De dood van Ieperen
door Jozef Van de Casteele
Voor
een paar maanden heeft de bekende taaltuinier van De Standaard, Maarten
Van Nierop, twee kroniekjes gewijd aan "de dood van Ieperen". Een lezer had die
uitdrukking in een moderne roman aangetroffen en vroeg om uitleg. Maarten van
Nierop vond de uitdrukking in een spreekwoordenboek van 1858, waar de auteur van
dat werk een verklaring zocht in de zwarte dood, de pest die in de veertiende
eeuw Ieper teisterde.
Verder wijst de taaltuinier op uitdrukkingen "er sieht aus
wie der Tod im Basler Todtentanz... wie der Tod im Drisdner Todtentanz...."
en knoopt eraan vast dat de voorstelling van de dodendans - zeer gewild
in de middeleeuwen - in de volksfantasie het beeld van magerte en bleekheid
opriep.
We lezen graag de taalkronieken van
Maarten Van Nierop en naar ons beste vermogen maken we ze ons ten nutte. Maar we
menen toch dat deze Noord-Nederlandse taaltuinier toch wat te gemakkelijk de
"Vlaamse" auteurs afwijst. Niet eens vermeldt hij Caesar Gezelle, die de
beschieting en vernieling van Ieper, in 1914, verhaalt in zijn kroniek De
Dood van Yper (Amsterdam, z.j.). We zouden dat werk niet aanhalen, mocht op
de voorpagina het veelbetekenend motto niet prijken:
In 1347 werd Yper zoo vreeselijk door de pest beproefd dat de geheugenis
ervan door landen en tijden is bewaard gebleven met de naam: De dood van Yper.
Eene van de muurschilderijen in de Pauwelszaal boven, op de Lakenhal, stelde De
Dood van Yper voor. Zij is, met zooveel andere heerlijke kostbaarheden en
gedachtenissen, vernield in November 1914, tijdens deze tweede, nu wezenlijke
dood van de arme Vlaamsche stad.
Maar in de vermelde taalkroniekjes is er nog een grotere leemte: Cyriel Buysse. In november heeft hij te New York een reisavontuur neergepend waarvan de titel luidt De Dood van Ieperen ('s Gravenhage 1892). We hebben even in de streek van Nevele nagegaan of de betekenis van die uitdrukking er nog bekend was en hebben geconstateerd dat plus-vijftigers er nog een passieve kennis van hadden, maar dat de jongere generatie die niet meer kende: de dood van Ieperen wordt er nog begrepen als iemand die er doodsbleek uitziet.
Tijdens een overvaart naar Amerika
treffen Buysse en zijn vriend een zonderling passagier aan; als tijdverblijf
gaan ze de handel en wandel van dat personage na, wat ze trouwens kostelijk
amuseert. Hier volgen nu de passages die in verband staan met de titel van het
verhaal. Na de opzichtige kledij van de passagier beschreven te hebben, gaat de
schrijver verder:
En, wat het gansche, belachelijk voorkomen van de personage completeerde was
zijn aangezicht: een geelbleek aangezicht, met kleinen neus, met ronde, zwarte,
zotte oogjes en platte, als het ware tegen den hoofdschedel gestreken en langs
onder uitgerekte ooren: een dier gekke gezichten die onweerstaanbaar aan de
stijve, droogkomieke uitdrukking der clowntronies herinneren.
Buysse en zijn vriend zoeken nu naar
een naam om het type te karakteriseren.
Het was mijn vriend die dezen vond, zonder het te willen.
"Die kerel", sprak hij, op zekeren avond, van den zonderlingen reiziger
gewagend, "heeft juist het uitzicht en de gelaatskleur van degenen, die in de
Vlaamsche polders aan malaria koortsen lijden, deze gansch bijzondere bleekheid,
welke de door dezelfde kwaal niet aangetaste West-Vlamingen, spottend en
verpersoonlijkt 'de Dood van Ieperen' noemen".
Het hart des menschen is onmeedoogend; ik barstte los in eenen lacht. En de
bijnaam, dien wij zochten was gegeven, de zonderlinge type geclasseerd: hij zou
onder ons niet anders dan "de dood van Ieperen" meer geheeten worden.
Dat de Noord-Nederlandse taaltuinier het niet nodig achtte twee "Vlaamse" auteurs te vermelden heeft ons dus enigszins verwonderd. Maar wat ons ten slotte verbaasd heeft, niet eens heeft hij Busken Huet, de strenge en strijdlustige Noord-Nederlandse criticus uit de XIXe eeuw, aan bod laten komen. Niet dat deze auteur tot onze dagelijkse lectuur behoort, maar hij heeft zo lovende bladzijden aan de gezusters Loveling gewijd in zijn boek Het Land van Rubens (1879). Bij het doorbladeren van die "Belgische Reisherinneringen", vonden we dat Busken Huet ook over Ieper geschreven had en even een toespeling maakte op de aangehaalde uitdrukking: Reeds sedert lang bestaat er geen dood van Yperen meer. De moerassen, wier ongezonde dampen weleer de stad vervulden en de bleeke burgers op schimmen deden gelijken, zijn vruchtbare velden geworden.
Wie gelijk heeft in de verklaring van het gezegde, laten we in het midden - hoewel we opteren voor Caesar Gezelles uitleg - maar we mochten toch niet nalaten Buysses novelle te vermelden, geschreven toen hij nog een volbloed Nevelaar was.