ENKELE
NOTITIES IN VERBAND
MET (EEN) VERDWENEN KASTE(E)L(EN)
TE HANSBEKE
door Albert Martens
Kroniekschrijvers citeren enkele malen het aloude kasteel van Hansbeke.
De Hody[1] concludeert dat Arnold de Rohas, één van de bijzonderste personages van de eerste kruisvaart, in de tweede helft van de 11e eeuw op een oud kasteel te Hansbeke zou geboren zijn en situeert dit slot op de wijk Ro. Andere geschiedschrijvers zijn het nochtans met deze bevindingen niet eens en wijzen verschillende plaatsen in Vlaanderen aan als de geboortestreek van de patriarch.
Aanwijzingen van Despars[2] betreffende een (ander) kasteel te Hansbeke berusten echter op historisch vaststaande feiten. Hij vermeldt dat het heerlijke kasteel van Hansbeke, toebehorend aan Daneel van Halewijn (die Roeland, heer van Poeke en Hansbeke, in het bezit van de heerlijkheid Hansbeke had opgevolgd) en waarin de graafgezinden zich hadden verschanst, in 1381 werd belegerd door Philip van Artevelde, neef van de vrouw van Daneel van Halewijn. De opstandige Gentenaren werden aangevoerd door Gijsbrecht de Grutere en Raas van de Voorde. Het overwonnen garnizoen van de graafgezinden werd door de belegeraars op vrije voeten gesteld en het kasteel werd geplunderd en in brand gestoken.
Vier jaar later werd het kasteel, onder leiding van de
Gentse bevelhebber Jan van Borsele, door kloeke bolwerken versterkt en met
gewapend volk bezet, ten einde weerstand te kunnen bieden aan de edellieden van
Sluis en Aardenburg, die tot bijna onder de muren van Gent uitvallen deden.
Nog volgens Despars werd het kasteel van
Hansbeke op 10 december 1452, tijdens de hardnekkige opstand van de Gentenaren
tegen Philip de Goede, door de stedelingen opnieuw aangevallen en ingenomen; de
Gentenaren staken er opnieuw het vuur in.
Het is echter niet duidelijk waar het kasteel, dat
door Despars herhaaldelijk wordt genoemd, zou gestaan hebben.
Omtrent de ligging van het 16de-eeuwse slot
brengt Sanderus[3]
wel enig licht. Volgens deze kroniekschrijver stond het kasteel van Hansbeke
nabij de Leye (versus Liviam), niet ver van de oorsprong van de tweetakkige
Kale, die haar water in deze rivier ontlast.
Met het oog op een precieze plaatsbepaling is deze
situering vrij vaag. Vermoedelijk wordt met de Leye het historische riviertje
"Dorma" bedoeld, dat in 1242 door Walter de Marvis, bisschop van
Doornik, als grensscheiding wed aangeduid tussen de parochies Zomergem, Hansbeke
en Bellem[4]
en dat tijdens de graafwerken in 1613-1623 bijna volledig in de bedding van de
Brugse vaart verdween[5].
In het Lantboeck der prochie van Hansbeke, gemeten ten jaere 1700[6]
werd de huidige Vaartstraat immers de straete commende van de Leye naer de
kercke genoemd; anderzijds is het toponiem "Leikant" in de
volksmond nog zeer gebruikelijk.
Ook in het oud archief van de prochie Hansbeke
vindt men enige aanduidingen betreffende dit 16de-eeuwse kasteel.
In het ferieboek, bijgehouden van 1589 tot 1604, werd
aangetekend dat de wethouders van Hansbeke, met de toenmalige baljuw Jacob
Martens, op 18 september 1602 en 18 december daaropvolgend ten casteele
vergaderden[7].
Op 24 augustus 1629 werden ten versoucke vanden
bailliu Jan Martens enkele meubelen ende catheylen gheventariseert, die
bevonden syn up het casteel vanden heere van Hansbeke, toebehorende Lieven van
Kerrebroeck, voormalige baljuw, o.a. een rebbancken staende inghemetst in
het torreken anden watersteen[8].
Op 29 januari 1631 werd allerhande gerief,
toebehorende aan dezelfde Lieven van Kerrebroeck, door Jan Martens (baljuw)
verkocht, o.a. een houten trisorken, staende up het casteel, en een
schipken ligghende ghesoncken inden wal, an het casteel[9].
Een nadere plaatsaanduiding van het kasteel wordt
gegeven in het ferieboek 1633-1640, waarin wordt vermeld dat de vierschaar op 23
maart 1639 doorging ten huyse van Gheraert vande Putte, tavernier thove aen
het casteel[10].
Hieruit blijkt dat het kasteel in de onmiddellijke
nabijheid stond van het wethuis, herberg "Ten Hove" (of vice versa),
welbekend als de landelijke afspanning aan de Philomenakapel.
Een aanwijzing in het lantboeck van 1700 is
hieromtrent overduidelijk. De omschrijving van de hofstede, gelegen aan de Grote
Beke onder perceel nummer 196 van de wijk Kercke ende Voorde, thans
bewoond door Raymond Boone omvat:
(Pieter van de Veire pachter vanden Baron d'Eckelsbecq, den heere van
Hansbeke) het neerhof ende daer het vervallen casteel op staet, oost de (strate
commende vande Leye naer de kercke…[11].
De preciese ligging van het in 1700 in verval zijnde
kasteel kan aan de hand van de caerte figuratieve van Hansbeke, opgemaakt
door landmeter Joos Meysman, worden achterhaald.

Op het hierbijgevoegde uittreksel van deze kaart,
waarop het neerhof van het kasteel staat afgebeeld, bemerkt men een gesloten
omwalling die een bijna vierkant terreinoppervlak van circa 35 m x 35 m omsluit.
Hoewel de ruïnes op deze kaart niet meer werden geschetst, spreekt het nochtans
vanzelf dat het bouwvallig slot binnen deze ommeloop stond; het
toegangsbruggetje lag over de oostwal.
Het kasteel verhief zich blijkbaar boven op een
heuveltje, vermits een aanpalende partij zaailand de motte (d.i. een
kunstmatige verhevenheid van de bodem) werd genoemd.
Naast het erf, langs de natuurlijke kronkeling van de
Grote Beke, zoals nu nog, lag de aardeweg die vanaf het kasteel rechtdoor liep
voorbij de molen (op de molenberg) naar de kerk, en die in de 17de
eeuw nog als 's heerenstraete (d.i. straat van de heer) werd aangeduid.
Later werd de loop van de Grote Beek gewijzigd en
omgelegd naar de omwalling van het neerhof; de oorspronkelijke bedding, waarvan
de littekens in de aanliggende weide nog waarneembaar zijn, werd gedempt.
Ten westen van het kasteel lag de casteelmeersch,
waarop eertijds vermoedelijk de paarden van de heer graasden.
Van de ommeloop is thans nog de zuidwal overgebleven
(de westwal werd onlangs gedeeltelijk aangevuld). De noord- en oostwal zijn
verdwenen; zij werden waarschijnlijk gedempt met de gronden van de motte,
die in 1766-1767 werd afgegraven; de samenloop van de oost- en zuidwal is nog
aan enkele sporen herkenbaar.
De ruïnes van de eertijds door Sanderus als
een pronkstuk beschreven kasteel werden tenslotte ook in de jaren 1766-1767
verwijderd; met het afbreekmateriaal werd mogelijk het molenhuis naast de molen
opgebouwd.
De wandelaar die, vanaf het ingangshek van het huidige
kasteel aan het uiteinde van de knoestige kandelaardreef, langs de rand van het
grafelijk domein het achterhek van het neerhof bereikt, kan niet vermoeden dat vóór
hem, onder de losweg van de hofstede, wellicht nog de fundamenten verborgen
liggen van een verdwenen aloude burcht.
[1]DE HODY, Godefroid de Bouillon et les rois Latins de Jérusalem.
[2]DESPARS, Chronijke van Vlaanderen.
[3]SANDERUS,
Verheerlijkt Vlaandren.
[4]A. VERHOUSTRAETE, De rondreis van Walter de Marvis, bisschop van Doornik in 1242, in Appeltjes van het Meetjesland, jg. XIII.
[5]A. VERHOUSTRAETE, Over de scheepvaart op het kanaal van Gent naar Brugge en over de marktschepen in het bijzonder, in Appeltjes van het Meetjesland, jg. VII.
[6]Rijksarchief Gent, fonds Hansbeke, register 170, folio Ir.
[7]RAG, fds Hansbeke, reg. 148, fo 107v, 109r.
[8iRAG, fds Hansbeke, reg. 149, fo 96v.
[9]RAG, fds Hansbeke, reg. 149, fo 117r/v.
[10]RAG, fds Hansbeke, reg. 150, fo 248v e.v
[11]RAG, fds Hansbeke, reg. 6, fo 26.