HENDRIK VAN DOORNE:
DE POEKSE GEZELLE-DISCIPEL

door Jozef Van de Casteele

 

Is het gedicht "Poucke" van Gezelle tamelijk bekend, dan bleef de bekendheid van Hendrik van Doorne, die onmiddellijk betrokken is bij deze verzen, eerder beperkt tot de Gezelle-vereerders. Natuurlijk hebben de Gezelle-biografen en commentatoren heel wat meegedeeld over de betrekkingen van de Poekenaar met de illustere dichter.[1] De laatste jaren werd van Doornes handel en wandel nog verder onderzocht: de Nederlander Westenbroek wijdde er een twintigtal bladzijden aan en J. De Muelenaere deed in een paar degelijk gefundeerde artikels belangrijke onthullingen en kon hiermee enkele verkeerde stellingen rechtzetten.[2]

Tot beter begrip van onze losse beschouwingen beginnen we met een zakelijk levensbericht van de Poekse Gezelle-discipel.

Hendrik K.E. van Doorne werd op 16 april 1841 te Poeke geboren als tweede kind van notaris Joannes van Doorne. Zijn moeder, Augusta Van Eeckhaute, overleed te Poeke in 1842. Zijn vader hertrouwde later met Justina Van de Velde en uit dat huwelijk ontsproten nog 4 kinderen. In 1854 wordt hij collegeleerling van het Klein Seminarie te Roeselare. Het is een mijlpaal in zijn leven, want daar deelt hij in die toegewijde genegenheid en vriendschap van Gezelle voor zijn leerlingen.

Toen Gezelle in 1860 naar een Brugs college overgeplaatst werd, zal van Doorne ook dat college bezoeken. In 1861 komt de Poekenaar op het Engels Seminarie waar Gezelle toen onderrector was. In 1865 wordt hij priester gewijd en zal als missionaris in Engeland werkzaam zijn. Na enkele hulpbedieningen bekleed te hebben, wordt hij aangesteld als rector in de Londense voorstad Brixton waar onder zijn impuls een bloeiende katholieke parochie uitgebouwd wordt.

In 1900 legt hij zijn ambt neer en vestigt zich te Poeke in het vaderlijk huis waar hij sterft op 13 september 1914.

Laten we nu in chronologische orde feiten en gebeurtenissen volgen uit het leven van H. van Doorne die in verband staan met zijn geboortedorp. Is van Doorne sterk "verwestvlaamst", is zijn taal opvallend West-Vlaams getint, is hij een priester uit het bisdom Brugge, is hij een actief strijder voor de heropleving van de Vlaamse taal of beter het West-Vlaams, dan kan Poeke toch niet weggecijferd worden uit dat rijk gevulde leven.

 Zijn afstamming

 Als we voor de hoofdgevel van de kerk van Poeke staan, dan treft ons aan de rechterkant van de hoofdingang de witte grafsteen in de muur gemetseld met het volgend inschrift:

Begraefplaets
van Mr Joseph Ivo
Van Doorne
in leven baillu notaris
en meyer dezer gemeente
overleden den 11 augustus 182…
en Juffrouw Isabelle
Vaerman
Zijne echtgenote overleden
den 24 december 1826
hunne kinderen
1° Henricus priester
overleden den 27 november 1835
2° Joseph priester te Oudenaarde
3° Maria bezondere te Gend

4° Joannes notaris te Poucke

5° Anna bezondere
Overleden den 15 february 1825
6° Louis bezondere te Gend
RIP

In 1842 werd de oude kerk te Poeke afgebroken en de nieuwe werd in 1844 ingezegend. Het bidprentje van Joannes van Doorne[3] getuigt van deze "door zijnen iever de tegenwoordige Kerk, met de grootste tegenkantingen tot stand gebragt heeft".

In 1845 werd een gebarsten klok hergoten die in haar opschrift de naam van "J.-A.-G. van Doorne, burgemeester peter" draagt.[4]

Hieruit blijkt dat de familie gekenmerkt wordt door haar rol die ze in het openbaar leven vervult en door haar godsdienstbeleven.

 Het woonhuis

De van Doornes bewoonden te Poeke een ruim herenhuis in de Ruiseledestraat. Later is het eigendom geworden van het aanpalende klooster. Er is aan verbouwing gedaan en van de oude voorgevel rest alleen nog de arduinen drempel. In de grote tuin bespeuren we ook nog overblijfselen van de vorige eeuw: een eeuwenoude treurbeuk, het ruime koetshuis en een waterbekken voor waterplanten.

Vroeger was er ook een beukenhaag die tot een soort gaanderij was gesnoeid. In de kloostertuin is nu een gebouwtje opgericht dat als zitplaats dienst doet: een glasraam met een Gezellekop en een sierlijst met enige verzen: "Poucke, Poucke, onder uw boomgewelven…" roepen hier een enig verleden op.[5]

 Naar het Klein Seminarie te Roeselare[6]

In de zomer 1854 komen moeder en vader van Doorne met Hendrik naar het Klein Seminarie van Roeselare. Dat een voorkeur gegeven werd aan dat college is zeker toe te schrijven aan de vlaamsgezindheid van de familie: "Vader was in hert en ziele Vlaming" getuigt de zoon. Gent was natuurlijk gemakkelijker te bereiken, maar het toenmalige Sint-Barbaracollege was reeds een kweekschool voor verfransing.

Het toeval wil nu dat de van Doornes in het Klein Seminarie kennis maakten met de jonge Guido Gezelle die er bewaker en leraar was. "Als vader zei dat we te Poucke woonden, trok eene soort van mompel over den jongen priesters gelaat, alsof 't geluid van 't woord Poeke zijn lachvlieske kietelde: Poucke, Poucke, Poucke! herhaalde en hernam hij."

Toen later de kleine Hendrik de eerste dag van zijn verblijf in het Klein Seminarie naar iemand zocht in zijn vereenzaming liep hij naar de jonge priester toe die na wat aarzeling de sympathieke jongen begroette met: "Ah Pouckske, 't is gij!". En zo werd Hendrik bedacht met de bijnaam Poucke die hij nog lang zal dragen, waarbij van Doorne noteert:

"bij zoverre dat er mij buiten mijn klasse weinig medeleerlingen anders wisten te noemen." En zo kunnen we opmaken uit een brief van 1865 die Van Oye aan Gezelle schrijft dat die bijnaam nog altijd gangbaar was. In een postscriptum luidt het: Mijne vriendelijke groetenissen aan Poucke, aan Hugo Verriest en P. Busschaert".[7]

Als moeder van Doorne haar zoon kwam bezoeken te Roeselare vergat ze nooit Gezelle even op te zoeken. En reeds na haar eerste bezoek was hij getroffen door haar innemend karakter. Gezelle zond haar het gedicht: "'k heb u, Moeder…". Ze stelde dat fel op prijs en bewaarde het haar gehele leven in haar kerkboek.

Het gedicht

Gastvrijheid was schering en inslag bij de van Doornes, ze konden zich dat trouwens permitteren: ze waren rijk, bezaten een ruim huis met vele kamers, hadden personeel, en benevens hun grote tuin lag ook nog, op een halfuur gaans, een bos dat ze regelmatig bezochten.

Moeder van Doorne liet dan ook niet na Gezelle naar Poeke uit te nodigen. De Gezelle-vorsers kunnen niet met zekerheid uitmaken wanneer Gezelle voor het eerst te Poeke op bezoek kwam. Na een van zijn bezoeken - in 1856, 1857 of 1860 - zond hij het gedicht Poucke aan vader van Doorne.

Poeke

Poeke, Poeke, uw boomgewelven
deên zo'n deugd aan 't herte mijn,
als, bij God en bij mij zelve,
'k mocht in uw waranden zijn!
 
Poeke, Poeke, 't langzaam luien
van uw klokken en 't gekras
van uw zwarte vogelbuien
deên mij deugd als 'k bij u was!

 

Poeke, Poeke, duizend werven
komt mij nu die naam weerom
zeker is 't, aleer ik sterve
dat ik nogmaals wederkom!
 
Weer, om traan en troost en vrede,
weer, om kraai- en klokgeschal,
weer, om al uw lieflijkheden,
weer om Poeke - en daar is 't al!
 

Het gedicht behoeft weinig commentaar. De boomgewelven zullen wel die zijn uit van Doornes tuin: de treurbeuk, de haaggaanderij, waarvan hoger sprake, waar Gezelle zeker gebrevierd heeft. We menen niet dat de dichter in de dreven van het kasteel gewandeld heeft, want Hendrik van Doorne spreekt nooit over de kasteelbewoners en we mogen onderstellen dat er geen gemoedelijke betrekkingen waren tussen de twee families, want de van Doornes waren op-en-top vlaamsvoelend, terwijl de kasteelheer…

Het gedicht verscheen eerst in de bundel Gedichten, Gezangen en Gebeden 1862, uitgave die op aandringen van en met de medewerking van Hendrik van Doorne en Hugo Verriest tot stand kwam.

Het nieuw geluid van Guido Gezelle werd in sommige literaire milieus over de hekel gehaald. Zo heeft de Gentse Prof. Heremans, de toenmalige gezaghebbende criticus, een eerder vernietigend oordeel over de bundel geveld. Hij stipt nochtans onder de honderd gedichten een viertal aan die hem bevielen en Poucke behoort tot die uitgelezene.[8]

Hetzelfde gedicht verscheen ook in de Volksalmanak voor Nederlandsche Katholieken (1863), waar wij het onder de hoofding West-Vlaamsche Dichtspranken vinden. Een voetnoot bij Poucke: een dorp in West-Vlaanderen (!)[9]. Benevens een tiental gedichten van Gezelle zijn er ook van zijn leerlingen opgenomen, o.m. een viertal van van Doorne. Onder het eerste gedicht staat H.K.E.v.D.v.P. en in voetnoot Hendrik Karel Evariest van Doorne van Poucke. Het discipel heeft opgekeken naar de meester, maar de evocatie van zijn geboortedorp heeft niet de poëtische zwier van Gezelles gedicht, trouwens hij was nog zo jong - 18 jaar. Denkelijk is het de uitwerking van een schoolopgave.

Aen Poucke

Laudabunt alii clarum Rhodon
Dat andere op verre landen roemen,
En 't voorste 't beste en 't schoonste noemen,
Ik min alleen mijn Vlaenderenland,
 
Alwar ik in een frissche streke
Op 't kronkelboord der Pouckebeke
Het eerste bloeijend bloemke vond.

 

En waar ik onder moeder zorgen
Mijn jonge kinderjaren sleet,
En leefde in vreugde en leefde in vreed'
Door 't blanke kinderkleed verborgen!
 
Als anderen vreemde landen zoeken,
Dan wijst mij ook mijn hart een oord,
Maer altijd is 't hetzelfde woord
Dat mij komt streelen, altijd Poucke

 

St. Rochus, 1859                    H.K.E.v.D.v.P.

 

Hoe dikwijls Gezelle te Poeke op bezoek geweest is valt niet uit te maken en of de Poekenaars kennelijk van dat bezoek afwisten valt ook moeilijk aan te tonen. Van Doorne ziet het zo in zijn Gedenkboek: "Van de tweede MIsse die hij in de parochiekerke las, liep Poucke vol van dien vreemden priester die zoo stichtend en godvruchtig messe doet".

Gezelle kwam ook op onverwacht bezoek en van Doorne beschrijft dan met welgevallen een dergelijke verrassing: "Op een ander maal, 'k en kan mogelijks 't tijdstip niet meer bepalen of achterhalen, wierd er 's avonds late, 't was wel acht en half, aan de belle getrokken. Een laat bezoek 'n was persiest geen alledaagsch gebeurte, en beeld U onze vreugd en begeestering in, als onze scherpgezette ooren 't meisen in verwondering hoorden uitroepen: 'Oh Mijnheer Gezelle is dat U!'". Dat is de aanvang van van Doornes beschrijving over dat laat bezoek, die in potlood op een los blaadje geschreven is, dat te Brugge in het Gezellearchief berust.

Bij al die bezoeken merkt Prof. Baur dan ook schamper op: "In de huiskring Van Oye te Torhout heeft Gezelle, die nochtans zo gemakkelijk de families zijner leerlingen bezocht, die o.m. alle vijf voet naar Poeke toog, bij de Van Doornes, blijkens de briefwisseling nooit de voet gezet."[10] De van Doornes hadden het dan ook voor de colleges waar Gezelle leraarde. De twee jongere broers van Hendrik, Sepke en Alfons, zullen ook te Roeselare en te Brugge op kostschool komen.

Het zielgedichtje

In 1862 was de familie van Doorne in de rouw voor "Guustje". We geven hier de tekst van het bidprentje met het alom bekende gedicht van Gezelle dat ook nog later voor andere kinderbidprentjes zal worden gebruikt.[11]

August A. N. van Doorne

God gaf het ons
God nam het ons
Gods name zij geprezen
't was wel bij ons
't ging weg van ons
't was beter in de hemel;

daar blijft het ons

daar wacht het ons,
daar zien wij 't eenmaal weder!

 

Hendrik heeft ook het zijne bijgedragen en zijn gedicht verscheen pas in 1876 in Rond den Heerd:

 En spreekt mij van ons Guustje niet,
Het kind is in den Hemel;
En spreekt mij van ons Guustje niet
Of 'k sterve van verdriet…

Gezelle, de vriend des huizes, heeft het daarbij niet gelaten. Er werd een groter gedachtenisprent uitgegeven met de tekst van het hoger vermeld bidprentje en op de keerzij een uitweiding van Gezelle over de heiligheid van het kind. Hij schreef dan ook nog een paar troostgedichten voor de moeder. In één ervan vinden we een duidelijke allusie op de zes kinderen van de familie van Doorne:


'k Wist eene moeder, zij had nen keer
ook zes bloeiende knopen,
staande te zamen, jong en teer,
en nog nauwelijks open.
 
God, in zijn aanbiddelijkheid,
kwam heur eentje te vragen:
en zij gaf het Hem, weende en zeid':

"Ach!" - 'k en hoorde geen klagen
[12]

 Ruptuur

Op het eerste-misprentje zien we dat Hendrik van Doorne zelf zijn tekst opgesteld heeft. Gezelle, die anders zo kwistig wist om te springen met zijn gedichten voor zijn oud-leerlingen priesters, kwam hier niet aan bod. Er waren moeilijkheden gerezen tussen Gezelle en Hendrik van Doorne. Volgens het grondig onderzoek van J. De Muelenaere betrof het hier een visie op de Romeinse kwestie.[13]

En in de correspondenties vangen we echo's op van die breuk. Gezelle treurt: "Vandoorne has completely left me, so has Hicks and some others" [14].

Van Doorne schrijft aan Van Oye:

"Weliswaar G. Gezelle is daer, maer dit is onwederroepelijk eene gesprongen snare, hij bestaet en ik leef aen zijne zijde, maer vooder van hem dan Leuven van Roomen is" en verder zucht hij nog: "Poucke, Poucke, uw boomgewelven!… 't doet mij zulke pijne van op die oude schoone dagen te peinzen, Eugeen… Maar die dagen zijn heen en weg en gelijke zullen er niet meer komen." [15]

In 1868 horen we in Rond den Heerd de eerste echo dat van Doorne zich met Gezelle verzoend heeft. Zijn medewerking aan Gezelles tijdschrift is dan ook een teken van niet aflatende bewondering voor zijn grote meester.[16]

De missionaris

Onder de impuls van Engelse bekeerlingen en kunstminnaars die te Brugge vertoefden trok er over sommige West-Vlaamse colleges een golf van anglomanie. Er werd verkondigd dat de Engelsen in massa tot het katholicisme zouden overgaan, mochten er voldoende priesters zijn. Eén van Gezelles leraren was naar Engeland vertrokken als missionaris en de jonge Gezelle wou zijn voorbeeld volgen. Niet te verwonderen dat Gezelle ook heel wat missionarisroepingen opgewekt heeft.

Zijn gevleugd woord: "Bekeert Engeland en gij bekeert de wereld" had weerklank gevonden.[17] En Hendrik van Doorne bekent dan ook nog in een brief hoe zijn Engelse gezindheid opgewekt werd: "Hij kwam veel bij ons thuis (te Poucke) en wij waren er allen te vollen van zijne anglomanie overtuigd, bij zoo verre dat hij van een vlaamsch vreemdhatend huisgezin, dat erg aan zijne gedachten verkleefd was, tot eene Engelsch-minnende familie bekeerd heeft…". [18]

Hendrik van Doorne vertrekt dan in 1865 naar Engeland. Na hier en daar een bijambt of een directeurschap van een klooster uitgeoefend te hebben zal van Doorne vanaf 1881 te Brixton verblijven, een Londense voorstad, en er een bloeiende parochie stichten waarvan hij tot in 1901 rector is. Daar heeft de Poekenaar grootste plannen gekoesterd en gedeeltelijk verwezenlijkt.

Van zijn praktische ondernemingsgeest getuigen het oprichten van een katholieke school en het bouwen van een statige kerk. De architect was niemand minder dan J. Bentley, die ook de majestueuze Westminster Cathedral getekend heeft. De kerk van Brixton is in neo-gotische stijl opgetrokken, kunststroming die door de Gentse St.-Lucasschool gepropageerd werd en in die tijd de kerkelijke bouwkunst beheerste. Helaas, de plannen van van Doorne waren te groots opgevat en de kerk is onafgewerkt gebleven. De oorzaak: vele rijke parochianen, wijkend voor de greep van de industrialisatie, verlieten de voorstad en zo werd Brixton langzamerhand een volkswijk.[19]

Wijzelf waren in de gelegenheid in het bedrijvige Brixton, die kerk in rode baksteen te bezoeken: het koor met de twee zijaltaren en de dwarsbeuk. In de achtergevel bemerken we nog de witstenen spitse gewelven die met gewone baksteen opgevuld werden. Bij de ingang lezen we een koperen plaat:

Of
Your Charity
Pray for the repose of the Soul
of
The Rev Henry C E van Doorne
Born 13th April 1841
Died 13th September 1914
Founder and for 20 years rector of
this mission of
Corpus Christi
May he rest in peace

In aansluiting met van Doornes verblijf in Engeland dient nog vermeld dat de Poekenaar een kostbaar beeld van O.L.Vrouw aan de familie Weld geschonken heeft.

E.H. L. De Jaeger, de huidige pastoor van Poeke, die we nog als leraar in het St.-Lievenscollege te Gent gekend hebben, wist ons het volgende te vertellen dat hij vernomen had van barones Pycke de Peteghem, oud-burgemeester van Poeke.

Van Doorne, tuk op antiek, zou van de familie de Preud'homme d'Hailly dat beeld afgekocht hebben, dat bekend stond onder de naam O.L.Vrouw van Goemare (!). De legende verhaalt dat, ten tijde van de kruistochten, een edele dame bad voor het beeld toen er haar gemeld werd dat haar man op terugkeer was uit het Heilig Land: dat was de goede mare.

Barones Pycke de Peteghem wou dat beeld terug te Poeke hebben, is naar Engeland afgereisd, kon het oorspronkelijk beeld niet krijgen, liet er een kopie van maken. Niettegenstaande diplomatieke tussenkomst mocht die kopie evenmin Engeland verlaten.

De Potter en Broeckaert vermelden het bestaan van dat beeld niet, wel onderstrepen ze dat ze geen toegang gekregen hebben tot het archief dat in het kasteel van Poeke bewaard werd.[20]

De roman

In 1881 publiceert Hendrik van Doorne, zijn driedelige roman Jan van Noorde, waarvan reeds fragmenten in Rond den Heerd verschenen waren.[21]

Uit de lovende bespreking verschenen in Le Bien Public, dd. 06.05.1881, vernemen we dat de roman uitgegeven werd ten voordele van een godsdienstig werk; we menen wel dat het was, het bouwen van zijn kerk te Brixton.

De roman is als het ware een doorzichtige sleutelroman en Poeke en omgeving zijn o.m. de plaatsen van handeling. Hendrik van Doorne had een zwak voor anagrammen[22] en in zijn roman komen bestaande personen en plaatsen voor onder allerlei bizarre vormen: Nevele wordt Levene, Aalter Ratel, Leerne Neerle, Deinze Zieden; naast van Noorde  uit van Doorne vinden we Van hauteecke voor van Eeckhaute uit Deinze.

Poeke staat centraal in de roman: hij noemt het zonder meer C.

Van Doorne heeft hier enkele bladzijden ten beste gegeven die zo goed herinneren aan Gezelles lering: lof van de geboortestreek, de evocatie van een berechting, de beschrijving van een boerenkeuken,…

Het verhaal ligt aan de melodramatische kant, wat volkomen met de geest van de tijd strookt. Sterk geresumeerd komt het hier op neer: Jan Van Noorde huwt een meisje uit Zieden. Uit jaloersheid heeft een Franse medewerker van die Ziedense handelaarsfamilie gezworen de van Noordes te gronde te richten. Door allerlei listen weet hij eerst Jan Van Noordes vrouw van huis weg te lokken en dan slaagt hij er ook nog in de dochter weg te halen. Na heel wat perikelen zal Jan Van Noordes zoon, een missionaris in Engeland, de verlaten dochter in Londen terug vinden. Later komt alles voor mekaar met de terugkeer van de echtgenote.

Dat het autobiografisch element de hoofdschotel vormt van de roman, bevestigt de auteur waar hij in zijn slot schrijft: "Alles omtrent, dat ik hier verhaal en beschrijf, is gebeurd, is gepleegd en heeft geleden geweest".

Spreekt de roman de hedendaagse lezer niet meer aan, dan kan toch de heemkundige nog profijt halen uit sommige bladzijden waar de voorbije tijden opgeroepen worden.

Hier een passus over de inhuldiging van de burgemeester waar het idyllische de optimistische levensbeschouwing van de schrijver verraadt: "Eene ware vlaamsche feeste was het op het dorp, gelijk er onze voorouders zulke treffelijke witen te verveerdigen. Elk verheugde en verblijdde zich, en iedereens wezen lag open te stralen van leute en van leven. In de herbergen mochten alle de leden van den stoet gaan maaltijden; het gemeentehuis hield traktement voor de raadsleden in hunne huisgezinnen. Iedere herbergier wist hoeveel tonnen bier hij mocht aftappen. Er waren bollingen met de krullebollen en de rechtebollen, kegelspelen en mistklemming, zaklooping en pap-eting, benevens eene vrije ringsteking voor de ruiters; en daarbij vele andere vermakelijke spelen voor kleeren, hespen en eierkoeken. Tegen den avond wierd er onder de groene linden zedig en vreugdig gedanst op het geluid van trommels en fluiten, die op eenen optred van ijdele tonnen gerezen, maar gildig en statig aan 't laweiten waren. Boer Gampelaars, als eerste schepene opende den zwier met de jonge bruid, en preusch trippelde hij met zulk eene gezellin over het groene gras, terwijl de bruidegom boerinne Gampelaars over het perk geleidde. Moeder Van Houteecke kreeg jonge beenen in haren ouden dag, en flikkerde vooruit, alsof zij nog maar drij maal zeven en telde. De officier nam deel in den zwang, Frans loeg en leurde met den hoop en tot Eugeen toe scheen zijne veete vergeten te hebben. De vreugd wierd tot in den avond voortgezet; maar met den donkeren brak alle gewoel op, en als de wetklokke aan 't tienekleppen viel - (maar de koster had 't wel half elleve gemaakt) wierden op bevel van onzen jongen held, uit opzicht voor de geestelijkheid - alle huizen geruimd en gesloten. Elk trok naar 't zijnen, en dus eindigde die dag, zonder baldadigheden of nachtpartijen, maar elk en de een moest blijden, dat de C naars het kenden om feeste te vieren en inhuldingen te houden". [23]

In de roman komen ook enkele didactische brokken voor: de nefaste gevolgen van het alcoholisme, de opvoeding van de kinderen, de weldaden van de lichamelijke oefening; wellicht komt dat laatste uit zijn Engelse belevenissen en daarbij waren de van Doornes gesteld op jacht en paardrijden.

Lovende kritieken vinden we in Rond den heerd dd. 5.6.1881 - natuurlijk, want van Doorne was er medewerker - en ook in Le Bien Public die het West-Vlaamse particularisme zo aanprijst: "La langue qu'il écrit est bien la vieille et bonne langue flamande, avec son allure abondante, pittoresque et nerveuse, en un mot, avec toutes les qualités populaires et natives dont l'esprit "néerlandais" et officiel l'a dépouillée". [24]

De roman is dus in West-Vlaams geschreven en er zijn reeds hiaten in de taalkennis van van Doorne, te wijten aan zijn verblijf in Engeland. Het Gentse Fondsenblad dd. 14.5.1881 en Rond den Heerd stippen er enkele aan.

Van Doornes bos[25]

Ingezetenen van Poeke en Ruiselede kennen dat bos en weten het liggen. In de roman wordt er meer dan eens over dat bos gewaagd dat op het gebied van Ruiselede ligt. De ligging ervan vinden we in de roman: "Op omtrent een halve uur gaans van het vaderlijk huis, lag er een tamelijke breede wendinge bosch, die men in den wandel 'Van Noorden's wildernisse' noemde" .[26] Daarin was ook een kapel opgetrokken: "'t Bouwke stond daar nederig genoeg, eene simpele vierkante bidplaats, met een halfrond choorken of apsis deraangevoegd. Bij zijden de groote deur stond er een zware ronde toren bij - en half in - het gebouw gelescht. De toren was met schietgaten doorsteken en met een gekanteeld bolwerk bekroond, en daar geheel het getrek door zware drummers geschoord stond en met veilranken bekleed lag, zag het er uit, alsof het eene oude overblijvende puine der middeleeuwen ware." [27]

Het bos is er nog - nu zijn het canadabomen - en middenin ligt nog altijd de kapel geflankeerd met dat eigenaardig torentje.

Onder het altaar in de kapel liggen er drie stenen kisten: op de middenste lezen we:

Hier
Joannes van Doorne
Te Poeke geboren 2 Maart
1805 waer hij 38 jaar notaris
geweest heeft 18 jaar burgemeester
voorzitter van het Vincentiusgenootschap
en lid van kerk- en gemeenteraad
alwaer overleden op 22 april
1870

Aan de linkerzijde:

Justine van de Velde
2e huisvrouw…

Aan de rechterzijde:

Augusta Rosalia Van Eeckhaute
1e huisvrouw

Tegen de linkermuur buiten het altaar ligt een kleinere stenen kist waarop we maar een onvolledige tekst konden ontcijferen:

… ons lief Gustje
bij den Heer in vrede rust

Tegen de linkerwand hanger er nog gedenkplaten: een voor Hendrik van Doorne en andere voor de familie Landrieu, verwanten van de van Doornes.

De terugkeer

In februari 1901 hield Hendrik van Doorne een afscheidssermoen in de kerk van zijn parochie te Brixton en komt op rust te Poeke in het vaderhuis. Later kwam Flora Weld zich bij hem voegen als gezelschapsdame. Ze was een anglicaanse bekeerlinge en stamde uit een aristocratische Engelse familie waarmee van Doorne bevriend was.[28i]

Nu van Doorne terug te Poeke is, knoopt hij opnieuw met het verleden aan. Hij schrijft in een brief dd. 11.1.02 aan Dr. van Oye, zijn oude schoolvriend, die hij waarschijnlijk gedurende zijn verblijf in Engeland verwaarloosd had.

"Oud en onvergetene schoolgenoot,

Ik ben bezig met alle de Geest voorbrengselen van mijne schoolgezellen te vergaren en heb Gezelle's, de twee Verriest's, Karel De Ghelder's… reeds op mijne planken. 't Ben zeker dat gij aan uwen ouden en nog toegekleefden vriend van over 45 jaren 't genoeten niet zult wijgeren (sic) en hem een lijstje te laten krijgen waarop de namen en de drukkers staan der werken door u uitgegeven. Ik woon nu voor goed te Poucques. Zou het U niet aanstaan van mij te komen een vernieuwende hand te drukken?".

Het zal het begin zijn van een drukke correspondentie, waar literaire bespiegelingen aangesneden worden, waar het verleden opgeroepen wordt en waar ook nog het gedicht Poucques van Guido Gezelle aan bod komt.

In een brief dd. 11.9.05 schrijft van Doorne dat hij reeds een tijdje met een "afgang" geplaagd zit en die kwaal zal aanleiding zijn voor een bezoek van dr. van Oye te Poeke. Daarop volgen bijna gedurende 30 dagen een brief of briefkaart van van Doorne: de patiënt schrijft meestal in het Engels aan van Oye die te Oostende woont. In detail geeft hij op wat zijn dieet is, de medicamenten die hij inneemt en beschrijft er de uitwerking van.

In een brief dd. 21.2.26 slaakt hij de kreet "sanatus sums" (ik ben genezen).

In zijn rustjaren te Poeke heeft van Doorne een gedenkboek opgesteld, een dankbare hulde aan zijn grote meester; spijtig dat het maar de Roeselaarse periode behelst. Alois Walgraeve, de biograaf van Guido Gezelle, heeft van Doorne te Poeke bezocht, die memoires gelezen en ze ruim benuttigd in zijn bekend werk: Het leven van Guido Gezelle. [29]

In zijn laatste brief dd. 23.7.13 aan van Oye gericht schrijft van Doorne dat hij aan kanker lijdt. Verder heeft hij het nog over de hoge leeftijd: "Houd u wel aan uw leerstelsel dat gij tot honderden komet. Hier nabij heeft men over veertien dagen of drij weken - te Nevele - den honderdjarigen verjaardag van eene flinsche (sic) edelvrouwe gevierd, de moei van den Gouverneur van Oostvlaanderen! Een onzer beste Vrienden, mijnheer Hulin, vader van den leeraar bij de Gentsche hoogschool is ook 95 te wegen…. en bij hem ontbreekt er weinig."

Hendrik van Doorne gaf de geest op 13 september 1914. Het waren toen bange oorlogsjaren: rond die tijd was Aalst door de Duitsers bezet en uhlanen - Duitse lansiers met een verkenningsopdracht - werden in de Gentse omgeving gesignaleerd. Zo begrijpen we best dat er geen rouwbrieven verstuurd werden en de rouwdienst te Poeke reeds om 9 uur gecelebreerd werd. In Le Bien Public van 16 september stond er wel een overlijdensbericht verloren tussen de onthutsende verhalen over het oorlogsgeweld. Van Doorne zelf had de tekst van het bidprentje opgesteld: een zesstrofig gedicht waaronder vermeld: "gedurig gebed van den lijdende".

Uit een brief van Flora Weld vernemen we dat hij sedert april bedlegerig was. Voorheen was hij nog een paar keer naar Engeland afgereisd om het kankergezwel waaraan hij leed met radium te laten behandelen.

In een tweede brief war ze dr. van Oye bedankt voor zijn medevoelen in de rouw schrijft ze: "All the library is here and the artistic objects and they will not be sold. Is there any book you would like as a souvenir? Those of Gazelle (sic) are however to be given to his cousin".[30]

Van Doorne was een kunstverzamelaar. Reeds voor zijn vertrek naar Engeland maakte hij jacht op kunstvoorwerpen. Het portret dat op de kaft afgedrukt wordt, toont de kunstminnaar die een bord onder ogen neemt.

Slot

Het verwondert ons enigszins dat Westenbroek een eerder kleinerend beeld van de Poekenaar heeft opgehanden waar hij schrijft: "Hendrik van Doorne was, zagen we, een verzamelaar. Hij spaarde sanctjes en bewaarde deze ook in zijn ouderdom, hij legde albums aan waarin hij handtekeningen en opdrachten van beroemdheden verzamelde. Was hij in onze tijd jong geweest, dan zou hij postzegels, suikerzakjes of speldjes verzameld hebben." [31]

Laten we toch niet vergeten dat het, dank zij die verzamelwoede is dat heel wat autografen van Gezelle uit de Roeselaarse periode tot ons overgekomen zijn. Van Doorne was tuk op antiek en exotische rariteiten. Dat hij ook "sanctjes" verzamelde zal geen heemkundige hem kwalijk nemen.

Was van Doorne minder begaafd dan de andere Gezelle-kinderen - zoals een Hugo Verriest, een Eugeen van Oye - dan is hij toch een volwaardige en trouwe leerling van de grote meester geweest.

Liefde tot Vlaanderen en zijn taal, vroomheid en missie-ijver, dat alles heeft Gezelle bij hem doen ontluiken.

[1]Zo P. Allossery in Jubileumuitgave van Guido Gezelle's volledige werken, 1930, IV, p. 115-117.
A. Viaene, Guido te Roeselare, in Biekorf, (1949), p. 217-231.

[2]J. Westenbroek, Van het leven naar het boek. Onderzoek naar het ontstaan en de aard van Guido Gezelles Gedichten, Gezangen en Gebeden, Kapellen, 1967, p. 125-150.
J. De Muelenaere, Randnoten bij een Nederlandse Gezellestudie, in Biekorf, (1967), p. 171-176.
J. De Muelenaere, Hendrik van Doorne van Poeke. De breuk in de vriendschap met Gezelle, in Album Antoon Viaene, Brugge, 1970, p. 183.192.

J. De Muelenaere, Hendrik van Doorne uit Poeke, missionaris in Engeland, in Biekorf, (1971), p. 262-272.

[3]Van Loo, Portraits (verzameling in Centrale Bibliotheek R.U.G.).

[4]De Potter en Broeckaert, Geschiedenis van de gemeenten der Provincie Oost-Vlaanderen, 1ste reeks, dl. VI, Poeke, p. 24.

[5]E.H. L. De Jaeger, pastoor te Poeke, was zo vriendelijk ons rond te leiden in dat gedeelte van het klooster en ons uitleg te verschaffen.

[6]De pasussen in dit gedeelte aangehaald, komen uit het Gedenkboek van van Doorne, handschrift door A. Viaene uitgegeven, zie noot 1.

[7]Jubileumuitgave…XVII, p. 165.

[8]Jubileumuitgave… IV, p. 31-42.

[9]… samengesteld door Jos. Alb. Aldbergindt Thym, Amsterdam, p. 126-138. Zonderling dat de Gezelle-kenner Prof. Baur van Doorne niet vermeldt in Guido Gezelle en Oost-Vlaanderen, in Cultureel Jaarboek voor de Provincie Oost-Vlaanderen, Gent, 1950, p. 145-184. Is Poeke dan toch een randgeval?

[10]F. Baur, Gezelliana I, in Kultureel Jaarboek voor de Provincie Oost-Vlaanderen, Gent, 1966, p. 107.

[11]Jubileumuitgave… II, p. 239-240. E.H. J. de Muelenaere was zo bereidwillig ons een kopie van dat bidprentje te bezorgen.

[12]Westenbroek, a.w., p. 135.

     In Jubileumuitgave… IV, p. 74-75 vermeldt Allossery nog niet dat het gedicht aan moeder van Doorne opgedragen was.

[13]Naam van de gespannen toestand tussen Vaticaan en Koninkrijk Italië na de overweldiging van de Kerkelijke Staat 1870 (Kath. Encyclopedie).
De jonge liberaal-katholieke clerus nam het op voor scheiding van Kerk en Staat. In een brief dd. 1864 aan dr. van Oye: "Fred Bonté, die ook eenen goeden was voor vooruitgang komt ons ontnomen te zijn". De briefwisseling dr. van Oye berust in de Centrale Bibliotheek van de RUG; ze bevat 68 brieven of briefkaarten van van Doorne, waarvan 5 geschreven tussen 1856 en 1866; de rest tussen 1902 en 1913.

[14]Jubileumuitgave… XVII, p. 146.

[15]Briefwisseling dr. van Oye, nr. 23 (1864).

[16]Rond den Heerd. Volksweekblad door G. Gezelle uitgegeven van 1865 af.

[17]A. Walgrave, Het leven van Guido Gezelle, Amsterdam, 1923, dl. I, p. 279.

[18]A. Walgrave, a.w., p. 252-253.

[19]J. de Muelenaere ontdekte uiterst belangrijke nieuwe gegevens over de Engelse missies, inz. over die van van Doorne.

[20]De Potter…, a.w., p. 16.

[21]Jan Van Noorde (of) onderwerping en betrouwen, door Hendrik van Doorne, Gent, 1881. Ons bestuurslid I.Buysse bezorgde ons dit werk dat in de Openbare Bibliotheek van Poeke steekt. Het exemplaar, bewaard in de Centrale Bibliotheek RUG, heeft nog de blauw gekleurde titelplaat die een episode uit de roman voorstelt.

[22]J. De Muelenaere, De Breuk…, a.w., p. 187. Steller ontdekte dat van Doorne er heel wat pseudoniemen op na hield gevormd uit anagrammen, bijv. EH.K.E. Kapeeu=Poucke; Noordvane=van Doorne.

[23]J. De Muelenaere, a.w., dl I, p. 240-242.

[24]Vertaling: "De taal die hij hanteert is de goede en oude Vlaamse taal, met haar rijke, schilderachtige en nerveuze zwier, in één woord, met alle volkse en aangeboren kwaliteiten die de Nederlandse en officiële geest haar ontnomen heeft." Toen vond Le Bien Public nog geen aanstoot in het sterk antifrans element in van Doornes roman.

[25]Juff. I. Buysse heeft ons dat gesignaleerd en er ons heen geleid.

[26]J. De Muelenaere, a.w., dl I, p. 63-64.

[27]J. De Muelenaere, a.w., dl. I, p. 107.

[28]In het Bevolkingsregister te Poeke werd Flora Weld ingeschreven op 30 januari 1909. In een brief dd. 15.5.1905 aan dr. van Oye wordt reeds op de aanwezigheid van Flora Weld te Poeke gealludeerd. Ze werd er pas in 1933 uitgeschreven. J. De Muelenaere heeft over Miss Flora Weld een persklare bijdrage liggen die in Biekorf zal verschijnen.

[29]De vader van Alois Walgrave was afkomstig van Poeke.
     Aloys Walgrave (1844-1908), vader van Aloïs, de Gezelle-biograaf, werd te Poeke geboren. Hij schreef verhalen en gedichten, werkte o.m. aan Rond den Heerd. De zoon priester heeft hem een vrome hulde gebracht in een lezing voor de Kon. Vl. Academie (Verslagen en mededelingen der K.V.A. voor Taal en Letterkunde, maart 1926).

[30]Vertaling: "Alle boeken en kunstwerken die hier zijn zullen niet verkocht worden. Is er een boek dat u graag als souvenir verlangt? Maar die van Gezelle dienen aan zijn neef geschonken te worden." De brieven van Flora Weld, het bidprentje en het portret van van Doorne steken eveneens in de Briefwisseling dr. van Oye.

[31]Westenbroek, a.w., p. 138.