VLASTEELT,
EEN VERDWENEN CULTUUR
IN NEVELE
door Antoine Janssens
Eens zag men heinde en ver in Nevele de vlasakker of vlasaard bloeien. Nu is de cultuur van het vlas (Linum usitatissimum) volledig in Nevele en omstreken verdwenen.
Vlas vraagt een diepe, humusrijke leem- of zandgrond. Zware kleigronden zijn te besloten en echte zandgronden houden te weinig het water op om een goede cultuur te kunnen verzekeren. Nevele bezit geen humusrijke leemgronden, terwijl de zandgronden er te droog zijn. Vroeger verhuurde een landbouwer zijn akker die voor vlasteelt geschikt was aan een vlashandelaar, die zelf de grond bemestte en bezaaide en de landbouwer een pachtprijs betaalde.
Enerzijds werden in Nevele volgende vlassoorten gekweekt: Parcello, ontstaan uit een mengeling van Concurrent met Texala. Zij heeft een blauwe bloeikleur, is vroeger ontwikkeld maar later rijp. Zowel het vezelgehalte als de vezelkwaliteit zijn uitstekend. De tweede soort, Concurrent, is een selectie uit Fries witbloei vlas. Ze heeft een goede stro- en zaadopbrengst en verzekert een rijke oogst. De vezel is lang en van hoge kwaliteit. Het gekweekte vlas werd bewerkt aan de Leieboorden te Zulte, Olsene, Beveren-Leie, Desselgem en Ooigem.
Aan de hand van de landbouwtellingen kan worden nagegaan hoe de vlasteelt in Nevele voortdurend achteruit ging.

Uit
de statistiek blijkt dat sinds 1967 in Nevele geen vlas meer gezaaid wordt.
De laatste vlastelers te Nevele waren: Leon De Meester, André De Meyer, Jozef
Verstraete, Alfred Van Loocke, August Van de Velde, Bruno Cocquyt, René Van
Nevel, Bruno De Ketelaere, Alois Schelstraete en Jules Schelstraete.
In de oude vlastijd ging de landbouwer te werk volgens vaste regels en gebruiken.
Tussen 1 en 15 april zaaide hij zelf het vlas uit de hand, indien de weersomstandigheden gunstig waren: dat betekent windstil en geen te nat weer. De oppervlakte van een vlasaard varieerde van 2,5 tot 3,5 ha. Vóór 1930 teelden veel kleine bedrijven vlas, dat ze achteraf aan de man brachten. Maar na de tweede wereldoorlog legden alleen nog grote bedrijven zich toe op de vlasteelt.
Tijdens het opschieten van het vlas kropen groepen vrouwen wiedend over de vlasaard. Aan nieuwe wiedsters werd gezegd dat ze de eerste dag een krapper of hakje mee moesten brengen. Toen ze op het veld verschenen werden ze door de oudere wiedsters op gelach onthaald omdat vlas met de hand wordt gewied. Het wieden werd herhaald tot men het vlas begon te slijten. Eertijds werd het vlas soms door groepen van 20 arbeiders met de hand uitgetrokken. Zo konden ze tot 60 roeden per dag slijten.
Na 1945 verdrong de slijtmachine het handwerk. Een slijtmachine getrokken door een paard had een snijbreedte van 40 cm. Wanneer de machine door een tractor werd getrokken bedroeg de slijtbreedte twee maal 40 cm. Nadat het vlas was gesleten of uitgetrokken werd het in hagen gezet. In de hagen droogde het vlas 8 tot 14 dagen, dan werd het in mijten gestapeld. De mijt werd gebouwd op een aslijn lopende van zuid naar noord, opdat de mijt eens per dag aan beide kanten de zon zou krijgen en dus beter zou drogen. Eerst werd het staande gedeelte geplaatst, daarop werden, met het zaad naar buiten, de bundels vlas neergelegd. Zo werd in het midden een dikte verkregen die achteraf de dakhelling gaf. Die vlasmijt werd later verkocht op het veld aan 3,5 fr. tot 4,5 fr. per kg voor kwaliteitsvlas. De vlasmijt werd geladen, gewogen, betaald en verdween naar de grote bedrijven.
Vóór de Eerste Wereldoorlog ging het er echter anders aan toe.
Reeds tijdens het opschieten van het vlas, ging de boer bij zijn buren geschikte slijters aanwerven, gewoonlijk een 20-tal per vlasaard. Toen de tijd van slijten was aangebroken werd de koeier uitgestuurd om de slijters op te roepen. Om 5 uur trokken ze naar het veld nadat hen op de boerderij koffie, brood en vlees was aangeboden. De mannen gingen aan het slijten en tegen de middag was alles uitgetrokken. Ondertussen hadden de vrouwen al de bundels of bonningen gebonden en de jongens brachten ze naar de rootmeers (rotmeers) of rootput (rotput) die gewoonlijk dicht bij een vlasaard lag.
Aan de rootput waren er gewoonlijk 4 of 5 vlasrepen opgesteld, elk door twee mannen bediend. Ze zaten aan beide zijden van de reep en verwijderden de zaadkoppen, irns genoemd, van het vlas. Na het repen werden de bundels weer dichtgebonden en overgereikt aan de mannen in de rootput. Zij staken het vlas "ten rote" en dekten alles af met stro waarop graszoden of gèszons werden gestapeld om het vlas onder water te houden. Tegen het vallen van de avond was dit werk klaar. De arbeiders werden dan op de hoeve verrast op slijtpap. In latere jaren werd het jenever en voor een tiental jaren veranderde die jenever in bier!
Naargelang van de hoeveelheid vers water dat de rootput kreeg gedurende het rootproces, bleef het vlas 10 tot 14 dagen in het rootwater. Toen werd het weer uitgehaald, op en weide opengespreid en herhaalde malen gekeerd om goed te drogen. Na het drogen werd het vlas weer gebonden en in de vlasschuur van de hoeve getast.
In de lange winteravonden begon het braken; tussen draaiende walsen moest de stengel gebroken worden. Dan volgde het zwingelen met het zwingelberd. Sinds 1800 gebeurde het met een zwingelmolen, toch werd goed vlas eerst verslegen en daarna nog eens gezwingeld. De afval van de eerste bewerking noemde men de vuile klodden, die van de tweede bewerking de schone klodden. Een zwingelaar kon dagelijks 4 à 5 kg vlas bewerken met het berd. Met de zwingelmolen steeg de dagproductie tot 10 à 15 kg. Het schoon gezwingeld vlas werd in zakken gebonden van een steen grootte, d.i. ongeveer 3 kg; de prijs per steen bedroeg 3 fr.
Nu was de grote dag aangebroken. Vlashandelaar Seun De Graeve van Hansbeke richtte zijn bureau op in de herberg "De Roos" op de Markt van Nevele. In zakken van 100 kg brachten de landbouwers hun waar; hiervoor gaf hij ongeveer 80 à 90 fr. per zak. Voerman Bettens bracht dan alles per voermanswagen naar Hansbeke. De vuile en schone klodden bracht de landbouwer naar de touwslagerij Dobbelaere te Nevele; hiervan werden koetouwen gedraaid. De lemen of gebroken vlasstengels dienden voor het afdekken van voorraadputten. Ook de bakovens op de hoeve werden ermee opgewarmd. Het vlaszaad, hier lijnzaad genoemd, werd naar de oliemolen van Buysse-Loveling gebracht. De olie werd eruit geperst en men maakte er lijnzaadkoeken en lijnmeel mee.
Tot 1936 werd te Nevele geroot. Tijdens de oorlog, in 1943, werd nog eens geroot, maar na 1943 verdween ook de vlasverwerking op de hoeve.
Met de oorlog in Korea ging al het ijzeren materiaal zoals braak- en zwingelmolen naar de schroothandelaar.
Hoewel eerste klas vals nog heden goed betaald wordt en de teelt ervan lonend blijft ging de vlascultuur in het Nevelse definitief ten onder. De grootste oorzaak van het verval ligt in de aard van de grond.
Zoals we reeds hebben aangetoond is niet elke grondsoort geschikt voor vlasteelt. Wanneer een landbouwer een geschikt perceel bezat zaaide hij er, na bemesting, ieder jaar vlas op. Na enkele jaren echter wordt die grond vlasmoe. Dan treden allerlei ziekten op, zoals het te vroeg afsterven van de stengels, waardoor de kwaliteit sterk vermindert, de prijs daalt en het dus voor de landbouwer niet meer lonend is. Om dat te verhinderen zou een landbouwer maar om de 4 jaar, zelfs om de 6 à 7 jaar, vlas mogen zaaien op hetzelfde perceel. Maar dan is er van intensieve cultuur geen sprake meer. De ongeschiktheid van de grond is er dan ook de oorzaak van dat de ene landbouwer na de andere afzag van die teelt, ondanks de premie die de staat toekende. Dhr. J. Schelstraete was in 1967 de laatste vlasser van Nevele, maar het volgende jaar gaf hij ook de teelt op. Met het verdwijnen van de vlasteelt verdween ook de mooie blauwkleurige vlasaard uit het Nevelse landschap.
Staatspremie aan de producent voor vlasteelt

(De volgende jaren werd de premie afgeschaft)
Uit het dagboek van vlasteler Jules Schelstraete
| Opbrengst per ha |
Opp. in ha |
Opbrengst per ha |
Geld- waarde |
Premie | Uitgave voor slijten | Aankoop zaad | Kg zaad | ||
| 1960 | 14.345 fr | 2,03 | 17.000 fr | 29.120 fr. | geen | 1.575 fr. | 3.788 fr. | 303 | 11.000 fr. verlies door regen |
| 1961 | 1.261 fr. | 2,23 | 1.250 fr. | 3.795 fr. | 345 | mislukt, vervangen door zomergerst | |||
| 1962 | 26.138 fr. | 2,61 | 23.490 fr. | 67.220 fr. | 2.000 fr. | 4.619 fr. | 427 | 2.000 fr. schade door het leggen van pijpleiding | |
| 1963 | 21.580 fr. | 2,55 | 19.975 fr. | 55.030 fr. | 2.000 fr | 2.970 fr. | 4.278 fr. | 380 | |
| 1964 | 29.575 fr. | 0,93 | 8.100 fr. | 27.505 fr. | 2.000 fr. | 1.060 fr. | 1.866 fr. | 160 | |
| 1965 | 28.063 fr. | 1,12 | 8.340 fr. | 33.430 fr. | 2.000 fr. | 1.300 fr. | 1.654 fr. | 160 | |
| 1966 | 7.822 fr. | 2,14 | 12.460 fr. | 16.740 fr. | 2.000 fr. | 6.098 fr. | 494 | ||
| 1967 | geen vlas meer gezaaid | ||||||||
Bronnen
De
landbouwtellingen (gemeentearchief Nevele).
Vragenlijsten over het vlas, verstuurd aan de laatste vlassers te Nevele.
Gegevens en cijfermateriaal van dhr. J. Schelstraete.
Mondelinge mededelingen van dhr. René Van Hese, die als koeier veel zelf heeft
meegemaakt op de hoeve van weduwe De Ketelaere te Nevele.