men hierbij
als volgt te werk.
Op de plaats waar de dorsvloer aangelegd
diende te worden verwijderde men eerst de aarde. Op een natte bodem werden dan
stenen geplaatst, liefst kasseistenen. Daarover streek de "vloerder"
dan klei (dialect kleem of klijte). Da alles werd dan aangestampt
met een stamper, die heel vaak de bookhamer was, het instrument
waarmee men ook het vlas bootte.[2]
Geregeld besprenkelen de "vloerders" de klei met water. Als het geheel
een dikte van 15 à 20 cm had, werd de vloer ten slotte gerold met de zware landrol).
Om "het springen" van de vloer
(door het dorsen of het vorstweer) te voorkomen, wed de klei met ossenbloed
vermengd.
Op zo'n stevige veerkrachtige vloer konden
onze boeren dan gedurende de wintermaanden hun koren (bij ons zegt men "het
graan") dorsen. Als zij met z'n tweeën of z'n drieën dorsten, gebeurde
dat heel ritmisch. Dat geklop was van op grote afstand te horen en men sprak dan
van de tweeslag of de drieslag.
[1]Van de dialectnamen voor die ruimte in heel het Nederlandse taalgebied werd een kaart getekend door Dr. J. Van Bakel. Zij verscheen in 1965 in de 8ste aflevering van de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland. Hieruit blijkt dat (klankvarianten van) dorsvloer veruit de frequentste benaming is in het westen van het Nederlandse taalgebied. De oostelijke helft kent vooral namen die ook in aangrenzend Duitsland voorkomen: deel(e) (verwant met ons dilte voor de bergplaats boven de stallen) en den (Duits Tenne, in Vlaanderen wel eens gebruikt voor een dorsplaat in open veld).
[2]Boten: het omhulsel van de vlasstengel kapot kloppen.