Heemkundige Kring "Het Land van Nevele" vzw

HENDRIK K.E. VAN DOORNE HERDACHT TE POEKE

Op initiatief van de heemkundige kring "Het Land van Nevele" en met steun van de V.T.B.-V.A.B. werd op zondag 5 september 1976 in het kleine Oost-Vlaamse Poeke de Gezelle-discipel Hendrik K.E. Van Doorne herdacht.

Even voor drie uur liep het plein voor het gemeentehuis vol. Het kleine kerkje, waar Hendrik Van Doorne in 1865 zijn eerste mis opdroeg, was tot op de laatste rijen bezet. De geconcelebreerde eucharistieviering werd stijlvol opgeluisterd door het Amabilie koor uit Aalter. Tijdens de homilie riep E.H. J. de Mûelenaere directeur van het Pelichylyceum te Izegem en lid van het Gezelle-genootschap, het beeld op van G. Gezelle en zijn Poekese discipel Hendrik K.E. Van Doorne. Aan de offerande werden aan de aanwezige gelovigen bidprentjes uitgereikt. Op het bidprentje lazen we een originele weergave van het gedicht dat Van Doorne zelf schreef voor zijn eerste Mis op 5 september 1965.

Rechtover de ingang van de kerk staat de ouderlijke woning van Van Doorne. Links en rechts van de deur bedekten een Leeuwevlag en de V.T.B.-V.A.B.-vlag de twee gedenkplaten geschonken door de V.T.B.-V.A.G. Dhr. J. Luyssaezrt, voorzitter van de heemkundige kring "Het Land van Nevele", verzocht de genodigden zich rond de gedenkplaten te scharen. In zijn openingswoord dankte hij al die personen die de plechtigheid hadden mogelijk gemaakt, in het bijzonder dhr. J. van Overstraeten, voorzitter van de V.T.B.-V.A.B. Ook de leden van de werkgroep die de feestelijkheid organiseerde, werden speciaal bedankt, nl. juffrouw I. Buysse, juffrouw S. De Keyser, juffrouw Anna Claeys, dhr. J. Van de Casteele, pastoor De Jaegher, gemeentesecretaris De Bel en burgemeester B. Van de Steene.

In zijn welkomstwoord toonde de heer burgemeester van Poeke zich fier omdat zowel G. Gezelle als H. Van Doorne het kline Poeke in hun versregels hebben vereeuwigd.

Met een sprankelende vitaliteit en een jong enthousiasme sprak toen dhr. J. van Overstraeten over Hendrik Van Doorne. Zijn hulderede was doorspekt met pittige details over Van Doorne en bevatte ook wel eens vinnige opmerkingen aan het adres van de toenmalige fransdolle kasteelheren van Poeke met wie de aristocraat Van Doorne geen uitstaans had. Na de hulderede werden de gedenkplaten onthuld en geschonken aan de gemeente Poeke. De genodigden gingen toen binnen in de tuin van het Van Doornehuis, nu het klooster. De huidige eigenaars van het huis, de zuster Apostolinnen van de H. Jozef, mogen hier wel bijzonder gedankt worden voor hun medewerking en gastvrijheid. Honderdvijftig genodigden genoten van de zon, de boomgewelven en de stilte. Twee zangeressen zongen enkele liederen van G. Gezelle. Een beter kader voor de uitvoering kon niet gevonden worden: een zonnige kloostergalerij en de stilte van de tuin.

Als aandenken aan deze plechtigheid overhandigde de voorzitter van de heemkundige kring een schaal, speciaal voor die gelegenheid ontworpen, aan dhr. J. van Overstraeten, pastoor De Jaegher en E.H. J. de Mûelenaere.

Tot slot droeg juffrouw Irène Buysse het gedicht Poeke voor: een laatste groet aan het zelfstandige Poeke dat binnenkort wordt gefusioneerd.

Homilie uitgesproken door E.H. J. de Mûelenhare tijdens de eucharistieviering.

 Gelovige vrienden,

 Wie kan er Poeke zien en niet gedenken!
Inderdaad! Wie zou vandaag vergeten dat dit stille dorp voor de gastvrijheid en de vriendschap van de familie Van Doorne door onze grootste dichter beloond werd met enkele onvergetelijke verzen die Poeke voor altijd bekendheid geven en de naam Van Doorne van de vergetelheid gered hebben.
In deze eucharistieviering gedenken wij heel in 't bijzonder de missionaris Hendrik van Doorne.
Dat hij in deze kerk die onder het beleid van zijn vader herbouwd werd op 5 september 1865 zijn eerste Mis heeft opgedragen.
Dat hij in 1901, na ruim 35 jaar missiewerk in Engeland, vermoeid en ziekelijk. naar zijn geboortedorp terug is gekeerd.
Ook dit zou vandaag niet herdacht worden indien Gezelle in Poeke geen tweede thuis had gevonden.
En juist die binding met Gezelle werpt een schaduw op die luisterrijke herdenking. Want op de eerste Mis van Hendrik van Doorne was Gezelle de grote afwezige. Er was immers een breuk in de vriendschap ontstaan. Maar die vervreemding was niet blijvend want in januari 1868 schreef Van Doorne vanuit Engeland aan Rond den Heerd een open brief waarin hij verklaarde hoe hij "een welweter en nogal veelzegger" tot inkeer is gekomen.
Vandaag evenwel zal Gezelle niet ontbreken.
Men kan niet spreken over Simon Petrus, deze voortvarende "welweter en veelzegger" onder de apostelen, zonder er Jezus en zijn verbondenheid met zijn hemelse Vader bij te betrekken. Men kan evenmin over Van Doorne spreken zonder de priester-dichter GezelIe te geven wat Gezelle toekomt.
Jezus liet doven horen en stommen spreken. We hebben het zoëven gelezen in het evangelie van Marcus.
Maar heeft ook Gezelle dit niet beschouwd als de voornaamste taak van de dichter: luisteren en spreken, leren luisteren en leren spreken?
Weinigen hebben zoveel nagedacht en zo vaak met hun leerlingen gesproken over het wezen en de roeping van het dichterschap als Gezelle.
Voor hem was de poëtische vervoering, een religieuze ervaring, een voorbijgaande genade.
Die visie heeft hij nergens zo eenvoudig uitgedrukt als in de parabel "De taal van het Vaderland" , de eerste lezing uit deze woorddienst.
Op aarde leeft de mens in ballingschap. Hij is doof en stom. Maar soms hoort hij stemmen die van hierboven, vanuit het Vaderland, tot hem spreken. Want God openbaart zich aan de mens in schoonheid en macht, in goedheid en deugd. Maar hij openbaart zich alleen "als de ziele luistert" .
De ziel die van dezelfde God 't gevoel ontving, dit vermogen dat zelfs de taal verstaat van het ranke riet nabij de stille waterboord.
Zalig hij die luistert, dichtte Gezelle, naar der naturen stemme, der naturen stem, die God is.
Hoe zou de luisterende mens in die vluchtige stonden van zaligheid geen antwoord zoeken en verder leven van de hoop die niet overgaat maar groeit tot een verterende hartstocht naar Gods oneindig licht in 't vaderland.
Zijn speelse invallen of duizelende vervoeringen heeft Gezelle soms moeiteloos, soms stamelend en onzeker trachten te vertolken in zijn eigen taal, die een gave is van God.
En zijn leerlingen luisterden naar zijn lied en leerden de stemme herkennen uit het vaderland. Op hun beurt stemden zij de snaren van hun taalinstrument... En toen gebeurde het wonder.
't Dichtte al dat lepel lekte, getuigt Verriest.
Hendrik van Doorne behoorde niet tot de uitverkorenen die Gezelle als poësisleraar mochten hebben zoals Eugene Van Oye, die eenmaal de Johannesrol in Gezelles christen-vlaamse dichtschool aangeboden kreeg.
Maar gedurende zijn laatste schooljaar leidde de ex-poësisleraar de Vlaamse Lettergilde en op 23 februari 1860 werd Van Doorne als lid opgenomen.
Op 1 juni schrijft de Heer ende Meester een geestdriftige brief aan Van Oye: "We hebben een nieuwen schoonen dichter ontdekt in den hierby gesloten Hendrik". Is het toeval dat Van Doorne omtrent die tijd in de lettergilde een gedicht heeft voorgelezen dat als titel "De Stemme" draagt?
En is het vermetel in dit stuk een aanleiding te zien voor Gezelles parabel "De taal van het Vaderland"? Verbonden met het kleingedichtje "Als de Ziele luistert" werd deze parabel twee jaar later in "Gedichten, Gezangen en Gebeden" opgenomen. En het is niet de minste verdienste van Van Doorne dat hij samen met Verriest en Van Oye de publikatie van deze bundel mogelijk gemaakt heeft.

Bewust van zijn roeping als dichter schreef Gezelle:
Uw Schepping dat is mij een tempel
en al het geschapene wilt Gij, God,
ontvangen uit mijne handen.

Maar hij wist zich niet enkel de begenadigde mens die de schepping aan God terug moest geven. Als gezalfde priester was hij zich ook bewust van zijn zending om God in de gekruisigde en eucharistische Christus aan de wereld terug te geven: aan de oude ontkerstenende wereld in Europa en aan de nog heidense nieuwe wereld in Amerika.
Jarenlang heeft hij van een missionarisleven gedroomd.

Zijn jubelzang van 1856 ter gelegenheid van het halfeeuwfeest van het Klein Seminarie eindigt met het vers:
Daar waar het kruis niet heerst daar is mijn vaderland.

Vanaf zijn benoeming tot poësisleraar in november 1857 heeft deze priester-dichter met de twee Vaderlanden bij de humanioraleerlingen aan missie-animatie gedaan. Hij heeft er een missievuur doen branden dat achteraf geen strovuur gebleken is. Zijn biechtkinderen kenden zijn drang naar Engeland en zijn belangstelling voor de Amerikaanse en Noorse missionering. Hij sprak er over te pas en te onpas. De gelegenheden daartoe ontbraken trouwens niet. In 1856 was Pater De Smet. de grote zwartrok uit het Rotsgebergte, naar België en Dendermonde overgekomen.
In hetzelfde jaar werd te Leuven het Amerikaans Seminarie opgericht. Promotoren waren Kardinaal Spalding uit Saint-Louis en bisschop Lefevere uit Detroit. Deze laatste was overigens een ver familielid van Gezelle uit Roeselare. Hij had zijn eigen vicaris-generaal als eerste rector van het Leuvens Seminarie afgestaan. En deze werd als vicaris-generaal opgevolgd door Pieter Hennaert, die andere wonderknaap die, tot aan de komst van Gezelle in Roeselare, als leerling-knecht in het Klein Seminarie verbleven had. Na één jaar voorbereiding in Detroit had die wonderknaap de priesterwijding ontvangen.
Op de erelijst van de oud-studenten van het Amerikaans Seminarie staat onder de allereersten Karel Rijckaert uit Sleidinge die al in 1843 te Roeselare zijn humaniora beëindigd had. En in september 1858 zou Leopold Dieleman uit Moerbeke onmiddellijk na de poësis in dit missieseminarie in Leuven binnentreden. Zijn klasmakkers wisten het. In juli schreef zijn boezemvriend Theofiel Toye het gedicht: "Aan Leopold Dieleman, toekomstige zendeling in Amerika".
Men heeft "Excelsior", dit bezield declamatorisch missiegedicht, met het vertrek van Dieleman in verband gebracht.
Maar nog in 1857 hadden Gezelles leerlingen als titel voor een steloefening gekregen: "Le Départ", het afscheid van de missionaris.
En volgens het verslagboek van de lettergilde werd in die tijd "De Zendeling in Amerika" voorgelezen, een stuk dat voor de inhoud met "Excelsior" te vergelijken is. In "Excelsior" heeft Gezelle een stem gegeven aan de romantische missiedroom van meer dan één van zijn biechtkinderen.
En op zijn beurt heeft deze Marseillaise van de missiebeweging bij de volgende generaties in heel Vlaanderen het heimwee naar grootheid gevoed, naar de mannenmaat van een radikaal evangelisch leven.
Dit heimwee had ook de klas van Hendrik Van Doorne aangegrepen.
Op 12 juli 1859, vier dagen voor de grote vakantie, schrijft Edmond Wallays een afscheidsbriefje aan Gezelle. Daags voordien is die jongen uit de derde Latijnse en lid van de Eucharistische Vriendenbond op de kamer van zijn geestelijke leider geweest.
Hij moet vernomen hebben dat hij Gezelle niet als poësisleraar zal krijgen. In een postscriptum vraagt hij hem dit briefje als aandenken te bewaren en tijdens de consecratie soms voor hem te vragen: het zoetste en meest begeerde geluk van den heiligen Apostolischen staat. De brief vangt aan met de zin: "Mijnheer, zou ik eens mogen zeggen wat ik poësis meen?". En dan volgt de beschrijving van het vertrek van een missionaris, de reis op een woelige zee, en de aankomst in een ver en wild land. Elke tafereeltje wordt afgesloten door de retorische vraag: "Is dat geen poësis?".
Mijnheer, zou ik eens mogen zeggen wat ik poësis meen? Inderdaad, veel is schoon, maar zijn eigenliefde overwinnen om voor wildvreemde mensen dwars door de brousse of door het bergland een weg te banen naar het echte geluk, naar een menswaardig en christelijk bestaan, met uitzicht op het echte vaderland, dat vooral is schoon en de moeite waard. Dat was de poëzie, dat was de droom van Wallays en van nog anderen uit zijn klas.
Na de vakantie bleef Gezelle niet weg. Hij keerde naar Roeselare terug als leraar talen en leider van de Vlaamse Lettergilde... voor één jaar.
Op 12 augustus 1860, juist een jaar na de brief van Wallays, schreef hij in het Album van Hendrik Van Doorne een gedicht, waaruit hier volgende verzen:
Vaarwel, dat edel woord
En droevig maer voor dezen
Die leven zonder hope
Op Gods voorzienig zijn...
Vaewel en moogt zoo blij
De blijde "welkom" wezen,
Als 't weenende vaerwel
Dat ik getroost u zeg,
Mijn kind,
En dezen zegen dien
Ik op uw voorhoofd leg,
Mijn kind, vaerwel,
Naar Zuid of Noord
Naar IJs- of zonneboord
Of 't zij naar welke streken
Uw schuivend schip mag steken,
Zo weze U God voor eind,
Voor hulp en reisgeze
l,
Zo vaert gij hier en daer,
Zo vaert gij eewig wel,
Mijn kind, vaerwel.

Dit gedicht is duidelijk een antwoord. Het kan best een antwoord geweest zijn op het afscheidsbriefje van Edmond Wallays.
Met weglating van de allusie op een missieroeping heeft Gezelle het nog aan anderen gegeven. Maar hij schreef dit vaarwel in het Album van Van Doorne, volledig.

Het werd opnieuw een voorbarig vaarwel. Want Gezelle heeft tijdens die vakantie de familie Van Doorne bezocht en toen heeft hij vermoedelijk zijn verzen over Poeke geschreven. Hij heeft Hendrik weten te overtuigen zijn humaniora in Brugge te voltooien en bij hem in het Engels College in te wonen. Daar, dicht bij Gezelle, zou zijn roeping minder gevaar lopen dan te Roeselare.
Over deze tijd schreef Van Doorne in zijn trilogie Jan Van Noorde, (ondertitel Onderwerping en Betrouwen): Hij (Van Doorne) was liefst naar woeste landen getrokken.. .maar hij stemde er in toe zijn dienst aan eenen der bisschoppen van Engeland aan te bieden.
In Engeland is hij ruim 35 jaar werkzaam geweest.
Zijn leven lang zou hij - het gedicht "Vaerwel" indachtig - op Gods voorzienigheid betrouwen. Nog op 28 januari 1910 schrijft hij, die reeds door de kanker getekend was, aan Eugène Van Oye :"Nu, gij noemt mij gelukkig. Ja dank God, ik ook noem mij gelukkig. 't Geluk moet daarin bestaan dat wij alles van hem nemen wat zijn vaderlijke en voorzienige hand ons weet toe te staan".
Edmond Wallays ging na de retorica naar "Les Missions étrangères de Paris". En deze prachtmissionaris was 64 jaar werkzaam in Indië.
Een derde missionaris uit Van Doornes klas is Désiré Dewulf uit Roeselare. Na de poësis trad hij binnen in het Amerikaans Seminarie. Hij verbleef 48 jaar in de Verenigde Staten.

De hulde die wij vandaag brengen aan Hendrik Van Doorne gaat ook naar deze twee klaskameraden en naar alle Vlaamse missionarissen, gaat ook naar alle ouders die zoals het echtpaar Van Doorne in hun gezin een gezond christelijk klimaat geschapen hebben waarin hogere roepingen konden ontstaan, gaat ook naar alle opvoeders, die als Gezelle, de jeugd leerden luisteren naar de stemmen van het Vaderland.
Voor hen allen: Dank U Vader in de Hemel. Laat hen delen in uw eeuwige heerlijkheid en spreek ons, levenden, nog dikwijls in de taal van het Vaderland.

J. de Mûelenaere.

Openingswoord van dhr. J. luyssaert,
voorzitter van de heemkundige kring "Het land van Nevele".

Beste inwoners van Poeke,
Beste genodigden.
Eindelijk is het zover - vandaag wordt Hendrik Van Doorne herdacht. Het heeft maanden van intensieve voorbereiding gevergd om deze viering te organiseren. Alles begon bij onze actieve ondervoorzitter dhr. Jozef Van de Casteele. Van hem ging het initiatief uit om de Gezelle-discipel Van Doorne op een waardige wijze te herdenken. Weldra kwam een werkgroep tot stand waarin juffrouw Buysse uit Poeke een geweldig pak werk heeft verzet. Tot op de laatste ogenblikken vóór de viering en zelfs nu nog is ze druk in de weer om alles vlot te laten verlopen. Wanneer het om "haar" Poeke gaat dan zou ze zelfs bergen, burgemeesters en gemeentesecretarissen verzetten.
In de werkgroep dachten en organiseerden ook juffrouw Solange De Keyser, juffrouw Anna Claeys, pastoor De Jaegher, gemeentesecretaris De Bel en de heer burgemeester B. Van de Steene. Al deze personen wil ik hier nu heel bijzonder danken. Ze hebben het kleine Poeke groot gemaakt. Maar deze hele feestelijkheid zou er niet gekomen zijn zonder de financiële steun van de V.T.B.-V.A.B., onder het voorzitterschap van dhr. Jozef van Overstraeten. Mijnheer van Overstraeten, eens te meer heeft u bewezen dat de V.T.B.-V.A.B. trouw blijft aan zijn rol als cultuurdrager in Vlaanderen, door hier deze gedenkplaten te plaatsen. Ik dank ook E.H. J. De Mûelenaere voor zijn kanselrede en E.H. De Jaegher, de gulle pastoor van Poeke. Ten slotte gaat mijn bijzondere dank naar het gemeentebestuur van Poeke dat ons nog vóór er iets concreets georganiseerd was, graag zijn steun verleende.

Toespraak van dhr. B. Van de Steene,
burgemeester van Poeke

Mijnheer Van Overstraeten, Monseigeneur Fraeyman, Z.E.H. Kannunik Lagrain, Mijnheer Huys, Eerwaarde Heren, Mevrouwen Mijne Heren, Bes-te vrienden.

Het is voor mij als burgemeester van de gemeente, een zeer groot genoegen U allen, in naam van het College van Burgemeester en Schepenen, in naam van de gemeenteraad, in mijn persoonlijke naam, zeer hartelijk welkom te heten binnen onze kleine dorpsgemeenschap.

Henricus Evaristus Carolus van Doorne, zoals geboekt in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente is hier geboren op 16 april 1841, als zoon van Joannes Van Doorne, Burgemeester van de gemeente en van Augusta Van Eechaute.
Ik denk het niet als mijn taak zijn levenswandel, zijn literaire verdiensten en zijn contacten met priester-dichter Guido Gezelle hier te moeten voorstellen.
Eminente sprekers hebben dit mij voorgedaan en zullen verder tijdens het verloop van de plechtigheid. met kennis en overtuiging, Hendrik Van Doorne verder belichten.
Als Burgemeester van de gemeente zie ik deze manifestatie als de gelegenheid een persoonlijkheid van de gemeente, die buiten de nauwe gemeentegrenzen bekendheid heeft verworven, te redden uit de vergetelheid en zijn beeld en zijn bestaan voor hen die na ons komen te bewaren.
Men. kan zich moeilijk voorstellen dat wie zich ook waagt aan een studie over Guido Gezelle, niet één dag terecht zal komen bij die enigszins raadselachtige figuur van priester Hendrik Van Doorne.
Hij die hier in de toekomst voorbijkomt zal, hopen wij, ooit eens de tijd hebben te lezen wat vandaag onthuld wordt en zich even bezinnen over deze priester die, binnen zijn levensjaren, niet met gewone maten kon gemeten worden.

Wij proberen niet alleen Hendrik Van Doorne te onttrekken aan de tijd, wij gedenken hierbij in het bijzonder de zeer bijzondere banden welke Guido Gezelle met onze gemeente heeft verbonden. Het zal wel zijn dat de literaire waarden van het gedicht Poeke, niet hoog mogen worden aangeschreven, voor onze gemeenschap is het een vleiend oordeel over ons leefklimaat en leefmilieu.
Bij nader toezien moeten wij zelf bekennen dat die voorbije honderd jaar, naast de onvermijdelijke veranderingen, het leefklimaat van onze gemeenschap niet hebben verwoest.
Er zijn hier nog heel wat plaatsen waar, in stille mijmering, de versregels van Gezelle over Poeke, als in een stil gebed, kunnen worden nagezegd.
Beste vrienden, als Burgemeester van de gemeente Poeke ben ik fier hulde te kunnen brengen aan een figuur die wij, om zijn gebondenheid met onze kleine gemeenschap, zijn verbondenheid met Guido GezelIe, niet wensen te vergeten.
Allen die hiertoe hebben bijgedragen dank ik zeer hartelijk.

Hulderede van dhr. Jozef van Overstraeten,
voorzitter van de V.T.B.-V.A.B.

 

Voor de gevel van het Van Doorne-huis, waar de twee gedenkplaten aangebracht zijn, heeft de heer Jozef van Overstraeten, algemeen voorzitter van de Vlaamse Toeristenbond, de hulderede uitgesproken.
Wegens technische moeilijkheden is die niet op band opgenomen... en we weten nu dat de dynamische voorzitter van V.T.B.-V.A.B. zijn rede niet neerpent.
Er waren heel wat zondagtoeristen die door de Ruiseledestraat snorden, maar het begeesterend woord van de redenaar - in dit geval geen cliché - overstemde het straatgewoel.
Dat de heer van Overstraeten zijn talrijk publiek wist te boeien is hoofdzakelijk te danken aan zijn persoonlijke manier van het benaderen van een figuur als Van Doorne; geen akademisch betoog, maar een levendige voorstelling van personen en een boeiende uitbeelding van feiten waarin het luisterend publiek betrokken werd.
Eerst werd Hendrik Van Doorne, de leerling van Gezelle, uitgebeeld. De grote dichter was dikwijls te gast bij de Van Doornes en zijn vele bezoeken zijn dan ook gekristallizeerd in het gedicht Poeke dat nu in gouden letters prijkt op de gevel van het Van Doornehuis.
Was die gegoede familie van huis uit vlaamsgezind, dan zou hun geestdrift voor Vlaanderen nog door Gezelle aangewakkerd worden.
De Vlaamse Toeristenbond heeft zich altijd ingespannen om de Gezellefiguur te bestendigen: te Kortrijk en te Brugge werden gedenkplaten aangebracht. Ge~ zelle-leerlingen werden eveneens herdacht: dhr. Eugeen Van Oye te Gistel en dhr. Karel de Gheldere te Torhout. En nu is het de beurt aan Hendrik Van Doorne, die in het spoor van zijn geliefde Meester, zijn leven zal uitbouwen. Wordt nu de Poekenaar gehuldigd, dan is het ook Vlaanderen's grootste dichter die hier herdacht wordt.
Over de missionaris Van Doorne kon vlug heengestapt worden; in de homilie, door de E.H. José de Mûelenaere uitgesproken. werd dat aspekt voldoende belicht. Er was een breuk geweest in de vriendschap met Gezelle, maar Van Doorne heeft bekend gefaald te hebben. Zijn bewondering voor de Meester zal met de jaren crescendo stijgen en uitmonden in het neerschrijven van zijn Gedenkboek.
Met welgevallen zal de voorzitter van de Vlaamse Toeristenbond de toerist Van Doorne belichten.
Met kennis van zaken verwijlt Van Doorne bij de kunstschatten van kerken en musea, weet hij ook het natuurschoon te vinden en te beschrijven en tenslotte paart hij het nuttige met het aangename: hij wijdt uitvoerig uit, over gastronomische geneugten.
Op zeer delicate wijze wist de redenaar ook de rol van de vrouw in het leven van Van Doorne te benaderen. De Engelse bekeerlinge Flora WeId was zijn goevernante te Poeke.
De figuur van A. Walgrave senior, een Poekenaar, werd eveneens in herinnering gebracht, want de bekende biografie "Het Leven van Guido Gezelle" is het werk van zijn zoon priester. Deze heeft meer dan eens een beroep gedaan op Hendrik Van Doorne om de Meester beter te leren kennen.
Het publiek dat op straat opeengepakt stond heeft met volle aandacht en bewondering geluisterd en de hulderede werd dan ook onthaald op een warm
en welgemeend applaus.

Slotwoord van dhr. J. luyssaert,
voorzitter van de heemkundige kring "Het land van Nevele".

Beste genodigden.

Mijn slotwoord betekent voor mij, als voorzitter van de heemkundige kring veel meer dan zo'n maar een formele gewoonte. Over een goede maand vinden gemeenteverkiezingen plaats en na die verkiezingen wordt deze lieve gemeente Poeke in een fusie opgenomen. Met de huldiging van Hendrik Van Doorne eindigt ook een stuk gemeentegeschiedenis voor zijn geboortedorp. Wat dan? Laat de heemkundige kring Poeke dan vallen? Deze vraag werd mij de laatste tijd herhaaldelijk gesteld. Ik meen dat nu het ogenblik gekomen is om daarop een klaar antwoord te geven.
Bij de stichting van de heemkundige kring werd uitgegaan van de historische eenheid, de baronie Nevele. Al die gemeenten rond Nevele die geheel of gedeeltelijk tot de oude baronie behoorden werden in het werkgebied van de heemkundige kring opgenomen.
Zes gemeenten uit dit werkgebied blijven na de fusie verenigd in het nieuwe Nevele: Hansbeke, Merendree, Landegem, Poesele, Vosselare en Nevele. De andere zeven gemeenten uit ons werkgebied gaan in andere fusies over. In welke nieuwe eenheid de gemeenten uit het oude Land van Nevele mogen opgenomen worden, wij laten ze niet los. Aan de historische werkelijkheid kan een ministrieel besluit niets veranderen. Poeke behoorde tot het Land van Nevele en daar willen wij verder rekening mee houden. Wij hopen dat de samenwerking tussen de nieuwe gemeenten en de heemkundige kring even joviaal en gemoedelijk zal verlopen als met de gemeente Poeke.
Mijnheer De Mûelenaere, in uw kanselrede hebt u op een bijzondere manier het beeld opgeroepen van Hendrik Van Doorne. Als blijvende herinnering aan Hendrik Van Doorne en aan de zelfstandige gemeente Poeke schenken wij u deze schaal met het gemeentewapen van Poeke.
Mijnheer pastoor, u zult later in de pastoorslijsten vermeld staan als de laatste pastoor van het zelfstandige Poeke. Als dank schenken wij u deze schaal.
Mijnheer van Overstraeten, de V.T.B.-V.A.B. heeft als laatste twee gedenkplaten geschonken aan het zeIfstandige Poeke. Ik ben blij u deze schiotel als dank te mogen overhandigen.

Voor alle inwoners van Poeke eindigen we met de woorden:

Poeke, Poeke duizend werven
komt mij nu die naam weerom.