Het Rusthof te Vosselare
en zoals C. Buysse het zag in Het Hofje
door Jozef Van de Casteele
De ex-Nevelaar, die ter gelegenheid van de kermis of bij een familiale gelegenheid z'n geboortedorp terugzag, had steeds de prettige indruk dat alles er bleef "zooals het was", om het met een titel van een Buysse-roman aan te duiden. Doch de laatste decennia draait Nevele ook mee met de muterende wereld: 'n modern huizencomplex op de wijk De Akker, een groot magazijn, een belangrijke verkaveling aan de rand van het dorp, een rijksschool, een nieuw aantrekkelijk rusthuis voor bejaarden, de asfaltering van de "blonde zandwegen", een stuk autosnelweg met wegwisselaar, het Rietgaverstedemuseum, moderne boerenwoningen.
Waren sommige journalisten en literatuuronderzoekers blij verrast met de vele herinneringen aan C. Buysse, die ze te Nevele nog vonden, dan dient toch erkend dat er stilaan heel wat Buyssiaanse infrastructuren aan het afbrokkelen zijn: het kasteel van oud-burgemeester Leonce Mulle de Terschueren werd gesloopt; de "wal" van 't Armenhuis, zo nauwkeurig beschreven dat een handig tekenaar, aan de hand van Buysses evocatie, hem kan reconstrueren, werd gedempt[1]; de "teleurgang" van de huidige loop van de Poekebeek; het herenhuis Blomme waar de Tantes gewoond hebben is afgebroken. In 1971 verdween dan ook het bekende beluik "Rusthof", gelegen te Vosselare; sommige spuiters noemden het de "Lusthof", er was trouwens een herberg die zo heette. Wie Buysses novelle Het Hofje[2] leest en enigszins vertrouwd is met de streek van Nevele, identificeert onmiddellijk de inspiratiebron van die novelle: het Rusthof.[3]
Historisch overzicht van het Rusthof
In 1895 sticht Adèle Charlotte Fobe, de Nevelse vriendin van Virginie Loveling[4], een bejaardentehuis, gelegen in de Dreefstraat te Vosselare, op een paar honderd meter van de scheiding met de dorpskom van Nevele. Achter het 20 m lange monumentale hekken lag daar het beluik in rode baksteen, bestaande uit drie vleugels in U-vorm met voorhof. In de centrale vleugel was een trapgevel opgetrokken waarin een witmarmeren medaillon met arduin omlijst en een arduinen onderschrift ingemetseld waren. We lezen er: "Ter nagedachtenis van de Heer August de Deurwaerder". Adèle Fobe, weduwe van oud-vrederechter en burgemeester Victor Adolf Schatteman huwde in 1886 met A. de Deurwaerder die in 1892 te Nevele overleed.
Het echtpaar de Deurwaerder-Fobe was kinderloos. Bij haar eigenhandig testament van 1893 duidt Adèle Fobe haar broer Adolphe aan als haar universeel erfgenaam. In 1896 voegt ze een codicil bij haar testament, dat o.m. zegt: "Ik geef en legateer in vollen eigendom aan de burgerlijke godshuizen te Nevele, het gesticht "Rusthof" voor oude lieden door mij gebouwd en opgericht..."[5]
Op 11 mei 1898 overlijdt Adèle Fobe en haar broer Adolphe, die vrijgezel was, was reeds een maand voor zijn zuster overleden. Er was geen nieuw testament opgemaakt en zo worden de wettige erfgenamen opgeroepen, ten getale van twintig. Anna-Francisca Brandt, nicht van Adèle Fobe in de vijfde graad, is de enige erfgename langs moederszijde en zal bijgevolg de helft krijgen van het aanzienlijk fortuin. Maar ze schijnt nog meer te willen: ze zal namelijk een paar bijzondere beschikkingen van het testament aanvechten, namelijk het legaat "Rusthof" aan de burgerlijke godshuizen van Nevele overgemaakt. Nu ze rijk is neemt ze een gewiekst advocaat onder de arm. Er wordt een bezwaarschrift van 15 bladzijden opgesteld dat aan koning Leopold II geadresseerd wordt. Het bezwaar stoelt op twee motieven: de gemeente Vosselare zal zich zware financiële lasten op de hals halen en de burgerlijke godshuizen van Nevele kunnen slechts behoeftigen plaatsen, wat in tegenspraak is met het Reglement van het Rusthof; een lijst van de inwoners van het Rusthof, bij het bezwaarschrift gevoegd, toont aan dat er geen integraal behoeftigen in wonen.[6]
Maar de conclusie van het bezwaarschrift is een coup de théâtre: om alle gerechtelijke betwistingen te vermijden wordt een compromis voorgesteld: aan de burgerlijke godshuizen van Nevele het Rusthof toewijzen en... afgelopen; de honderd duizend frank, uitgeschreven voor het Rusthof, komt dan natuurlijk in de handen van de erfgenamen en Anna Brandt zal dan de helft van de som krijgen.
Een koninklijk besluit d.i. 1 aug. 1899 heeft de knoop doorgehakt: het bezwaar wordt van de hand gewezen.[7] Er is nochtans een zonderling feit: geen enkel familielid maakt deel uit van het bestuur van het Rusthof, hoewel het testament vermeldt: "... beding ik voor mijne wettige erfgenamen het recht om deel te hebben aan het bestuur van het gesticht...". Hier dient gezegd dat het "armbestuur" van Nevele van zich afgebeten heeft waar het eist "... dat het bestuur der burgerlijke godshuizen van Nevele vrij zal wezen alle schikkingen te nemen die zij nodig oordeelt zouden tusschenkomst van personen vreemd aan het wettelijke heerschend bestuur[8]. " Die eis wordt dan ook door de hogere instanties ingewilligd. Daarmee is de kous af en zal het Rusthof een rustig bestaan leiden van komen en gaan.
Was het een rustoord waar de klok was blijven stilstaan? Het overleefde de twee wereldoorlogen, maar nooit is er een indexering van het onderhoudsgeld geschiedt: 2 frank per week van de stichting af tot aan de sluiting in december 1969.
In oktober 1967 beslist de C.O.O. van Nevele het Rusthof te verkopen, maar zal "alle aangegane verplichtingen ten opzichte van de personen verblijvend in het Rusthof te Vosselare strikt naleven en toepassen, alsmede alle wilsbeschikkingen die voorkomen in het legaat van de schenker gewetensvol volbrengen". Motivering: de huisjes bevinden zich in bouwvallige toestand en voldoen niet meer aan de meest elementaire hygiënische normen[9]. Het complex werd in 1969 verkocht en kort nadien werden de gebouwen gesloopt. Nu is het nog een perceel bouwgrond.
De gelden van de verkoop werden aangewend om de kosten te dekken van de uitbreiding van het nieuw rustoord in opbouw te Nevele. Dat is inmiddels geschied en het nieuw rustoord, in vervanging van het oude Hospitaal Louise, kreeg de naam "Ter Lenen" en de bewoners van het Rusthof werden er naar overgeheveld.
Fictie en waarheid in Het Hofje
Dat Cyriel Buysse veel afwist van de stichting van het Rusthof, hoeft ons niet te verwonderen, hoewel de schrijver reeds in 1896 Nevele verlaten had en zich in Nederland gevestigd had. De donatrice was de Nevelse vriendin van Virginie Loveling en zijn vader Louis Buysse was een van de twee regenten van het Rusthof.
We menen dat Het Hofje een van de novellen is, waarin het meest Nevelse - grootnevelse weliswaar - elementen voorkomen.
Voor wie Buysses tekst niet gelezen heeft, geven we allereerst de korte inhoud van de novelle.
Peetje Raes is het erkende hoofd van een twintigtal bedelaars, mannen en vrouwen, uit de beruchte Zijstraat. Iedere weekdag wordt een andere wijk aangedaan. De zondag is het rustdag, maar met de opbrengst van de buit wordt er lustig gegeten en gedronken; dan wordt het wel rumoerig in de Zijstraat. Vlak erbij ligt het herenhuis van meneer en mevrouw Christiaens-de Maertelaere. Om niet meer gestoord te worden door het lawaaierig bedelaarsvolkje zullen die rijke lui een hofje oprichten voor de bedelaars en hun tevens een maandgeld uitkeren.
Peetje Raes komt in verzet tegen die bedreiging van hun vrijheid en verbiedt zijn aanhang de huisjes van het rustoord te betrekken. Maar de dorpelingen en de boeren uit het dorp willen de bedelaars niet meer steunen en een voor een gaan de bedelaars in het hofje wonen, en Peetje Raes staat nu alleen. Uit zijn krot gedreven wordt hij op een winterdag bewusteloos op straat aangetroffen. Hij wordt naar het hofje overgebracht waar hij sterft.
We zullen nu trachten Buysses verhaal en zijn visie op het Rusthof te confronteren met gegeven die we in ambtelijke en familiepapieren konden vinden. (Buysses tekst is in cursief gezet).
1. De bedelaarsbenden
Peetje Raes staat aan 't hoofd van de bedelaarsbende. (p. 110)
Er is reeds voldoende gewezen op het arm Vlaanderen van de 19e eeuw. Was nu de bedelarij te Nevele erger dan elders? We geloven het niet, maar er was een bepaalde wijk, de Hul waarin de Zijstraat ligt, waar bijna uitsluitend dagloners woonden. Door gebrek aan werkgelegenheden vonden ze meestal hun bestaansmiddelen in het bedelen, waarschijnlijk gaf dan die concentratie van bedelaars op een wijk aanleiding tot het vormen van benden. De armoede, die er heerst, is niet uitsluitend het gevolg van de economische crisis en de mislukte aardappelenoogst van omstreeks 1850. Vroeger was er ook schrijnende armoede en bestonden er bedelaarsbenden. Dat vernemen we uit een brief van Emmanuel Comparé (overgrootvader van Cyriel Buysse), gericht tot de provinciale overheid te Gent; hij suggereert het delven van een kanaal om de overstromingen in de streek te keer te gaan en tevens om werkgelegenheid te verschaffen: "Wat aengaet de onkosten van delven, en kan maar gering wezen na evenredenheyd van 't geluk daer uyt te verkrijgen, te meer omdat het kan gedolven worden door arme werklieden sonder werk loopende, moeten bedelen, en waarmede men soude sien verminderen de groote versaemelingen van benden, die door 't uyttersten gebrek, op seker wijse groote vreese en indruk maeken, aen de vredelievende borgers: die veeltijds uyt vreese geven het gonne sij self noodig hebben;..."[10]
Het bestaan van bedelaarsbenden heeft Buysse wel getroffen. In een novelle van Uit de Bron schetst hij ook nog een leider van een bedelaarsbende, Guustje Bracht.[11] Over hem zegt de schrijver: Ik hield van hem zonder het te weten. Meer zelfs: ik had steeds een soort hekel aan hem, want hij was een levenslange bedelaar en luiaard? Telkens als hij mij zag - en hij lei het er op aan om mij te zien - beteekende dat voor mij het geven van een aalmoes, en ik wist wel dat mijn gift meestal in jenever werd verdronken. Want Guustje was een luxe-bedelaar. Aan 't noodige leed hij geen gebrek. Alleen aan 't overtollige had hij wel eens te kort.
We zien hier dat Buysse nog al sceptisch staat tegenover die noodzaak tot bedelen, en hij staat natuurlijk niet alleen met die zienswijze. In een anoniem brochuurtje[12] uitgegeven te Gent in 1847 lezen we: "De werkman heeft het werken op voor zijn bestaan en zo werd hij in armoede gedompeld... Zowel in de kleinste gemeente als in de mooiste straten van onze grote steden tiert de bedelarij welig. Zij die nog wat inkomen halen uit het werken, worden door het treurig voorbeeld aangetrokken en verkiezen te bedelen: het is gemakkelijker en het brengt meer op". (uit het Frans vertaald).
Buysses visie stemt dus wel overeen met de gangbare opinie van de toenmalige burgerij: ze bedelen om te kunnen brassen (?).
Maar wat nu het verdwijnen van de bedelaars betreft met ze op te nemen in het Hofje, liggen de zaken in werkelijkheid anders.
a. Het Rusthof was oorspronkelijk niet bestemd voor behoeftigen. In de inleiding van het Reglement lezen we: "(het is) bestemd tot verblijfplaats van ouderlingen van beide geslachten, welke niet tot den stand van behoeftigen behooren, doch niet gansch in hun onderhoud kunnen voorzien".[13]
b. Einde 1891 worden er nieuwe wetten op de "beteugeling der landlooperij en der bedelarij gestemd". Een paar artikelen: "Art. 9. Alwie bedelend wordt aangetroffen zal mogen aangehouden en voor de rechtbank van enkele politie gebracht worden... Art. 13. Zij 'de vrederechters) stellen ter beschikking der regeering, om gedurende ten minste twee jaren en ten hoogste zeven jaren in een bedelaarsgesticht opgesloten te worden, de tot werken bekwame personen welke, in plaats van in den arbeid hunne middelen van bestaan te zoeken, de liefdadigheid uitbuiten als bedelaars van beroep..."[14]
Voorheen was het bedelen ook wettelijk verboden, maar gemeente- en stadsbesturen lieten de bedelarij oogluikend toe.
Het drastisch optreden van de rechterlijke macht enerzijds, en de nieuwe werkgelegenheden anderzijds, liggen aan de grondslag van het teruglopen van de bedelarij, zoniet van het verdwijnen ervan, op het einde van de negentiende eeuw.
Buysse heeft het dus anders uitgebeeld. De novelle Het Hofje is ook in het Duits vertaald; de titel is er Der letzte Bettler [15]. Wat alludeert op de slotzin van het verhaal: "De laatste, onverzoenlijke bedelaar van 't dorp, was, dank zij hun liefdadige stichting, als een christelijk mensch de eeuwigheid ingegaan". (p. 128) Misschien bestaat er in het Duits geen woord om het specifiek begrip van dat "hofje" aan te duiden.
2. Topografie en toponiemen
"Hij (Peetje Raes) is het, die de zes uitgangen der week heeft ingedeeld zoals ze thans bestaan: 's maandags in de kom van 't dorp, 's dinsdags naar de Boschstraat, 's woensdags naar de Kermhoek, 's donderdags naar 't Muizenhol, 's vrijdags naar 't Peperhol, 's zaterdags naar 't Luizegevecht, 's zondags zich verlustigen" (p. 110-111).
Vier van die benamingen zijn nog heden in zwang te Nevele, maar 'Luizegevechten 't Muizenhol bestaan er niet en hebben er wellicht ook nooit bestaan. Te Gent is er wel een Luizengevecht, oude volkse benaming van de Hebrechtstraat (steegje van de Kortrijkse Poortstraat naar de Leie).
Buysse heeft Het Hofje waarschijnlijk omstreeks 1904 geschreven. Sedert 1896 had hij Nevele verlaten. Had hij reeds enkele typische benamingen van belangrijke Nevelse wijken vergeten, zoals 't Veldeken, den Ham, Kerrebroek, Wulfhoek, Lege Kouter...?
Verder is er nog spraak van de klassiek geworden benamingen van straten in Buysses oeuvre: de Grote Dorpstraat, de Zijstraat, de Dreef; de twee laatste bestaan nog.
"Aan den hoek der Zijstraat... en der Grote Dorpstraat... staat de prachtige woning van meneer en mevrouw Christiaens-de Maertelare". (p. 115).
Het herenhuis dat de Deurwaerder-Fobe bewoonde stond op de hoek van de Blasiusdriesstraat en de Langemunt[16]; deze heette nog in het bevolkingsregister van 1856 Dorpstraat.
"... (het hofje) ligt schuins tegenover zijn eigen woning, aan de overkant der prachtige populierendreef, vlak bij de ingang van het dorp, zoodat hij steeds ten allen tijde het hofje onder zijn direct toezicht zal hebben". (p. 116).
Qua ligging van de gebouwen is er hier een lichte afwijking, wat het plan aangeeft.
"Weldra was 't hofje kant en klaar. Het rees keurig-netjes op, in rode steen met witte streepjes, om de drie hoeken van een binnenplaats waar in het midden een fonteintje stond, omringd van een klein grasveldje met bloemen. Een hekje met vergulde pieken scheidde 't van de dreef...". (p. 120).
Dat beantwoordt bijna volledig aan de werkelijkheid, maar een fonteintje zal er wel niet gestaan hebben. Dat hekje moet nochtans met een korreltje zout genomen worden, want het was imponerend in hoogte en lengte.
Wat Buysse niet vermeldt is de zogenaamde raadkamer die zich in het midden van het centrale gebouw bevindt. Later werd het de wasplaats en diende tevens als dodenhuisje, zoals ons lid Antoine Janssens het nog gezien heeft. Buysse stelt het anders voor: het dodenhuisje plaatst hij achteraan in het hofje.
3. De donateurs
"... en boven op de gevel van het middenhuisje prijkte, in wit-marmeren bas-reliëf, het gebeeldhouwd metaljon van meneer en mevrouw Christiaens-de Maertelaere, de menslievende donateurs". (p. 120).
Zoals hoger gezegd waren er geen donateurs, maar slechts een donatrice, die het Rusthof stichtte ter nagedachtenis van haar man. Bij hun leven stonden de Deurwaerder-Fobe bekend als vrijgevig en sociaal ingesteld. We vernemen dat trouwens in een andere novelle van Buysse De Operatie [17]: het vrijgevig echtpaar wil een zware operatie bekostigen van een man uit de Zijstraat, doch de buren op de hoogte van die grote gift komen een groot deel van het geld verdrinken.
Virginie Loveling is ook op reis geweest met De Deurwaerder-Fobe. Het boek Een winter in het Zuiderland is het verhaal van die lange reistocht. Hoewel pseudoniemen gebruikt worden, zijn sommige namen heel doorzichtig: met de Poortere bedoelt ze natuurlijk De Deurwaerder. We vinden er twee staaltjes die wijzen op de sociale instelling van haar reisgenoten. Adèle Fobe diende voor een paar dagen haar kamer te houden: ze ontfermt zich over een kamermeisje dat ruw behandeld wordt en onvoldoende eten krijgt en deelt met haar de maaltijd die op de kamer geserveerd wordt. Elders is het De Deurwaerder die het opneemt voor een knecht van het hotel: hij zou door de eigenaar weggezonden worden wegens een kleine nalatigheid.[18]
Verder weten we ook dat De Deurwaerder deel neemt aan het verenigingsleven te Nevele: hij is erelid van de oude muziekmaatschappij Sinte Cecilia en lid van de handboogschuttersmaatschappij.[19]
Op zijn bidprentje lezen we ook: "Hij heeft zijne hand voor den behoeftige geopend en ze altijd den armen toegereikt". Bedaagden uit Nevele zeggen nu nog: "dat was 'n goeie mens!".
"Het rond en dik gezicht van meneer, met zware bakkebaarden, was half verborgen achter het nog zwaardere hoofd van mevrouw, van wie men ook de halve buste zeg: één rimpelige dikke golving van vettige lijnen tussen drievoudige-afzakkende kin, als een bochel-opdringende corset-borst". (p. 120)
Bij het slopen van het Rusthof wist dhr. Antoine Janssens het medaillon te vrijwaren en het prijkt nu in de tuin van het Rietgaverstedemuseum te Nevele. Vergelijken we nu Buysses beschrijving met het echt reliëfportret, dan is er geen overeenstemming. Hier heeft de man nu een weelderige haarbos, lichte bakkebaarden, een bescheiden puntbaardje op een regelmatig profiel. De dame heeft overvloedig haar met hoge toupet, een licht gerimpeld gezicht met lichtjes afhangende wangen. Met die zachte blik in dat evenwichtig profiel is het een aristocratische verschijning. De jabot van de blouse groeit uit in een soort pijpkraagje dat de hals half bedekt.
Er was te Nevele een rijke koopman in zaden en granen, Maere Leonard (†1875). Virginie Loveling spreekt over hem in een van haar jeugdherinneringen: Florence Schoor[20], dat de deknaam van Fanny Maere was. "Haar vader was een rijke graankoopman... middelmatig van gestalte, dik gebuikt, vuurrood gezicht". En Buysse schrijft nu: "Meneer Christiaens-de Maertelaere is een gefortuneerd ex-handelaar in granen en zaden". We nemen wel dat de schrijver hier aan een onderschuiven van personages gedaan heeft. Wat de Deurwaerder betreft, hij was rentenier en grondeigenaar zoals zijn vader. Over de herkomst van zijn fortuin hebben we niets gevonden. Behalve het Rusthof met zijn onderhoudskapitaal, bedroeg de nalatenschap 1.082.053,70 frank, goudfrank wel te verstaan; met de permissie van de minister van Financiën mag nu eventjes met 60 vermenigvuldigd worden.[21]
4. Inwijdingsfeest
"Op een helderen Septemberzondag had de plechtige onthulling plaats. Om twee ure werden meneer en mevrouw Christiaens-de Maertelaere feestelijk door de fanfaremaatschappij uit hun huis gehaald, en stoetsgewijze, onder schetterend muziekgejubel naar het hofje gebracht. Daar stonden, wachtend op de met groen en vlaggen versierde binnenplaats, meneer de pastoor en zijn coadjutor, en meneer de baron-burgemeester met zijn vrouw de baronesse... Meneer de pastoor hield een lange toespraak, en na hem sprak ook meneer de burgemeester. En telkens juichte luid het volk en speelde de muziek... Toen werd de erewijn geschonken en de stichting plechtig met de naam "Rusthof" gedoopt". (p. 120-121)
In de toenmalige pers vangen we geen enkel echo op van dat feest. Is er een feest geweest, dan was zeker de geestelijkheid niet geïnviteerd. Er is meer: ze wordt geweerd; art. 15 van het Reglement vermeldt uitdrukkelijk: "Het gesticht moet ten allen tijde een wereldlijk karakter behouden en mag niet door geestelijke personen bestuurd worden."
Pas op 20 juni 1896 - het Reglement dateert van 1 mei 1895 - vinden we een uitvoerig artikel voer het Rusthof in het Volksbelang, het liberaal en Vlaamsgezind weekblad waarvan de hoofdredacteur Paul Fredericq was, neef van Virginie Loveling. "Zonder veel uiterlijke pracht, maar met echten smaak, in rooden baksteen zorgvuldig opgemetst met vermijding van alles wat er een verkwezelden kenmerk kan opdrukken, gaat uit het geheele als 't ware een gemoedelijke klank uit...".
Het artikel is getekend R, dat is Willem Rogghe (1824-1896), boekhandelaar, liberaal gemeenteraadslid van Gent, journalist en vriend van Virginie Loveling. In een codicil van het testament van Adèle Fobe staat nogmaals te lezen: "... en, dat het gesticht blijve bestaan en worde bestuurd zooals nu en volgens het thans gebruikte stelsel, met aan hetzelve het wereldlijk karakter te blijven bewaren".
Dat is duidelijke taal en toont aan dat die stichting zowat gericht was tegen het Nevelse Hospitaal Louise, waar de geestelijkheid het wel voor het zeggen had.
Persoonlijk menen we dat er geen inwijdingsplechtigheid heeft plaatsgehad. In die tijd waren te Nevele de liberalen wat op het achterplan gedreven. Anderzijds geloven we ook dat zowel de Deurwaerder als Adèle Fobe niet zo zeer op eerbetuigingen gesteld waren. Zeker waren het geen strijdvaardige liberalen en zoals blijkt uit de bidprentjes en uit het testament waren het kerkgangers. Adèle Fobe bedingt in haar testament als jaargetijde tien gezongen missen gedurende tien jaar en haar twee neven priesters, waaronder het Vlaams academielid Hendrik Claeys (1838-1910), worden elk met een legaat bedacht behalve hun wettelijk aandeel.
5. Het reglement van het rusthof
Buysse heeft in zijn verhaal enkele belangrijke punten vermeld.
"... een hofje... waar twintig mensen kosteloos zullen mogen huizen, en elk een wekelijkse gift voor hun onderhoud zullen ontvangen". (p. 116)
"En vier frank in de week, e-woar? (zegt Peetje Raes)" (p. 117)
De stichteres heeft een kapitaal van 100.000 frank: intrest 3% voor weekgeld en onderhoudskosten uitgezet.
"Tucht en regel, kalmte en netheid zullen er ten allen tijde moeten heersen. Drank, geknoei tussen de beide seksen en bovenal de dagelijkse bedeltochten zullen natuurlijk streng verboden worden". (p. 116).
"Al de huisjes waren bezet met twee mannetjes en twee vrouwtjes in iedere". (p. 122)
Als Peetje Raes ziet dat enkele van zijn volgelingen geneigd zijn om een van de huisjes te betrekken, vaart hij tegen ze uit: En noei gienen djzenever mier! En gien mannevolk en vreiwevolk in 't zelve huis! En nie mier meugen uitgoan, nondedzje!.. Zij-je gulder verdomme, zot geworden? Goa dan liever direct naar 't Oarmhuis en loat er ulder opsluiten, lijk virkens in 'kot!" (p. 117)
In het Reglement lezen we dat dronkenschap streng verboden is. Wat het bedelen betreft is er geen concrete bepaling. Maar die scheiding van de seksen is een typische Buyssiaanse zet, die niet aan de werkelijkheid beantwoordt.
Art. 9 vermeldt o.a. dat bij overlijden: "De overblijvende persoon zal twee frank per week ontvangen, en mag mits goedkeuring van 't bestuur een zijner naaste bloedverwanten bij zich nemen of een huwelijk aangaan op voorwaarde dat de plaatsvervangende persoon voldoe aan de vereischten van zedelijkheid en ouderdom."
Dat benadrukken van de scheiding tussen de seksen is wel een geestige zet van Buysse, maar het herinnert toch ook aan bestaande toestanden.
De schrijver had hier wellicht voor oog het Hospitaal Louise, zoals het toen officieel heette; in de volksmond "het armenhuis", ook zo bij Buysse en Virginie en Rosalie Loveling. Daar werd inderdaad de scheiding tussen de geslachten toegepast: man en vrouw mochten er niet op dezelfde kamer.
Uitdrukkelijk is dat niet vermeld in het reglement van het Hospitaal Louise. Het werd in 1867 opgemaakt toen "de religieusen van het orde van den heiligen Vincentius te Deftinge" de "weireldlijke dochters" te oud geworden hebben vervangen.
Art. 11 van dat reglement bepaalt: "De Religieusen zullen zorgen dat de goede zeden in dees huys bewaerd worden; hier in zullen zij volgen hetgeen den zeer Eerwaerde Deken, geestelijken Bestuerder, zal bepaelen".[22]
We mogen aannemen dat de scheiding tussen de seksen toen een voldongen feit is geworden in het Hospitaal Louise, en tot na de Tweede Wereldoorlog was dat nog altijd van toepassing.
6. Een andere evocatie van het Hofje
Buysse heeft in de lente en zomer van 1913 een journaal bijgehouden, toen hij op de Molenberg te Deurle verbleef. In tegenstelling met zijn geromanceerd oeuvre, liggen de beschrijvingen en evocaties in Zomerleven dichter bij de werkelijkheid en het hofje wordt hier zeer precies gesitueerd.[23]
Op 30 oktober noteert hij in zijn journaal: "La motte de terre, zegt ergens Barrès, la motte de terre, qui semble un chose morte, est pleine de la vie du passé"... Héél sterk voel ik in mij de liefde voor den grond, voor den geboortegrond.
Ik voel mij als een boom, die eenmaal op een vaste plek zijn wortels heeft geschoten. En die boom staat in Vlaanderen, voor mij het mooiste land op aarde.
De schrijver zal nu met twee anekdotes zijn gehechtheid aan en verbondenheid met de geboortegrond illustreren. In de tweede anekdote komt nu het Rusthof aan bod.
"Constant en Lotje waren twee oude, oude veldarbeiders. Hun leven lang hadden zij op de velden van hun dorp gewroet, en toen zij niet meer werken konden, rees het schrikbeeld van het Armenhuis als een gruwelspook vóór hen op.
Daar moesten zij nu in, daar konden zij hun dood afwachten, tenzij... tenzij een plaats voor hen gevonden werd in een hofje, pas gebouwd door een liefdadige dame, in 't dorpje vlak naast dat, waar zij hun leven lang gezwoegd hadden. Door voorspraak en ten prijze van veel moeite, mochten zij er eindelijk hun intrek nemen.
Eerst waren zij opgetogen van blijdschap over die ongehoopte en zoo troostende tijding. De nachtmerrie van 't Armenhuis verzwond; de rust en het geluk van den ouden dag waren verzekerd. Dat duurde zoo enkele weken. Doch van lieverlede, naarmate de datum van hun intrek dichter in 't verschiet kwam, gingen zij vreemd aan 't prakkizeeren en aan 't tobben en eindelijk kwamen zij ons neerslachtig mededeelen, dat ze toch maar liever in 't Amenhuis van hun eigen dorpje hun leven zouden willen eindigen.
Nu was dat andere dorp, waar 't hofje stond, nog geen tien minuten ver van hun dorp afgelegen; en toevallig was het hofje juist op de uiterste grens dier gemeente gebouwd, zoodat het feitelijk meer bij hun dorp behoorde dan bij het dorp waarop het stond; doch niets hielp: zij waren te zeer aan hun dorp, aan den naam van hun eigen dorp gehecht en griezelden bij de gedachte, dat zij, na hun dood, in den vreemden bodem van dat ander dorp zouden begraven worden.
Slotbeschouwingen
1. Een literatuurcriticus typeerde Buysse als "de objectieve verteller", een ander karakteriseerde Buysses werk als "de machtigste kroniek van ons volksleven gedurende meer dan een halve eeuw". [24]
Als we nu het verhaal Het Hofje aan de werkelijkheid toetsen, dan moeten we toch de objectiviteit in Buysses verhaal met een korreltje zout nemen. Onderschuiven van personages, fictie en werkelijkheid zijn zo verstrengeld dat hier geen sprake kan zijn van een kroniek uit die tijd.
Maar onmiddellijk dienen we hier aan toe te voegen Buysse zelf zegt over zijn literaire scheppingen:
Ik zie de werkelijkheid voor mij en op de werkelijkheid, die als beeld in mijn hoofd zit, ga ik bouwen. Maar er komt zooveel bij en er gaat zooveel af. In mijn werk is het gedeelte van de verbeelding zeer groot. En laten we ook rekening houden met wat hij ook zegt over zijn personages: Het is wel gebeurd dat sommige mensen zeiden: Mijnheer Buysse heeft over ons geschreven. Maar dan werd er aan getwijfeld, omdat sommige dingen niet precies klopten. Je componeert je boeken, nietwaar? Je neemt iets van die en neemt iets van een ander, en daarvan maak je je personages. De mensen in mijn boeken zijn niet helemaal integraal zooals zij langs de wereld lopen. [25]
Die passussen zijn zo relevant dat verder commentaar overbodig is. We willen hier nog even een citaat aanhalen uit de licentiaatsverhandeling van ons betreurd lid, vriend en Buysse-kenner Antoon Schelstraete uit Nevele: "De speciale vertelkunst van Buysse en z'n uitzonderlijke vaardigheid om 'n gebeuren met grote waarachtigheid voor te stellen, geeft aan dit alles de waarde van een document humain." [26]
2. Het Rusthof is niet meer; over een vijftigtal jaren is dat oord te Nevele en te Vosselare zeker in het vergeetboek geraakt, tot spijt van de journalist, die in 1898 de necrologie van Adèle Fobe schreef: "Dit Rusthof staat rechtover den hof van het buitenverblijf van het edele echtpaar, ten eeuwige dage getuigende van zijn liefdadigheid".[27] Van eeuwigheid gesproken, laten we liever zeggen: Het Hofje, Buysses novelle heeft, om zo te zeggen, die stichting vereeuwigd en ze zal, met de souvenirs ervan bewaard in het Rietgaverstedemuseum, een boeiende evocatie blijven van het Nevele uit de laatste decennia van de 19e eeuw.
[1]C. BUYSSE, De Roman van den Schaatsenrijder, Amsterdam, 1918. Bevat o.a. De "wal" van 't Armenhuis, p. 12-36.
[2]ID. In de Natuur, Buseum, 1919, p. 110-128.
[3]Ongebruikelijke benaming. De Nevelaren spreken over de
Rusthof, Virginie Loveling e.a. over het Rusthof. Het Woordenboek van de
Nederlandse Taal geeft één voorbeeld met de betekenis van kerkhof, (zie
Duits Friedhof).
Door zijn verblijf in Nederland kende Buysse de juiste benaming.
De definitie in het Groot Woordenboek van van Dale luidt: een liefdadige
stichting voor bedaagde lieden bestaande uit een aantal om een plaats of
plein gebouwde vrijwoningen.
[4]J. VAN DE CASTEELE, Adèle Charlotte Fobe, in Berichtenblad van de heemkundige kring Het Land van Nevele, IV (1973), p. 35-52.
[6]Archief Ministerie van Justitie Brussel.
[7]Zie bijlage I.
[8]Zitting van het Armbureel, dd. 7 nov. en 13 nov. 1898.
[9]Zitting van de C.O.O. van Nevele, dd. 1 okt. 1967. Dhr. René Van de Walle uit Landegem wijdde eraan een artikel met foto: Rusthof van Vosselare verdwijnt weldra in de geschiedenis, in Het Volk, 5 juli 1968.
[10]Geciteerd bij Hugo VAN DEN ABEELE, Het kanaal van Schipdonk, Overdruk uit K.O.K. Deinze, 1940, p. 12.
[11]C. BUYSSE, Uit de Bron, Gent, 1922, p. 95-102.
[12]Du paupérisme et des moyens de le soulager Plus de pauvres, plus de mendiants, Gand, 1847.
[13]Zie bijlage II.
[14]Wetten van de 27 nov. 1891 op den openbaren onderstand, kosteloozen geneeskundigen bijstand en beteugeling der landlooperij en der bedelarij, Brussel, 1891.
[15]Geschichten aus Flandern, von Cyriel BUYSSE, Leipzig, 1917, p. 17-38.
[16]Dat herenhuis, met zijn prachtig park, is ook nog een
belangrijk element van het decor waarin Buysses roman De Schandpaal, Gent,
1928, zich afspeelt.
Zie J. VAN DE CASTEELE, aangehaald artikel, p. 49, 50.
[17]C. BUYSSE, Kerels, Gent, 1927, p. 47-61.
[18]V. LOVELING, Een winter in het Zuiderland, Gent, 1890, p. 146-157 en p. 282-287.
[19]Archief
van de muziekmaatschappij Sinte Cecilia, Rietgaverstedemuseum, Nevele.
A. JANSSENS, De Koninklijke Schuttersgilde St.-Sebastiaan van Nevele, in
Extra aflevering van de heemkundige kring "Het Land van Nevele", juni 1974,
p. 50.
[20]V. LOVELING, Herinneringen, bijeengebracht en ingeleid door A. van Elslander, Hasselt, 1967, p. 26 en 50.
[21]De familie Fobe gaf ons inzage van de minuten van het testament en van de vereffening en verdeling der nalatenschap van Mevr. A.C. Fobe.
[22]Archief van het Weldadigheidsbureel van Nevele.
[23]C. BUYSSE, Zomerleven, Bussum, 1919, p. 334-336.
[24]M. GALLE, Cyriel Buysse, de objectieve verteller, in Socialistische Standpunten, 1959, nr. 6, p. 517 en vlg.
[25]E. d'OLIVEIRA, Cyriel Buysse. De Jongere Generatie, Amsterdam, 1913, p. 71 en 69.
[26]A. SCHELSTRAETE, Cyriel Buysse. Zijn Nevelse periode (1859-1896), onuitgegeven licentiaatswerk, p. 101. Archief Rietgaverstedemuseum, Nevele.
[27]Gazette van Gent, 13 mei 1898.