BOLSPEL IN HET LAND VAN NEVELE:
DE DIKKE KRULBOL

door Johan Taeldeman

Hoeveel varianten van het bolspel er op de wereld bestaan, valt moeilijk te ramen, maar het zullen er wel verschrikkelijk veel zijn. Alleen al in de folkloristische film "Bolspel in Vlaanderen" van Renaat van der Linden (aan onze leden vertoond te Lotenhulle in 1971) zien we wel 20 verschillende vormen van bolspel.

In het Land van Nevele zijn twee varianten erg populair (geweest): het spel met de dunne krulbol ("de platte") en het spel met dikkere en rechtere bol ("de dikke"). In feite zouden wij op een kaart vrij precies de gebieden kunnen aanduiden waar beide vormen van bolspel beoefend worden (of werden). Nar het noorden toe reikt het gebied van "de platte" krulbol ongeveer tot de lijn Aalter-Bellem-Hansbeke-Merendree-Drongen. Daarboven, in het Meetjesland dus - maar ook in West-Zeeuws-Vlaanderen en zelfs de noordoosthoek van West-Vlaanderen is enkel het spel met "de dikke" bekend. Bekende "bolwerken" van de boldersport aldaar zijn mijn geboortedorp Kleit, Sleidinge en Ertvelde. Het enige dorp van het Land van Nevele waar "de dikke" (naast vroeger "de dunne" of "de platte") nu nog gebruikt wordt is Merendree. Daar zijn er nog twee cafés waar op een overdekte bolbaan (West-Vlaams boltra: tra is een oud Vlaams woord, verwant met het ww. treden; het betekent zoveel als voetspoor, baan voor een spel) gespeeld wordt: op de wijk Durmen in "De oude Smisse" bij Firmin De Midts en op de wijk Oostergem in café "Moed en Vermaak" bij Robert en Antoinette De Clercq-Patijn. In het tweede deel van deze bijdrage schets ik de historiek van de bloeiende boldersclub die in dat laatste, gezellige café gevestigd is.

In het eerste deel vertellen wij in het algemeen iets over het spel met de dikke bol.

Hierboven is al gezegd waar "de dikke" vooral gebruikt wordt, hoewel in dit verband nog wel een kleurrijke anekdote verteld kan worden: in Evergem-Doornzele heeft het "Dries-comité" op de bekende, unieke dries een 20-tal bolbanen aangelegd in het lommer van de populieren. Op de warme zomeravonden zie je daar bijna het hele dorp, jong en oud, mannen en vrouwen, sportief verenigd op de bolbaan! Daar heeft men niet gewacht op het kunstmatige "Jaar van het Dorp" om het dorpsleven op te waarderen.

Persoonlijk vind ik het spel met de "dikke" bol een bijna ideale spelvorm. Bedrog kan er nauwelijks of niet in gepleegd worden, het is een sociaal ploegspel (soms wordt er met 2 ploegen van 8 man gebold!), er steekt enorm veel afwisseling in (vandaar het gezegde: "iedereen end[i] is anders) en er worden vrij hoge vaardigheidseisen aan de spelers gesteld, hoewel het spel dan toch ook weer niet het uiterste aan kracht en concentratie vergt: je kunt er werkelijk "ontspannen" bij blijven (of geraken). Na deze gerechtvaardigde lof op het spel kan het enigszins verwonderlijk klinken dat het bolspel flink aan populariteit heeft ingeboet: het aantal bolbanen is fel teruggezakt en van de spelers dient hetzelfde gezegd te worden. Vroeger vond je in het Meetjesland nauwelijks een café zonder bolbaan: je kon er beter zonder bier dan zonder bolbaan zitten. En in elke straat trof je zeker een paar bolbanen aan waar 's avonds en vooral 's zondags met veel overgave door de buurtbewoners gebold werd. Nu zijn er in een dorp als Merendree nog amper twee (overdekte) bolbanen te vinden en... misschien nog 40 bolders! Opvallend is ook de bijna volledige afwezigheid van jonge mensen op de bolbaan. Naar een verklaring hiervoor hoeven we niet lang te zoeken: het bolspel is één van de vele slachtoffers van een algemene tijdsziekte, nl. de verschraling van het gezelschapsleven. Door de sociale strijd hebben de mensen meer vrije tijd verworven maar een buitensporig aanbod van gebruiks- en verbruiksgoederen (bv. auto, radio, TV) heeft hen ertoe verleid om hun vrije tijd als het ware in afzondering, d.w.z. ten hoogste nog op gezinsbasis door te brengen. Die ontwaarding van het gezelschapsleven is wel het verst "gevorderd" bij de jongeren. Maar genoeg gefilosofeerd! Terug naar de werkelijkheid: het bolspel. We gaan nu de bol, de bolbaan, het bolspel en de organisatie van het boldersbedrijf wat technischer bekijken.

 

De bol

De "dikke" krulbok is 19 à 22,5 cm groot en ongeveer 8,5 cm dik. Vroeger was zij van hout gemaakt; aangezien ze tegen een flink stootje moest kunnen, werd er naar een harde houtsoort uitgezien. In mijn kinderjaren heb ik nog veel houten bollen gezien; de meeste waren vervaardigd uit een harde, roodachtige, donker getinte houtsoort, die in de streek pokhout[ii] genoemd werd. Toch weren er nog te veel bollen stukgeschoten en er werd overgeschakeld op andere procédés. Men heeft het (omstreeks 1950-1955) een tijdje geprobeerd met gelijmde lagen triplex, maar dat schilferde vlug af en paste zich ook te sterk aan vochtigheid, hitte e.d. aan. Omstreeks het midden van de jaren 1950 is dan de zgn. lijnwaden bol opgekomen: in feite is die gemaakt van geperste en gelijmde kunstvezel. Nu mag de lezer zich echter geen verkeerd beeld vormen van het gewicht: zo'n  "lijnwaden" bol van 22 cm weegt dan toch maar eventjes 4,5 kg! Ze is praktisch onbreekbaar maar kost ook erg veel: tegenwoordig wordt er tot 2.500 f(. neergeteld voor een goeie bol. Gelukkig heeft een bolder geen andere uitrustingskosten! Hoewel de meeste lezers al wel zo'n bol gezien en zelfs misschien gehanteerd hebben, willen wij voor de volslagen "leek" toch nog wat meer technische uitleg geven over de dikke krulbol. Als je die uit je hand laat glijden dan loopt die niet rechtdoor maar ze beschrijft een mooi boog, steeds naar dezelfde kant. Dat komt doordat de bol op de loop aan de ene kant wat meer afgerond (afgedraaid op de draaibank) is dan aan de andere kant. Hoe sterker die afronding, hoe duidelijker de boog die ze beschrijft. Van een bol zonder sterke afronding zegt men dat het "een rechte" is of dat ze niet veel "trekt"; bij een te sterke afronding zal een bol "te hard trekken". De ene bolder heeft graag een "rechte" bol, de andere een "trekker"; dat wordt mee bepaald door de manier waarop de bolbanen aangelegd worden: vrij valk of lichtjes trogvormig. De kant met de sterkere afronding noemt men "de keer"  of "de kleine kant", de andere is "de grote kant". Normaal valt een bol op haar "kleine kant" ("ze valt op keer"); uitzonderlijk komst ze op haar "grote kant" terecht (dan valt ze "van keer").

Aan de zijkanten zijn er groeven in de bol, meer aan de kleine kant dan aan de grote.

 

De bolbaan

We moeten een onderscheid maken tussen "buitenbanen" (in open lucht) en "binnenbanen" (overdekt). Aan de aanleg van een "buitenbaan" wordt doorgaans niet de uiterste zorg besteed. Men zoekt een vlakke plaats uit, maakt die meestal lichtjes trogvormig en verwijdert alle oneffenheden (gras, steentjes, e.d.). Op ongeveer 7 meter afstand worden de twee staken (van hout, 5 à 10 cm dik en 15 à 30 cm boven de grond uitstekend) in de grond geslagen.

Het aanleggen van en "binnenbaan" is eigenlijk specialistenwerk. Niet zelden wordt de bovenlaag van de grond speciaal bewerkt (gespit, fijngeharkt en "getrampeld") en veranderd van samenstelling door toevoeging van zaagmeel; op die manier heeft de vloer doorgaans een ideale droogtegraad. Doorgaans wordt een binnenbaan ook iets sterk trogvormig aangelegd, maar er zijn ook "platte" binnenbanen. Binnen worden de staken gewoonlijk iets verder van elkaar in de grond geplant: op ongeveer 8 m afstand.

Ongeveer 2 meter na elke staak wordt nog een afsluiting (gewoonlijk van houten palen) aangebracht. De benamingen hiervan verdienen even onze speciale aandacht. In Merendree, net als in het grootste deel van het Meetjesland noemt men dat de tuin.

In feite is dit (nl. omheining, afsluiting) nog de oorspronkelijke betekenis van dit oude, Germaanse woord (vgl. Duits Zaun = omheining); in het Nederlands heeft tuin een afgeleide betekenis door betekenisverruiming: van "omheining" tot "wat omheind is" (vgl. Engels town = stad: was vroeger ook ommuurd en/of omwald). In mijn geboortedorp Kleit heb ik voor de afsluiting achter een bolbaan altijd andere woorden gehoord: den dender of 't gelend. Geen enkele van die termen heb ik in een dialectwoordenboek of in een etymologisch woordenboek aangetroffen. Een zekere verklaring kan ik niet geven, wel een gissing. Te gemakkelijk lijkt mij de verklaring van dender als "voorwerp waar de bollen tegen denderen bij het schieten". Veel meer denk ik aan verwantschap met een oud dialectwoord denne (= kuil, ruim, bergzolder), dat op zijn beurt verwant is met den (Duits Tanne), dat vroeger ook de algemene betekenis "hout" had. Gelénd is ongetwijfeld verwant met het werkwoord belenden, dat in het Middelnederlands twee betekenissen heeft: ergens heengaan en grenzen aan. Gelend zou dus in oorsprong kunnen betekenen "plaats waar de bollen naartoe komen" of ook "voorwerp dat iets afgrenst, omheining".

 

Het bolspel

Een bolspel wordt gespeeld tussen twee ploegen met gelijke mansterkte (1 à 8 man). Voor de samenstelling van de ploegen wordt er geloot (in onze streek meestal "kaart trekken") ofwel onmiddellijk afgesproken. In het laatste geval wordt er nog getost of "opgesmeten" om te weten wie er mag "opgaan" (= beginnen): dat gebeurt met een geldstuk ("kop of letter") of met de bol ("grote of kleine", nl kant van de bol). De "opgaander" (= wie het eerst bolt) probeert vanop de meet (een ingebeelde lijn ongeveer ter hoogte van de staak, die men bij het spelen niet mag overschrijden) zijn bol zo dicht mogelijk bij de andere staak te rollen. Ligt hij (d.w.z. zijn bol) te "bij" (= dicht), dan kan de tegenpartij overwegen om hem weg te schieten, tenminste als ze een schutter in haar rangen telt. Schieten is nl. een speciale en ook wel lastige karwei. De "opgaander" kan echter ook "verre liggen": hij kan nl. "te kort" of "te hard" gespeeld hebben ofwel "ne slechten uitzet" gehad hebben, waardoor de bol "te nauw" of "te wijd" gaat lopen. Wie "te kort" gespeeld heeft, kan zich laten "indoen" door een ploegmaat: die geeft dan een "scheute" op de eigen "onderbolle". Als van beide ploegen iemand gespeeld heeft, kijkt men wie er wint. De verliezende ploeg moet dan verder spelen tot die "het afdoet" (d.w.z. een bol dichter bij de stak weet te rollen dan de "vijand"). Als iedereen zijn beurt gehad heeft, gaat men het resultaat van "den end" opnemen: men kijkt welke partij wint en eventueel met hoeveel bollen. Per dichtste bol wordt een punt toegekend. Als er gewoon voor "een pintje" gebold wordt, dan moeten er gewoonlijk 15 punten (of 30 als men per 2 optelt) gewonnen worden om uit te zijn. Op een wedstrijd zijn de spelletjes korter: men hoeft maar 8 ("pelotons" van twee man) of 9 (drie man) punten te behalen. In dat geval worden de punten niet op een telraam maar op de bol van de "opgaander" met krijt aangeduid. Het kan natuurlijk gebeuren dat twee bollen ongeveer even dicht bij de staak liggen (dat er dus "mate op ligt"). Dan wordt er met een koord gemeten en las het verschil heel miniem is, zelfs met een "staander" (een dun, droog strootje dat op de gewenste lengte afgebroken wordt). Meten kan wel eens (te) lang duren!

Meestal is er weinig organisatie nodig om "aan 't bollen te slaan": de liefhebbers verdelen zich in twee partijen en bepalen de inzet. Meestal is het zo dat de verliezers de winnaars op een pint of een borrel trakteren... maar ze drinken zelf ook altijd mee![iii]

Serieuzer en ook wel wat verbetener gaat het er aan toe op de wedstrijden. Daar wordt er soms voor fikse geldsommen gespeeld. De meeste wedstrijden worden op "binnenbanen" gespeeld en duren dan ook tot stukken in de nacht als er veel bolders zijn.

In de zomer worden er (nu veel minder dan vroeger) ook wel "bollingen gegeven" in open lucht. Dat is werkelijk de moeite waardom eens bij te wonen. Op een aardeweg of op een zachte straatberm worden dan wel 20-30 bolbanen achter elkaar aangelegd. Het lijkt op een complete kermis van vroeger. Heel vaak gebeurt het ook dat de bolders zich organiseren in een plaatselijke club. Hoe zo'n club leeft, kunnen we het best duidelijk maken met een voorbeeld uit onze streek.

 

De boldersclub "Wie zal er winnen?" te Merendree

Zoals al gezegd werd, is deze club gevestigd op de wijk Oostergem in het café "Moed en Vermaak" bij Robert en Antoinette De Clercq-Patijn. In het algemeen is "Wie zal er winnen?" te typeren als een club van vrienden met cafébaas Robert als een eerlijke organisator en Antoinette als een vriendelijke gastvrouw.  Dat er nooit serieus voor geld gespeeld wordt maar voor "de eer" zal ook wel iets te maken hebben met de goede geest: er wordt hard maar sportief gebold. Momenteel telt de club 30 leden-bolders en de werking is op twee zaken gericht: de koningsbolling en het clubkampioenschap.

De koningsbolling wordt ieder jaar op de tweede zaterdag van januari gespeeld: men bolt man tegen man elk met één bol tot enkel nog de (nieuwe) koning overblijft. Dit jaar viel die eer te beurt aan Gentiel Bauwens uit Merendree. De koning krijgt wat schoon "drink"-geld en... een mooie foto, die in het café opgehangen wordt. Alleen al voor die merkwaardige serie koningsfoto's (sedert 1936!) zou je op Oostergem eens afstappen! Maandelijks wordt er de eerste zaterdag om 19u30 voor punten gebold: bij loting worden ploegen van twee man gevormd en die gaan in een eerste ronde elkaar bekampen om het eest 8 punten te verzamelen; Van elke ploeg worden de behaalde punten opgeteld en aan het einde van het jaar worden voor ieder lid de punten van de 12 clubbollingen samengeteld. Wie de hoogste score heeft, is kampioen. (Voor 1977-1978 is dat Marcel Bassez). Die wordt dan samen met de koning gevierd op een gezellig souper in februari! Dat zijn telkens steengoede avonden!

Uit een nauwkeurig bijgehouden kasboek komen we heel wat te weten over de geschiedenis van de club.

"Wie zal er winnen?" is zeker een van de oudste (en bloeiendste) verenigingen van Merendree. Ze is opgericht in 1935, toen daar Melanie ("Meleke") Wille met haar twee zonen Cyriel en Georges woonde, maar in 1967 heeft neef Robert de zaak overgenomen. Het eerste seizoen (april 1935-maar 1936) telde de club niet minder dan 54 leden (zie verder), waarvan er nu nog 6 in de beweging staan: René De Clercq, Cyriel De Wulf, Emiel Joos, Salomon Thys, Omer Van Holsbeke en Georges Wille. Een oprecht eresaluut aan onze krachtige veteranen en... 't wordt tijd dat we dat eens passend vieren! Tot die eerste leden behoorde ook "Nardje" Paelinck, aan wie volgens Rober De Clercq de club zijn naam te danken heeft.

Vanaf 1943 komen er ook heel precies bijgehouden kasverslagen in dat boek voor. Eenvoudige getuigenissen over een verleden dat na amper 30 jaar al zo ver af lijkt te liggen. Ondanks de benarde oorlogstijd (de fameuze winter van 1943!) waren er tijdens het "speeljaar" 1943-1944 toch nog 31 leden-bolders.

Inkomsten en uitgaven zagen er dat jaar als volgt uit:

IN:

Lidgeld (31 x 5 fr)

Boetes (voor afwezigheid e.d.)

Inleggeld voor de clubbollingen

In kas van 't vorig jaar

       155 fr

        29 fr.

      348 fr.

      106 fr.

 

 Totaal   

      638 fr.

 

UIT:

Nog te betalen van vorig jaar

100 uitnodigingskaarten

Verzendingskosten (180 x 10 ct)

Prijs koning

"Portret" van de koning

       8 fr

     32 fr.

     18 fr.

     30 fr.

    170 fr.

 

 Totaal 

    258 fr.

 

Voor de clubkas was dat dus nog niet zo'n slecht jaar, want er was een batig saldo van 380 fr. (nu zou dat bijna 10.000 fr. zijn!).

Zo word je ongeveer bladzijde na bladzijde met een stukje volksleven, met het wel en het wee van bollend Merendree uit vroeger dagen geconfronteerd. Het zou ons beslist te ver voeren, als we alle treffende details gingen vertellen.

De lezer zal intussen wel met ons tot het besluit gekomen zijn dat in de boldersclubs van Merendree de rijke traditie van het edele bolspel in onze streek voortgezet wordt in een gezonde geest en een aangename sfeer.

Als enthousiast lid kan ik daar alleen maar een paar vrome wensen aan toevoegen:

  1. Dat er meer mensen (als kijker of speler) gebruik gaan maken van de sociale contactmogelijkheden die zelfs zo'n eenvoudige boldersclub te bieden heeft. Op die manier stellen ze zich ook weer tegen de angstaanjagende verschraling en uitholling van het gezelschapsleven.
  2. Dat dergelijke basis-verenigingen niet in de kou blijven staan als er straks via de grote cultuurraad gemeenschapsgelden verdeeld worden. Cultuur kun je met hoofdletter en met kleine letter schrijven!
  3. Dat de gemeente Nevele, als zij een speciaal budget opzij legt naar aanleiding van het "Jaar van het Dorp", zeker deze pijlers van een gezond dorpsleven niet uit het oog verliest!

 

BIJLAGE 1 - Clubleden "Wie zal er winnen?" 1935-1936

Aimé De Clercq

Cyriel Wille

Jules Hautekeete

André De Walssche

Irené Van Holsbeke

Remi Van Kerrebroeck

Emiel Claeys

Emiel Van Kersbulcke

Maurice Van Kerckvoorde

Gust Van de Woestijne

Emiel Joos

Cyriel Schatteman

Salomon Thys

André Haesaert

Omer Van Holsbeke

Achiel De Keyser

Alfons Van Heule

Gustaaf Poelman

Cyriel Hautekeete

August Luttens

Valère Aerens

Maurice Francken

René Grootaert

René De Paepe

Georges Van Hove

René De Clercq

Gust Martens

Jules Paelinck

Cyriel De Wulf

Georges Wille

Alfons De Vos

René Lomme

Octaaf De Paepe

Maurice Van Landegem

Joseph De Smet

Marcel De Paepe

Valère Naert

René Soens

Jules De Schrijver

Polydoor Van de Sompele

Ivo Van de Velde

Philemon Cornelis

Hilaire Hovaere

Omer De Paepe

Leon Francken

Bernard De Vreese

Gerard Van de Woestijne

Alfons Haesaert

Michel Vercauter

Philemon Claeys

Raymond De Wulf

Raymond De Schrijver

Robert Van de Voorde

Cyriel Luttens

 

BIJLAGE 2 - Koningen van de boldersclub "Wie zal er winnen?"

1935-1936

1936-1937

1937-1938

1938-1939

1939-1940

1940-1941

1941-1942

1942-1943

1943-1944

1944-1945

1945-1946

1946-1947

1947-1948

1948-1949

1949-1950

1950-1951

1951-1952

1952-1953

1953-1954

1954-1955

1955-1956

1956-1957

1957-1958

1958-1959

1959-1960

1960-1961

1961-1962

1962-1963

1963-1964

1964-1965

1965-1966

1966-1967

1967-1968

1968-1969

1969-1970

1970-1971

1971-1972

1972-1973

1973-1974

1974-1975

1975-1976

1976-1977

1977-1978

Cyriel Wille

Gustaaf Hautekeete

Irené Van Holbeke

Omer Van Holsbeke

Cyriel De Wulf

Remi Cocquyt

August Welvaert

Hilaire Goethals

Maurice Van Holsbeke

Aimé De Clercq

Karel Vermassen

Medard Aerens

Maurice D'Hooghe

Gentiel Aerens

Leon Claeys

René De Clercq

Jozef Aerens

Gerard De Bruyne

René De Paepe

Irené De Meyer

René Van Parijs

Jules Waelput

Antoine De Meyer

Roger Cornelis

Maurice De Meyer

Georges Hautekeete

André De Walssche

Marcel Bassez

André Haesaert

René De Clercq

Robert De Clercq

Cyriel Wille

Marcel Bassez

Maurits Van den Berghe

René De Clercq

Raoul De Wulf

Marcel Bassez

Marcel Bassez (ook kampioen!)

Salomon Thys

Firmin Thys

Emiel Joos

René De Clercq (77 jaar!)

Gentiel Bauwens

 


 

[i]    End = einde; zo noemt men een speelbeurt van alle deelnemers samen. "End hebben" betekent: de speelbeurt winnen. Het tegenovergestelde is: "den end verliezen". De verliezende ploeg spreekt dan van "ne slechten end".

[ii]    Dat is trouwens ook de A.B.N.-benaming . In Van Dale (blz. 1893, uitgave van 1976) lezen wij bij pokhout: "houd van de West-Indische guajacboom: wegens zijn hardheid wordt pokhout gebezigd tot het maken van allerlei voorwerpen die aan sterke slijting onderhevig zijn; bij verwarming van pokhout wordt een hars daaruit gewonnen dat als geneesmiddel gebruikt werd tegen syfilis en huiduitslag". Dat laatste verklaart de benaming.

[iii]   In dit verband een kleine anekdote over een merkwaardige boldersfiguur uit Merendree, nl. Omer Van Holsbeke (73 jaar!). Omer is niet op zijn tong gevallen en hij heeft zo'n beetje zijn eigen gezegden en uitdrukkingen. Als hij verliest zegt hij troostend tot zijn maten (en zichzelf): "'t is best dat w'hier niet in Poperinge zijn want daar meugen de verliezers nie meedrinken!" Als hij goed gespeeld heeft zegt Omer: "Da's eentjen uit den bomarson van Bruusle" (= Bon Marché of Bond Moyson of allebei?)