HET
LANDSCHAP VAN
HET LAND VAN NEVELE
door R. Tavernier
Onder landschap vertaan we die kenmerken van een streek die men visueel kan waarnemen. Enerzijds is dat de bodem met zijn reliëf en zijn hydrografie en anderzijds de natuurlijke vegetatie of wat de mens eraan verander heeft. Bij een bespreking van het landschap moet een onderscheid worden gemaakt tussen natuurlandschap en cultuurlandschap. Onder natuurlandschap verstaan we die kenmerken van het land, zoals ze door de natuurlijke evolutie tot stand gekomen zijn. Het cultuurlandschap omvat de kenmerken die een gevolg zijn van het inwerken van de mens op het landschap.
NATUURLANDSCHAP
Morfologie van het natuurlandschap
Het land is vlak en vertoont geringe hoogteverschillen; bovendien is het laaggelegen. Deze geringe hoogteverschillen hebben echter grote verschillen in de eigenschappen van de bodem tot gevolg. Een lage ligging betekent dat het land dicht bij de grondwatertafel ligt (in de streek "kwelm" genoemd). Die grondwatertafel bevindt zich op een zekere diepte en fluctueert; in het voorjaar ligt zij hoog, in het najaar laag. De topografische oppervlakte (het huidige reliëf) ligt een aantal meter boven die grondwatertafel. Wanneer nu de verschillen in hoogteligging gering zijn (ongeveer 1 m) dan kan het land droog liggen bij een relatief diep grondwater. Wanneer het grondwater stijgt kan het land natgelegen zijn en de landerijen kunnen zelfs overstromen. Dus hebben de lage ligging en de geringe hoogteverschillen van het land grote consequenties voor de waterhuishouding en de eigenschappen van de bodem. In de leemstreek bijvoorbeeld, waar het grondwater diep ligt en de verschillen in hoogteligging groot zijn, hebben de consequenties voor de bodem niet dezelfde betekenis als in het lage land.
Wanneer we nu het land van Nevele gaan situeren op de bodemkaart van België, merken we dat de kern van het land van Nevele gelegen is in het gebied tussen Kale en Leie.
Het laaggelegen gebied wordt gevormd door de vallei van de Kale en de vallei van de Leie. Aan beide oevers van de Kale en de Leie ligt het land relatief hoog. Wanneer we bijvoorbeeld uit Nevele vertrekken komen we eerst op een hoger gelegen gebied aan de Vos te Vosselare, dan dalen we af naar het laaggelegen gebied van de Moerstraat. Wanneer we ons vandaar naar de Leie begeven stijgt het landschap; aan de Leie-oevers liggen zelfs lokaal duinen.
Samengevat kan de topografie als volgt worden beschreven: twee rivieren, de Kale en de Leie, stuwen van het zuiden naar het noordoosten. Beide rivieren hebben een laaggelegen vallei; langs de valleien is het land hoger gelegen maar tussen de hooggelegen gebieden liggen weer lage gebieden.
In beide hoofdrivieren monden zijbeken uit, die uiteraard door de hoge ruggen moeten breken.
Daar nu de hoogte langs de Leie-oever hoger was dan de verhevenheid langs de oevers van de Kale, wateren ook die rivieren die dicht bij de Leie liggen af naar de Kale. De scheidingskam tussen de Kale en de Leie ligt dicht bij de Leie, wat bewijst dat de Kale vroeger de grootste afwateringsrivier was voor heel het land van Nevele. De Kale had vroeger een groot bekken en was een relatief belangrijke rivier. Nu is haar functie als afwateringsrivier grotendeels overgenomen door het kanaal van Schipdonk.
Genese of ontstaan van het natuurlandschap
Van het zuiden naar het noorden vinden we op een bepaalde diepte zandachtige, soms kleiachtige-zandachtige afzettingen. Die lagen hellen zachtjes naar het noorden en werden in de tertiaire tijd door de zee afgezet, ze zijn dus van marine oorsprong. Op die tertiaire lagen rusten, aan de oppervlakte, deklagen waarvan de dikte varieert tussen 0 en 20 m. Deze deklagen, quartaire lagen genoemd, zijn zand-leemachtig.
De samenstelling van de tertiaire lagen ziet er als volgt uit: ze bestaan uit zand dat groenachtig is van kleur. Soms bevat het zand schelpen, hout of klei.
Op bepaalde plaatsen zijn die zandlagen aaneengekit tot groenachtige zandsteen. Wanneer die zandsteen aan de oppervlakte kwam werd hij gebruikt voor het optrekken van gebouwen. Zo werden o.m. gedeelten van de kerk van Nevele met zandsteen gebouwd. Soms werd die zandsteen uitgegraven. Die putten, zogenoemde kareelputten, kan men nu soms nog aantreffen.
De tertiaire lagen werden geërodeerd, o.m. door de rivieren die insnijdingen hebben gemaakt. Daardoor is in het oorspronkelijk door de zee afgezette, relatief vlakke land een reliëf ontstaan. Het reliëf was in onze streek nogal uitgesproken en in Nevele zelf bereikt de depressie, die zich tot over de Leie uitstrekt, een diepte van ongeveer 25 m.
Voor het Land van Nevele komen in het Tertiair twee grote eenheden voor: enerzijds een diep ingesneden landschap, dat het landschap van de Vlaamse Vallei wordt genoemd; anderzijds een landschap waar het Tertiair dicht bij de huidige oppervlakte ligt. Dit is het geval bij Aalter waar het Tertiair op enkele centimeters van de oppervlakte ligt. In die afzettingen kan men nu nog mooie schelpen vinden.
Op die tertiaire lagen werden, hoofdzakelijk door de wind, lagen neergezet die we Quartair noemen. In het Quartair werden de grote tertiaire valleien opgevuld en werd de rest van het landschap met min of meer dikke lagen bedekt.
In die gebieden waar het Tertiair dicht bij de oppervlakte ligt, wordt de topografie beïnvloed door het reliëf van het onderliggend Tertiair. Wanneer bijvoorbeeld het Tertiair hoog ligt, ligt ook de topografie hoog. Geringe reliëfverschillen uit het Tertiair zijn nog merkbaar in de topografie. Het is alsof men een mantel legt over een landschap met geringe reliëfverschillen: wat onder de mantel steekt wordt enigszins vervaagd weergegeven. Waar de quartaire deklaag zeer dik is, speelt het tertiair reliëf niet meer zichtbaar door in de topografie.
Zowel de Kale als de Leie hebben in die deklagen een vallei uitgegraven. In de laatste 10.000 jaar is het peil van de zeespiegel verhoogd. Die verhoogde zeespiegel dwong de vallei ertoe zich op te vullen omdat met het stijgen van de zeespiegel ook het grondwater steeg.
De Kale was in die tijd nog een relatief kleine rivier en had niet voldoende materiaal om bij het stijgen van de zeespiegel de vallei op te vullen. Bij gebrek aan terrigeen materiaal, werd de vallei met veen opgevuld, zodat er een drassig, veenachtig gebied ontstond. Die turflagen worden op vele plaatsen in de vallei van de Kale gevonden. Hetzelfde proces deed zich voor bij de Leie. Maar die rivier had meer terrigeen materiaal zodat veen er zelden voorkomt of zelfs helemaal ontbreekt.
Tijdens de inschuring van de vallei, vóór de opvulling, had de rivier een min of meer steile wand. Op het einde van de IJstijden was het klimaat minder gunstig, zodat er ook minder vegetatie voorkwam. Uit de Kale en de Leie is dan in verschillende stadia materiaal uitgewaaid dat zich langs beide oevers heeft afgezet. Bij de Leie met veel materiaal, is het uitgewaaid tot op duinen. Die duinen waren zo hoog dat de zijrivieren er niet konden doorbreken, waardoor nu alles naar de Kale afvloeit. De Kale had weinig materiaal en het is tot kleine hoogten uitgewaaid.
Wanneer men bijvoorbeeld langs de kouter van Vosselare naar Landegem gaat, ziet men de lage ligging van de vallei, dan een min of meer steile wand van een paar meter hoog en uiteindelijk een hoger gebied: de kouter. Verder merkt men dan het gesloten landschap naar de Moerstraat. De scheidingsbeek tussen Landegem en Vosselare heeft zich door de kouter gegraven en een lage vallei gevormd.
In een gebied waar het reliëf sterk beïnvloed is door het reliëf van de ondergrond, is de topografie zeer grillig zodat we op korte afstand een afwisseling van hoge en lage gebieden aantreffen met hoogteverschillen van 1 tot 2 meter.
Waar het reliëf gevormd werd door afzettingen treffen we grote gebieden aan die aaneensluitend hoog liggen. Dit zijn de lange kouters die men volgt van Deinze naar Merendree.
Tussen die verhevenheden liggen lage gebieden. Daar op de hoge gebieden het grondwater nooit tot dicht bij de oppervlakte komt, zijn die kouters droog.
Op de laaggelegen gronden kan het grondwater 's winters tot dicht bij het oppervlakte stijgen; zij zijn dus vochtig.
Natuur van de grond (textuur)
De hoge ruggen of kouters zijn zandig. De lage gronden bestaan uit leem tot zware leem. Het land van Nevele vormt een uitzonderingsgebied. Wanneer we even de bodemkaart bekijken, zien we dat het leemgebied normaal veel meer zuidwaarts ligt. Bovendien ligt het land van Nevele op de grens van de zandleemgrond en de echte zandgrond in het noorden (Meetjesland). Het feit dat ons gebied uit droge zandgrond en natte, zware leemgrond bestaat, heeft een invloed gehad op de geschiedkundige ontwikkeling van de streek.
Vegetatie
Over de oudste vegetatie is niet zoveel geweten, wel over de vegetatie van de laatste 10.000 jaar. De natuurlijke vegetatie is reeds lange tijd een bosvegetatie, hoofdzakelijk een gemengd eikenbos met verschillende varianten. Op rijkere gronden was het een Querceto carpinetum, op armere gronden een Querceto betuletum.
De bossen werden door de mens gerooid, zodat er nu om zo te zeggen geen natuurlijke bossen meer zijn. De mens heeft het bosbestand grotendeels gewijzigd.
CULTUURLANDSCHAP OF MENSELIJK LANDSCHAP
Paleolithicum of oudsteentijdperk
Dit is het tijdperk van de gespleten steen: voorwerpen werden gemaakt door het splijten van de steen, niet door hem te polijsten.
In onze streek zijn er weinig indicaties van menselijke bewoning. Waarschijnlijk hebben hier mensen geleefd, maar dan een zeer schaarse bevolking. De paleolithische mens deed niet aan landbouw, wel leefde hij van jacht en visvangst.
Mesolithicum
Dit is de overgangsperiode van het oudsteentijdperk naar het nieuwsteentijdperk, dus de overgang van het tijdperk van de gespleten steen naar het tijdperk van de geslepen of gepolijste steen.
Op relatief veel plaatsen werden in onze streek stenen uit deze periode gevonden. De bevolking bestond uit jagers en vissers. Ze vestigden zich langs de rivieren (= visvangst) of in de bossen (= bessen en eikels). Bewoningsindicaties uit deze periode komen in onze streek reeds veelvuldig voor.
Voor het land van Nevele is er om zo te zeggen niets geweten over de bevolking uit die tijd. Uit de aanpalende gebieden zijn ons echter gegevens bekend over de neolithische landbouwers. Het waren merendeels kuddehouders die subsidiair aan landbouw deden. Ze hielden vee dat min of meer gedomesticeerd was en hun bedrijven waren klein.
Celtic Fields
Op het einde van het Mesolithicum werden in de omringende gebieden zgn. Celtic Fields gevonden. Dit zijn landbouwpercelen uit de IJzertijd. De percelen zijn zeer klein, amper de grootte van een tuin, ze liggen in blokken samen en in de Zandstreek was elk perceeltje door een zandheuveltje van het andere afgescheiden. Men vermoedt dat elk perceeltje toebehoorde aan een lid van de nederzetting. In het land van Nevele zijn die perceeltjes niet meer terug te vinden, waarschijnlijk omdat de bevolking nadien zo dicht was dat ze zich op die plaatsen is gaan vestigen.
Ontginningen
De mesolithische landbouwers hebben het land ontgonnen en huizen gebouwd. Sommigen bouwden in de vallei (bv. in de vallei van de Leie bij Afsnee) paalwoningen. Mogelijkerwijze waren er ook in ons gebied paalwoningen, maar nooit werden ze teruggevonden. Anderen vestigden zich op de droge hoogten. Deze landbouwers hebben vermoedelijk bonen gekweekt omdat de graangewassen bij ons toen nog niet bekend waren. Pas in de IJzertijd is er bij een bodemonderzoek een toeneming van het stuifmeel, afkomstig van graangewassen, waar te nemen.
Landname
Die landbouwers hebben geen grote invloed gehad op het landschap van het land van Nevele, dat nog dominerend bos was.
Tussen de bossen lagen oasen van ontgonnen gebieden waar mensen leefden die aan landbouw deden, maar vooral van veeteelt leefden.
Veeteelt
Het vee leefde hoofdzakelijk min of meer gedomesticeerd in de bossen. Omdat men 's winters geen voeder had, kweekte men vee dat na één seizoen slachtrijp was. Alleen de dieren bestemd voor verdere kweek mochten overwinteren; ze werden gevoederd met eikels uit de omringende bossen.
Over deze periode bezitten we helemaal geen geschriften, we zijn dus aangewezen op opgravingen.
NIEUWSTEENTIJDPERK OF NEOLITHICUM
De bevolking deed aan sedentaire landbouw maar vooral aan veeteelt. Domesticatie van dieren kwam zeker reeds voor: waar mensen wonen is er voedsel en daar kwamen de dieren het ook zoeken. De sedentaire landbouwers vestigden zich op een bepaalde plaats en bleven er wonen.
ROMEINSE TIJD
De geschriften die ons sedert de Romeinse Tijd zijn overgebleven vertellen ons zeer weinig over de landbouw. Ze handelen over grote heren, veldslagen en oorlogen, maar niet over de landman.
Uit deze tijd weten we dat ganzen werden gekweekt. Waar de bevolking zich vestigde is niet met zekerheid uit te maken. We mogen aannemen dat ze niet de zeer droge gronden hebben uitgekozen want die waren onvruchtbaar; ook de zeer vochtige gronden hebben ze vermeden. Vooral uit de geschriften van Tacitus (54-117 v.Chr.) vernemen we iets over de landbouw in onze streken. Hij licht ons in over het drieslagstelsel. Bij dit systeem teelde men jaarlijks op een bepaald perceel of groep van percelen, een ander gewas. Eerst was dat een wintergewas, dan een zomergewas en het derde jaar bleef het perceel braak liggen, om het weer vruchtbaar te laten worden, en om het onkruid te kunnen meester worden. Bovendien kon men de braak nog eens laten begrazen. De enige vorm van bemesting was het bemergelen van de grond. In sommige gebieden kende men de lange braak, waarbij men de grond weer liet overwoekeren met struikgewas. In onze streek, met zijn intensieve cultuur, was de lange braak zeker reeds verdwenen. In de Ardennen bv. is hij lang blijven voortbestaan. Dat is ongeveer alles wat de geschriften ons uit die tijd meedelen. Andere gegevens over de landname moeten we gaan zoeken in de toponymie of de plaatsnamen van de bewoonde plaatsen en de perceelsnamen.
Wanneer men nu de namen van de belangrijkste plaatsen, zoals dorpen en gehuchten, bekijken, constateren we dat ze van Germaanse oorsprong zijn.[1] In meerderheid zijn het -gem-namen. Steunend op de toponymie mogen we zeggen dat onze landname een Frankische landname is.
Dat kunnen we als volgt verklaren: vóór de komst van de Franken was de bevolkingsdichtheid hier zo dun, dat ze zich hebben kunnen neerzetten op de plaatsen die vrij waren; ofwel is met de inval van de Franken de oorspronkelijke bevolking op de vlucht geslagen en heeft ze het land achtergelaten. De waarheid ligt naar alle waarschijnlijkheid in het midden: het land was dun bevolkt en bij de inval van de Franken is een groot gedeelte van de oorspronkelijke bevolking weggetrokken. Natuurlijk hebben de Franken ook zelf gebieden ontgonnen.
Frankische landname en toponymie in het land van Nevele
1. De -gem- en -zele-namen (bv. Lovendegem, Zomergem, Meigem, Landegem, Poesele): -gem = heim en betekent "woonplaats"; het eerste lid is een persoonsnaam. Vanaf de 4e tot de 8e-9e eeuw waren de -gem-namen actief in ons gebied. Nadien werden christelijke namen, namen van kerken en kapellen gegeven aan dorpen en gehuchten. In ons Land van Nevele komen weinig dergelijke namen voor. We mogen hieruit besluiten dat in de Frankische periode de voornaamste landname reeds gebeurd is. Deze landname vertoont een gemeenschappelijk kenmerk: de Franken gingen zich systematisch vestigen op de rand van de vallei; zo liggen bv. Vosselare, Landegem en Merendree op de rand van een vallei, omdat het droge plaatsen zijn en toch niet ver verwijderd van het water. Wat zij als landbouwgrond gebruikten kan men niet met zekerheid bepalen.
J. Lindemans heeft geprobeerd een correlatie te vinden tussen -gem-namen en kouter-toponiemen. Hij beweert dat de eerste landbouwers kouters hebben gebruikt; de naam ontleenden ze aan de Gallo-Romeinen (kouter < Lat. cultura). Tegen deze opvatting zijn nogal wat bezwaren in te brengen:
o In enkele gebieden komen -gem- namen voor maar geen kouter-toponiemen (bv. in het meetjesland). In de Leemstreek komen -gem-namen voor maar het land wordt er akker genoemd.
o Op zeer veel plaatsen zijn kouters droge, slechte gronden.
o De documenten vermelden het toponiem kouter pas vanaf de 10e-11e eeuw. In vroegere documenten spreekt men voor onze streken van Lat. agrum "akker".
Men kan dus betwijfelen of het land dat door de eerste landbouwers werd gebruikt werkelijk op de kouter lag. Ook kan de vraag gesteld worden, indien ze dan toch hun landbouwgronden op de kouter liggen hadden, of ze die niet den akker noemden. We weten wel waar de landbouwgrond niet lag, nl. waar later de veld- en bosnamen voorkwamen.
2. Dries-toponiem. Het is een zeer verspreid toponiem, o.m. in Landegem, dat zijn Kapellendries, Poeldendries, Varendries, Heistendries, Wildendries en Slindonkdries kent of kende.
Wat zijn driesen
Inhoudelijk had de dries, zoals de kouter, iets te maken met bepaalde landbouwtechnieken. Soms verdwijnt die techniek, maar de naam blijft bestaan. Men kan dus niet besluiten dat een dries overal hetzelfde is.
Wat was een dries in het land van Nevele
Als voorbeeld nemen we de Wildendries. De Wildendries ligt aan de Wildebeek op de rand van de kouter. De dries was een pleintje waarrond de boerderijtjes geschaard waren, meestal met hun stallen naar het pleintje gericht. Op dat gemeenschappelijk pleintje lag een drenkput en het vee werd er 's avonds samengedreven.
Achter de dries lagen eerst de tuinen van de boerderijen, dan het landbouwland en verder het weiland. Langs een driftweg bereikte men door het akkerland de weiden. Daarom was de driftweg, waarlangs men het vee dreef, afgesloten met slaghout. Later veranderde driftweg in het nog vaak voorkomend toponiem dreef.
Wat is er nu de oudste landname: de kouters en -gem-namen of de driesen? Een verklaring voor kouter en -gem-namen kennen we; bij dries blijven het hypothesen. Was er misschien een landname vóór de kouter- en -gem-namen? Indien dit het geval is duikt een nieuw probleem op: waarom zijn er zo weinig dorpen of gehuchten die een dries-naam bezitten? Voor het hele land zijn er slechts enkele te vermelden, de Frankische namen domineren duidelijk. We mogen wel aannemen dat de eerste bewoners veehouders waren en geen landbouwgronden bewerkten. Ze beschikten over gemeenschappelijk weiland.
3. Es of -enk toponiemen. Deze toponiemen houden onmiddellijk verband met het gebruik van de potstal, d.i. een stal waarin het vee 's winters verbleef en waar de mest zich opstapelde. Alleen in het noorden van ons gebied is deze techniek belangrijk geweest.
4. Bulk en stuk toponiemen. Bulk betekent "beloken, afgesloten". In een bulkenlandschap komen zeer veel perceelsnamen voor. Een bulkenlandschap met zijn afgesloten percelen staat in fel contrast met het open kouterland, waar geen perceelsnamen genoteerd worden.
Over het verschil tussen kouter en bulken en het verband tussen beide ontginningsnamen wordt volgende hypothese vooropgesteld:
Bulken zijn natte gronden. Om het natte land te ontwateren werden grachten gedolven op regelmatige afstand van mekaar. Hoe natter de grond, des te dichter de grachten bij mekaar lagen. Zo ontstonden afgescheiden percelen. Langs de grachten werden bomen geplant of een gordel van struikgewas (de kanten) om het vee uit het perceel te houden. Daar de vochtigheid van de percelen ongelijk was, konden de bulken niet gemeenschappelijk en op hetzelfde ogenblik bewerkt worden.
Kouters zijn gronden van gelijke droogte; ze kunnen dus op dezelfde manier en op hetzelfde ogenblik bewerkt worden. Dit liet een drieslagstelsel toe met verplichte rotatie. Bovendien was het land onveilig. De landbouwers moesten samen in groep gaan wonen. Die grote kouter moest bewaakt en beschermd worden en werd afgesloten met een zgn. wildvang. Op de enige weg naar die kouter, het koutergat, kon gemakkelijk een bewaker geplaatst worden. Langs die hoofdweg kon elk zijn eigen perceel bereiken. Alle percelen werden gemeenschappelijk en tegelijkertijd bewerkt. Deze verplichte rotatie is in Engeland blijven bestaan in de 17e eeuw (enclosure). Het systeem komt uit Picardië of Artesië. De naam zelf vinden we in bronnen van de 10e-11e eeuw. Of dat land reeds vroeger landbouwland was, met een andere naam, weten we niet.
Het probleem waarom niet overal kouter toponiemen aangetroffen worden, kan worden verklaard uit de aard van de bodem. Waar de bodem ongelijk is van vochtigheid (bv. in Bellem), verbood de natuur de techniek van de kouter, namelijk de gezamenlijke, gelijktijdige bewerking van de grond.
Er zijn verscheidene redenen om de ondergang van het kouter-systeem te verklaren.
Door de gezamenlijke bewerking (Duits: Flurzwang) werd de afzonderlijke bewerkers geen vrij initiatief overgelaten. Zolang er onrustige tijden heersten was de voornaamste bedoeling van de landbouw voedsel voort te brengen om in leven te blijven en dus was die dwang niet zo drukkend. In rustige tijden is de landbouw echter een middel om geld te verdienen. Om handel te drijven moet men aan speculaties kunnen doen en vruchten telen die marktwaarde hebben. Met de opkomst van de steden ontstond een bevolkingsgroep die zelf geen landbouwproducten voortbracht. De landbouwers wilden dus producten voortbrengen voor de markt. Daar nu de kouter geen vrije keuze toeliet, moesten de gewassen buiten de kouter geteeld worden.
Samenvattend zijn dit de voornaamste kenmerken voor het land van Nevele: op de droge, hoge kouter komen geen perceelsnamen voor; in het gesloten bulkenlandschap treffen we wel afzonderlijke perceelsnamen aan; bovendien is het gebied rijk aan dries-namen. We kunnen dat verklaren door de bodemgesteldheid en door de gebruikte landbouwtechnieken.
Om te besluiten spreek ik de wens uit dat de heemkundige kring de oude toponiemen verder zou verzamelen, omdat ze voldoende materie bieden om tot een wordingsgeschiedenis van ons land te komen. Het belangrijkste deel van de bevolking leefde in het land. De geschiedenis van de ontwikkeling van dat land, de cultuurname, is een belangrijk deel van onze geschiedenis.
[1]
TAVERNIER, C., De gemeentenamen van het Land van Nevele, in Berichtenblad
van de heemkundige kring "Het Land van Nevele", jg. I
(1970), afl. 4, p. 2-8.