PEILING NAAR HET ANALFABETISME[1]
OMSTREEKS
HET EINDE VAN DE XVIIIde EEUW
AAN DE HAND VAN DE PAROCHIALE HUWELIJKSAKTEN
VAN HANSBEKE
(1779-1796)
door
Albert Martens
Inleiding
Uit de geschiedschrijving is ons bekend dat het intellectueel peil in ons land omstreeks het einde van de 18de eeuw op een laag pitje stond. Het aantal analfabeten was zeer groot.
Gedurende de hele periode die aan de invoering van de schoolplicht[2] voorafging, kwam hierin slechts langzaam enige verandering.
Nog vóór de eerste wereldoorlog verscheen van D. Stracke een vlugschrift met de intussen legendarisch geworden titel Arm Vlaanderen, waarin een schrijnend beeld werd geschetst o.m. van het lage geestelijke ontwikkelingsniveau van de Vlamingen.[3]
Enkele jaren tevoren schreef A. Van De Perre dat de Vlaamse provincies gezamenlijk nog 30% analfabeten telden[4], hoewel men van Hendrik Conscience (1812-1883) reeds had gezegd dat hij "zijn volk leerde lezen".
Zowel de geschiedkundige, die zich inzet om het verleden van een bepaalde streek te doorgronden, als (vooral) de familievorser, die meer in het bijzonder belangstelling opbrengt voor de evolutie van het voorgeslacht o.a. op cultureel en intellectueel gebied, hebben zich bij het uitpluizen van de oude archiefbronnen wellicht met verstomming een idee kunnen vormen van het massale analfabetisme in vroeger eeuwen.
Inderdaad, sommige documenten - zoals notarisakten, "informatien", enz. - moesten door onze voorouders ondertekend worden. Wie nu aandachtig de handtekeningen onderzoekt, stelt vast dat degenen die vlot en zonder enige aarzeling de pen hanteerden, een kleine groep uitmaken. Anderen schreven hun naam traag en moeizaam, zelfs op een stuntelige wijze.
Zeer talrijk waren echter degenen die hun naam niet konden schrijven en, als bewijs van kennisneming, een bepaald merk gebruikten[5] of noodgedwongen met een eenvoudig kruisje tekenden; blijkbaar werden sommigen zelfs hierbij geholpen door de griffier, die de pen mee vasthield.
Terwijl het hanteren van de pen uiteraard nog geen voldoende maatstaf is nopens de precieze ontwikkelingsgraad van de personen die hun naam konden schrijven, kan integendeel geoordeeld worden dat degenen die als handtekening een gewoon kruisje plaatsten, ongetwijfeld tot de groep van analfabeten behoorden.
Iets over parochieregisters
Ingevolge de besluiten van het Concilie van Trente in 1563 werden in de Nederlanden, vóór of na de daaropvolgende eeuwwisseling, schoorvoetend door de parochiegeestelijkheid registers aangelegd, waarin data en bijzonderheden betreffende dopen, huwelijken en overlijdens opgetekend werden.
Deze registers werden echter, zelfs na herhaalde aanmaningen van de kerkelijke overheid en richtlijnen van het burgerlijk bestuur, op uiteenlopende en onvolledige wijze bijgehouden[6]. Nog in 1778 werden dienaangaande in het Edict van 6 augustus, uitgevaardigd door de Oostenrijkse regering in de Nederlanden, de vroegere voorschriften hernomen en aangevuld[7]. Volgens het Edict dienden in de huwelijksakte o.m. naam, voornaam, geboorte- en woonplaats van de trouwers en van de getuigen vermeld te worden. De akte moest in twee registers ingeschreven en bovendien door de pastoor en de betrokken personen ondertekend worden, analfabeten zouden een merkteken plaatsen. Ook in verband met de doopakten golden gelijkaardige richtlijnen.
Indien het gevraagde dubbel niet gedeponeerd werd, zou de in gebreke blijvende pastoor van overheidswege beboet worden tot het betalen van 50 gulden.
Blijkbaar door deze realistische strafmaatregel werden in een aantal parochies de registers vanaf begin 1779, het eerste jaar waarin het Edict van 6 augustus 1778 van kracht was, op een gedetailleerder manier bijgehouden.
De doopakte werd er ondertekend door de vader van de dopeling, door de doopouders en soms door de vroedvrouw; de huwelijksakte door de huwende partijen, de huwelijksgetuigen en, ingeval één der trouwlustigen minderjarig was, eveneens door één van de ouders of door de voogd, indien die niet als getuige optrad.
De bedienaar van het sacrament vergewiste zich vooraf van de kunde of onkunde van de optredende personen zodat, naargelang van zijn bevindingen, in de akten allerhande formuleringen voorkomen zoals:
"interrogati an
scribere possent,
responderunt omnes quod non"
"interrogati an possent scribere,
responderunt pater et matrina quod non"
"interrogati an scribere possent,
responderunt sponsa et una testium quod non"
"solus sponsus scribit"
"omnes scribunt excepta secunda teste"
e.a.
Voor degenen die hun naam niet konden schrijven, werd onderaan de akte een plaatsruimte voorbehouden waar ze een kruisje plaatsten naast de passende aanduiding "chirographus (of signum) sponsa", "chirographus secunda teste"…
Door de organieke wet op de burgerlijke stand, daterend van 20-25 september 1792, werden alleen de ambtenaren van de burgerlijke stand bevoegd verklaard om akten op te maken. Dat betekende geenszins dat de geestelijkheid verboden werd haar eigen registers verder bij te houden. De parochiale akten verloren echter wel hun bewijskracht inzake burgerlijk recht. De toepassing van die wet werd in ons land tijdens de Franse overheersing bevolen door het Dekreet van 29 Prairal an IV (17 juni 1796).[8]
Dit en de troebelen van die tijd hadden wellicht tot gevolg dat de registers in de meeste parochies vanaf de tweede helft van 1796 nog enkel door de pastoor (of de onderpastoor) ondertekend werden.
De van 1779 tot 1796 ondertekende doop- en huwelijksakten verschaffen als zodanig bewijskrachtige gegevens i.v.m. de (meest elementaire) geletterdheid van een zeer talrijke groep personen.
Een op grote schaal doorgevoerde statistische analyse van dit omvangrijk materiaal zou vanzelfsprekend leiden tot een juist inzicht in het intellectueel niveau omstreeks het einde van de 18de eeuw bij een groot deel van de Vlaamse bevolking.
Reeds in 1922 raamde M.Sacré aan de hand van de huwelijksakten uit de jaren 1795 en 1796 het percentage ongeletterden te Merchtem op circa 60%.[9]
P. De Zuttere[10] schetste een beeld van het analfabetisme in de Kempen omstreeks 1779-1796, uitgaande van de doop- en huwelijksakten van Kalmthout (38%), Loenhout (52%) en Wuustwezel (36%).
Onlangs werd een beperkte peiling naar het aantal analfabeten verricht door dhr. F. Van Den Kerkhove[11] aan de hand van de parochiale huwelijksakten te Astene (6,28%).
Deze lovenwaardige, wellicht niet alleenstaande initiatieven op een nog praktisch braakliggend onderzoeksterrein, verdienen nagevolg en aangevuld te worden.
Parochieregisters te Hansbeke (1779-1796)

Wanneer de geslachten afzonderlijk beschouwd worden, blijken 60,2% mannen ongeletterd en 39,8% geletterd te zijn, terwijl men 85,6% ongeletterde en 14,4% geletterde vrouwen telt.


Indien enkel de groep analfabeten wordt beschouwd, blijkt die te bestaan uit 58,3% ongeletterde vrouwen en 41,7% ongeletterde mannen.

Tenslotte bevat de groep analfabeten 47,2% ongeletterde trouwers en 52,8% ongeletterde getuigen.

Enkele beschouwingen bij de resultaten van de peiling
Het is interessant hier enkele van de bedenkingen die dhr. F. Van Den Kerkhove in zijn bijdrage geformuleerd heeft, te hernemen en op bepaalde punten aan te vullen.
Vermits het onderzoek van de huwelijksregisters (1779-1796) te Hansbeke een lokale aangelegenheid betreft en het er aan bod gekomen aantal personen beperkt blijft, is het zeker gewaagd de hierboven in procenten geschetste bevindingen als algemeen geldende en met de werkelijkheid overeenstemmende maatstaven te aanvaarden.
Terecht heeft dhr. J. Verhelst opgemerkt dat de huwelijksakten in de periode 1779-1796 nog vaag en onvolledig zijn betreffende de vermelding van de geboorte- en woonplaats van de optredende personen.
Van de in de Hansbeekse huwelijksakten 1779-1796 vermelde personen kan het aantal autochtonen nochtans op circa drievierden geschat worden, terwijl de overigen geboortig zijn van of woonachtig in de 50 op de kaart aangeduide plaatsen, die liggen meestal in de omgeving van Hansbeke verspreid.
De in Hansbeke gehouden steekproef geldt ook maar voor een in hoofdzaak landelijk gebied en is zeker niet representatief voor een stedelijke bevolking. Bovendien kan een dergelijke peiling van dorp tot dorp verschillende resultaten opleveren, wat reeds voldoende blijkt uit het onderzoek van de huwelijksregisters van Astene, Hansbeke en de Kempische gemeenten.
Anderzijds behoren de in de huwelijksakten vemelde personen overwegend tot de jongere generatie, daar een van de getuigen vaak een broer of zuster van bruid en bruidegom is. De leeftijd van de betrokken groep ligt derhalve vermoedelijk onder het gemiddelde; in ieder geval behoren de optredende personen praktisch uitsluitend tot de actieve bevolkingsgroep.
Met inachtname van deze reserves mag men wel stellen dat een plaatselijke peiling als die te Hansbeke toch een benaderend beeld van de werkelijkheid schetst, of toch zeker enkele algemene krachtlijnen aftekent.
Vooreerst stelt men vast dat een zeer hoog percentage van de onderzochte groep niet in staat bleek een handtekening te plaatsen.
Die toestand was blijkbaar vrij algemeen voor de bevolking van het hele Vlaamse land, hoewel het berekende percentage misschien wel te sterk is geprononceerd.
In ieder geval was de geestelijke nood van onze voorouders reëel en massaal, te meer daar men ook nog rekening moet houden met het tamelijk groot aantal onzekere en misvormde handtekeningen, die op een onvoldoende ontwikkeling wijzen.
Het grote aantal analfabeten kan aan verschillende factoren van algemene aard worden toegeschreven.
Het dorpsonderwijs, dat vanouds door de parochiegeestelijkheid werd georganiseerd en gedurende het oud regime door de kerkelijke overheid werd gemonopoliseerd, bleef in hoofdzaak een geloofsonderricht.[14] Het beperkte zich meestal tot het aanleren van gebeden en catechismus; de elementaire vakken - lezen, schrijven en rekenen - waren soms van secundair belang. Alles werd aanvankelijk bijgebracht door de pastoor, de deservitor en vervolgens overgelaten aan de koster. Onder die "schoolmeesters" bevonden zich ongetwijfeld verdienstelijke en toegewijde personen. Nochtans kan niet ontkend worden dat sommige lesgevers niet of onvoldoende gevormd en/of minder bekwaam waren, waardoor de resultaten van het onderricht wel navenant zullen geweest zijn.
Door eeuwenlange vreemde overheersing bestond in onze streken bovendien een betreurenswaardige toestand van algemene verwarring en verwaarlozing, wat zeker niet bevorderlijk was voor de geestelijke verrijking van de bevolking[15]. Onder het Oostenrijks tijdvak bv. werden door een passieve regering praktisch geen noemenswaardige initiatieven genomen tot een degelijke uitbouw van het onderwijsnet[16]. De historicus H. Pirenne vermeldt dat in 1789 slechts 3% van de Vlaamse bevolking naar school ging.[17]
De schrale bezetting van de bestaande dorpsscholen wordt ook wel voor een deel verklaard door de sociale noden van de bevolking. De opgroeiende kinderen werden zo vlug mogelijk ingeschakeld in de strijd voor het levensonderhoud en moesten thuis of op het veld een handje toesteken. Een landbouwer die geen eigen grond bezat en dikwijls uitgestrekte akkers in pacht nam, kon zich geen betaald werkvolk veroorloven en derhalve niet standhouden zonder medehulp van zijn gezin.
Enkel de kinderen uit de gegoede stand konden voortgezet onderwijs genieten in één of andere (stads)school. Een nader onderzoek naar de identificatie van enkele zgn. geletterden te Hansbeke bv. toonde inderdaad aan dat ze behoorden tot vooraanstaande en welgestelde boerenfamilies. Anderzijds waren leden van een zelfde familie vaak allen geletterd (of ongeletterd), zoals blijkt uit een in dit opzicht representatieve huwelijksakte die achteraan als bijlage wordt toegevoegd.
Opvallend is ook het zeer hoge percentage ongeletterde vrouwen en het nog vrij hoge percentage ongeletterde mannen, wat betekent dat de analfabeten overwegend van het vrouwelijk geslacht waren.
Dat is zeker geen toevallig lokaal verschijnsel; de becijferde verhouding benadert wellicht vrij goed de werkelijkheid.
Volgens de beschikbare statistieken van de schoolbevolking in 1789 lag het aantal schoolgaande meisjes inderdaad over het algemeen lager dan het aantal schoolgaande jongens, hetgeen meteen een verklaring biedt voor de grotere ongeletterdheid onder de vrouwen dan onder de mannen. En ook in de voorgaande eeuwen zal de schoolgaande jeugd wel steeds overwegend uit jongens bestaan hebben of kregen jongens en meisjes een verschillende leerstof te verwerken. Dat was blijkbaar in hoofdzaak het gevolg van een aloude opvatting van onze voorouders, die het wel noodzakelijk vonden hun zonen in de elementaire vakken te laten onderwijzen terwijl hun dochters zich enkel in typisch vrouwelijke bezigheden dienden te bekwamen.
Die houding wordt bv. duidelijk geïllustreerd in de Staet ende verclaers van de goede, opgemaakt op 21 maart 1620 na het overlijden van Jacob Martens, baljuw te Hansbeke, die 9 kinderen achterliet waarvan de oudste vier gehuwd en de overige, vier zoons en een dochter, minderjarig waren. In die inventaris wed ingelast dat de weduwe, Lievine Clays fa Martins, tegenover de resp. voogden de verplichting op zich nam haere knechten[18] te doen leeren leesen ende schriven ende de walsche tale, omme hemlieden te manne commende te behelpen, ende ook het meyskin te doen leren hemden nachtdoucken ende dierghelyck tsyden ofte scheppen ende connen nayen om oock haer selfs vrauwe synde te connen behelpen[19].
Een voorbeeld van zo'n conservatieve mentaliteit vindt men ook omstreeks 1770 bij de oude Joannes Maenhout[20], landbouwer en weduwnaar van Maria Franscisca Haerens, die op herhaaldelijk verzoek van de deelvoogd, Pieter Lamme, weigerde zijn dochtertjes te laeten uytwoonen ter scholen in cloosters ofte sevire plaetsen niettegenstaande de meisjes alsnoch seer weynigh ter schoole gegaen waren ende mitsdien weynigh ervaeren waren inde lecture, schrijven, naeyen etc. Volgens zijn overtuiging hield hij de meisjes op het erf om bij hem te blijven leeren, wercken, observieren, de menargie inde lantsbauwerije.
Het uit de huwelijksakten te Hansbeke verzamelde cijfermateriaal leent zich ook in zekere mate tot een interpretatie in verband met de evolutie van het analfabetisme over een periode van circa 18 jaar. De per jaar gerangschikte gegevens, noch de voorstelling van het per jaar berekende percentage analfabeten in een zogenaamd histogram, geven echter als zodanig duidelijke informatie.
Het in de histogrammen geschetste beeld van de variatie, per jaar, van resp. het aantal ongeletterde mannen, de ongeletterde vrouwen en de ongeletterde personen (mannen + vrouwen) toont dit voldoende aan.


Indien het cijfermateriaal evenwel per 6 jaar wordt verwerkt, verkrijgt met de verzamelde percentages; ze worden in de overeenkomstige histogrammen voor hetzelfde tijdsinterval voorgesteld.

Op deze wijze wordt een gevoelige achteruitgang van het analfabetisme bij de mannen, nl. 7,2% over een periode van 16 jaar, zichtbaar. Bij de vrouwen is de achteruitgang van het analfabetisme over dezelfde periode minder opvallend en bedraagt slechts 2,2%.
De hieruit resulterende vermindering van het analfabetisme bij de totale groep ligt uiteraard tussen de genoemde waarden en beloopt 4,5% over dezelfde tijdspanne.
De peiling van dhr. F. Van den Kerkhove aan de hand van de huwelijksregisters 1779-1796 te Astene toont daarentegen aan dat aldaar de algemene evolutie duidelijk de richting van een toenemende ongeletterdheid opging wegens een regelmatige, duidelijke vooruitgang van het analfabetisme bij de mannen, terwijl bij de vrouwen een eerder op- en neergaande curve tot uiting kwam.
Dhr. F. Van Den Kerkhove is er zich wel degelijk van bewust dat de door hem vastgestelde schommelingen bij de vrouwen eventueel kunnen toegeschreven worden aan plaatselijke omstandigheden, maar tracht anderzijds algemeen geldende verklaringen te vinden voor de door hem vastgestelde opmerkelijke toename van het analfabetisme naar het einde van de 18de eeuw toe.
De factoren die hij in dat verband opsomt zullen ongetwijfeld een spectaculaire verhoging van het ontwikkelingsniveau hebben afgeremd, maar het zal wel altijd moeilijk blijven een verklaring te vinden voor een toename van de ongeletterdheid bij de mannen en een gelijktijdige afname van de ongeletterdheid bij de vrouwen.
De resultaten van onze peiling naar het analfabetisme aan de hand van de huwelijksakten van Hansbeke, die een duidelijke vermindering van de ongeletterdheid aantonen, zullen daarom wellicht dichter de werkelijkheid benaderen.
Zoals dhr. F. Van den Kerkhove concludeert, mag echter worden verwacht dat een confrontatie met andere gelijkaardige peilingen kan leiden tot een nog juistere weergave van het percentage en de evolutie van het analfabetisme bij de Vlaamse bevolking omstreeks het einde van de 18de eeuw.
Bijlage
Huwelijksakte uit het parochieregister van Hansbeke
Trigesima Aprilis 1785, factis tribus proclmationibus bannorum antenuptialium, contraxerunt matrimonium coram me infrascripto, Bernardus Willems ex hac parochia habitans in Oostcamp et Maria Joanne Canoot ex Nevel habitans in hac parochia minorennis consentiente et presente matre tutrice Maria Joanna Verhelst, testibus Joanne de Rijcke habitante in Oostcamp et Maria Joanna Verhelst habitante in Nevel, interrogati an possant scribere responderunt sponsa et secunda testis quod non.
J. Van Baeten, pastor
Bernardus Willems
Joannes De Rijcke
signum sponsa +
signum secunda teste +
(Rijksarchief Gent, Hansbeke, parochieregister nr. 5, fo 196).
Vrije vertaling
Nadat de 3 voorhuwelijkse afroepingen hadden plaatsgehad zijn in aanwezigheid van de ondergetekende op 30 april 1785 gehuwd: Bernardus Willems van deze parochie, wonend in Oostkamp, en de minderjarige Maria Joanna Canoot van Nevele, wonend in deze parochie, met instemming en in tegenwoordigheid van haar moeder en voogdes Maria Joanna Verhelst, en de getuigen Joannes De Rijcke, wonend in Oostkamp, en Maria Joanna Verhelst, wonend in Nevele; ondervraagd of ze konden schrijven antwoordden de bruid en de tweede getuige ontkennend.
J. Van Baeten, pastoor
Bernardus Willems
Joannes De Rijcke
merk van de bruid +
merk van de tweede getuige +
[1]Term waarmee over het algemeen het niet-kunnen-lezen en schrijven van de moedertaal wordt bedoeld.
[2]De leerplicht werd ingevoerd door de wet van 19 mei 1914; de ouders werden verplicht hun kinderen van het zesde tot het veertiende jaar naar school te sturen.
[3]D. STRACKE, Arm Vlaanderen, Uitgave van het Katholiek Vlaamsch Secretariaat, 1914.
[4]A. VAN DE PERRE, Waarom vragen wij Katholieken, de vervlaamsching der Gentsche Hogeschool,Uitgave van het Katholiek Vlaams Secretariaat.
[5]Ook min of meer ontwikkelde personen onderschreven de akten soms met hun naam, aangevuld met een zogenaamd huis- of handmerk; anderen onder hen plaatsten enkel een handmerk.
[6]J. VERHELST, De huwelijksregisters-oud regiem als bron voor sociale geschiedenis. Een ontgoocheling?, in Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, XXI (1967).
[7]Zesden Placcaetboek van Vlaenderen, deel I, Gent, 1786.
[8] M. MISPELON, Klim in je stamboom, Uitgave Familia et Patria, Handzame, 1970.
[9]M. SACRE, Historische Mengelingen. De ongeleerdheid te Merchtem op het einde der XVIIIe eeuw, in De Brabander, Tijdschrift gewijd aan Geschiedenis, Oudheidkunde, Folklore en Geslachtkunde, jg. i (1922), nr. 10.
[10]P. DE ZUTTERE, Loenhout en Wuustwezel. Analphabetisme op het einde van de XVIIIe eeuw, in Oudheid en Kunst. Algemeen tijdschrift voor Kempische Geschiedenis, uitgegeven door de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Brecht en Omstreken, 38e jg (1955), afl. 4.
[11]F. VAN DEN KERKHOVE, Peiling naar het analfabetisme omstreeks het einde van het oud regime blijkens de huwelijksregisters der gemeente Astene (1779-1796), in Vlaamse Stam, Maandblad van de Vlaamse Vereniging voor Familiekunde, jg VIII, nr. 3 (april 1972).
[12]Rijksarchief Gent, Hansbeke, Parochieregisters nr. 5 en 6.
[13]Ongeletterde: in de Zuid-Nederlandse betekenis volgens Van Dales Groot Woordenboek der Nederlandse Taal iemand die niet lezen of schrijven kan; cfr. geletterde: iemand die kan lezen en schrijven.
[14]F. MICHEM, Vinkt. Kerk en parochie, Uitgave in eigen beheer (1971).
[15]M. FAIPOULT, Mémoire statistique du Département de l'Escaut. Uitgave van de Imprimerie Impériale te Parijs, an XIII (1804-1805), heruitgegeven met inleiding en verklarende voetnoten door Dr. P. DUPREZ in: Oostvlaams Verbond van de Kringen voor Geschiedenis, nr. 3 (1960). M. Faipoult was van 1800 ot 1808 prefect van het Scheldedepartement.
[16]M.A. NAUWELAERTS, in Flandria Nostra. Ons land en ons volk. Zijn standen en beroepen door de tijden heen, deel III (1959).
[17]H.PIRENNE, Histoire de Belgique des Origines à nos jours, deel III (1950).
[18]Knechten = knechtjongens = jongens.
[19]Rijksarchief Gent, fonds Hansbeke, bundel 64.
[20]Zie: Dorpsgebeurtenissen uit vroeger eeuwen. Een Salomonsoordeel, in Berichtenblad, jg III (1972), afl. 2.