MISS FLORA WELD TE POEKE

 door J. De Mûelenaere

Het werd Father Van Doorne blijkbaar kwalijk genomen dat hij te Poeke, waar hij op gevorderde leeftijd teruggekeerd was, een Engelse miss als gouvernante in huis nam. Zoals het wel gebeurt groeit de achterdocht naarmate de verdachten minder gekend zijn en de geruchten van verder komen.
Fama crescit eundo! [1]
Streuvels wist - zo schrijft hij - dat zijn kozijn Caesar pastoor Vandoorn (sic) verhinderd heeft met hem in betrek te komen.[2]
Toch heeft hij het over "pastoor Vandoorn - de oud-leerling van Guido Gezelle - die uit Amerika teruggekeerd naar Poucke, zijn oude geboorteplaats, was komen rentenieren... en een beeldschone, jonge, Engelse miss-gouvernante of huishoudster had meegebracht." [3]

Het is duidelijk dat die niet genoemde, niet bekende en wellicht niet gekende miss, de bovenvermelde Flora Weld was. "Juffrouw Flora" zoals ze in Poeke en Ruiselede nog vernoemd wordt. De mensen die haar gekend of gediend hebben zijn oud. Hun herinneringen van vóór de Eerste Wereldoorlog zijn grotendeels uitgewist of verward. Zij komen hierop neer: Paster Van Doorne is naar Poeke komen wonen na de dood van zijn broer Alfons, juffrouw Flora is toen meegekomen en is lang te Poeke blijven wonen na de dood van de paster. Om dit te verklaren moet de legende ontstaan zijn dat Van Doorne, na zijn verblijf te Brixton, bij de familie Weld op West Lulworth werkzaam is geweest.[4]

Zoals we in een vorige bijdrage hebben geschreven heeft Hendrik Van Doorne in februari 1901 zijn afscheidssermoen te Brixton (Engeland) gehouden. Zijn broer Alfons, die na het huwelijk van Sepke (1872) in het ouderlijk huis was blijven wonen, verhuisde naar Lotenhulle op 27 september 1893.[5] Zijn meid, Emelie Dewitte uit Moerkerke verliet het huis pas op 14 augustus 1895. Het huis werd daarna als voorlopig vakantieverblijf voor Hendrik ingericht en wellicht al vóór 1901 opengehouden door zijn meid Prudentia Lamiroy uit Heurne.[6]
Hendrik is zeker niet voor februari 1901 naar Poeke teruggekeerd. Op 11 november 1902 schrijft hij aan Van Oye dat hij terug is uit Ierland en nu voor goed in Poeke is. Van een reis naar of een verblijf in Amerika hebben we niets teruggevonden.

Flora Weld, rentenierster, werd pas op 30 januari 1909 te Poeke ingeschreven. Haar komst was toen zeker wenselijk. Hendrik leed aan de lever en kon blijkbaar moeilijk zijn meiden besturen.[7] Tussen 1901 en 1909 had hij er twee, soms één, soms niemand. Ene is er 5 dagen gebleven (indien we de inschrijving in de gezinstabellen mogen geloven).

Juffrouw Flora was gesproten uit een oud geslacht van landadel. De eigendom van de Welds of Lulworth strekte zich uit "over 10.000 (tien duist) hectaren lands, waarop 8 parochiën en steden gevestigd waren". Aldus Hendrik Van Doorne in een schrijven aan Eugeen Van Oye. De brief, gedateerd op 8 december 1908, is een antwoord op gevraagde inlichtingen, nopens de familie van Flora Weld en bevat o.m. een late oprisping van wrevel over de kerkelijke veroordeling van de vereerde Lamennais. Hier de aanvang: "De Kardinaal Thomas Weld was, inderdaad, eerst getrouwd. Hij had een eenig kind, eene dochter. Zijne vrouw was eene Clifford, dochter meen ik van Lord Clifford. De dochter van Thomas Weld trouwde ook met eene Clifford. Daardoor zijn de Welds & Cliffords verwantschapt. Als Thomas Weld, na de dood van zijne vrouw, priester wierd, gaf hij het kasteel van Lulworth aan zijnen volgende broeder (de dochter kan niet erven). Die broeder was Miss Flora Weld's grootvader. Zij is op het kasteel van Lulworth geboren en heeft er een deel harer jeugd doorgebracht. Verdere inlichtingen zal ik U mondeling mededeelen, omdat die bijzonderheden te veel plaats zouden beslaan. De familie Weld heeft verscheide maal met den tijd van hoogsten edeldom beloond geweest, maar 't is eene overeenkomst onder hen van nooit geen tijtels aan te nemen, omdat hun naam "Weld of Lulworth" hooger en ouder is dan de beste tijtels van het land. (...) Juffrouw Flora's vader was de derde zoon en daarmede - De familiegoederen aan de oudsten zoon gehecht blijvende, deelen de jongere telgen maar mede in 't gene de ouders gedurende hun bezit sparen - en daarmede, zag ik (,) is zij maar in bezit van eene treffelijke leefte. Want zij is dus maar een jonger kind van eenen jongeren zoon!...".[8]

In menig opzicht verschilde Juffrouw Flora van Father Van Doorne. Het verschil van opvattingen blijkt wel uit hun lectuur. Juffrouw Flora was geabonneerd op de Times, hij op de Daily News. Bewust van haar adellijke afstamming zal Flora wel de partij van de Tories goedgezind zijn geweest. Hendrik, eerder democratisch op opvatting en vurig bewonderaar van Manning, was op politiek gebied de liberale Whigs genegen. Veel van zijn parochianen in Brixton waren trouwens uitgeweken Ieren en zijn eigen zuster was lange tijd religieuze in Ierland. Toch konden paster Van Doorne en Juffrouw Flora best met elkaar opschieten. Voor haar was Father Van Doorne de priester die mee had gewerkt aan de bekering van haar land, de intieme vriend van haar vader en de leidsman die nu zelf hulp behoefde.

Voor hem was Miss Flora een geestelijk kind, een voorname en zeer gecultiveerde, hoewel minder gegoede vrouw die de luister van zijn geslacht verhoogde en hem verloste van de huishoudelijke zorgen. Beiden, vooral Flora, onderhielden goede betrekkingen met de plaatselijke aristocratie. Juffrouw Hulin de Loo kwam geregeld op bezoek. Juffrouw de Nieport en Juffrouw Pycke de Peteghem waren welkome gasten.[9]
Tijdens de zomermaanden ontving Juffrouw Flora heel wat landgenoten. De gezinnen van haar zuster en broer. En een zekere Juffrouw Rosalie, een rijke en vrome vrouw uit Dublin, die elke zomer een ganse maand te Poeke verbleef.

Juffrouw Flora regelde het werk van de boven- en keukenmeid, die haar best mochten. Zij had wel haar eigenaardigheden en sprak gebrekkig Vlaams, maar ze was vroom, voornaam, geleerd en goed. De keukenmeid moest de geiten verzorgen en de melk karnen, want Mijnheer Henri en Juffrouw Flora gebruikten alleen kiemvrije gietenboter. Voor de meiden kocht Flora goede "boereboter". Zijzelf verzorgde de rashonden, steriliseerde alle groenten en maakte allerhande zalven. "Ik mezelf ben maar arme mens, niet adellijk Juffrouw Isabelle" zei ze dan, of "Kijken, mijne vriend, gij hebt geen verstaan".

De kanker waaraan Mijnheer Henri leed, baarde met de jaren meer en meer zorgen. In de lente van 1913 is hij voor de derde maal in Londen voor onderzoek en behandeling. "...onder de X stralen, ten onderzoeken, geboden gelegen. Den electrieken spiegel in mijn binnengewanden gehad en eindelijk aan radium's werking overgeleverd geweest voor 48 uren" schrijft hij op 25 mei 1913 aan zijn oude vriend Leopold Slosse, wie hij om enkele ontbrekende nummers van "De Geitenboer" verzocht voor zijn collectie van "Geitenletterkunde in Vlaamsche taal". "We houden hier vijf melkgieten" en "eene dienstdoende bok" en verder "'k houde mij 't hoope met gietenmelk".[10]

Kortelings voordien moet Slosse om bidprentjes gevraagd hebben. Hendrik antwoordt: "dat bestaat niet meer in den 'zerkenskens trant'".[11]
Maar in september 1914 kreeg Slosse "twee doodsbeeldekes met de bedonking en wedergroeten van Juffrouw Weld, die haren geestelijken Vader met aller grootste zorg, zowel onder geestelijk als tijdelijk opzicht, heeft opgepast".[12]

Van Doorne was overleden op 13 september. Het Duitse leger was in aantocht. Het doodsbericht was alleen verschenen in "Le Bien Public". De weinig overlevende collegevrienden vernamen het droeve nieuws pas na de begrafenis. Op 18 september - de dag van de begrafenis - meldde Flora Weld aan Eugeen Van Oye het afsterven van "the best & truest friend any one could have".[13]
Op 2 oktober volgde een tweede brief: "All the library is here & the artistic objects & they will not be sold. Is there any book you w(oul)d like as a souvenir? Those of Gazelle (sic) are however to be given to his Cousin". Deze kozijn was Emile Justin Landrieu, notaris te Gent (1847-1920). Hij erfde alle goederen behalve het notarishuis met inboedel, dat aan Juffrouw Weld gegeven werd.

Na de dood van Mijnheer Henri bleef Juffrouw Weld met haar twee meiden te Poeke wonen. En deze vreemde vrouw wist er tijdens de oorlog de achting en de genegenheid van de bevolking te winnen. Elke dag maakte zij een grote ketel soep klaar voor de armen. Zij bleek een uitstekende ziekenverpleegster te zijn, die nu nog meer zalven maakte en niet bang was de typhuslijders te bezoeken en te verzorgen. De vijf melkgeiten en acht "biebuiken" kwamen behoeftigen en zieken ten goede.[14]

Van de bezetters kreeg de Engelse miss heel wat last te verduren. Elke week moest zij zich aanmelden in de Commandantur te Deinze. Ze ging er te voet heen en terug over Vinkt en Zeveren. Tegen over de bezetters wist die moedige vrouw haar man te staan.

Ondertussen hield ze de gedachtenis van Father Van Doorne in eer. De huiskapel, waarin hij elke dag de mis had gecelebreerd, was het voorwerp van haar bijzondere zorg. Elke morgen, als ze terugkeerde van de kerk, kwam ze er bidden bij het beeldeke van O.L.Vrouw van Goemaere.[15]

Na de oorlog is Miss Flora geregeld naar Engeland teruggereisd. Ze bezocht ook enkele malen Zuster Noëmi (Augusta Van Doorne) die tot aan haar dood in Waterford (1929) verbleef.

In 1928 heeft zij de Gezellepapieren en andere documenten in een viertal dozen bij François Xavier Landrieu gebracht.[16]
Die dozen bevatten o.m. het Gedenkschrift van Hendrik Van Doorne, de eerste uitgave van de eerste dichtbundels, documentatie voor Kerkhofbloemen, gelegenheidsverzen van Miss Weld, de reisgids van 1904, een oud verlucht devotieboek.

De Gezelledocumenten gaf François Landrieu op 24 april 1938, enkele dagen voor zijn intrede in de St.-Andriesabdij, aan zijn vriend Kan. Cesar Van Kerkhove, met opdracht die aan het Gezellemuseum te bezorgen.[17]
Dit laatste gebeurde in oktober 1949.[18]
De eerste dichtbundels, een exemplaar van de reisgids en het oud devotieboek nam hij mee naar de abdij.

Ondertussen was Miss Flora zelf beginnen sukkelen. Een kwaadaardig kropgezwel maakte een ingrijpen nodig van Dokter De Schrevel te Brugge. Ziek en gehandicapt keerde zij eindelijk voorgoed naar Engeland terug, waar ze in het ziekenhuis van Lymington werd opgenomen. Ze nam de schoonste meubels mee en het legendarische beeldje van O.L.Vrouw van Goemaere.[19]
Voordien had ze het huis en de tuin verkocht aan het klooster. Dit gebeurde op 31 juli 1934.[20] Moeder Overste had gevraagd de boomgaard, gelegen achter de tuin van het klooster, aan haar te verkopen. Juffrouw Flora had daarop geantwoord: "Klooster niet bogaar koop, maar al koop". In opdracht van Flora's erfgenamen kwamen de resterende meubels en curiosa onder de hamer. Een deel daarvan werd aangekocht door het Museum van Deinze. Dit gebeurde, zeggen de mensen te Poeke, in 1935, op de dag zelf waarop Miss Flora overleed.[21]

Het stoffelijk overschot van Flora Weld werd in de familiekelder te Lulworth bijgezet.[22]


[1]H. Van Doorne, Jan Van Noorde, II, bl. 86, vrij naar het bekende vers van Vergilius, Aeneis IV, 175, of minder vrij: "Fama vires adquirit eundo!".

[2]In de briefwisseling G.Gezelle - Hendrik Van Doorne (Gezellemuseum) wordt "de goede Jèfer Flora" zelden vergeten. Caesar laat haar danken "om haar laatste bereidwillig en welgekomen brief met de adressen". Hij stuurt haar boeken terug: "Italie des romantiques" en "Mireille - Confessions of a wife" een dagboek geschreven door Mary Adams, een Amerikaanse (brief van 19 januari 1904).
De briefkaarten die volgden eindigen trouw met een "besten, hartelijken of minzamen groet aan beide(n)". In de brief van 12 maart verbreekt hij zijn "mustisme à l'égard de la bonne Miss Flora..." en schrijft: "je n'y tiens plus, mes grandes et sincères amitiés à elle s.v.p. une bonne poignée de main de loin; j'aurais l'entendre "Where are you?" and you? dira-t-elle... Et bien me voilà, comme toujours...".
De groeten en vriendschapsbetuigingen laten vermoeden dat Miss Flora gedurende de eerste maanden van 1904 tijdelijk te Poeke verblijft en wijzen op een bekendheid van langeren datum. We weten dat G. Gezelle als supply dienst heeft gedaan bij de familie Weld te West-Lulworth. Maar dit was pas in september 1905.
Heeft Caesar pastoor Van Doorne of wellicht Miss Flora verhinderd met Streuvels "in betrek te komen"? Heeft Caesar zelf Miss Flora gedurende die periode ontmoet? Einde januari 1904 heeft Van Doorne hem te Kortrijk een bezoek gebracht in verband met de uitgave van zijn reisgids. In de niet gedateerde brief waarin hiervoor dank gezegd wordt, wordt Miss Flora niet genoemd. In zijn postkaart van 19 februari waarin Caesar schrijft: "Verwacht mij niet meer vóór Paaschen" wordt evenmin van haar een vermelding gemaakt.

[3]Stijn Streuvels, Kroniek van de familie Gezelle, 1960, bl 85.

[4]Allossery in Jub. G.G.G., bl. 117. Die legende is wellicht te danken aan het feit dat Caesar Gezelle als supply in West Lulworth verbleef en vandaar met een geschreven idylle naar huis kwam. Zie Streuvels. Kroniek van de familie Gezelle, bl. 75.
De kapel in West Lulworth is de eerste katholieke kapel die na de Reformation in 1786 in Engeland gebouwd werd.

[5]Joseph Van Doorne (1845-1897) huwde te Aalst met Clementia Van Wichelen uit Lokeren. Dit gebeurde in  1872. Hij ging in de Knokstraat nr. 25 (nu 38) wonen.
Alfons (15 nov. 1849-14 nov. 1896) huwde op 20 augustus 1881 te Aalter met Maria Camilla Leonie Goeminne (°11 mei 1863). Alfons, eigenaar, werd verkozen tot gemeenteraadslid op 26 okt. 1875, aangesteld tot schepen op 7 februari 1885 en tot burgemeester op 25 mei 1887. Hij gaf zijn ontslag op 10 oktober 1893 na zijn benoeming tot notaris te Lotenhulle. Alfons moet een beschermer geweest zijn van de kantschool van Lotenhulle. Op een ongedateerd naamkaartje wordt hij "wegens kantwerken" aan de Kortrijkse handelaar in kant Achille Croquison aanbevolen door Gezelle "een oudere vriend van beiden". Lissens, Gezelle Briefwisseling 1, Antwerpen 1970, bl. 41.

[6]Tussen 14 augustus 1895 en 1900 wordt geen meid vermeld in de gezinstabellen. Prudentia Lamiroy werd in de gezinstabellen vanaf 1901 niet ingeschreven. Te Heurne werd zij afgeschreven op 31 oktober 1900 voor Gent (Stadhuisarchief Oudenaarde). Ze wordt te Poeke afgeschreven op 17 augustus 1903, datum waarop ze naar Brussel vertrekt. Prudentia (Heurne 25.10.1863) was verwant met Mgr. Lamiroy, die te Heurne op 19 augustus 1883 geboren is.

[7]Van Oye was zijn behandelende geneesheer, nadat hij op 1 juni 1905 voor onderzoek bij Dokter Pullar in Londen geweest is. In een brief van 16 mei 1909 aan Van Oye klaagt Van Doorne erover dat juffer Weld schaars thuis is en wederom weg is naar Londen.

[8]Flora Mary Weld werd geboren te East Lulworth (Dorsethsire) op 26 mei 1861 als dochter van Joseph of the Lodge en Flora Rodeliffe.
De Welds stammen af van Thomas Weld of Lulworth (1750-1810).
Thomas studeerde te Dowaai en te Brugge en schonk in 1794 Stonyhurst Hall aan de Jezuïeten die na hun uitdrijving uit België naar Engeland terug waren gekeerd. In het beroemde college van Stonyhurst zouden alle Welds hun humaniora doorlopen. Omstreeks 1800 kocht Thomas Chidock Castle aan de Arundelles.
a) Thomas Weld had 8 kinderen, waarvan vier zonen:
      - Thomas, de oudste, werd priester en werd in 1829 tot Kardinaal verheven
      - Joseph, de tweede zoon, erfde aldus Lulworth Castle (bij Wareham, Dorset)
      - Een derde zoon kreeg Leagram Hall (bij Preston, Lancs).
      Bij John Weld of Preston logeerde Canon Pieter Benoit uit Kuurne, toen hij in 1847, als pionier van de missionering in Engeland, naar Manchester vertrokken was. Walter S.J., van de Welds of Preston, was van 1924 tot 1929 rector van Stonyhurst. Het Preston House werd enkele jaren geleden herbouwd.
       - De jongste zoon kreeg Chidock Castle (West Dorset). Sir Frederick Weld of Chidock werd in 1881 gouverneur van Singapore. "Sint Jozefs Leere" van Gezelle hebben we aan hem te danken (cfr. Hand. Emulation, CF (1968) bl. 169).
b) Joseph Weld of Lulworth had drie zonen.
       - Edward Weld of Lulworth, van wie de mannelijke lijn uitstierf.
       - Thomas Weld of Ince Blundell Hall (Lancs), van wie eveneens de mannelijke lijn uitstierf.
       - Joseph Weld of Lodge, die woonde op zijn buitenverblijf te Lymington en een boezemvriend werd van Father Van Doorne.
       Zijn dochter Mary huwde met de weduwnaar John Vaughan of Courtfield (Herefonrdshire) (°1808-1880), vader van Kardinaal Herbert Vaughan (°1832) die in 1848, na zijn studies in Stonyhurst, in het Jezuïetencollege te Brugelette bij Mons verbleef.
c) Joseph Weld of the Lodge (Lymington) had drie kinderen:
       - Flora Mary Weld (1861-1935) die naar Poeke overkwam
       - Clara die huwde met dokter Bary-Ball (+ 2 oktober 1926)
       - Henry Joseph gehuwd met Mary Bowring, wiens tweede zoon kolonel Jos. William (°1909) als enige mannelijke nazaat van Joseph Weld of Lulworth, Lulworth Manor in West Lulworth (bij Wareham) erfde).
"Who's who" van 1952 vermeldt nog 9 mannelijke Welds, allen afstammelingen van de Welds van Preston, van de Lodge en van Chidock.
De domicilie van Flora Weld vóór haar verblijf te Poeke was Kensington (Londen).       

[9]a) Dr. Hulin uit Gent was de schoonbroer van Martinus Carolus Van Doorne-Blomme die in 1807 als notaris te Lotenhulle overleed. Deze laatste was oom van notaris Jan Van Poeke.
b) De markgraven Preud'homme Dailly van Franse afkomst hadden "het groot kasteel" bewoond. In de zeventiger jaren moesten zij hun prachtig domein verkopen aan baron Pycke de Peteghem van Oud-Moregem. Zijzelf gingen wonen in "het klein kasteeltje" dat ze in de Knokstraat lieten bouwen. Markgravin Preud'homme Dailly, Juffrouw Isabelle de Nieuport was de grote weldoenster en wereldlijke moeder van het naburige klooster. De tuin van de Van Doornes paalde zowel aan die van het klooster als aan die van Juffrouw Isabelle.

[10]Brief van 25 mei 1913. A.B.B. necrologie. In een brief van 7 april 1913 aan Van Oye schrijft Van Doorne dat hij nu volledig in de handen is van Dokter Ball in Londen. Hij is gedurende vier weken voor bestraling in Londen geweest.

[11]Ongedateerde brief. Postmerk 20 (?) mei 1913.

[12]Brief van pastoor Fr. Macharis aan pastoor Slosse van 26 september 1914. In de brief schrijft de pastoor van Poeke aan de verzamelaar Slosse "er zal niets verkocht worden, noch roerend, noch onroerend". A.B.B. necrologie. Fr. Macharis (°Denderbelle 22 oktober 1863-Poeke 17 september 1934). Pastoor te Poeke sinds 1912.

[13]De bovenvermelde brief van Van Doorne en drie brieven van Flora Weld aan Van Oye worden bewaard in de bibliotheek van de RUG. Een fotokopie werd ons bezorgd door J. Van de Casteele.

[14]Die "bijenkorven" liet zij in de zomermaanden overbrengen naar de boekweitvelden op de hoeve te Ruiselede, waar mijnheer Hendrik vroeger tijdens zijn jaarlijkse vakantie kwam rusten en jagen. Hierover meer in een volgende bijdrage.

[15]De huiskapel was ingericht op een voutje in de annex van het huis. Op die plaats werden later de Gezellekamer gebouwd. O.L.Vrouw van Goemaere (goede mare) had Hendrik in het kasteel gekregen. De bekomen gunst, dank zij het vertrouwen in dit beeld, heeft o.i. de grondgedachte van de roman "Jan Van Noorde" geïnspireerd.
Veel realia hebben we vernomen van de overlevende getuigen:
- Irma Boute (°Bellem 11 mei 1895) nu weduwe Jos. Van de Casteele, wonende te Ruiselede. Zij was van 10 juli 1915 tot 22 nov. 1919 keukenmeid naast Maria Cornelis. Deze laatste werd op 15 nov. 1915 te Poeke ingeschreven en pas op 26 juni 1935 afgeschreven.
Zij vertrok toen naar Lotenhulle. Irma Boute verving Irma De Vlieger, dochter van de boswachter van Van Doornes bos te Aalter. Haar schoonzuster, weduwe Achiel De Vlieger-Blondeel woont nog te Aalter.
- Cyrilla Van de Weghe (°Ruiselede 1902) nu weduwe Leon Maes, wonende te Ruiselede. In 1913 kwam zij met haar ouders wonen op de hoeve van H. Van Doorne.
- Irma De Winter (°1890) nu weduwe Alfons Van Hulle te Ruiselede, woonde voor haar huwelijk nabij de hoeve van H. Van Doorne.
- Moeder Anna (°Londerzele 1890) van de Vincentiuskostschool te Poeke die reeds in 1901 als weeskind in het klooster aankwam en als zuster en overste bleef.
Alleen enkele gelijkluidende getuigenissen werden weerhouden en, zover mogelijk was, in de gezinstabellen op hun waarde getest.

[16]François Xavier Landrieu (°19 september 1891), zoon van notaris Robert Emile Justin Landrieu, toen advocaat wonende te Sint-Kruis. OP 29 april 1938 trad hij in de Sint-Andriesabdij wij hij als Dom Pascal verblijft. (Is ondertussen overleden op 24 maart 1975).

[17]C. Van Kerkhove (Zele 3 februari 1899-Gent 9 mart 1959) was toen pastoor van de St.-Baafskerk te Gent.

[18]Zie hierover V. Viaene in Biekorf 1949, bl. 218 en 231.

[19]Over O.L.Vrouw van Goemaere zie Het Land van Nevele, sept. 1974, bl. 86 en 102-105.

[20]Inlichting verstrekt door pastoor De Jaeger. Brief van 19 juli 1971.

[21]Op 3 juni 1935 kwam Emile De Mulder-Van de Ghinste (°Bouckhoute 1874), gepensioneerd tolbeambte, voor korte tijd wonen in het huis te Poeke. Enkele tijd nadien verhuisde hij naar de Knokstraat in het huis waar onderpastoor Pissens had gewoond.
Maria Cornelis, die in 1915 bij juffrouw Flora als meid in dienst kwam, werd pas op 26 juni 1935 te Poeke afgeschreven.
Moeder Marguerite (geboren Augusta Van Heyste-Poeke 1872-1938) kocht het huis van pastor Van Doorne. Het ouderlijk huis van Hendrik Van Doorne zou pas na de Tweede Wereldoorlog verbouwd worden en in het klooster ingeschakeld.

[22]Aldus Col. Jos. Weld in zijn brief uit West Lulworth van 3 december 1969.