EEN VERDWENEN BEROEP:
HET STRODEKKEN
door
Antoine Janssens
Het strodekkersbedrijf was tot voor enkele decennia
een belangrijk onderdeel van de landelijke bouwkunst. Het strodak was, in
vergelijking met de rest van de soms eerder primitieve woning, een kunstig en
bovendien zeer functioneel iets: niet alleen beschutte het mens en dier tegen de
atmosferische omstandigheden, maar het bewaarde ook de niet al te duurzame
(lemen) wanden voor lange tijd. Een behoorlijk onderhouden strodak had
onmiskenbaar ook een fraai uitzicht.
Het dekken van zo'n dak was dan ook het werk van een
bekwaam vakman, die de vernuftige techniek meestal van zijn vader of een oom
overgeërfd had. In de bevolkingsregisters zijn voor het Land van Nevele soms
hele geslachten van strodekkers aan te wijzen. Het laatste woonde in Merendree,
in de Lange Akkerstraat op de wijk Overpoeke. Gustaaf Van de Putte was er de
laatste afstammeling van. Op 16-jarige leeftijd had hij het vak geleerd bij zijn
oom Fredericq Van de Putte, van wie hij ook het materiaal overnam.
Ruim 55 jaar trok hij te voet met zijn gerief op de
rug en vergezeld van zijn vader August en zijn broers naar de plaatsen waar een
woning, een stal of een schuur van een strodak voorzien diende te worden. Als
materiaal verwerkte hij daarbij zowel roggestro van de boerderijen als riet dat
hij ging halen in de polders van Sint-Margriete.
De techniek
Vóór de dekker het dak met stro begon te dekken,
bracht de timmerman vanzelfsprekend een houten (dak)geraamte aan dat bestond uit
balken, kepers en (dak)latten. Die latten waren gekloven perchen
en lagen gewoonlijk op een 22 cm aftand van elkaar. Bij een grotere afstand was
het strodak vlugger versleten.
De strodekker begon zijn taak altijd met het leggen
van twee lagen (dial. lijnen of latten) tarwestro op de neuze(steert)
(= het over de muren uitspringende gedeelte van het dak). Die lijnen
werden horizontaal uitgespreid (het gat van de bundels stro naar onderen)
en vastgeklonken met bandroeden (die ook gekloven perchen waren).
Dat alles werd dan een de kepers van het dak vastgebonden met wissen.
Daarbovenop kwamen dan telkens nieuwe lijnen dekstro tot men de nok
bereikte. Langs de nok heen werd ook een bandroede aangebracht, die verstevigd
werd met een zinkdraad.
De nok werd dichtgemaakt door het opstaande stro aan
beide zijden over elkaar te vouwen en samen te binden. Sommige strodekkers
legden daar dan graszoden op. Onze zegsman, Gustaaf Van de Putte uit Merendree,
heeft dat procédé echter nooit toegepast; hij legde op de nok grote nokpannen,
die ruim 10 jaar standhielden. Voor woningen en ander "luxe"-werk
werden staande nokken gemaakt, waarbij het opstaande stro tegen elkaar
aangetrokken werd en waarop men dan gekromde wissen als sieraad plaatste.
Naast de gewone dekwijze, die de goedkoopste was, was
er ook een duurder procédé, dat men doorgaans het gedreven dak noemde.
Hierbij werd het dekstro dichter op elkaar uitgespreid en harder vastgelegd.
Bij de gewone dekwijze verwerkte de strodekker
ongeveer 4 kg stro per lopende meter. Zo'n dak hield zowat 30 à 35 jaar stand,
maar volgens de laatste strodekker uit het Land van Nevele was de zonzijde van
het dak een 3 à 4 jaar vroeger versleten dan de schaduwzijde: door de warmte
krulde het stro, het werd broos en brak vlugger af.
Elke dekker had ook een diender die o.a. al het
gerief en het materiaal moest aanbrengen en de bundel stro goed moest
uitschudden en de einden ervan rechtsnijden.
Het gerief
Allereerst had de strodekker twee dekpaarden,
die bestaan uit een houten geraamte en (bovenaan) een ijzeren haak. De haak
wierp hij over de latten van het dak en op het houten geraamte kon hij zijn
voeten plaatsen. Het dekpaard functioneerde dus als een soort stelling.
Verder beschikte hij over een paar messen:
Een ander werktuig was de klopplank, een houten
plank van 15 bij 25 cm waaraan een steel stak. Met de klopplank klopte de
dekker het stro effen dat over de neuze hing.
Hij had ook twee priemen, de haakpriem en de schuppriem,
die ertoe dienden de wissen aan de bandroeden vast te sjorren vooraleer
zij gebonden werden.
Tenslotte beschikte hij nog over een hamerbijl,
die, zoals het woord het zegt, tegelijk als hamer en als bijl kon fungeren.
Alle kleinere werktuigen pasten juist in de twee dekpaarden
die zelf ook in mekaar pasten. Zo kon de strodekker, als hij op stap ging, al
zijn materieel over de schouder op de rug dragen.
Onze zegsman, Gustaaf Van de Putte, werkte rond de
eeuwwisseling voor 7 stuivers en de kost. Hij dekte huizen, stallen,
schuren, paviljoenen, hokken waarin bijenkorven geplaatst werden, bolbanen, enz.
In 1918 heeft hij zelfs de noodkerk van Landegem met stro gedekt. Daarvoor
gebruikte hij 10.000 kg stro, dat toen met veel moeite bijeen gebracht kon
worden.
Met de opkomst van het pannendak is het strodak en ook
het strodekkersberoep verdwenen. Het strodak had nochtans voordelen die het
moderne pannendak niet bieden kan: 's winters was het er heel warm onder en 's
zomers lekker fris.