VOLKSLEVEN IN HET LAND VAN NEVELE
door Penneman
Over het vroegere volksleven in het
Land van Nevele liggen een aantal gegevens verspreid in allerlei boeken en
tijdschriften. De opzet van de hiernavolgende bijdrage is eenvoudig, zoveel
mogelijk chronologisch, deze gegevens samen te brengen.
Het zou ook de moeite lonen vandaag in het Land van Nevele na te gaan wat er van
alles wat in de oudere literatuur vermeld is, nog levend volksgoed is. Maar deze
taak moeten we aan anderen overlaten.
In 1860 wijst J. Huyttens in zijn Etudes sur les moeurs, les superstitions et le langage de nos ancêtres (Les Ménapiens), comparés avec les usages existent de nos jours dans la Flandre orientale, op de speciale klederdracht der mannen uit de streek van Lotenhulle en Poesele. Hij schrijft: "Les blouses sont longues, fermées sur le devant, on y passe la tête comme dans une dalmatique, le collet est brodé en vert". [1] Verder vermeldt hij gevechten op zondagen tussen Vinderhout en Drongen en tussen Vosselare en Poesele.[2] Tenslotte vertelt hij over het feest der spinsters te Landegem en de "eigenaardige" wedstrijd om de zwartst gerookte dijen en benen! Maar reeds in die tijd waren er volgens J. Huyttens van langsom minder wevers en verdween ook dit eigenaardig gebruik der spinsters van langsom meer.[3]
Interessant is ook een vrij lange reeks spotrijmen waarin een aantal gemeenten van het Land van Nevele voorkomen en die in 1974 nog bij een paar oudere personen bekend bleken. Zo vermelden F. De Potter en J. Broeckaert in hun Geschiedenis van de Gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen, waarvan de monografieën over het Land van Nevele verschenen tussen 1864 en 1970, het volgende te Poeke opgetekende rijmpje, dat men bij het zien van een vallende ster moest opzeggen om een ziel uit het vagevuur te verlossen:
Poeke, Loo, Vinkt,
Meigem stinkt,
Petegem, Bachte, Deinze.
Ze geven ook de volgende variant:
Poeke, Loo, Vinkt,
Lee, Bevere, Eine,
Gits, Staden, Hoogleê,
Moere, Leke, Beerst,
Petegem, Bachte, Deinze
[4]
In 1891 geeft Pol De Mont het volgende te Nevele opgetekende spotrijm:
Nevel blinkt
Vynkt stinkt
en Meyghem is e str...kot.
Hij brengt ook nog het eveneens te Nevele opgetekende spotrijm:
Te Meyghem, te Meyghem,
Daar wonen twee zottinnen!
De eene bijt haar klossen in stuk,
En de andere en wil niet spinnen.
[5]
Allerlei varianten op dat Nevelse rijmpje vonden we samengebracht in de licentiaatverhandeling van E. Pauwels, De volksgebruiken rond de verlovingsring en de trouwring in de provincies Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen (Leuven, 1965). Ze vermeldt echter haar bronnen niet:
Vinkt stinkt
Kanegem blinkt
Aarsele draagt den gouden ring
(gehoord te Aarsele).
Vinkt stinkt,
Meigem blinkt
Poesele in het hondenhok
En Nevele draagt de gouden ring
(gehoord te Nevele).
Vinkt stinkt
Kanegem blinkt
en Aarsele draagt de gouden ring
(gehoord te Kanegem).[6]
Verder vonden we een variant die volgens onze bron nog in 1880 als volksdeuntje te Tielt gezongen werd:
Meigem stinkt,
Kanegem blinkt,
En Aarsele draagt de gouden ring.
[7]
In het compilatiewerk van J. Cornelissen, Nederlandsche Volkshumor op Stad en Dorp, Land en Volk, deel I en deel II (1928-1937), vinden we een overzicht van wat hij in vroegere publicaties gevonden had. Voor het Land van Nevele lezen we dat in een middeleeuwse tekst over De properheden van der steden van Vlaenderen (tussen 1347 en 1414?) de bewoners van Nevele Forentiers worden genoemd. Nu is het wel eigenaardig dat Cornelissen bij de vermelding van deze bijnaam in het eerste deel van zijn werk dit woord met een vraagteken verklaart als: Frans: marchands forains, en in zijn tweede deel schrijft: Forentiers. In het handschrift der XVe eeuw, de Properheden van der steden van Vlaenderen, werden de inwoners van Nevele, Forentiers d.i. foorkramers, Fr. marchands forains genoemd, wellicht omdat zij gewoon waren hun koopwaren op de markten der omliggende dorpen te verkopen."[8]
In het werk van J.T. De Raadt, Les
Sobriquets des communes belges, blz. 452, vond Cornelissen dat de inwoners
van de aan elkander grenzende dorpen Bellem, Hansbeke en Zomergem elkander
wederkerig voor Papeters uitscholden.[9]
De inwoners van Knesselare werden moordenaars genoemd, omdat er zo'n
moorddadige vechtpartijen geleverd werden.[10]
Over Lotenhulle schrijft Cornelissen: 1. Wanneer zeker
manskleedingstuk niet goed toegeknoopt is, zegt men tot den nalatige of
vergeetachtige: Ge komt van Loo, ofwel vraagt men hem: Komt ge van Loo dan?
En in gansch de streek weet men zoo goed wat dit beteekent, dat de aangesprokene
onmiddellijk naar bedoeld kleedingstuk kijkt, om te zien of daaraan niet eenig
verzuim moet hersteld worden". Verder citeert hij uit De Raadt het spotrijm:
Loo, Poesele, Vinkt
Petegem bachten Deinze stinkt.
Volgens hem werd het woord stinkt alleen gebruikt om te rijmen op Vinkt. [11]
Steeds uit De Raadt citeert hij dan
dat de inwoners van Deinze graag spotten met hun naburen van Meigem.
"Meigem en heeft geenen uitweg, beweren ze. Dat beteekent niemendalle en toch
zijn de inwoners van dit dorp kwaad, als zij 't hooren". In het tijdschrift
Biekorf (jg. III, blz. 249) vond hij dan nog de uitdrukking: "Hij
blinkt lijk Meigem-torre (= toren) deur de boomen". Deze zegswijze
verklaart hij echter niet.
De spotnaam de moordenaars vond Cornelissen niet alleen voor de inwoners
van Nevele, maar ook voor die van Knesselare, Velzeke, enz. Hij schrijft het toe
aan talrijke bloedige vechtpartijen. En verder vond Cornelissen in het
tijdschrift Volkskunde (jg. V, blz. 127): "Wanneer men in de
aanpalende dorpen van Nevele spreekt, voegt men er dikwijls bij: allemaal dul
volk83
Uit de Biekorf (jg. III, blz. 250-251) citeert Cornelissen nog de volgende gegevens over Poeke en Poesele:
Te Poeke zingen de kinderen het
raadselrijm:
Poeke, Loo, Vinkt,
Meigem stinkt,
Petegem, Bachte(n) Deinze!
G'raad hoeveel prochies er zijn?
Zesse!
Neene, zeven
in 't leven
Hij verklaart het raadsel als een
woordspeling op bachten in de betekenis van achter en de plaatsnaam
Bachte-Maria-Leerne.
En in West-Vlaanderen zei men volgens Biekorf: "'t En komt op geen
Poeselschen duime, d.i. 't komt op geen Poeselschen duim aan. Wordt in
West-Vlaanderen gezegd die iets niet al te veel scheelt".
[12]
Ook in E. Blancquaert,
Dialect-atlas van Noord-Oost-Vlaanderen en Zeeuwsch-Vlaanderen (Inleiding)
1933-1935, vinden we een aantal volkskundige gegevens, waarvan we echter niet
kunnen uitmaken of ze uit vroegere publicaties overgenomen werden, of rond
1933-1935 uit de volksmond opgetekend. Zeer interessant is de vaststelling van
het ontbreken van scheldnamen voor de bewoners van Lotenhulle, Poeke,
Vinkt, Hansbeke, Merendree, Nevele, Meigem, Sint-Martens-Leerne en
Bachte-Maria-Leerne. We menen hieruit te mogen besluiten dat de rivaliteit
tussen deze gemeenten, om welke reden dan ook, niet groot moet geweest zijn.
Wel geeft Blancquaert nog een aantal volkskundige gegevens over een aantal
gemeenten uit het Land van Nevele. We laten ze hier volgen in de orde waarin ze
in zijn Atlas voorkomen.
Te Poeke zegt men spottend over die van Lotenhulle: "De Lootse brakken,
erreweetzakken, duizend keren in d'helle dopen (of: die alover de kerke djakken)
luizen en vlooien, kunde ze nie verkopen, laatze lopen".
Een spotwoord op die van Vinkt luidde: "Hij is van Vinkt, zijn broek is
te kort".
Te Hansbeke spreekt men volgens Blancquaert van de Landegmse papeters.
Voor Nevele noteerde hij nog maar eens het spotrijm: "Vinkt stinkt, Meigem
blinkt, Nevel draagt de gouden ring". Hij commentarieert dat dit eerder
eigen lof op kosten van die van Vinkt is.
Maar dit is dan ook alles uit de Dialect-Atlas.[13
In de studie van M. De Meyer over het
Opstellen van het Koren in Vlaanderen, verschenen in 1938, vinden we
niets over het Land van Nevele.
Evenmin kunnen we uit R. Van der Linden, Het bolspel in Vlaanderen, vroeger
en nu (Gent, 1966) iets vinden dat het Land van Nevele zou onderscheiden van
de omliggende gewesten. Maar de kaarten in beide werken zijn zeer onvolledig en
vaag.[14]
Een paar losse sprokkels i.v.m. het
Volksleven in het Land van Nevele hebben we nog gevonden in de bijdrage van G.P.
Baert, Folklore in de Leiestreek. Onder de hoofding: Geen kiels maar
kofferkleers, lezen we: "Daar is te Poeke een pastoor geweest die aan de
boeren verbood van in de processie te gaan met een blauwen kiel aan". En
onder de titel: Peinzen volgt het gezegde: "'k Zitte dikkels te
peinzen hoe dat mijn kind's kinders aan de kost zullen komen.- Je moet doen
gelijk die van Poeke, die 'n peinzen nooit".
G.P. Baert noteerde ook de volgende zei-spreuk: "Zeker, zeker, is Deinze een
stad, en Bachte een parochie, zei Djoos". En volgens dezelfde auteur zeggen
die van Deinze om met die van Nevele te lachen: "Nevele is behangen met
blompapier". Waarom men dit te Deinze zegt, wordt echter niet uitgelegd.[15]
We willen ons overzicht besluiten met een Meilied door A. Janssens in 1948 te Nevele opgetekend. Het luidt:
Kieze mijne mei en brak mijn ei
De dore (dooier) viel uit de schale
Vrouwke wilde mij een ander halen
Of 'k zal uw dochter lastig vale.
Ga in uw stal en geeft ze mij al.
Ga in uw trog en geeft er mij nog.
Geef mij een koordeke of 'k kan 't nie knopen.
Geeft mij een zakje, zal er mee deure lopen.
[16]
Juffrouw De Meyer uit Lotenhulle vertelde ons op 11 juni 1972 dat zij als kind de mei gezongen had. Ze gingen rond met een tak van een boom die ze versierd hadden op de laatste dag van april. Ze deden zo een twintig à dertig huizen en haalden veel centen op. Op de vraag of ze ook nog het Meilied kende wist ze zich alleen nog te herinneren dat het iets was over de mei en dat het verband hield met de linten die eraan hingen. Later zond ze mij de tekst van het meilied.
Mei, mei, 'k plante mijne mei,
en de dore vliegt uit de schale,
'k heb een koordeken 'k en kan 't nie knopen,
geef mij 'n eitje en 'k zal deure lopen.
Vrouwke, vrouwke schone,
kijk al naar de krone
kijk al naar de hennennest,
de witte hennekens leggen best,
de zwarte ziede van verre,
ze blinken gelijk 'n sterre.
Boerinneke, boerinneke 't is uit,
Geef mij 'n eitje of 'n halve kluit.
Volgens haar is het gebruik verdwenen
rond 1930.
Een zeer verwante tekst van een Meilied opgetekend te Hansbeke verscheen in de
Biekorf van 1894, blz. 144.
Ook mevrouw Van Braekel te Meigem heeft nog met een meitak rondgegaan. Ze
moesten er soms nog zoeken naar zo'n tak met het eerste groen. En verkleed
trokken ze dan rond. Ze herinnert zich nog ongeveer het liedje:
Mei, mei
'k plante mijne ei
Boerinneke kijk (?)
Geef mij een ei of drije
'k Heb hier een koordeke
'k kan 't nie knopen
Geef mij een ei
'k Zal deurelopen.
Dat mei-zingen heeft geduurd tot voor
de oorlog van veertien, denkt ze.
Uit de verzameling spotrijmen van Pol De Mont werden uiteindeljk dan nog de
volgende te Nevele opgetekende spotrijmen op bepaalde voornamen opgetekend:
Pier
Blaas het vier,
't Vier en wil niet veinzen,
Pier loopt al keinzen!
Pier loopt achter de mijt
En daar krijgt Pier het sch....
Pier
Blaas het vier,
De pap staat in den mezier
(d.i. meziergat in de schouw)
Karel
Van Barel (d.i. Baarle bij Gent)
De mammekesbijter,
De p...potsch... ter,
Ging tegen den keuning vechten,
Met al zijn knechten,
En hij was zoo voos,
Dat hij zijn broek verloos!
Merten
Van Perten
Zat in de slooren.
Daar kwam 'nen puit,
Hij riep er hem uit.
Daar kwam een 'ratitse (d.i. een hagedis),
Om Merten te pitsen.
Daar kwam een slange,
Om Merten te vangen,
Daar kwam een schorpioen,
Om Merten van Perten
zijn vel af te doen.
[17]
Uit al deze losse gegevens krijgen we dus geen echt samenhangend beeld van een aantal aspecten van het vroeger volksleven. Wel mogen ze de hedendaagse veldwerker bij zijn systematisch onderzoek inspireren.
[1] Loco cit. in Messager des Sciences Historiques..., Gent, 1860, p. 235.
[2] Ibidem, p. 239-240.
[3] Ibidem, p. 336-337.
[4] Op.cit., Poeke, p. 33.
[5] N.N., Spotrijmen (Uit de verzameling van Pol de Mont), in Volkskunde, IV (1891), p. 86 en 264. Het vertelsel Barrik, barrak door Pol de Mont gehoord te Vinkt, Wambeke en elders, gaan we in deze bijdrage voorbij (Volkskunde, IV (1891), p. 103
[6] Op.cit., p. 201.
[7] N.N., Twee oude volksrijmkens, in Het Morgenrood, (1943), p. 76.
[8] Op.cit. deel I, p. XIII-XIV en deel II s.v. Nevele
[9] Op.cit., deel II, s.v. Bellem.
[10] Ibidem, s.v. Knesselare.
[11] Ibidem, s.v. Lotenhulle
[12] Ibidem, s.v. Meigem, Nevele, Poeke en Poesele.
[13] Ibidem, loco cit.
[14] M. DE MEYER, Opstellen..., in Oostvlaamsche Zanten, XIII (1938), p. 210.
R. VAN DER LINDEN, Het Bolspel...., p. 254-255.
[15] G.P. BAERT, Folklore..., in Bijdragen tot de Geschiedenis der Stad Deinze en van het Land van Nevele en Schelde, XXIII (1956), p. 28, 31-32, 36.
[16] A. JANSSENS, Nevele, Meilied, in Oostvlaamsche Zanten, LXV (1964), p. 158.
[17] N.N., Spotrijmen (Uit de verzameling van Pol de Mont), in Volkskunde IV (1891), p. 272.