NEVELSE BRIEVEN VAN DE GEZUSTERS LOVELING

door Jozef Van De Casteele

Voor het academiejaar 1976-1977 werkte mej. Carine D'Hont uit Waarschoot aan haar licentiaatsverhandeling: Paul Fredericq (1850-1920), Biografie en inventaris van de briefwisseling tot 1883. Haar promotor was Dr. Ada Deprez, die aan de Rijksuniversiteit te Gent de geschiedenis van de Nederlandse letterkunde, nieuwste tijden, doceert.

Onder de massa brieven en documenten uit het archief van Paul Fredericq, dat in de Centrale Bibliotheek van de RUG berust, bevonden zich 44 brieven en briefkaarten van Rosalie en Virginie Loveling, geschreven toen ze nog te Nevele woonden.

Dank zij mej. Carine D'hont kregen we inzage van die briefwisseling en met haar toestemming, waarvoor onze oprechte dank, publiceren we enkele van die brieven of uittreksels ervan, die op Nevelse en familiale toestanden betrekking hebben; literaire nieuwsjes en bespiegelingen werden achterwege gelaten.

In haar "biografie"[1] schrijft Virginie Loveling dat, na het overlijden van haar vader, Anton Loveling, in 1846, haar moeder, Marie Comparé, zich te Gent ging vestigen met haar gezin. Na een paar jaren keerde de moeder met Pauline terug naar Nevele; Rosalie en Virginie kwamen later ook terug naar hun geboortedorp. Nu betrekken ze niet meer hun geboortehuis, dat in de Langemunt gelegen was, nu nr. 9, maar een ander huis, eveneens in de Langemunt, nu nr. 30. Dat nieuw verblijf te Nevele zal de gezusters niet beletten de culturele activiteiten van dichtbij te volgen. Virginie schrijft dan ook: "Wij leefden op het dorp om zoo te zeggen het stadsleven voort".[2]

De gezusters hebben heel wat brieven aan Paul Fredericq geschreven, en dat hoeft ons niet te verwonderen. Hun neef Paul was een schrandere geest, was een briljant student geweest, had vlotte omgang met de Vlaamse intellectuelen en zou een briljante carrière maken in de academische wereld. Van 1872 tot 1875 was hij leraar aan het atheneum te Aarlen, dan te Gent van 1875 tot 1879. In dat jaar wordt hij tot professor benoemd aan de Luikse Universiteit. In 1883 wordt hij aan de Gentse universiteit de opvolger van Prof. Heremans.

Vanzelfsprekend dat de briefwisseling van de gezusters met Paul Fredericq eerder beperkt is in omvang: zij gingen regelmatig naar Gent waar ze dan natuurlijk, in de vakantieperiodes, hun neef konden aantreffen.

De Nevelse brieven bestrijken de periode van 11 jan. 1871 tot 24 okt. 1880. Hoewel Virginie er geen gewag van maakt in haar "biografie", komt de vrijzinnige en antiklerikale ingesteldheid sterk tot uiting in die brieven. Laten we niet vergeten dat die periode de aanloop is van de schoolstrijd van 1878, waarvan dan ook typische gevallen vermeld worden. Die op de spits gedreven antiklerikale ingesteldheid zal trouwens haar neerslag vinden in de twee sterk geëngageerde romans van Virginie: In onze Vlaamsche Gewesten, 1877 en Sophie, 1885, die specifieke Nevelse toestanden uit die tijd behandelen.[3] Na het luwen van de schoolstrijd zullen de antiklerikale gevoelens langzamerhand afzwakken. Zo zien we dat, bij de huldiging van Virginie Loveling in 1912, die in pluralistische geest plaats had, de evocatie van de schoolstrijd zorgvuldig vermeden wordt: in de stoet ter ere van de gevierde werden haar werken uitgebeeld, maar Sophie, de ophefmakende roman, wordt niet eens vermeld. Dit zal trouwens aanleiding geven tot een fikse rel in de vrijzinnige gelederen.[4]

In de brieven en uittreksels, die we hier publiceren, komen de volgende punten aan bod:

  1. Antiklerikalisme tot het agressieve toe

  2. Een bewogen uitstapje per koets in de winter

  3. Het overlijden van Rosalie

  4. Schoolstrijdperikelen

Nota: Het eerste uittreksel komt uit een brief van Rosalie, de overige brieven en uittreksels zijn van de hand van Virginie. De oorspronkelijke taal en spelling werden behouden.


 

Nevele, 25 juli 1874

... 't Is spijtig dat gij de bedevaart niet hebt kunnen zien. 20.000 huivallige, gekretiniseerde pelgrims zijn hier naar het kapelleken voorbij getrokken onder het prevelen van gebeden of het zingen van kantieken.[5]
Gij weet dat ik eenigen tijd ziek in Gent geweest ben. Het gaat niet beter met mij, en Léon[6] heeft mij aangeraden er toekomende week op nieuw eenige dagen te gaan doorbrengen, opdat Mr. Boddaert[7] van mijnen toestand zou kunnen oordeelen. Ik heb zeer veel pijn en ongemakken en zie niet hoe ik ze kan kwijt geraken. Ik hoop dat ik er aan gewoon zal worden, en wat het gevaar betreft, daar bekreun ik mij weinig om: c'est l'affaire de la blanchisseuse.

Mijne gemoedstemming is niet veranderd, ik amuseer mij gaarne en lach gaarne, al voel ik dat ik in vele dingen kattevleesch ben.[8]
Wij zijn vóór veertien dagen met de drie jugen per rijtuig naar den Kranepoel geweest.[9]
De andere zijn er rond gegaan, ik ben blijven zitten. Het was iets nieuws daar gansch alleen te zijn. Het water was helder en het weder goed. Ik dacht onwillekeurig aan Tony Bergmann en aan ons uitstapje van vóór twee jaar. Hoe weinig was het dan te voorzien dat de vrolijkste van heel de bende, de eerste zou geweest zijn om het af te leggen, gelijk de Hollanders schrijven...[10]

 


Nevele, 15 december 1874

... Tante Rosalie stelt het altijd gelijk: soms wat beter, dan wat slechter, maar kan toch ondertusschen van goede oogenblikken gebruik maken om de moedertaal te beoefenen.
Sedert heel lang ben ik naar Gent niet meer geweest. Léon komt nog al regelmatig, waarover Rosalie hem zeer dankbaar is.
Gisteren ben ik met onkel Louis, tante Pauline en Mathilde van tante Ursula naar Thielt geweest.
[11] Het is echter eenigszins als het reisje van Pieter Spa uitgevallen. Onkel Louis heeft thans een goed paard, maar was gedwongen eene vreemde koets te huren, die op het oogenblik van het vertrek, 's morgens om zeven uur, niet bleek in besten toestand te zijn, er was dags te voren een zinnelooze mede vervoerd die eene ruit uitgeslagen had. Men liep om den glazenmaker, na lang wachten kwam hij, maar dat hij zich onledig hield met het orgel te blazen. Er moest ook een smid gehaald worden voor den ressort en met eene soort van spijt zagen wij den greffier in een lichten tilburij, (ter zelfder bestemming: de uitvaart van de oude Mme Lava) voorbijvliegen.

De reparatiën werden opgegeven en wij vertrokken om acht uur; tegen Poesel lag iets zwarts op de kasseide, dat ons den weg versperde: het gebroken rijtuig van den greffier, die de kwade broek aan had, en grommelend in ons rijtuig klom. De morgenwind blies uiterst koud door de gebroken ruit en wij zaten met vervrozen voeten, onkel Louis met drie paletots aan, te beven van koude nevens den voerman, die purper zag. Daarenboven sloegen de portieren beurtelings open.

Te Ruiselede, moest het paard rusten, wij hadden verlangend naar dat punt uitgezien om ons te warmen, maar helaas, helaas: in de herberg stonden twee onbeleefde, leelijke kwezels aan de waschkuip, die geen woord spraken en de stoof uit lieten gaan, die reeds bijna niet brandde als wij inkwamen. De greffier vertelde daar aan Buysse eene wat grove historie van eenen pastoor die met zijn pontificaal kleed aan en zijn heilige vaten op tafel eenen ouden boer berechtte, hetgeen ongetwijfeld den toorn der kwezels deed ontvlammen. Eindelijk waren we te Thielt, onkel en tante verlieten ons, wij vertrokken naar het pensionnaat. mme Mélanie, "cette femme auteur, orateur et astronome", zooals men haar in het gesticht met bewondering noemt, gaf hare les, eene les "sur l'éloquence et les mystères du style" las wij later vernamen, "leçons précieuses et rares". Wij wachtten een drie kwaart, toen kwam Léonie binnen, zoo blij van ons te zien, dat zij al hare boeken weggeworpen had in den gang.[12]

Men zei ons in het pensionnaat "que Léonie est parfaite sous le rapport de l'application et du caractère, mais que sa piété laisse à désirer: son livre de prières et son chapelet sont toujours perdus".

Wij gingen uit met haar: Thielt is heel klein, seffens waren wij buiten de stad, er lag verbazend veel modder, waarin ik met mijne beste nieuwe bottienen zitten bleef. Wij waren uitgehongerd.

In ons hotel waar wij uitgespannen hadden, was de meid alleen te huis, wij werden eerste door de keuken en dan door eenen donkeren gang, als eene soort van tunnel, naar eene verre achterkamer gebracht waar geen vuur brandde. Er lag een wit ammelaken, er stonden ook vier tallooren en er lagen vier stalen vorken (tante en onkel waren aan het familiediner) men verwachtte dus nog iemand, hetgeen weldra bleek onze eigene koetsier te zijn, die nevens ons plaats nam. Wij voelden dat men ons als "van beneen staak" klasseerde en benamen ons heel vriendelijk tegen onze dischgenoot, die eenigszins verlegen scheen. Wij kregen een beefsteak, dat nog al goed was en verlieten de tafel met spijt, daar wij maar half onze goest hadden.

Léonie, die zoo lief en blijde was dat het genoegen deed om zien, leidde ons naar een kapelleken twintig minuten van daar - in Westvlaanderen zijn er overal te zien - aan welks buitenzijde wij een petroolvat bemerkten, dat des zondags als er toeloop is, met water gevuld en omgekeerd wordt, zoodat het water van Lourdes langs binnen spruit en kan opgevangen worden, hier waren "les cordes" niet eenmaal verborgen.[13] Om drie ure kwamen onkel en tante naar het hôtel, Léonie werd binnen geleid; wij moesten voor valavond uit Westvl. zijn om niet in contraventie genomen te worden, daar men in die provintie niet zonder lantaarnen mag rijden en wij dien luxe vermisten.

In Ruiselede wilden wij uit het rijtuig niet, zelfs niet opzien naar eene van de gehaatte kwezels, die uit haar huis kwam en naar de kerk ging. "Godlof" sprak onkel Louis tot den koetsier als wij tusschen Lootenhulle en Poesel waren, "dat wij zonder ongelukken zoo ver zijn", - maar krak! ging het, en het rijtuig stortte op zijde: er lag een wiel af. Wij haastten ons eruit en stonden met de voeten in de modder te bibberen. Men liep om den smid die niet veraf woonde, hij kwam met eenen lantaarn, het wiel werd onderzocht. Maar weldra kregen wij de overtuiging dat die man aan zijn proefstuk was en niet wist hoe de wielen aan een rijtuig vast zijn. Na drie kwaart van verlegenheid werd het paard uitgespannen, het rijtuig in den brand gelaten en wij vertrokken te voet heel verwonderd hoe het mogelijk was van op zulke koude voeten te kunnen gaan en ons gelukkig prijzen, dat het ongeval niet op Aaltre-veld, waar geene huizen staan, was gebeurd, en blij dat het niet regende, met het uitgespannen paard voor ons tot grote verbazing van de zeldzame voorbijgangers, en tevreden thans, niet van uit geweest, maar van weder te huis te zijn.

Virginie

 


Nevele, 11 mei 1875

Lieve Paul,

Gisteren avond laat ben ik van Gent teruggekomen; onder een ontelbare massa brieven, die ik later lezen zal, heb ik den uwen ontdekt en geopend. Het doet mij goed te zien, dat gij in den rouw van ons allen deelt. Hoe gaarne had ik u gezien! Ook van zoodra dag en uur der begraving bepaald waren, was mijn inzicht u een télégram te zenden. Léon vond mijne gedachte goed en Buysse werd ermede gelast toen onkel Karel bijkwam, die het afried zeggend, dat het u onmogelijk was en diergelijke meer; ik dierf er niet te sterk op aandringen in de vrees uw exaam er schadelijk door te zijn; maar eeuwig zal het mij spijten hierin de ingeving van mijn hart niet te hebben mogen volgen.[14] Ik die de intiemste gedachten van Rosalie kende, wist hoe zij u genegen was en het had mij goed gedaan hare begrafenis door u te weten bijwonen. Uw deelneming ontroert mij zeer, het is hier zoo treurig sints zij ons heeft verlaten. Nica zal u geschreven hebben hoe schrikkelijk zij heeft geleden.[15] Zij wist het goed dat zij stierf: het is de agonie, die begint, zei zij 's morgens, en dan later: ik zie u niet meer! Zij hield mijne hand vast, de vensters tonden wijd open, ik zat alleen aan haar bed met de meid, het was een warme meinacht, wij hoorden de nachtegaal en de kikvorschen in de verte: nu wil ik niet meer roeren, zei zij, en daar het woord agonie altijd terugkwam op hare lippen, vroeg de meid wat dat zeggen wilde "sterven, Mietje" zei zij.

Hare pijnen waren onuitstaanbaar, gijzelve weet wat zij over haren aanstaanden dood zei. In eens hield zij op van spreken, haar hart stond stil en zij ademde niet meer, een halve minuut te voor had zij gezegd "geen vreemde menschen bij mij". Was het eene allusie aan eene belofte die ik haar had gedaan geene vreemde handen aan haar te laten komen. Ik heb haar zelve afgelegd met behulp van de meid, ik ben gelukkig moed en gezondheid genoeg gehad te hebben zulks te doen. Ook heb ik met onkel Charles en Léon de doodkoets in een rijtuig gevolgd, en ware het niet onbetamelijk geweest tot aan het graf ware ik medegegaan.

De blijken van achting en genegenheid stroomen ons van alle kanten van België en Holland toe. Het is verwonderlijk hoe gevoelig ik er aan ben. Op de lijst die Rosalie gemaakt heeft van de personen aan wien ik eenen rouwbrief zenden moest, komt ook Potvin voor, kunt gij mij zijn adres bezorgen? Ik houd er aan haren laatsten wil tot het uiterste te volbrengen. Kent gij het adres van Cornette? Zijn brief is ons teruggekomen. Een paar uren na de begraving zijn wij naar St.-Amandsberg gegaan, het graf was nog open en wij hebben in ons bijzijn den kuil doen vullen. Ik ben zoo blij dat zij ligt waar zij ons allen nog als het ware toebehoort en waar wij haar kunnen bezoeken.

Lieve Paul, den twintigsten dezer is haar lijkdienst of beter gezegd de laatste vereeniging van familie en vrienden te harer gedachtenis. Al de nichten en neven komen, zult gij er ontbreken? Hetgeen ik u vraag moet natuurlijk met hetgeen menschelijk mogelijk is overeenstemmen, ook zal ik aan uwe liefde niet twijfelen indien gij verhinderd zijt, maar uiterst gaarn zou ik er u zien.

Ik bemerk met spijt eene groote vlek op mijnen brief, maar kan hem niet herschrijven.

In februari heeft Rosalie hare laatste novelle geschreven, ik kan er misschien niet goed van oordeelen omdat ik partijdig ben; maar zij schijnt mij zeer roerend.

Tot wederzien, hoe eerder hoe beter.

Virginie

Vele groeten van Gr Mama.

Nevele, 10 februari 1876

... Indien het bij A. Carlier ter sprake kwam, gelief hem in mijnen naam te zeggen, dat wij hier onder een te groot moraal bedwang staan om regelmatig de Flandre te durven ontvangen, wij krijgen ze van onkel Charles later en met zekere voorzorgen; echter verwacht ik den deken alle dagen...

... Mama is beter en houd zich warm, maar eet bijna niet, zij is zeer flauw, zegt ze, en durft niet veel gebruiken omdat uw vader het niet goed vindt zonder smaak te eten, mij dunkt, dat ze sedert beter is. Ik zou schrijven indien het verschlechtte.

...

Onze meid is gisteren naar den pastoor van Vosselaere gaan zien; er was niemand der familie bij - gij weet dat een doode pastoor ten toon ligt met zijne kleederen aan en de deur open - heel de kamer woelde van kleine jongens, het is révoltant om hooren hoe onbetamelijk het daar toeging. Zij gaven hem kleine kaakslagen en trokken aan zijnen neus, een Spellekens, die maar eenen muizentuimel hoog was en onder den linken arm een brood hield, gaf hem met de rechterhand zooveel kruiskens dat er een blauwe vlek op zijn voorhoofd kwam. "Tiste Dauw, ge ligt er" riepen ze.[16]

Vandaag hebben wij gehoord, dat men hem zijne schoenen uitgetrokken en zijn kruisken uit de handen genomen heeft. Kunt gij u een gedacht maken van zulke gediertachtigheid: staan beven van ontzag voor eenen levenden pastoor en hem insulteeren na zijne dood!...

 


Nevele, 24 mei 1876

... De oogst staat buitenmate slecht en als het niet haast regent zal er geen korenoogst zijn...

 

Nevele, 4 mei 1878

Zondag avond vond ik hier uwen brief, toen ik van Brugge terugkwam, alwaar tante Pauline, Alice[17] en ik, misleid door de aankondigingen van den Bien public, de processie van het Heilig Bloed waren gaan. Er had niets dat op een processie trok plaats, maar eene huivallige bedevaart van meest allen buiten-vulgairelaars, welke luid biddend, blootshoofd en met pastoors en paternosters door de schoonste straten der stad trokken; dan mis in de openlucht op den Burg en zegeningen en kaarsjesviering in de capelle van 't Heilig Bloed, iets dergelijks ware onmogelijk in Gent. Het was zeer caracteristiek en wij beklaagden onzen uitgang niet, maar indien de liberalen kans hebben in zulk een stad te zegepralen, begrijp ik niets meer van den gang der wereld. De bedevaart was gecomplikeerd door foore- en barakvertooningen en de mesten der deelnemers keerden 's avonds, mannen en vrouwen, met eenen zichtbaren zender in den zak naar huis...

Uw bezoek zal ons zeer verheugen, het is al zoo lang, dat ik u niet meer heb gezien. Indien er onder uwe huisgenoten zicht mochten bevinden, welke lust hebben eenige dagen naar buiten te komen overbrengen, zullen zij ons zeer welkom zijn. De lente is zoo uitzonderlijk schoon en alles staat zoo buitengewoon, dat men thans waarlijk te lande geniet. Wij hebben twee kamers ter beschikking.

Grand'maman stelt het zeer goed en groet u allen. Gelief aan uwen vader te zeggen dat de topinambours uitstaan, zeer malsch en schoon. Het porceleinschilderen gaat goed voort, hoewel het deze laatste dagen om reden van andere huivalliger bezigheden wat stil heeft gelegen. Ik vind er bijzonder vermaak in; indien het niet is dat ik met niets dan zeer beleefde menschen heb te doen, welke uit vriendelijkheid meer enthousiasme toonen dan zij waarlijk gevoelen, moet ik denken, dat het geen verloren werk is, zoozeer word ik aangemoedigd van allen, die het zien.[18]

(in postscriptum)

Het buitengoed van den Griffier Blomme is verhuurd aan twee zeer rijke Juffrouwen met twee knechten en twee meiden, groote 'tjeefessen naar ik hoor. Het zal nu nog wat gaan verslechten hier.[19]

 


Nevele, 15 october 1879

Uw benoeming en degene van Léon hebben ons het grootste genoegen gedaan. Uw telegram is hier iets voor twee uren toegekomen.

Het is een groot geluk voor u beiden, te meer daar Luik eene stad is, die u als woonplaats wel bevalt en gij er overigens vele bekenden hebt. Le revers de la médaille is, dat gij voor de voldoening der hierblijvenden, wat verre moet, doch dat is bij de groote zaak niet in aanmerking te nemen. Wie weet, hoelang de liberalen het nog zullen uithouden, het is dus maar best geborgen zu sein, zooals de Duitschers zeggen... Ik hoop u vóór uw vertrek te zien, alle dagen zijn goed uitgezonderd toekomende maandag, als wanneer ik naar Meigem kermis ben uitgenoodigd.[20] Te Poesele waren er vóór de opening der vrije school zeventien kinderen in de oude school, énorme getal voor zulk eene kleine gemeente, ik weet niet of er thans meer of minder zijn.

Te Meigem geen één, de onderwijzer was nochtans zeer bemind.

De schoolmeester of ondermeester van Astene is de zoon van den veldwachter van Meigem. OM heel Astene krijgt hij geen logement en zelfs hoegenaamd geen eten. Hij moet naar Deynze of naar Meigem door den donkeren en over de vaart, ik geloof, dat hij geene leerlingen heeft, maar acte de présence moet doen.

De pastoor van Vosselaere heeft nu al twee zondagen direkt op mijnheer d'Ousselgem uitgevaren, onbetaalbaar colerig en comiek, heeft men mij verzekerd; ik vroeg nader bescheid aan Mme de Juge[21], zij vreesde, dat het in de Flancre mocht overgedrukt worden en wenschte dat niet, zei ze, hoe spijtig! Hetgeen zij ervan vertelde was te onbepaald om het u te schrijven, maar het moet zeer kluchtig zijn geweest. Het is maar jammer, dat hij zal verplaatst worden en er een intrigant in de plaats zal komen, die Mr. d'Ousselgem, thans zeer kwaad, wel zal weten op zijnen kant te krijgen.

Ik weet niet, hoeveel leerlingen hier thans zijn en geloof rond de veertig.[22]

Te Zeveren heeft de pastoor zes en twintig franken kunnen samenkrijgen om eene nieuwe school te bouwen. Geweigerd hebbend dan catechismus in de gemeente school te geven is hij op voorstel van den burgemeester met algemeene stemmen door den raad honderd franken van de gemeente afgetrokken; de jaarwedde van den ouden onderwijzer is integendeel met twee honderd franken verhoogd geworden.

Te Vijnckt heeft de schoolmeester bij het uitgaan der kerk, waar de pastoor op de wet of de oude scholen of hem zelven, ik weet niet goed, had uitgevallen een tegensermoen tehouden met al het volk rond hem, dat riep: "Vivan onzen schoolmeester!" Oncle Louis zal het u altemaal vertellen; het ware goed daarover nauwkeurig bescheid te weten om het in de gazet te stellen; doch het moet heel exact zijn, anders is het gevaarlijk en beneemt het vertrouwen in het nieuws, dat de partij vermeldt. Nogmaals veel geluk!

Adieu

Virginie

Grand'Mama is zeer wel.

 


Nevele,... 1880

... Mijn nieuw huis vordert goed: voor den 1 april zal ik er in zijn.[23] Ik ben hier reeds driemaal en half overstroomd geweest, de laatste maal is het niet voorts gegaan...

 


Nevele, 4 februari 1880

... Ik schik hier niet te blijven en mij in Gent een klein huis te huren. Ik heb hier nochtans zoo gaarn gewoond! Doch nu ik alleen overblijf, vertrek ik liever. Dit zal echter wellicht nog niet dadelijk zijn...

 


Nevele, 3 mei 1880

... Onze hulponderwijzer is gestorven; zijn zusters zijn vrijzinnig en intelligent...[24]

 


Nevele, 24 oktober 1880

Ik ga tegen onkel Karels wonen Ottogracht 8, in een huisje van beneden staak.[25]

Ik laat mijne meid gaan.

De aannemer werkt niet voort.

Het zal me veel ontstellen Nevele te verlaten, eens weg zal het toch beter zijn, thans bijzonderlijk, dat het winter wordt.

 

Naschrift

  1. Rosalie Loveling werd begraven op het kerkhof van Sint-Amandsberg op 7 mei "ten 4 uren namiddag", verder vermeldt de rouwbrief: "Een lijkdienst zal geschieden in de kerk van Nevele op donderdag 20 mei 1875 ten 10 uren voormiddag".

        Het later celebreren van een lijkdienst was dat toen een uiting van vrijzinnigheid?

        Zo zijn er te Nevele nog een paar dergelijke gevallen.

        Notaris Bernard Dierick, de tegenkandidaat van Léonce Mulle de Terschueren, overleden in 1881, wordt ook met een dergelijke begrafenisplechtigheid bedacht: "De begraving zal plaats hebben te Nevele, zaterdag 8 october, om 3 uren namiddag. De lijkdienst zal geschieden in de kerk van Nevele, maandag 17 october,om 9 uren 's morgends".

          Hetzelfde doet zich voor bij het overlijden van A. Schatteman, opvolger van Léonce Mulle als burgemeester van Nevele: "L'enterrement aura lieu à Nevel le 1er juin 1885 à 3 heures de relevée. Le service funèbre... sera célébré en l'église paroissiale de Nevele, le mardi 16 juin 1885 à 10 heures du matin".

          Daartegenover staat de begrafenisplechtigheid van de overtuigde gelovigen met de aanwezigheid van het lijk in de kerk.

          Bij het overlijden van Emile-Pierre Mulle in 1886, vader van burgemeester Léonce, vermeldt de rouwbrief: "Le service, corps présent,... sera célébré en l'église te Nevele..."

         Op de rouwbrief van Auguste de Deurwaerder, de tweede man van Adela Fobe, staat: "Le service funèbre, corps présent... sera célébré en l'église paroissiale de Nevele, le mercredi 2 november 1892, à 10 heures du matin".

         Dat al of niet aanwezig zijn van het lijk bij de begrafenisplechtigheid is wel een opvallend verschijnsel om zijn overtuiging af te leggen, maar dat zal natuurlijk niet eigen geweest zijn aan Nevele alleen.

  1. In 1872 heeft het liberaal Gents stadsbestuur een stedelijk kerkhof opengesteld aan de Palinghuizen. De geestelijkheid heeft er de begrafenissen tegengewerkt, omdat het geen gewijd kerkhof was. Te dien tijde was de "kerkhovenkwestie", zowel in het binnenland als in het buitenland, een heet hangijzer in het politieke leven. Te Gent werd dat nieuw kerkhof in de "katholieke" volksmond, geuzenkerkhof of geuzenhof geheten.

    Rosalie Loveling werd nu begraven op het kerkhof van Sint-Amandsberg. Dat er bij haar overlijden door de familieleden over de keuze van het kerkhof gesproken werd, vernemen we uit een brief van Hélène, geschreven op 5 mei 1875 aan haar broer Paul Fredericq: "Tante Rosalie a demandé à être enterrée à Gand et comme Grand'maman et les Buysse se sont opposés au Geuzenkerkhof, on l'enterra vendredi après-midi au cimetière de St.-Amand." (Tante Rosalie heeft gevraagd begraven te worden te Gent en daar Grootmoeder en de Buysses zich verzet hebben tegen het Geuzenkerkhof, werd ze vrijdag begraven op het kerkhof van Sint-Amandsberg).

      Grootmoeder is Marie Comparé, de Buysses Louis en zijn vrouw Pauline Loveling. Deze laatste, overleden in 1909, werd ook op het kerkhof van Sint-Amandsberg begraven in de grafkelder waar ook E. De Keyser en Alice Buysse rusten.

    Paul Fredericq, Virginie Loveling en Cyriel Buysse werden op het stedelijk kerkhof begraven.

  1. In het dagboek van Paul Fredericq, dat in handschrift berust in de Centrale Bibliotheek van de RUG, lezen we op 5 aug. 1915: "ik ga Tante Rosalie Loveling's  graf op 't Kerkhof van Sint-Amandsberg bezoeken. Ik vind er eenen arduinen splinternieuwen sarkophaag met grooten palmtak in den steen gekapt boven het opschrift

      Rosalie

      Loveling

      4 mei

      1875

      Het afgebrokkeld klein steentje van vroeger was veel beter dan dit lompe getrek à la Buchholz. De grafmaker, die er mij naar leidde en een sigaar kreeg, zei mij, dat Mad. De Keyser (Alice Buysse) dat beredderd had".


 


[1]    A. Van Elslander, De "Biografie" van Virginie Loveling, Gent, 1963.

     V. Loveling, Herinneringen, bijeengebracht en ingeleid door Antonin van Elslander, Hasselt, 1969.

[2]    A. Van Elslander, a.w., p. 19

[3]    J. Van de Casteele, Het burgemeesterschap van Léonce Mulle de Terschueren, zoals het was en zoals Buysse het zag, in Driemaandelijks berichtenblad van de heemkundige kring Het Land van Nevele, jg. VI (1975), p. 49

[4]    J. Van de Casteele, De Virginie Loveling-hulde in 1912: Nevele wou niet achterblijven, in Confrontaties met Virginie Loveling, Monografieën van de heemkundige kring Het Land van Nevele, 1974, p. 41, noot 7.

[5]    Twintig duizend pelgrims, dat lijkt toch overdreven. Wij menen dat er een 0 teveel is. Het kapelleken: bedoeld wordt hier de kapel in de Oostbroek gelegen.

[6]    Léon Fredericq (1851-1935), professor in de medische wetenschappen aan de Universiteit te Luik, broeder van Paul.

[7]    Dr. Boddaert was de Gentse professor die Rosalie in behandeling had.

[8]    Virginie Loveling zegt in haar "biografie": "Wanneer ik bij het "blindekalle" spelen vastgegrepen werd door de geblinddoekte, riepen de anderen: "Kattevleesch!", dit beduide, "loslaten", omdat ik nog te klein was", p. 13.

[9]    De Kranepoel te Aalter-Bellem, een geliefkoosd recreatieoord voor de familie Fredericq, Loveling, Buysse. Er werd ook in de poel gezwommen.

[10]   Tony Bergmann (1835-1874); zijn vrouw, Elisa van Acker (1839-1934), onderhield een drukke correspondentie met Virginie Loveling.

[11]   Louis Buysse, vader van Cyriel; Pauline de moeder. Wordt er gesproken van tante en onkel, dan is dat uit het standpunt van Paul Fredericq, de neef.

[12]   Léonie (1859-1887), dochter van Joseph Fredericq en Ursula Cackaert was onderwijzeres in de gemeenteschool te Aalter, toen de schoolstrijd er in al zijn hevigheid woedde. Zie Fredericq L., Notes sur la famille Fredericq-Beaucarne, p. 43, z.d.

[13]   De gangbare Franse uitdrukking is "les ficelles": de kneepjes, het truukje.

[14]   Paul Fredericq bereidde toen een speciaal doctoraat in de geschiedenis voor. Hij legde het examen af op 19 juni 1875. Zie H. Van Werveke, Paul Fredericq in Liber Memorialis RUG, deel I, p. 29. Onkel Karel, de oudere broer van de gezusters.

[15]   Nica: Véronique Fredericq (1855-1915) zuster van Paul.

[16]   "De Eerw. Heer J.B Dauw, pastoor van Vosselare sedert 1862,... is na eene lange ziekelijkheid, uitgeput van krachten, in de Heer ontslapen den 8 februari, in den ouderdom van omtrent 69 jaren". De godsdienstige Week van Vlaanderen, 11 febr. 1876.

[17]   Alice, zuster van Cyriel Buysse, huwde in 1892 E. De Keyser.

[18]   De familie Buysse bezit nu nog een porseleinen servies van 72 stuks, dat door Virginie Loveling versierd werd. Een gedeelte ervan prijkte op de tentoonstelling Rosalie Loveling, Sint-Amandsberg, nov. 1975. Zie catalogus opgemaakt door Dr. M. Gysseling, p. 11.

[19]   "Tjeeven": aanhangers van de katholieke partij.

[20]   Dat zal bij de familie Van Wontergem geweest zijn. Zie J. Van de Casteele, De Virginie Lovelinghulde, a.w., p. 41, noot 5.

[21]   Mme de Juge is Adela Fobe, gehuwd met Adolphe Schatteman. Zie J. Van de Casteele, Adèle Charlotte Fobe, de Nevelse vriendin van Virginie Loveling, in Berichtenblad van de heemkundige kring Het Land van Nevele, jg. IV (1973); p. 35-52.

[22]   Over de schoolstrijd te Nevele, zie J. Taeldeman, Cyriel Buysses "Verslagen over den Gemeenteraad van Nevele", in Monografieën van de heemkundige kring Het land van Nevele, 1972, p. 33-121. Ook J. Van de Casteele, Het burgemeesterschap van Léonce Mulle, a.w.

[23]   Te Gent in de Marnixstraat, nu nr. 32. Grootmoeder Marie Comparé, overleed op 14 december 1879.

[24]   Het betreft hier Karel Claeys, zijn zusters waren "meesteressen in de zondagschool". Zie J. Van de Casteele, Het burgemeesterschap van Léonce Mulle, waar in bijlage de integrale tekst gepubliceerd is van het "schoolonderzoek" te Nevele, in 1880.

[25]   Virginie Loveling werd, op 9 oktober 1880, afgeschreven op het bevolkingsregister te Nevele.