Het land en de heren van Nevele
in een notendop

door Prof. dr. Jan Van Rompaey

Het Land van Nevele was tot aan de Franse revolutie een van de belangrijkste heerlijkheden gelegen in de Oudburg van Gent. Een heerlijkheid was een gebied, soms klein, maar soms ook uitgestrekt, waarvan het bestuur en ook de rechtspraak in handen waren van een zogenaamde heer, meestal maar niet noodzakelijk een man van adel, die als heer echter overheidsgezag bezat en dus in zijn heerlijkheid een soort vorst in miniatuur was.[1] Van in de middeleeuwen en tot aan het einde van de 18e eeuw was een groot gedeelte van het Vlaamse platteland in ontelbare heerlijkheden verdeeld, maar het Land van Nevele was een van de grootste van die gebieden en de heren van Nevele genoten in het graafschap Vlaanderen gedurende eeuwen een aanzien en een prestige dat slechts weinig andere heren konden evenaren.

De historicus van het Land van Nevele is eigenlijk de heer Raf van den Abeele, burgemeester van Sint-Martens-Latem, die zich tijdens zijn studies aan de Rijksuniversiteit te Gent over het Land van Nevele boog en er nadien verschillende aspecten van belichtte. In 1949 publiceerde hij een korte studie over de "vrijheid" van Nevele[2] en in 1951 een artikel over de heerlijkheid en het Land van Nevele[3]. Hieruit blijkt dat negen dorpen volledig binnen het land van Nevele gelegen waren, nl. Nevele zelf, Vosselare, Meigem, Vinkt, Sint-Martens-Leerne, Sint-Maria-Leerne, Lotenhulle, Zeveren en Poesele. Vier andere dorpen behoorden gedeeltelijk tot het land van Nevele, nl. Landegem, Drongen, Deurle en Sint-Martens-Latem. Het grondgebied van Landegem was verdeeld over niet minder dan vier heerlijkheden en enkel het westelijk gedeelte met het dorpscentrum lag in het Land van Nevele, terwijl de rest ingenomen werd door de heerlijkheden van het Vlaanderse op Baarlevelde, Sint-Baafs en Vinderhoute-Merendree. Van Drongen behoorde enkel de wijk Noorthoute of Baarle-Drongen tot het Land van Nevele, van Deurle enkel de noordelijke helft met het dorpscentrum en van Sint-Martens-Latem ten slotte enkel de wijk Brakel[4]. Te Latem en Deurle hadden de heren van Nevele een groot jachtterrein of warande, ongeveer op de plaats waar het huidige golfterrein gelegen is. Merkwaardig is wel dat het dorp Bachte aan de Leie administratief en gerechtelijk niet, maar fiscaal wel tot het Land van Nevele behoorde.[5]

Voor Poesele en Vinkt is er bovendien iets bijzonders te signaleren. Poesele was eigenlijk een heerlijkheid op zichzelf met eigen baljuw en schepenbank en daarbij had Poesele nog het statuut van vrijheid, wat betekende dat de inwoners vrijgesteld waren van heerlijke rechten zoals karweien, tienden en beste hoofd. Tot 1284 had Poesele afzonderlijke heren, maar dan kwam de heerlijkheid in het bezit van de heren van Nevele. Toch bleef ze haar eigen identiteit bewaren en behield ze ook haar eigen baljuw en schepenbank. Poesele vormde dus een soort enclave in het Land van Nevele en de heren van Nevele hadden er geen heerlijke rechten, evenmin als hun voorgangers.

Vinkt daarentegen behoorde wel volledig tot het Land van Nevele, maar in het midden van de 17e eeuw werd het er tijdelijk van losgemaakt ingevolge een betwisting tussen de erfgenamen van de toenmalige heer Jean-Baptiste de la Faille, die twee zonen had maar ook een dochter en de man van deze laatste eiste voor zijn vrouw een stuk van de heerlijkheid Nevele op. Processen hierover gevoerd in 1651 voor de schepenen van gedeelte van Gent in eerste aanleg, in 1652 voor de Raad van Vlaanderen gaven de man gelijk en in 1662 werd Vinkt afgescheiden van het Land van Nevele en tot afzonderlijke heerlijkheid verheven. Dit duurde echter niet lang, want reeds in 1673 werd de heerlijkheid Vinkt door de heer van Nevele teruggekocht voor het respectabele bedrag van 27.000 florijnen.[6]

Bestuurlijke en gerechtelijke organisatie

Om zijn gebied te besturen en er de rechtspraak uit te oefenen beschikte de heer van Nevele over een baljuw, twee schepenbanken en een leenhof. De baljuw was voorzitter, zowel van de twee schepenbanken als van het leenhof en zijn voornaamste taak bestond erin de rechten van zijn heer overal te vrijwaren en de misdadigheid te beteugelen door de delinquenten voor de rechtbanken te vervolgen. De hoofdplaats van het land, Nevele zelf, had het statuut van stad en vrijheid en was zoals verder nog blijken zal, nauwkeurig afgebakend van het omliggende platteland. Voor dit gebied Nevele binnen genoemd, bestond er een aparte schepenbank van 7 schepenen, terwijl bestuur en rechtspraak in het eigenlijke Land van Nevele of Nevele buiten verzorgd werden door de tweede schepenbank, die eveneens 7 leden telde. Een van de eigenaardigheden van die vroegere organisatie was nochtans dat de schepenbank van Nevele buiten niet bevoegd was voor het hele land van Nevele of voor de 11 parochies die er op Nevele na toe behoorden. Van slechts 6 parochies kan met zekerheid gezegd worden dat ze bestuurd werden door de schepenbank van het Land van Nevele en dit waren dan Meigem, Vinkt, Vosselare, Landegem, Sint-Martens-Leerne en Sint-Maria-Leerne. Poesele had immers zijn eigen schepenbank en Lotenhulle werd bestuurd door de schepenbank van de plaatselijke heerlijkheid Audegoede, terwijl het voor Baarle, Bachte, Zeveren niet duidelijk is onder welke schepenbank ze vielen. Enkel nader onderzoek in de archieven van deze parochies kan op dit punt klaarheid brengen.

Het leenhof van het Land van Nevele was een rechtbank, bestaande uit alle vazallen van de heer van Nevele, dus uit alle personen die van hem een of meerdere lenen hielden. Eigenlijk was een leenhof enkel bevoegd om betwistingen tussen de vazallen van een zelfde heer en dus uiteraard leenzaken te behandelen, maar zoals het vaker gebeurde, was ook de bevoegdheid van het leenhof van het Land van Nevele uitgebreid tot de strafrechtspraak in het algemeen en daarbij kwam het leenhof natuurlijk in concurrentie met de schepenbanken. Het spreekt vanzelf dat deze concurrentiële bevoegdheid aanleiding kon geven tot heel wat conflicten tussen de rechtbanken, maar in het algemeen mag men stellen dat het onderzoek in strafzaken, zowel in de Vrijheid als in het eigenlijke Land van Nevele, uitsluitend gedaan werd door het leenhof. De schepenbanken kwamen daar dus niet in tussen, maar voor de uitspraak van de vonnissen was het anders en dient een onderscheid gemaakt tussen de vrijheid en het platteland.

In de Vrijheid van Nevele zetelden leenhof en schepenbank samen, maar enkel voor de berechting van de zware misdrijven, want de overtredingen van politiereglementen en andere lichte misdrijven werden door de schepenbank van de Vrijheid alleen berecht. Voor misdrijven gepleegd op het platteland waren zowel het leenhof als de schepenbank van Nevele buiten bevoegd en dit zowel voor lichte als zware misdrijven, maar leenhof en schepenbank traden daar steeds onafhankelijk van elkaar op en zetelden dus nooit samen.[7]

De heerlijke rechten

Typisch voor de heerlijkheden was wel dat de inwoners er onderworpen waren aan de zogenaamde heerlijke rechten[8], een bonte reeks van prestaties of betalingen in geld of in natura, die men aan de heer verschuldigd was. Nu dient wel gezegd dat de heerlijkheden ook meestal bewoond werden door zogenaamde horigen of laten, mensen die nog niet de volledige persoonlijke vrijheid verworven hadden en dus nog persoonlijk gebonden waren aan de heerlijkheid en aan hun heer, maar ook de volledig vrije mensen die in de heerlijkheid woonden, waren door hun woonst alleen aan bepaalde heerlijke rechten onderworpen. Vrije mensen moesten echter voor de heer geen karweien opknappen, iets wat laten wel moesten doen en voor de heerlijke Nevele kunnen we bijv. de karweien vermelden die de laten moesten verrichten binnen de twee kasteeldomeinen, het oudste en oorspronkelijk het enige bij de kerk van Nevele gelegen en het andere en jongere te Ooidonk. Laten dienden daar geregeld de mest uit het domein naar het land te voeren, te hooien op het land en het hooi naar de stallen van het kasteel te brengen, brandhout te sprokkelen in de bossen en het te vervoeren naar het kasteel en aan het kasteel zelf de wacht te houden. Dit laatste kan eventueel afgekocht worden door het betalen van een zogenaamde wachtpenning.

Aangezien heerlijkheden steeds op het platteland gelegen waren, waar men bijna uitsluitend aan landbouw deed, zal het niemand verwonderen dat de meeste heerlijke rechten op de landbouwgrond gevestigd waren of geheven werden bij de overgang van die grond op een nieuwe gebruiker. De laten of boeren die de grond bewerkten waren er nooit eigenaar van maar hielden die in erfelijke cijns of rente van de heer die de grond bezat. Het eerste en wellicht ook het belangrijkste heerlijk recht op de grond waren dan ook de heerlijke renten, die de laten ieder jaar voor het gebruik van hun cijnsgronden moesten opbrengen. Wanneer een laat stierf, dan vererfde de cijnsgrond wel op zijn erfgenaam, maar die moet dan voor de overname het recht van doodkoop betalen, bestaande uit een bijkomende heerlijke rente van een jaar. De nieuwe gebruiker van cijnsgrond kreeg dus gedurende het eerste jaar tweemaal de heerlijke rente te betalen. Laten konden cijnsgronden ook verkopen onder elkaar, maar elke verkoop van cijnsgrond werd belast met het recht van markgeld  of wandelkoop, normaal de 16e penning van de koopprijs en ten laste van de verkoper. De koper diende echter op zijn beurt het zogenaamde toekomstgeld te betalen voor zijn opvolging in het gebruik van de grond en ook dit heerlijk recht bestond in een bijkomende heerlijke rente van een jaar, zodat ook de koper van cijnsgrond gedurende het eerste jaar een dubbele heerlijke rente betaalde.

Vermits ze geen gronden of huizen in private eigendom bezaten, bestond de nalatenschap van laten uitsluitend uit roerende goederen en het was een algemeen verspreid heerlijk recht dat bij overlijden van een laat een gedeelte van zijn roerend bezit naar de heer ging. Aanvankelijk was dit gedeelte zelfs de helft en sprak men van het recht van halve have, maar op het einde van de middeleeuwen was dit recht reeds algemeen herleid tot het beste hoofd of het door de heer te kiezen beste meubel of ander stuk uit de nalatenschap. In rekeningen vindt men daarvoor meestal een bed of een kast, een paard of een koe. Het stuk werd dan eenvoudig geschat en de erfgenamen kochten het terug in. De heerlijke rechten waren algemeen verspreid en dus niet eigen aan de heerlijkheid Nevele, maar toch willen we er nog twee vermelden die typisch waren voor de heer van Nevele, nl. zijn tolrecht en zijn molenrecht.

Het heerlijk tolrecht werd hoofdzakelijk geheven bij de verkoop binnen het Land van Nevele van dieren zoals paarden, varkens en schapen, terwijl het molenrecht "te winde ende te watre", zoals een tekst van 1387 het beschrijft, bestond in de verplichting voor alle inwoners van het Land van Nevele, ook die van de vrijheid, om hun graan te laten malen in een van de daarvoor speciaal gebouwde wind- of watermolens van de heer, gekoppeld aan de verplichting om een deel van het gemalen graan als molenrecht en dus in natura af te staan aan de heer.

De heren van Nevele

Van in de hoge middeleeuwen tot aan de Franse revolutie is het Land van Nevele zoals alle heerlijkheden achtereenvolgens in het bezit geweest van verschillende adellijke families. De heren van Nevele voerden als wapenschild een rood kruis op een zilveren veld en zolang er zonen waren die hun vader als heer van Nevele konden opvolgen, bleef de heerlijkheid in het bezit van dezelfde familie, maar het volstond dat een heer enkel dochters naliet om de heerlijkheid te zien overgaan in de familie van de echtgenoot van die oudste dochter. Eigenlijk was dan alleen de familienaam nieuw, want de heerlijkheid vererfde op de oudste zoon van de dochter-erfgename en zodoende was er toch een opvolging in rechte, weliswaar vrouwelijke lijn, maar traditioneel spreekt men in dit geval toch van verschillende families.

Tot en met de 12e eeuw is het niet volkomen duidelijk welke familie de heerlijkheid Nevele bezat. Dit komt omdat de familienamen in het algemeen toen nog veelal teruggingen op plaatsnamen en er zijn uit de 12e eeuw wel verschillende personen bekend die Van Nevele heetten[9], maar wie daarvan de heren van Nevele waren is niet meer te achterhalen. Rond 1190 schijnt de heerlijkheid Nevele door het huwelijk van de enige dochter van een zekere Willem van Nevele overgegaan te zijn in de familie van Kortrijk en in de volgende generatie ging ze opnieuw door huwelijk van de erfdochter over in de Franstalige familie de Mortagne, die ze verder gedurende de hele 13e en de eerste helft van de 14e eeuw in bezit hield. Een van deze heren uit het huis van Mortagne kreeg in 1284 van zijn schoonvader de heerlijkheid Poesele, die sedertdien met de heerlijkheid Nevele verbonden bleef.

In het midden van de 14e eeuw kwam het Land van Nevele door huwelijk van de erfdochter uit het huis van Mortagne aan de bekende Vlaamse edelman Jan van Gistel, maar deze bleef kinderloos, zodat de heerlijkheid op het einde van de 14e eeuw in zijlijn overging op het geslacht de Fosseux. Bij het aantreden van Jan, Heer van Fosseux en van Nevele, die een van de raadsheren van de toenmalige graaf van Vlaanderen Filips de Stoute was, werd in 1387 door toedoen van het leenhof van de Oudburg van Gent, waarvan de heerlijkheid Nevele gehouden werd, de oudste officiële beschrijving van de rechten van de heren van Nevele opgemaakt[10] en uit dit document blijkt dat de heer van Nevel toen reeds twee kasteeldomeinen had, het oudste in de onmiddellijke omgeving van de kerk van Nevele en ongeveer 18 bunders groot, naast het meer recente domein van Ooidonk dat toen een oppervlakte had van ongeveer 85 bunders.

Rond het midden van de 15e eeuw trad Johanna de Fosseux, de erfdochter van het Land van Nevele, in het huwelijk met Jan, heer van Montmorency en rond 1500 werd de toenmalige heer van Nevele uit het huis Montmorency door huwelijk ook graaf van Horn of Horne, een klein graafschap in de omgeving van Maastricht. Door deze verbinding van Nevele met Horn is het te verklaren dat wellicht de bekendste heer van Nevele uit de hele reeks, nl. Filips de Montmorency, graaf van Horn of Horne, in 1524 geboren werd in het Land van Nevele, waarschijnlijk op het slot van Ooidonk. Samen met de zuivere Vlaming Lamoraal, graaf van Egmont en de beroemde Willem van Oranje of Willem de Zwijger behoorde Filips de Montmorency tot de invloedrijkste raadsheren van Keizer Karel en zetelde hij zoals de twee andere in de Raad van State, waarin leden van de hoogste adel in de Nederlanden de vorst of de landvoogdes advies gaven inzake het lansbeleid en zodoende een zekere invloed konden uitoefenen op de politiek van de centrale regering. Toen na de beeldenstorm van 1566 de Hertog van Alva door Filips II als goeverneur naar de Nederlanden gezonden werd, was de Graaf van Horn samen met de Graaf van Egmont een van de eerste slachtoffers van Alva's politiek, want op 5 juni 1568 werden ze beiden op een schavot opgesteld op de Grote Markt te Brussel, onthoofd. Egmont en Horn waren nochtans geen landverraders en beiden wensten ze koning Filips trouw te dienen, maar Alva zag het zo niet en om indruk te maken op de bevolking liet hij twee van de hoogstgeplaatste edelen uit de Nederlanden ongenadig onthoofden...

De dood van de Graaf van Horn bracht meteen de verbeurdverklaring mee van het Land van Nevele, maar na enige tijd werd de heerlijkheid aan de erfgenamen van de ongelukkige graaf teruggegeven en uiteindelijk verkochten de erfgenamen de heerlijkheid in 1592 aan Maarten de la Faille, een Antwerps koopman, die dank zij de grote bloei van de Scheldestad als wereldhaven in de 16e eeuw fortuin gemaakt had en die volgens de gewoonte van die tijd een deel van zijn fortuin in landgoederen omzette. Zijn zoon Jan werd in 1623 in de adelstand verheven en in de tweede helft van de 17e eeuw werd ook de heerlijkheid Nevele verheven tot baronie, zodat de de la Faille's tot aan de Franse revolutie met de titel van baron van Nevele over het land regeerden als vorsten in miniatuur.

Nevele stad en vrijheid

Het dorp Nevele was van oudsher het centrum van de hele heerlijkheid, maar aanvankelijk moeten de bewoners van het dorp zich in dezelfde juridische toestand bevonden hebben als de bewoners van het platteland rondom, d.w.z. dat de dorpsbewoners net zoals alle inwoners van de heerlijkheid laten waren van de heer van Nevele en dat ze bijgevolg aan alle heerlijke rechten onderworpen waren. In deze toestand is verandering gekomen op het ogenblik dat de heer aan de inwoners van het dorp een bevoorrecht statuut gegeven heeft, zodat het centrum van de heerlijkheid verheven werd tot stad en vrijheid. Een stad  en een vrijheid was in de middeleeuwen niet hetzelfde. Vrijheden noemde men die gebieden waarvan de inwoners van hun heer bepaalde vrijheden gekregen hadden, bijv. vrijstelling van heerlijke rechten, en de erkenning van een vrijheid gebeurde schriftelijk door de verlening van een zogenaamde vrijheidskeure, die men als de stichtingsakte van de vrijheid mag beschouwen. Een stad daarentegen was een vrijwel autonoom gebied, waarin de vorst- of de lokale heer waar de stad zich uit een heerlijkheid ontwikkelde had praktisch niets meer te vertellen had. Het begrip stad slaat nu op een grote agglomeratie, maar in de middeleeuwen werden ook heel wat kleinere en zelfs heel kleine agglomeraties tot stad verheven door de verlening van wat men dan een stadskeure noemt. Aan het statuut van stad was meer autonomie verbonden dan aan dit van vrijheid, maar zowel steden als vrijheden hadden hun eigen schepenbanken om het bestuur en de rechtspraak uit te oefenen.

Nu kon een gebied ofwel stad, ofwel vrijheid zijn, want de twee begrippen hadden een andere inhoud en waren helemaal niet aan elkaar gekoppeld. Grote centra zoals Gent, Brugge en Ieper waren eenvoudig stad en genoten dus het ruimste zelfbestuur, terwijl kleine centra zoals Herzele en Zottegem gewone vrijheden waren, die het met veel minder autonomie moesten stellen. Sommige vrijheden konden nochtans uitgroeien tot stad en bepaalde plaatsen konden ook onmiddellijk tot stad en vrijheid verheven worden, zodat in deze gevallen de twee begrippen dan uiteindelijk wel samenvielen.

Nevele was dus zulke stad en vrijheid, maar wanneer en hoe Nevele dit statuut verkreeg, is bij gebrek aan historische bronnen daarover niet meer te achterhalen, omdat de Nevelse vrijheidskeure of stadskeure niet bewaard is. Het oudste bewaarde zegel van de schepenen van de vrijheid dateert nochtans van 1316 en naar alle waarschijnlijkheid bestond de vrijheid ook reeds in 1284.[11] Voortgaande op wat geweten is voor andere plaatsen in het grafschap Vlaanderen mogen we aannemen dat Nevele in de loop van de 13e eeuw tot vrijheid en dan tot stad of in één keer tot stad en vrijheid verheven werd.

Het voornaamste voorrecht van de inwoners van de stad en vrijheid Nevele was wel dat ze persoonlijk vrij waren tegenover de heer en bijgevolg waren ze niet onderworpen aan de meeste heerlijke rechten, maar wel aan het tol- en molenrecht, omdat deze rechten een algemene gelding hadden. Wie binnen de vrijheid woonde werd berecht door de schepenen van de vrijheid en slechts voor de zwaarste misdrijven dienden deze schepenen een beroep te doen op het leenhof van de heer.

Natuurlijk was het van het grootste belang het grondgebied van de vrijheid af te bakenen van het omliggende platteland en op de 5 wegen die vanuit de vrijheid naar het platteland leidden waren dan ook op de grens van de vrijheid houten en later ijzeren hekken geplaatst, die normaal gesloten waren. Wie ze opende om er met dieren of met paard en kar door te gaan, moest ze achter zich terug sluiten, want permanent openstaande hekken hadden vanzelfsprekend geen zin. Deze hekken zijn al lang volledig verdwenen, maar hun ligging is bekend.[12] Het enige wat daar nu nog van overblijft is de herbergnaam "Het IJzeren Eikje", een vervorming van "het ijzeren hekje", omdat de herberg inderdaad gelegen was even buiten het hek "an den leghelaere" op de weg die van Nevele over Vosselare en Drongen naar Ge

[1]Over de heerlijkheden in het algemeen: J. VAN ROMPAEY, De heerlijkheid als heem van onze voorouders, in Ons Heem, jg. 29 (1975), p. 125-135.

[2]R. VAN DEN ABEELE, De "Vrijheid van Nevele". Bijdrage tot de vroegste geschiedenis van het "Land van Nevele", in Bijdragen tot de geschiedenis der stad Deinze, XVI (1949), p. 151-166.

[3]R. VAN DEN ABBELE, Over de Heerlijkheid en het Land van Nevele, in Bijdragen tot de geschiedenis der stad Deinze, XVIII (1951), p. 95-117.

[4]R. VAN DEN ABEELE, Heerlijkheid en Land van Nevele, p. 102.

[5]R. VAN DEN ABBELE, Heerlijkheid en Land van Nevele, p. 112. In dit artikel is op p. 103 ook een kaartje van het Land van Nevele te vinden.

[6]D. BERTEN, Coutumes des seigneuries enclavées dans le Vieuxbourg de Gand, Brussel, 1904, Ville et pays de Nevele, p. 378-382 (Poesele en Vinkt).

[7]D. BERTEN, a.w., p. 384-387.

[8]Een opsomming van de heerlijke rechten van de heren van Nevele uit 1387 is uitgegeven in D. BERTEN, a.w., p. 462-480.

[9]Het gedeelte over de heren van Nevele is gebaseerd op F. DE POTTER en J. BROECKAERT, Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen V, Gent, 1864-1870, Nevele, p. 17-29.

[10]Zoals reeds gezegd is het document uitgegeven in D. BERTEN, a.w., p. 462-480.

[11]Tot dit besluit kwam R. VAN DEN ABEELE, De "Vrijheid van Nevele", p. 154.

[12]Zie R. VAN DEN ABEELE, De "Vrijheid van Nevele", p. 160-161.