Grauwe zusters of Penitenten-Rekollektinen
te Nevele: 1502-1784
Hoofdmomenten uit de geschiedenis van het klooster
door J. Van de Casteele
We zijn geen vakhistoricus, gelukkig hebben we nooit een vergeefs beroep gedaan op bevoegden te zake.
Prof. dr. J. Buntinx heeft ons gewezen op waardevolle archiefstukken, o.a. uit de Raad van Vlaanderen, Prof. dr. A. Derolez, prof. dr. K. Van Acker, dr. M; Gysseling, dr. T. Morren en P. van Peteghem zijn wij ophelderingen van enkele moeilijke gevallen verschuldigd.
De conservator van het Rietgaverstedemuseum te Nevele, Antoine Janssens, heeft ons zijn opmetingen en fotomateriaal van de overblijfselen van het Penitentenklooster laten inzien.
Pater A. Houbaert,
provinciale archivaris van het Instituut voor Franciscaanse Geschiedenis te
Sint-Truiden, heeft ons wegwijs gemaakt in het archief van de Minderbroeders en,
met pater dr. B. De Troeyer, verschafte hij ons zeer kostbare inlichtingen.
Christian De Backer uit Gent, die een licentiescriptie voorbereidt over het
Penitentenklooster bij St.-Jacobs te Gent, was zo bereidwillig ons inzage te
verlenen van een belangrijk handschrift, dat in het klooster van Assesse berust
en waarvan hij een integrale kopie in zijn bezit heeft: zijn bibliografische
kennis was ons tevens een kostbare hulp. En last but not least, ons lid en
vriend Gerard Van Herreweghen, die, dank zij zijn heemkundige en paleografische
beslagenheid, heel wat problemen voor ons heeft opgelost.
Aan allen, die ons zo bereidwillig geholpen hebben, onze oprechte dank!
Bibliografie
Bronnen
Onuitgegeven bronnen
ASSESSE,
COUVENT DES PENITENTES-RECOLLECTINES
Origine et progrès de la Réforme des religieuses Pénitentes-Récollectines du
tiers ordre de saint François de la Congrégation de Limbourg, Handschrift uit
1724.
BRUSSEL,
ALGMEEN RIJKSARCHIEF (ARA)
Fonds: Chambre des Comptes, nrs. 46897, 46475 (laatste nr. zoek sedert 1940).
Fonds: Comité de la Caisse de Religion, nrs. 226, 227, 463, 1485, 1487.
Fonds: Conseil des Finances, nrs. 8178, 8367.
Fonds: Conseil du Gouvernement Général, nr. 737.
GENT, CENTRALE BILBIOTHEEK
RIJKSUNIVERSITEIT GENT (RUG)
Handschrift nr. 237: De Clercq L., Costumen der religieuse ordens en
geestelycke vergaderingen die binnen de stad Gent geweest zijn, 1823.
Handschrift nr. 485: Tabula chronologica de origine et
progressu provinciae Comitatus Flandriae S. Joseph Fratrum Minorum Recollectorum
ex authenticis monumentis, 1745.
Handschrift nr. 430: Généalogie et armorial de la maison de Hornes, XVIIe
eeuw.
Handschrift nr. 1034: Obituarium van het Penitentenklooster te
Nevele, met aantekeningen omtrent giften, de oorkondenschat en de
bouwgeschiedenis, XVII en XVIIIe eeuw.
GENT, RIJKSARCHIEF (RAG)
Fonds: Bisdom, nrs. B61-98, 2121, 2203, 2766, 4461, 4462
Fonds: Baronnie Nevele, nrs. 2262 (cartularium van het Penitentenklooster te
Nevele), 74 (renteboek 1639-1640), 1789.
Fonds: Afgeschafte kloosters, nr. 31.
Fonds: Kerkfabriek Dekenij Deinze O.L. Vrouwkerk, nr. 1.
Fonds: Kerkfabriek Nevele, nr. 19.
Fonds: Raad van Vlaanderen, nrs. 31458, 31632, 31802.
Fonds: Staten van Vlaanderen, nrs. 981, 1766.
Fonds: Oud notariaat, nr. 275.
Fonds: Département de l'Escaut, nrs. 1206, 1349.
GENT, STADSARCHIEF (SAG)
Charters vrouwenkloosters, nr. 1551.
NEVELE, RIETGAVERSTEDEMUSEUM
Ontfancboec van alle cheysen der Stede van Nevele, 1682-1683.
SINT-TRUIDEN, INSTITUUT VOOR
FRANCISCAANSE GESCHIEDENIS (IFG)
Poenitentes nevellenses litt. E fasc. 1.
Residentia nevellensis litt. A fasc. 1.
Van de Kerckhove G., Brevis descriptio erectionis, porgressus et ersecutionis
provinciae Comitatus Flandriae S. Joseph Fratrum Minorum Recollectorum ab anno
1627 usque ad annum 1700.
Coen A., Chronologia provinciae Comitatus Flandriae S. Joseph FF. Minorum
Recollectorum 1680.
Fremaut B., Chronologia provinciae Comitatus S. Joseph 1723.
De Grave E., Chronologia provinciae Comitatus Flandriae S. Joseph anno
1781.

Titelblad van het cartularium - RAG
Nota
Het cartularium
Het boek kwam in 1970 in het
bezit van het Rijksarchief te Gent. Het meet 18,5 x 24 cm, is ingebonden in een
stevige velijnen kaft, die met gouden filets en bloemen versierd is. Op de rug
prijkt in gouden letters Regstr van de Fondat. Het bevat 53 beschreven
folio's, recto verso; op folio 54 is een stukje papier geplakt met enkele regels
Latijnse tekst. 18 onbeschreven folio's. Geschept papier.
Buiten een nota, twee randnota's, de tekst op het geplakt stukje papier, alle in
gotiek cursief geschreven, is de tekst van het cartularium in humanistisch
schrift.
Het geheel bevat 30 afschriften van voorkonden, die in 1709 werden
getranscribeerd en door de Gentse notaris, Franchois de Brou, geautentiseerd.
Van één afschrift werd de tekst doorhaald, omdat de autenticiteit van de
oorkonde betwist werd.
Wat de taal betreft, 13 stukken zijn in het Latijn gesteld, uiteraard degene die
door de kerkelijke overheid gegeven zijn; 7 in het Nederlands en 10 in het
Frans.
Het obituarium of dodenregister
In 1870 werd dat cahier aan
de Centrale Bibliotheek van de Rijksuniversiteit te Gent door de toenmalige
hoofdbibliothecaris F. Vanderhaeghen overgemaakt. Het cahier meet 15,5 x 20,3
cm, telt 101 folio's, waarvan 39 onbeschreven zijn. Op een viertal folio's na in
humanistische schrift, is alles in gotisch schrift. Geschept papier.
Het titelblad draagt anno 1657 en het cahier is naar de maanden opgedeeld. Op 17
april 1659 wordt een eerste overlijden van een zuster aangegeven, een laatste op
15 december 1782. In totaal werden er 81 overlijdens aangegeven.
Bovendien wordt de inventaris van de oorkonden, die het klooster bezat,
aangegeven, de weldoeners met hun giften worden vermeld en er komen nog enkele
gegevens voor over de uitbouw van het klooster.
Uitgegeven bronnen
ANSELME P., Histoire généalogique et chronologique de la maison royale de France, des pairs, grands officiers de la couronne et de la maison du Roy et des anciens barons du Royaume... tome III, 3e éd., Parijs, 1728.
Apostolique constitutien ofte costuymen der ghereformeerde Relgieusen Penitenten vande derde Order S. Francois der vergaedringhe van Limbourg met het Ceremonieel der slever overgheset uyt de Fransche inde Nederlandtsche Taele door Weerdighe Moeder ende Religieusen tot Ghendt, Gent, 1660.
Catalogue d'une collection de tableaux de plusieurs grand maîtres tels que Rubens, Van Dyck, Crayer... et plusieurs autres provenant des Maisons Religieuse supprimées aux Pays-Bas, dont la vente se fera au Couvent des ci-devant Riches Claires à Bruxelles, 1985.
Catalogue de tableaux vendus à Bruxelles depuis l'année 1773, Brussel, z.d.
CAUWE F., Het Leven ende goddelycke leeringhen van Sr Francoyse Clara van S. Lieven, Religieuse van de derde orde van S. Francoys in het Clooster van de Penitenten op S. Pieters neffens Ghendt, Gent, 1710.
CLOET M., Itinerarium Visitationum Antonii Triest episcopie gandavensis 1623-1654, Leuven, 1976 - Vertaling: Cieters en Van de Casteele, Nevele in de Visitatieverslagen van bisschop Triest, in Driemaandelijks Berichtenblad van de Heemkundige Kring Het Land van Nevele, jaargang VII, nr. 4, 1976.
Constitutions des Religieuses réformées Pénitentes du tierce Ordre S. François de la Congrégation de Limbourg nouvellement approuvées par N.S.P. Urbain VIII, Gent, 1635.
Constitutien vande ghereformeerde religieusen vande derde orde van den H. François der vergaderinghe van Limbourg bevestight door onsen allerheyligsten Vader Urbanus VIII, Gent, 1660.
DESORMEAUX, Histoire de la maison de Montmorency, 5 vol., Parijs, 1764.
DU CHESNE A., Histoire généalogique de la maison Montmorency et de Laval..., Parijs, 1624.
EDICT VAN DEN KEYSER, Gent, 1783.
GACHARD L., DE LE COURT J. et VERHAEGE P., Ordonnances des Pays-Bas autrichiens, IIIe serie, tome XII et XV, Bruxelles.
GODEFROY J., Proc!s criminels des comtes d'Egmont, du prince de Hornes et autres seigneurs flamands, faits par le duc d'Albe..., Amsterdam, 1753.
GODEFROY J., Supplément à l'histoire des guerres civiles de Flandre sous Philippe II, roi d'Espagne, du père F. Strada et d'autres auteurs, 2 vol., Amsterdam, 1729.
GOYENS J., Chapitres des Soeurs grises hospitalières en Flandre 1458-1528, in Archivum franciscanum historicum, tome XIV, p. 199-208, 1921.
GOYENS M., De oorspronkelijke statuten der Grouwzusters van Vlaanderen in 1483 opgesteld, Gent, 1897.
Harp-slag ter inwijding van den nieuwen nederduytschen schouwburg, opgericht in de Bonne-Aventure, binnen de Stad Gent, 45e afl., Recoletten-kerk, Gent 1865.
HEYSE A., Tabulae capitulares almae provinciae Sancti Joseph in comitatu Flandriae ordinis fratrum minorum recollectorum 1629-1796, Brugge, 1910.
LEMAITRE H., Status des soeurs grises hospitalières 1483, in Archivum franciscanum historicum, tome IV, p. 720-731, 1911.
MARCUS J., Sentientien en indagingen van den hertog van Alba uitgesproken en geslagen in zynen bloedraedt, Amsterdam, 1735.
RYBENS J., DE ROO T., DE ROO JR., Beschrijving der stad ende haven van Nieuwpoort, benevens alle de merkwaardigheden er in begrepen voorgevallen zoo binnen deze stad als in de omliggende plaetsen ende landen 1770-1870, 2 bdn, Heemkring Bachten de Kupe, docum. 10, 1966.
SANDERUS A., Verheerlykt Vlaandre, eerste deel, Leiden, 1735.
Den Vlaemschen Indicateur, 1784, 1785, Gent.
VOISIN C., Autorisation accordée per Louis Pot à Jan de Montmorency, de convertir un hospice en un couvent de soeurs du tiers ordre de Saint François, à Nevele, in Analetes pour servir à l'histoire eccliésiastique de Belgique, VI, p. 121-125, 1869.
Kartografische bronnen
BRUSSEL,
ALGEMEEN RIJKSARCHIEF
Plan du couvent des pénitentes à Nevele, levé par
l'arpenteur P.C. Van Hulle en 1785, haut 62 cm, large 1 m ½
DEINZE, ARCHIEF VAN KUNST- EN
OUDHEIDKUNDIGE KRING
Les environs de Gand, d'Audenaerde et de Deynse,
Parijs, 1724. (Bij Nevele: "Recolets").
GENT, CENTRALE BIBLIOTHEEK
RIJKSUNIVERSITEIT GENT
TRAMEZINI M., Flandriae recens exactaquedescriptio,
Venetië, 1555. Fotokopie. (Bij Nevele: "P F": prioratus feminarum,
vrouwenklooster).
GENT, RIJKSARCHIEF
Kaart uit renteboek van 1639-1640.
GENT, STADSARCHIEF
PIETER VAN DER BEKE, Chartae Flandriae, 1538. Kopie. (Bij Nevele "P F").
NEVELE, RIETGAVERSTEDEMUSEUM
Kaart uit Ontfancboec van alle cheysen der Stede van Nevele, 1681.
BLAEU, Episcopatus Gandavensis en Casselrie vander Auder Borc in Sanderus, Verheerlykt Vlaandre, bd. 1, 1735. Anastatische herdruk.
Flandriae recens exactaque descriptio, 1540, in DE VREESE W., Leekebijdragen tot de geschiedenis van Vlaanderen, inz. van Gent. Gent, 1912. (Bij Nevele: "P F").
MERCATOR, Vlaendere, exactissima Flandriae descriptio, ongeveer 1540. Kopie. (Bij Nevele: "P F").
POPP P., Plan parcellaire de la commune de Nevele in Atlas cadastral de Belgique, 1835-1855.
Geraadpleegde werken
Hier volgen alleen die werken waarin Nevele vermeld wordt i.v.m. het Nevels Penitentenklooster, of de Nevelse residentie van de Rekollekten, of de Montmorency's, heren van Nevele. Andere geraadpleegde werken worden in de noten vermeld.
BAILLARGEAT R., L'église collégiale St.-Martin de Montmorency, Parijs, 1958.
BERGHMANS P., Armorial de Flandre du Xve siècle, Brussel, 1919.
BRABANT M., Jean de Nivelles, in Cahiers Toison d'Or, n° 22, z;d.
BRASSART M., Notice historique et généalogique sur l'ancienne et illustre famille des seigneurs et comtes du nom de Lalaing, Douai, 1847.
BROUWER J., Montigny, Amsterdam, 1941.
COLSON O., Le cycle de Jan de Nivelle, in Wallonia, tome VIII, n° 6 et 7, Luik, 1900.
COLSON O., Le cycle de Jean de Nivelle, édition revue et définitive, in Annales de la Société archéologique de l'arrondissement de Nivelles, tome VIII, 1907.
CORNET N., Notices historiques sur l'ancienne congrégation des pénitentes-récollectines de Limbourg et sur quelques religieuses qui s'y sont sanctifiées, Brussel, 1869.
DE CURZON H., Léo Delibes, Parijs, 1926.
DE POTTER F. en BROECKAERT J., Geschiedenis van de gemeenten der Provincie Oost-Vlaanderen. Eerste reeks. Arrondissement Gent. Vijfde deel... Nevele, Gent, 1864-1870.
DE POTTER F. en BROECKAERT J., Geschiedenis van de gemeenten der Provincie Oost-Vlaanderen. Eerste reeks. Arrondissement Gent. Zevende deel... Vinkt, Gent, 1864-1870.
DHANENS E., Het edelsmeedwerk op de tentoonstelling religieuse kunst, in Cultureel Jaarboek van de Provincie Oost-Vlaanderen, 1951, 1e band, Gent, 1953.
D'HOKER P., Nevele (Hansbeke, Landegem, Merendree, Nevele, Poesele, Vosselare). Een toekomstvisie voor een nieuwe entiteit, 1977. Onuitgegeven scriptie Stedebouwkunde.
GEURTS P., De graaf van Horne, Filips van Montmorency 1524-1568, Horn, 1968.
GHEUDE C., Le Jacquemart Djean de Nivelles, in Le folklore brabançon, 6e année, n° 31-32, 1926.
GOETHALS F., Dictionnaire généalogique et héraldique des familles nobles du royaume de Belgique, tome III, Brussel, 1850.
GOYENS M., Lotgevallen van het Grauwzustersklooster te Velsicke, Gent, 1897.
HOUBAERT A., Bibliographia franciscana neerlandica, in Franciscana, jaargang 26, afl. 4, p. 11, 12, 13, 1971.
JANSSENS P., De Wilhelmieten te Beveren-Waas, in Annalen Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, nrs. 64, 65, 1961.
JUSTE T., Le compte d'Egmont et le comte de Hornes, Brussel, 1862.
Cataloog van de kloosters en leden van de Vlaamse Minderbroeders bijgehouden tot 1 augustus 1865, Mechelen, z.d.
KERCKHAERT N., Kroniek van Bachte-Maria-Leerne, z.p., z.d. (1973).
LAENEN J., Etude sur la suppression des Couvents par l'empereur Joseph II dans les Pays-Bas Autrichiens et spécialement dans le Brabant 1783-1794, Antwerpen, 1905.
LAUWERYS J., De derde Graaf van Hoogstraten en zijn gezin in Jaarboek van Hoogstraten's Oudheidkundige kring, 16e jaar, 1948.
LAUWERYS J., De graven van Hoogstraten, in Jaarboek van Hoogstraten's Oudheidkundige kring, 33e jaar, 1965.
LAVENT L., Het cultuurlandschap in Nevele in de XVIIIe eeuw. Een reconstructie en retrospectieve behandeling. Onuitgegeven licentiescriptie, 1967.
LOVELING V., Herinneringen, bijeengebracht en ingeleid door A. van Elslander, Hasselt, 1967.
MARTIN H., Catalogue des manuscrits de la Bibliothèque de l'Arsenal, tome III, tome VIII, Parijs 1887.
MATTHIJS G.M., Julien Dillens, sculpteur 1849-1904, Brussel 1955.
Montmorency, Guide touristique et économique, 1977.
NAESSENS P., Franciscaansch Vlaanderen of levensschetsen van al de minderbroeders-recollecten die aan de voormalige provincie van St.-Jozef in het graafschap van Vlaanderen hebben toebehoord van 1629 tot 1797... Mechelen, 1896.
Notice historique sur l'ancien compté de Hornes et sur les anciennes seigneuries Wessem, Ghoor et Kessenich, Gent, 1850.
Philips van Horn en zijn tijd. Tentoonstelling Weert 18 mei tot 16 juni, Horn, 1968.
Ooidonk, het kasteel en zijn geschiedenis, z.p., z.d.
OOMS H. en HOUBAERT A., Historisch overzicht..., in Franciscana, nr. 1-2, p. 63, 1959.
PENNEMAN T., Volksgeloof en volkssagen in het Land van Nevele, in Driemaandelijks Berichtenblad van de Heemkundige Kring Het Land van Nevele, jaargang VIII, nr. 3-4, 1977.
ROWE C., Montmorency, Val D'Oise. Quelques mots de son histoire, in folder uitgegeven door het Syndicat d'Initiative de Montmorency.
VAN DE CASTEELE J., Er is Jean de Nivelles en Jean de Nivelle in De Autoroerist, 3e jaargang, nr. 3, 1978.
VAN DEN ABEELE R., Het domein van Hodonk te Bachte-Maria-Leerne, z.p., 1956.
VANDER HAEGEN V., Enquête sur les dalles, maes de cuivre et autres monuments funéraires provenant d'ateliers de tombiers gantois. XIV-XVI siècle, in Annales XXIIIe Congrès, Fédération archéologique et historique de Belgique, Gent, 1913.
VAN PUYMBROEK A., Eenige bladzijden uit de geschiedenis van het voormalig Franciscanerklooster te Gent, Gent, 1888.
VAN ROMPAEY J., Het Land en de Heren van Nevele in een notedop, in Driemaandelijks Berichtenblad van de Heemkundige Kring Het Land van Nevele, jaargang VI, nr. 3, 1975.
VAN RUYSEVELT S., De Franciskaanse kerken, Gent, in Franciscana, nr. 3, 1969.
VERVAEKE H., het kerkelijk leven in de dekenij Deinze onder deken Michiel Zachmoorter (1612-1660) en bisschop Antoon Triest (1622-1657), onuitgegeven licentiescriptie, 1974.

Grondplan van het klooster en het gasthuis
opgemaakt in 1872 - ARA.
1. Waar komt de kloosterorde
van de Grauwe Zusters
of Penitenten vandaan?
Heel wat vrome lieden werden
in de 13de eeuw door het levensideaal van de heilige Franciscus
aangetrokken. Ze trachten de evangelische armoede, boetvaardigheid en
naastenliefde te beoefenen onder de leiding van de heilige en zijn volgelingen.
maar die leken verlaten nochtans niet hun familiaal en sociaal milieu. Dat werd
dan de 3e orde van de heilige Franciscus; tot de 1e orde
behoren de minderbroeders, de kapucijnen en de conventuelen, tot de 2e
orde de klarissen.
In de XIVe eeuw wilden
sommigen van die vrome lieden in kloosterverband leven. Die nieuwe
gemeenschappen wijdden zich aan zieken- en armenzorg. Van de Paus kregen ze de
toelating om bepaalde geloften af te leggen en plaatsten zich onder de leiding
van de minderbroeders. Dit was het ontstaan van de franciskaanse Grauwe Zusters,
orde die trouwens nog bestaat.
In onze streken werd te
Diest, in 1350, het eerste klooster van die zusters gesticht.[i]
Wat de benamingen betreft
geven we er enkele aan die in de archiefstukken i.v.m. Nevele gevonden worden.
1502: une
religion d femmes de la tierce orde de Monsr. St. Francois appellez seur de la
celle". (Een godvruchtige gemeenschap van vrouwen van de 3e
orde van de heilige Franciscus, cellezusters geheten). Elders staat nog dat
cellezusters in de volksmond "vulgariter", gebruikt werd. Naar het schijnt
zouden de zusters aanvankelijk in kleine huisjes, cellen, gewoond hebben, zoals
de begijntjes.
1508: "grisearum sororum
tertii rodinis St. Francisci". Voor Nevele treffen we hier voor het eerst
grauwe zusters aan: die benaming is wel heel doorzichtig, want het heeft
betrekking op de grijze scapulier die ze droegen.
1679: "religieuzen
penitenten". In een pauselijke bul van 1440, bestemd voor het klooster van
de Grauwe zusters te Oudenaarde is bij de benaming "tertii ordinis sancti
Francisci de poenitentia" boetvaardigheid, gevoegd. Pas veel later zal het
de meest voorkomende benaming worden.
1781: "religieusen
penitenten recollectinen". Zoals verder verklaard wordt staat
recollectinen in verband met de hervorming van de orde en het woord is de
vrouwelijke tegenhanger van rekolletten.
Deze laatste precieze
benaming is te danken aan de veeleisende administratie van het Oostenrijks
regime.
Op kerkelijk vlak
ressorteerde de parochie Nevele onder het bisdom Doornik, dekenij Gent. De abdij
van Drongen had het patroonsrecht over de kerk en de pastoor van Nevele was dan
ook een kloosterling van die abdij, een premonstratenzer.
Met de hervorming van de
bisdommen in 1559 ressorteerde Nevele onder het bisdom Gent, dekenij Deinze.
In de Xe eeuw was er reeds te
Nevele een gasthuis, zoals er trouwens vele waren in steden en heerlijkheden.
Het was gelegen in de huidige Cyrile Buyssestraat en de ligging ervan stemt
nagenoeg overeen met de gebouwen en tuinen van het huidig gemeentehuis en
gemeenteschool.[ii]
Toen stond een gasthuis in de
eerste plaats ten dienste van de arme pelgrims, en in de tweede plaats van de
behoeftigen en de zieken. Wat die bedevaartgangers betreft, laten we niet
vergeten, dat er toen veel op bedevaart werd gegaan, voor de enen was het uit
vroomheid, maar voor anderen was een pelgrimsreis een verplichting; een
penitentie door de biechtvader opgelegd of een boetepleging voor een misdaad
door een wereldlijke rechtbank uitgesproken.
We mogen onderstellen dat het
Nevelse gasthuis door een losse gemeenschap van vrome lieden bediend werd. Wie
juist die lieden waren is nog niet achterhaald.
De heren van Nevele hadden
het beschikkingsrecht over het gashuis. In 1502 zal Jean de Montmorency het
omvormen tot een klooster. Hij doet een beroep op de grauwe zusters. In een
eerste stuk van het cartularium vernemen we dat, met de toestemming van de
bisschop van Doornik, het gasthuis van Nevele overgemaakt wordt aan "une
religion de femmes de la tierce ordre de Monsr. Sain. Francois". Ze
verkrijgen eveneens de renten en tienden aan het gasthuis verbonden. In ruil
voor die schenking, zullen ze tot in de eeuwigheid missen en godsdienstige
plechtigheden celebreren. De vaagheid, waarmee de rechten en de verplichtingen
van de zusters beschreven staan, zal later aanleiding geven tot spitsvondige
interpretaties. De schenking werd verleend in het kasteel van Ooidonk op
St.-Mateusdag, dit is de 21 september 1502 en was gehandtekend door Jehan de
Montmorency.[iii]
Bij dit gasthuis was er een kapel waarover niet gerept wordt.[iv]
(Zie bijlage I)
In de geschiedenis van Nevele
schrijven De Potter en Broeckaert "boven het goddelijck officie, ter intentie
van de fondateur, eeuwelyck te doen celebreren twee ghelesen missen ter weke".
Die bewering is misleidend, want dat staat niet geschreven in de oorspronkelijke
stichtingsakte. De aangehaalde tekst komt letterlijk uit een stuk van de Raad
van Vlaanderen en het betreft de staat van goederen van het klooster opgemaakt
in 1782 door C.P. Minne, griffier te Nevele.[v]
Trouwen de vier oorkonden in verband met de stichting en de schenkingen,
gehandtekend door Jehan de Montmorency, zijn in het Frans gesteld.
Is het alleen uit godsvrucht
en vroomheid dat de heer van Nevele die zusters geroepen heeft? Er is een ander
motief, en we vertalen hier een aanhaling uit de tweede oorkonde: "het
gasthuis van Nevele wordt bouwvallig. Het werd door onze voorouders gesticht om
arme passanten logies te verschaffen. Maar sedert enige jaren treffen we er
enkel bedelaars en lieden van verdacht allooi aan, zoals dronkaards en
dobbelspelers. Er komen heel wat klachten van de inwoners en tevens is er voor
deze stad onmiddellijk brandgevaar zodat alles zou kunnen vernield worden".[vi]
Dat brandgevaar is een
toespeling op het vuurtje maken, koken en verwarming in de gebouwen van het
gasthuis.
In die tijd was het merendeel
der huizen in hout en als het brandde, kon de hele agglomeratie in de vlammen
opgaan. Zo is in 1604 het Grauwe-Zustersklooster van Velzeke door brand vernield
en het was te wijten aan de onvoorzichtigheid van de passanten die er verbleven.[vii]
Wat nu de nieuwe bestemming
van het Nevels gasthuis betreft, was de familie de Montmorency reeds elders tot
een analoge stichting overgegaan. De familie Vilain had voor de ene helft het
beschikkingsrecht over het hospitaal van Beveren dat aan de Wilhelmieten
toevertrouwd was. Gudule Vilain was nu gehuwd met Jean de Montmorency, de vader
van de stichter van het Nevels klooster. De motivering om een nieuwe bestemming
te geven aan het hospitaal van Beveren is revelerend en zal de heer van Nevele
geïnspireerd hebben: "... om te ontkomen aan de ruwheid, last en
onbetamelijkheden die zich voordoen op de parochie van Beveren, Melsele en
omliggende parochies, door de landlopers en vreemde zwervers die 's avonds met
grote getallen alle dagen samenkomen in het hospitaal van Beveren, waarvan het
volk overlast is en na het aanhoren van eerlijke personen die ons hebben
gesmeekt er in te voorzien dat het gesticht tot andere goede werken zou bestemd
worden ter ere van God..." Het stuk is van 8 april 1461.[viii]
In een derde oorkonde, door
Jehan de Montmorency gehandtekend, wordt de zusters de toelating verleend tot
graan malen, brood bakken en bier brouwen. Ze mogen een handmolen ofwel een
molen door een paard aangedreven gebruiken. Mochten ze echter betrapt worden dat
ze voor een buitenstaander malen, dan krijgen ze een boete: een jaar lang wordt
een molensteen weggenomen. (Zie bijlage II)

Xerografie van akte op perkament (zie bijlage
II) - IFG St.-Truiden
De zusters zijn zo ontslagen
van een aantal belastingen, want de heer van Nevele, zoals het toen gebruikelijk
was, bezat banale rechten: op bepaalde activiteiten en dienstenverlening inde
hij een belasting in natura of in speciën.[ix]
Met de vierde oorkonde uit
1503 verkrijgen de zusters twee huizen met tuin. Reden: het oorspronkelijk
gebouw dat hun toegewezen werd is te klein voor het aantal zusters. Dat sluit
meteen in dat de zusters zich nu in de Langemuntstraat zullen vestigen. Eén van
de huizen was bewoond door Louis Billonez, rentmeester van de heer van Nevele.[x]
Op het grondplan van 1638 ligt nog in de Langemuntstraat een groot huis omgeven
met een tuin. Op het grondplan van 1681 is dat huis verdwenen en prijken de
nieuwe gebouwen van het klooster.
Met deze vier oorkonden,
gegeven op het kasteel van Ooidonk, en dragend de handtekening van Jehan de
Montmorency, is de stichting van het Nevels klooster rond op wereldlijk vlak.
In het cartularium gaat een
opschrift de 5e oorkonde vooraf: "Titels ende privilegiën bekomen
bij dit klooster voor de Immuniteyt en de andere gratien soo van den Stoel van
Roomen als van de Bisschoppen en Prelaten, pastoors...".
Oorkonde 5 is uiteraard van
groot belang, omdat het de bisschoppelijke erkenning van het klooster inhoudt.
De toenmalige bisschop van Doornik, Petrus Quicke, was waarschijnlijk op
inspectiereis in zijn bisdom toen hij zijn goedkeuring heeft bekend gemaakt te
Stekenen op 2 oktober 1502.
In die tijd zijn er nu
ernstige moeilijkheden in het bisdom Doornik, uitvloeisel van de rivaliteit die
er heerst tussen Karel VIII, koning van Frankrijk, en Filips de Schone, hertog
van Boergondië: bieden willen medezeggingschap in de benoeming van de
bisschoppen in het bisdom Doornik: een voor het Vlaams gedeelte en een andere
voor het Frans gedeelte.[xi]
Nevele, als parochie, lag uiteraard in het Vlaams gedeelte, maar de heer van
Nevele, Jean de Montmorency, was verwant met Ludovicus Pot, de bisschop voor het
Frans gedeelte. Immers zijn oom, Guillaume de Montmorency, was gehuwd met Anne
Pot, zuster van Ludovicus. Van deze laatste bestaat er nu ook een oorkonde die
de erkenning van het klooster bekrachtigt, maar niet opgenomen is in het
cartularium. Ze werd gegeven te Doornik op 15 oktober 1502. Met uitzondering van
de begin- en eindformule is de tekst ervan identiek met die van de oorkonde door
bisschop Petrus Quicke verleend.[xii]
Hier dient natuurlijk de
vraag gesteld: waarom die twee verschillende bisschoppelijke goedkeuringen?
Misschien wou de stichter
zeker spelen en van de twee bisschoppen de goedkeuring verkrijgen. Maar het zou
ook kunnen dat het document van bisschop Petrus Quicke, te Stekene afgeleverd,
naderhand opgemaakt is en geantidateerd werd. Want voor het klooster was het
toch maar een beroerde zaak enkel de goedkeuring te hebben van Ludovicus Pot,
die niet door de Paus als bisschop van Doornik benoemd was. De bisschoppelijke
zetel van Lectoure in Frankrijk was hem toegewezen: hij achtte die te min en
heeft die nooit bekleed.
Wat nu de inhoud van beide
stukken betreft, komt het hierop neer:
1. Op verzoek van Jean de
Montmorency wordt te Nevele een kloostergemeenschap gesticht en wordt haar het
bouwvallige gasthuis toegewezen.
2. De zusters zijn gemachtigd
aalmoezen in te zamelen.
3. De zusters zullen leven
volgens hunne regel en zieken en zwakzinnigen bezoeken en verzorgen.
4. De wereld- en kerkelijke
overheid wordt gevraagd die kloostergemeenschap geen last te berokkenen.[xiii]

Kaart uit Renteboek 1639: nr. 49 klooster -
RAG
De kapel van het klooster, in de Langemunt opgericht, werd gewijd vóór het jaar 1513. De wijding geschiedde door Balduinus Villain, wijbisschop van Sarepta, die gedelegeerd was door de bisschop van Doornik. Het moet ons niet verwonderen dat die hulpbisschop de kapel van Nevele komt wijden, want hij was een franciskaner monnik en stamde uit het edel geslacht Villain verwant met de Montmorency's.[xiv] Maar in verband met die wijding zijn er nu twee oorkonden, inhoudelijk identiek, maar met een verschillende begin- en eindformule.
Het eerste stuk gaat uit van
de bisschop van Doornik Carolus de Hautbois (1505-1513) en het tweede van
Ludovicus "administrator ecclesiae tornacensis", en draagt zoals het
eerste stuk de handtekening van vicaris A. Haccaert.
Het is niet erg duidelijk
waarom die twee oorkonden vereist waren. In beide stukken wordt voor de eerste
maal gesproken over het Sint-Jansklooster "domus sive conventus sti Joanni
grisearum sororum". Is die benaming gekozen uit erkentelijkheid om Jan de
Montmorency indachtig te zijn? War er ook van zijn ze wordt later niet meer
teruggevonden, evenwel wordt de straat, waar het klooster gevestigd is,
St.-Jansstraat genoemd, nu Langemunt.
Als de kapel in 1513 gewijd
werd mag de vraag gesteld worden of de zusters voordien over een andere kapel
beschikt hebben. Het is best mogelijk, want het gasthuis bezat ook een kapel die
men in de XVIe eeuw heeft laten verkommeren.
De staat van goederen van 1578 beschrijft dit als volgt: "Item in de Poekstraete staet eenen steenen capelleken vanden zelven gasthuyse met zekere erfve daarom clevende, boven die vercocht was metten huysage ten proffyte vanden aermen hier memorie om dat de zelve capelle ter ruynen gaet".[xv]
Om nu dit tweede luik van de stichting af te ronden, dienen nog vermeld bepaalde schikkingen voorgeteld door Johannes Triest, pastoor van Nevele (†1503). De bedienaars van de kapel van de zusters krijgen voorrechten: biechthoren, zieken berechten, celebreren van een zielemis en het begraven in de kapel. Evenwel dient de pastoor een jaarlijkse vergoeding toegekend. De akte werd verleden op 22 september 1502, dezelfde datum als die van de stichting.[xvi]
Zoals het in die tijd de gewoonte was, werden dus ook te Nevele in de kapel van het klooster de zusters in hun eigen kapel begraven, later zal dat ook het geval zijn met de weldoeners en de paters die de kapel bedienen. In 1784 werd door Jozef II een edict uitgevaardigd: het begraven diende in open lucht te geschieden en niet meer in kerken en kapellen. Dit edict raakt het Nevels klooster niet meer, want het was pas afgeschaft. Wat is er nu te Nevele gebeurd met de skeletten van de overledenen begraven in de grafkelder van de kapel? Ofwel liggen ze er nog - wegens de diepte tot hiertoe nog niet gevonden - ofwel werden ze naar het kerkhof vervoerd, zoals dat elders geschiedde.[xvii] Dat laatste lijkt weinig waarschijnlijk omdat geen enkel document over de overbrenging van skeletten rept.
2. Wat nu van de illustere
stichter
van het klooster van Nevele?
De Montmorency's behoren tot een roemrijk Frans geslacht, dat aan Frankrijk veldheren, kerkelijke waardigheidsbekleders en geleerden heeft geschonken. Hun adelbrieven gaan terug tot de 10e eeuw, de voorouders waren tijdgenoten van Hugues Capet, de stichter van het Frans koningdom. Hun wapen uit de XVIe eeuw duidt op de eerzucht en de ambitie van de familie: op een gouden veld een kruis van keel en in elk der kwartieren 4 adelaartjes in azuur blauw. De betekenis ervan is doorzichtig: ze zullen hoog vliegen.
Montmorency, waar eertijds
hun kasteel stond, is nu nog een grote gemeente, gelegen op 20 km ten noorden
van Parijs. Is het oorspronkelijk kasteel verdwenen, dan is er nog een
merkwaardige collegiale kerk, die in de Xve eeuw op verzoek van Guillaume de
Montmorency werd gebouwd.
Hoe is nu een tak van de
Montmorency's in het bezit van de heerlijkheid van Nevele gekomen?
Om de afstamming beter te
kunnen volgen, verwijzen we naar de stamboom: hij is in vereenvoudigde vorm
opgemaakt en bevat die namen die van belang zijn voor de heerlijkheid van
Nevele.[xviii]
(Zie bijlage III)
Jean I de Montmorency was gehuwd met Jeanne de Fosseux, dame de Nevele, die in 1431 gestorven is. Zijn oudste zoon Jean II de Montmorency, zou reeds als knaap leenhulde voor de heerlijkheid Nevele aan de hertog van Boergondië gebracht hebben. Maar er rijzen familiale en politieke moeilijkheden. Familiale: Jean II en zijn broer Louis komen in conflict met hun vader wegens zijn tweede huwelijk met Marguerite d'Orgemont. Politieke: in Frankrijk woedt de strijd om de macht en Karel de Stoute, hertog van Boergondië, neemt het op tegen Lodewijk XI. In dit verband is er nu een legendarisch verhaal, waar Nevele nauw in betrokken is. Er is opnieuw oorlog tussen de koning van Frankrijk en de hertog van Boergondië. Jean I de Montmorency roept zijn twee zonen op om voor de koning te strijden, maar de twee kiezen partij voor de hertog van Boergondië en wijken uit naar het graafschap Vlaanderen. De vader was zo verontwaardigd over het gedrag van zijn zonen - inzonderheid over dat van de oudste - dat hij zou uitgeroepen hebben: "Ce chien de Jean de Nivelle, il s'enfout quand on l'appelle" (hij is als de hond van Jan van Nevele...) met de betekenis: hij komt niet opdagen als hij geroepen wordt.[xix]
De Franse geschiedschrijvers, met uitzondering van du Chesne die Nivelle naast Nevele gebruikt, schrijven altijd Nivelle als ze speken over de Nevelse tak van de Montmorency's, trouwens in Duitse en Engelse encyclopedieën is het ook Nivelle, het wordt zelfs door de noord-Nederlandse geschiedschrijvers gebruikt.
Jean I de Montmorency heeft zijn twee zonen onterfd ten voordele van Guillaume, gesproten uit het tweede huwelijk. Jean II de Montmorency heeft reeds het deel van zijn moeder geërfd en is zo heer van Nevele. Hij overleed in 1477 en werd begraven in de kerk van Nevele waar zijn grafschrift op een koperen plaat gegrift was.
Zijn zoon, Jean III de Montmorency, zal tegen zijn oom Guillaume, baron van Montmorency, een proces inspannen voor het Parlement van Parijs: hij bekomt alzo nog een vierde van de baronie van Montmorency, mag die naam nog dragen en behoudt eveneens het integrale wapen van het geslacht.
Hij huwde met Margareta van Horne en, zoals hoger gezegd, stichtte hij met haar het klooster van de grauwe zusters te Nevele. Du Chesne geeft de tekst aan, die gegrift was op een metalen plat en die prijkte in het klooster: "Jean, Baron de Montmorency et de Nevele, fondateur et augmentateur de ce couvent. Dame Marguerite de Hornes, Baronesse de Montmorency et de Nevele, fondatrice et augmentatrice de ce couvent. Ce couvent fut fait le jour de S. Mathieu en l'an MDII". Hier valt op te merken dat de taal van het opschrift niet gesteld is in het Frans uit de XVIe eeuw end at in 1502 Nevele nog niet tot een baronie verheven was. Jean III de Montmorency stierf kinderloos in 1510 en eigenaardig er wordt niet vermeld waar hij begraven werd. Zijn jonger broertje, overleden in 1467, werd in de parochiekerk begraven en een metalen plaat met zijn grafschrift prijkte aan de noorderzijde van het hoofdaltaar.[xx]
Zijn vrouw, Margareta van Horne, overleed in 1518 en werd in de voormalige minderbroederskerk te Gent, gelegen aan het Koophandelsplein, begraven: de grafsteen lag voor het hoogaltaar. In dezelfde kerk was er een glasraam met de wapenen van de familiën de Montmorency en van Horne en het opschrift: "Dit ghelas heeft ghegheven heer Jan van Montmorency ende vrouwe Margarite van Hornes, heere ende vrouwe van den lande van Nevele, in 't jaar 1507". Het stenen graf werd in 1578 verkocht en met het slopen van de kerk zullen de glasramen ook wel vernield zijn.[xxi]
Van de metalen platen aangebracht in de parochiekerk van Nevele en van die op het klooster is ook geen spoor meer te vinden. In de jaren 1578, toen de opstand onze streken teisterde, werd koper en brons opgeëist om er wapens mee te smeden. Dat gebeurde te Gent en wellicht ook te Nevele.[xxii]

Titelblad uit Du Chesne, Histoire généalogique
de la Maison de Montmorency et de Laval, 1624
Nu Jean III de Montmorency geen wettige erfgenamen naliet, kwam de heerlijkheid van Nevele in het bezit van zijn broeder Filips (†1526), die met Maria van Horne huwde. Zijn opvolger was de oudste zoon Jozef, die reeds in 1530 overleed; hij was gehuwd met Anna van Egmont die in 1531 een tweede huwelijk aanging met Jan III van Horne († 1540). Dit huwelijk was kinderloos en zo kwam het graafschap Horne en de heerlijkheid van Nevele in het bezit van Filips de Montmorency, oudste zoon van Jozef de Montmorency en Anna van Egmont.
Deze Filips (1524-1568) zal de geschiedenis van de Nederlanden ingaan als Graaf van Horne, de trouwe strijdgenoot van Graaf van Egmont. Tijdens de bloedige repressie, door de hertog van Alva ontketend, werden beiden te Brussel op 5 juni 1568 terechtgesteld.
Het is nu ook het einde van de Nevelse tak van de Montmorency's: Filips, graaf van Horne, noch zijn broer Floris (†1570) hebben wettige erfgenamen in mannelijke lijn.
De goederen van de terechtgestelden werden verbeurd verklaard, maar reeds in 1580 zal Eleonora de Montmorency, zuster van Filips, die terugkrijgen. Door haar tweede huwelijk met Antoine de Lalaing (†1568) komt de heerlijkheid Nevele in het bezit van haar zoon, Filips-Herman de Lalaing.[xxiii] Ten gevolge van de opstand in de Nederlanden en verbeurdverklaringen waren heel wat adellijke families in geldnood geraakt en hadden leningen aangegaan. Dit was het geval met de Lalaing, die in 1592 de heerlijkheid van Nevele en het kasteel van Ooidonk verkocht aan Maarten della Faille, de rijke Antwerpse koopman, die bovendien zijn schuldeiser was.[xxiv]
3. Moeilijke jaren
In de verdere uitbouw van de Nevelse kloostergemeenschap wordt in 1515 en 1516 een belangrijke stap gezet. Voortaan wordt het een congregatie met pauselijk recht en is alzo onttrokken aan de rechtsmacht van de bisschop.[xxv] Heeft deze laatste nu geen inspraak meer in het interne leven van het klooster, dan zal toch, te Nevele althans, zijn gedelegeerde, de deken van Deinze of de pastoor van Nevele, de plechtige geloften van de zusters afnemen. Ook worden tot in 1655 de kerkdiensten in de kapel van het klooster door de pastoor of de onderpastoor van Nevele gecelebreerd.
Vóór 1578 worden we niet ingelicht over het inkomen van het klooster, maar we vernemen uit een koninklijk plakkaat van 1558 dat de bedelorden, zowel mannelijke als vrouwelijke, ontheven worden van belastingen: "leur demander aulcun droict du tonlieu, gabelle ausy ou aultre impost quelconque" (van ze geen verbruiks- of andere belastingen vorderen.[xxvi]
Onder de beeldenstorm en de opstand in de Nederlanden, die in 1566 een aanvang neemt, zal de heerlijkheid van Nevele veel te lijden hebben. De legers van de koning van Spanje en de opstandelingen zullen gedurende een twintigtal jaren de streek doortrekken. Dat alles ging gepaard met schatting, opeisingen en vernielingen.
De inwoners van het platteland zochten beschutting in de grote steden. Een heerlijke rekening van 1583 zegt over Nevele: "dat oock ten zelven tijde zo perijckeleus was van de soldaeten, dat aldaer niemandt wonen en dorste...".[xxvii]
Wanneer de zusters hun kloosters verlaten hebben kan vooralsnog niet uitgemaakt worden. In de "staet van (de) goede toebehoiren(de) d(en) graususterhuyse binnen Nevele, overbrocht bij An(n)e Skeisers moedere..." lezen we dat, op 2 juli 1578, de kloostergemeenschap "... XXI p(er)soenen in getale alsnoch in leeve" telt. Het klooster is een bouwvallig gedoe en staat leeg: "Ierst dgbegrijp van(den) voornoemden susterhuyse, gestaen binnen Nevele, ter eender zijde(n) aende strate west: Kath(ely)ne van Reybroeck; noort: de gemeente; oist die Brabantstrate tot aen Pyr Loo(n)kens; groot o(m)trent twee oude bunder(e) com(mend) van fondatie by wylen mer Jan de Mo(n)tmorency, hee(re) van Nevele; nu vacant leggen(de) en(de) ter ruynen gaen(de)".[xxviii]
In 1578 was het klooster onbewoonbaar. Een stuk uit 1610 en in het cartularium opgenomen, vermeldt dat de zusters reeds 32 jaar geleden hun klooster, ten gevolge van de beroerde tijden, verlaten hebben: zo zal ongeveer 1578 het jaar zijn waarin ze vertrokken zijn naar Gent.[xxix] Daar bezaten ze een huis dat ze verpachtten, maar waar ze een gereserveerde kamer hebben. De Gentse magistraat heeft de kloostergemeenschap een onderkomen bezorgd op de Zandpoort. Maar tientallen jaren later, toen een betrekkelijke rust is teruggekeerd, zal de stadsmagistraat de zusters verplichten het torengebouw in de Zandpoort te verlaten. Waren ze onwillig en voelden ze weinig om naar het geteisterde Nevele terug te keren? De zaak werd voor de Raad van Vlaanderen aanhangig gemaakt en het vonnis van 1 april 1598 luidt: "thof, alghesien, ordonneert de ver(weerderi)ghe te scheedden van (den) ghebruycke van(den) torre".[xxx]
De aartshertogen Albrecht en Isabella regeren over de zuidelijke Nederlanden van 1598 tot 1621. De aartshertogin was bekend voor haar vroomheid en droeg de bedelorden een goed hart toe. Op 6 maart 1601 werd door de aartshertogen een proclamatie uitgevaardigd dat de franciskaanse kloosters, zowel mannelijke als vrouwelijke, aalmoezen mogen inzamelen in alle provincies van het land en geestelijke en wereldlijke instanties mogen hun geen last berokkenen.[xxxi] Dat stelt grootscheepse bedeltochten in het verschiet, waarvan de opbrengst zal dienen tot de wederopbouw van kerken en kloosters.
Was de Nevelse kloostergemeenschap niet voldoende georganiseer - er waren maar 11 kloosterlingen meer - om voldoende steun te vinden? Pas op 1 maart 1610 wordt uitsluitend ten hunnen gunste een voorrecht toegekend: over een periode van vier maanden verkrijgt de kloostergemeenschap van Nevele de toelating om overal in het land aalmoezen in te zamelen. De opbrengst dient voor de wederopbouw van klooster en kapel, waarvan gezegd wordt "pour celebrer le service divin a couvert, que jusque a p(resen)nt at esté subject a pluye et vent" (om de kerkdienst onder dak te kunnen celebreren, tot hiertoe was het in de regen en wind). In hetzelfde document vernemen we dat er, in het klooster, ook meisjes verbleven, die onderricht in lezen en schrijven kregen.[xxxii]
4. Was het een berucht klooster?
Voor het eerst werd er in 1483 voor de kloosterorde der grauwe zusters uitvoerige statuten uitgevaardigd, die de levensregel van de kloosterlingen nauwkeurig zouden uitstippelen. Dat geschiedde in het klooster van Wisebecq, een gehucht van Brugelettes (Henegouwen), waar de oversten van een aantal kloosters in kapittel vergaderden.[xxxiii] In 1528 zijn de oversten opnieuw in kapittel, nu te La Bassée (Dép. du Nord) en niet minder dan 33 kloosters nemen er aan deel. De statuten worden verbeterd en bijgewerkt. Het klooster van Nivelle was er vertegenwoordigd. Maar is het Nevele of Nijvel? Beide steden liggen nu in de Provincia Flandriae, indeling van de franciskaanse orden van 1517 tot 1629, en in elk is er een penitentenklooster. We opteren voor Nijvel omdat het hier een Vlaamse tekst betreft. Dat Nevele niet deelneemt kan te wijten zijn aan de armoede waarin het klooster verkeert.[xxxiv]
De statuten van kloosterregel benadrukken de doelstelling van de orde: "om dat zonderlinghe den staet van dit gezelschap inghestelt om den aermen ter herberghen, 't ontfanghene ende te dienen... Ende als zij by de ziecke zijn, zo zullen zij de ziecke zoetelic vermanen dat zij hem stellen in state van gratien".
De aanstelling van een overste berust op een democratische verkiezing: "Ende als men zal houden electie van der moedere, die ghene die zal hebben de helft van de voyzen (stemmen), ende allenlic een daer en boven, zal zijn vercozen, ende gestelt om moeder oft overste te zijne".
Zoals alle franciskaanse kloosterorden, wordt ook het klooster van Nevele door een pater "visiteerder" bezocht. Spijtig genoeg zijn van zijn hand geen verslagen meer te vinden en zo kan over het interne leven in het klooster weinig gezegd worden.
In sommige kloosterorden liep het wel eens mis en liet de tucht te wensen over. Een van de doelstellingen van het Concilie van Trente 1545-1563) is dan ook de gedragregels van priesters en kloosterlingen nader uit te stippelen. Maar in de tweede helft van de XVIe eeuw luidt de opstand in de Nederlanden een sombere periode in voor onze streken en zo zullen de besluiten van het concilie van Trente veel later hun effect sorteren. Een van die besluiten was dat dekens en bisschoppen regelmatig de parochies dienen te bezoeken - de deken om het jaar, de bisschop om de drie jaar - en dat er een schriftelijk verslag van het bezoek dient opgemaakt. Uiteraard zijn die documenten waardevolle bronnen voor de geschiedenis van het kerkelijk leven. Van de deken van Deinze, Michiel Zachmoorter (1612-1660) en de Gentse bisschop Triest bezitten we uitvoerige visitatieverslagen die reeds het voorwerp va boeiende studies uitgemaakt hebben.[xxxv]
Zo vernemen we dat het
Penitentenklooster te Nevele heel wat deining heeft veroorzaakt, maar in dat
verband mogen we niet vergeten dat we toen leefden in een tijd van ruwe zeden en
dat de opvoeding op een laag peil stond.
Hier volgen nu, op een
rijtje, gebeurtenissen uit het klooster van Nevele, die vermeld worden in de
decanale en bisschoppelijke verslagen (Dv en Bv).
Dv: 1614. Op zon- en
feestdagen wordt in de kapel van het klooster een mis door de coadjutor gelezen.
Er is een klok in het torentje van de kapel.
Dv: 1625: De bisschop bezoekt
de kapel van de grauwe zusters die niet onder zijn jurisdictie vallen.
Dv: 1625: Nog geen klok in de
parochiekerk, wel in het klooster. (De klok was toen de uurregelaar van de
parochie).
Dv: 1627: Volgens een oud
gebruik verzamelen de zusters van Nevele aalmoezen op sommige parochies. De
pastoor van Nevele is biechtvader in het klooster.
Dv: 1638: Er wordt een mis in
de kapel van het klooster gecelebreerd en zij die in de buurt wonen verkiezen er
mis te horen.
Dv: 1643: Er wordt nog
geroddeld om de omgang die een zuster had met pastoor Nikolaas Lust (1641-1642)
die nu verplaatst is. Om een nieuw schandaal te vermijden suggereert de deken
een biechtvader voor het klooster aan te stellen, die uit een andere parochie
komt.
Dv: 1644: De nieuwe pastoor,
Maurits Dufour (1642-1662) loopt in het spoor van zijn voorganger. Hij gaat te
vertrouwelijk om met de overste. De zusters mogen bij hem niet meer te biecht
gaan, wel de overste. Ook een paar meisjes, die er school liepen, hadden over
zijn gedrag te klagen.
Dv: 1645: De abt heeft, als
visitator, de pastoor verbod opgelegd nog in betrekking te komen met de gewezen
overste.
Dv: 1648: Pastoor Dufour
bedient nu voorbeeldig zijn parochie, maar wegens zijn vroeger gedrag kan hij
geen promotie krijgen.
Dv: 1649: De missen in de
kapel van het klooster zijn ten nadele van de parochiekerk. De pastoor en de
zusters spreken met mekaar niet meer.
Dv: 1654: De pastoor heeft
geen betrekkingen meer met het klooster, waar nu rust en vrede heerst.
Dv: 1654: De overeenkomst
gesloten tussen de zusters en de pastoor wordt goed nageleefd. (Die
schriftelijke overeenkomst steekt in het cartularium: het betreft de
begrafenisplechtigheid en het luiden van de klok in de kapel van het klooster).
Dv: 1656: Er zal een pater
biechtvader voor het klooster aangesteld worden.
Op het eerste gezicht valt er niet veel positiefs te vertellen over de verhouding pastoor-kloosterzusters te Nevele. Maar zoals Prof. Dr. M. Cloet en Lic. H. Vervaeke het schrijven heeft het negatieve nieuws in de decanale en bisschoppelijke verslagen de bovenhand, zoals dat zich nu nog voordoet in de hedendaagse berichtgeving.[xxxvi]

Soeur Grise
Grauwe Zuster uit De Clercq L.
Costumen der religieuse ordens...hs - BUG
5. Op nieuwe wegen
Einde XVIe eeuw kwam er nogmaals een hervorming in de orden van de minderbroeders: er werd naar meer armoede gestreefd en de recollectie werd ingevoerd, d.i. meer in afzondering leven voor het bevorderen van het religieus beleven. Zo ontstond een nieuwe tak: de pater recollecten of recolletten. In de XVIIe eeuw gingen alle minderbroederskloosters uit de Nederlanden tot die hervorming over.
Een van de actiefste recollecten was pater Petrus Marchant (°Couvin 1585, †Gent 1661) die als theologant en organisator bekend is. Hij zal op verzoek van Jeanne de Neerinck, overste van het Penitentenklooster van St.-Jacobs, een strengere levensregel uitwerken; de clausuur of slot wordt verplicht gemaakt, dit wil zeggen dat de kloosterfamilie nu een gebouw betreft uitsluitend toegankelijk voor de religieuzen. Het klooster met tuin dient ommuurd te zijn, maar kapel, sacristie, gastenkamer en spreekkamer liggen niet in het slot.
Als tegenhanger van de benaming recollecten, komt nu die van recollectinnen voor de zusters penitenten die de nieuwe levensregel aanvaard hebben.[xxxvii]
Deze hervorming wordt nu bestempeld als de "reforme of reformatie van Limbourg", omdat ze uitging van een klooster dat er in 1623 gesticht werd. Jeanne de Neerinck, die in het Sint-Jacobsklooster niet meer als overste geaccepteerd werd, omdat ze de clausuur wou invoeren, is met een paar zusters uit Gent naar Limbourg-Dolhain (Luik) vertrokken; ze hebben er voor pater Marchant hun geloften opnieuw afgelegd en zouden leven volgens de nieuwe regel. Deze werd op 15 juli 1654 door paus Urbanus VIII goedgekeurd. De stichteres van de nieuwe orde, Johanna de Neerinck, haar kloosternaam is nu Johanna van Jezus, kwam in 1627 terug als overste van het Sint-Pietersklooster te Gent.
Ze wordt er reeds hetzelfde jaar opgevolgd door Jeanna de Saint Bernardin, die eveneens in Limbourg de nieuwe levensregel beoefend had. Onder haar impuls zijn heel wat Penitentenkloosters tot de reformatie toegetreden. Het invoeren van de hervorming is volgens de democratische principes geschied: de zusters werden voor de keuze gesteld en zo hun klooster tot de reformatie overging, mochten ze in een ander klooster gaan. Het klooster van Velzeke is bv. niet tot de reformatie toegetreden.
Het dubieus verleden van de Nevelse kloostergemeenschap zal de oversten wel aangezet hebben om die te betrekken in de "reformatie van Limbourg". De oorsprong en de ontwikkeling van dat gebeuren wordt uitvoerig verhaald in het handschrift van 1724, van de hand van zuster Bonaventure de Jésus, dat nu in het archief van het Penitenten-Rekollektinenklooster van Assesse (Namen) berust. In dat stuk wordt er over 34 kloosters gehandeld, en een tiental bladzijden, formaat schoolschrift, worden gewijd aan het klooster van Nevele.
De kloostergemeenschap aldaar had lucht gehad van het vroom en voorbeeldig leven in het St.-Pietersklooster te Gent en zou gevraagd hebben tot de hervorming te mogen toetreden. Pater Marchant heeft die wens ingewilligd. Op 15 augustus 1655 kwam zuster Jeanne de St.-Bernardin, in de wereld Wageneer, overste van het Gentse klooster, met drie medezusters naar Nevele. Daar waren nog zeven zusters in het klooster die opnieuw de geloften afleggen en verklaren de clausuur te aanvaarden; pater provinciaal Marinus De Smijter zat de ceremonie voor. Waarheen de overige zusters vertrokken waren, wordt niet verteld. Een markant feit: de drie zusters uit Gent, die hun overste vergezelden, bleven in het Nevels klooster en zullen er de sleutelposten bekleden: zuster Bonaventura van St.-Jozef wordt overste, zuster Margareta van de Conceptie "vicaresse" en zuster Anna van de H. Drievuldigheid meesteres van de novicen. Op 19 juni 1656 komen nog twee zusters uit Gent de gemeenschap aanvullen: zo komen we op een totaal van 12 zusters. De eerste novicen worden in januari 1657 genoteerd.[xxxviii] Het streefcijfer zal wel ongeveer 20 zijn: in 1578 waren er 21 kloosterlingen en 22 in 1782. In 1670 waren er reeds 14 meisjes in het klooster getreden om er hun geloften af te leggen.
Van 1657 af zijn de "akten van prefessie" bewaard en dragen de handtekening van de zuster en ook meestal van de examinator, in casu de deken van Deinze of de pastoor van Nevele. Hier volgt de tekst van de oudste akte:
"op de zesden januari van
(den) jaere duyst zeshondert seven en vijftich hebben ich Mauritius Dufour,
pastor van Nevele bij speciale commissie van den zeer eerweerdighen heere
landtdeken van Deynze ghexamineert suster Joanna Merlijn, leekesuster int
clooster van(de) penitenten tot Nevele, eer dat sij haar professie is doende.
Alvooren gevraecht sijne
hoe oudt van jaeren dat sij was heeft gheantword dat sij is ghepasseert de
sessentwintich jaeren.
Item gevraecht sijnde of
sij ghecommen was tot deze religie met haeren vrijen francken willen heeft
gheantwort jae.
Item ghevraegt zijnde of
sij van niemant en is gheinduceert ofte bedwonghen gheweest om te commen tot
deze religie, heeft geantwort dat neen, maer dat haer hier toe ghedreven heeft
de liefde tot Godt en(de) haer, sielens zaelicheyt, en(de) dat zij desen willen
heeft ghehadt wel vier jaeren eer sij plaetse becommen heeft in dit clooster.
Voorts kent sij op den
tijdt vanhaer novitiaet volle contentement ghevonden te hebben in dit clooster
en(de) dat sij is persisteren(de) in haer goede begeerte om haer drij beloften
an Godt almachtich op te offeren in teeken der waerheyt heeft zij op jaer en
dach als boven onderteekent.
suster Joanna Merlijn"
De zusters dienen nu ook hun familienaam en voornaam te verzaken: ze krijgen dan een kloosternaam gevolgd door de naam van een patroonfeest. De eerste akte die dat vermeldt is van 16 november 1660 en de beginformule luidt: "Bij speciale commissie van(den) eerweerdighen heere landtdeken van Deynze hebben ick, pastor van Nevele, ghexamineert suster Dorothea Waesberghe, nu in de religie genaemt suster Maria Magdalena van het h. Cruys..."
In sommige documenten komt alleen een kloosternaam voor zodat we niet altijd de echte identiteit van de zusters kennen. In totaal zijn er 44 akten van professie bewaard en de laatste professie had plaats op 23 april 1791: Teresia Casier uit Geluwe neemt Maria-Josepha van den H. Dionusius als kloosternaam aan.[xxxix]
Van 1657 treedt er nog een andere nieuwigheid op: het klooster legt nu een obituarium of dodenboek aan. Op 18 juni 1658 wordt een eerste overlijden ingeschreven: "sr Angeline van St.-Francois, aut 29 jaeren geprofest 10, die een is gheweest van die de h. Reformatie anverde".[xl] (Zie bijlage V)

Titelblad van het obituarium - BUG
In datzelfde boek lezen we ook "het clooster vanden heiligen Joannes Baptista, nu genaemt sedert de reformatie vanden heiligen Bonaventure". Deze laatste, groot franciscaans godgeleerde, leefde in de XIIIe eeuw en was o.a. bekend door zijn geschriften over het godsdienstig leven. Voordat de nieuwe kloosterregel ingevoerd werd, hielden de zusters ook school. Dat blijkt uit een oorkonde van 1562 en uit een dekenaal verslag van 1644. Volgens de nieuwe "Constitutiën" wordt het hun afgeraden: Men zal geene schole houden ten zij in plaetsen daer het noodich souden schijnen te wesen en de van groot profijt en de stichtinghe". Het klooster van Nevele heeft die aanbeveling opgevolgd, wat later de zusters zal berouwen, zoals verder uitgelegd wordt.
In de 2e helft van de XVIIe eeuw is de nasleep van de godsdienstoorlogen uitgewist en komt er in het land een betrekkelijke rustige periode. Dat heeft ook zijn weerslag op het godsdienstig leven: de Nevelse kloostergemeenschap lijkt nu een vredig bestaan te leiden. Is er nu en dan nog eens een betwisting inzake belastingen en de opsplitsing van de tiende van Vinkt, dan vallen er, van de "reformatie" af geen uitzonderlijke gebeurtenissen te noteren. Er dient wel aangestipt dat we uit deze periode visitatieverslagen noch procesverbalen van de verkiezing van moeder-oversten hebben.
We mogen veronderstellen dat er nu in het klooster te Nevele een diepere godsdienstbelevenis ontstaan is. Een getuigenis ervan is dat de kloostergemeenschap geloofd heeft dat er in de kapel een wonder gebeurd is. Het wordt uitvoerig behandeld in het handschrift van Assesse. Op 16 mei 1681 overlijdt zuster Aldegonde van St-Hyacint, in de wereld De Wispelaere. Ze had een heilig leven geleid. Op 29 maart 1719 werd een grafkuil in de kapel van het klooster gedolven. De grafmaker stootte op een lijk, dat nog volledig gaaf bewaard was. Ongelukkig verminkte hij met zijn spade het hoofd van het lijk. Van dat alles bracht hij voorlopig niemand op de hoogte. Bij de begrafenisplechtigheid van zuster Pacifica van de H. Juliaan, overleden op 29 maart 1719 zagen de kerkgangers iets zonderlings: het opgebaarde lijk begon te zweven.
's Avonds gingen de overste en de zusters zich nog eens vergewissen van wat er gebeurd was in het graf: het lijk zweette nog altijd en het lag nevens het gaaf bewaarde lijk van zuster Aldegonde, die 38 jaar vroeger overleden was. Het zwetende lijk werd elders begraven, want dat zweten betekende dat het niet waardig was nevens een heilige te liggen. Naar het zeggen van de zusters was er niet de minste verrotting te bespeuren: de huid was zeer wit en gaaf en gaf een aangename en zoete geur af. De zuster kosteres beweerde dat ze reeds vroeger meermalen die biezondere geur had waargenomen.
Vandaag de dag worden er nog lijken opgegraven die totaal ongeschonden zijn. De scheikundigen hebben hun verklaring voor het fenomeen. Er dient wel gezegd dat de kerkelijke autoriteit dat verschijnsel niet als bovennatuurlijk erkent.
6. De "paterij" of de residentie van de paters
Met de hervorming van de kloosterregel komt er nog een grote nieuwheid: een residentie voor de paters recollecten. De hoofdbekommernis van de zusters was een eigen biechtvader te hebben en we vermoeden dat er reeds van 1655 af een pater aangesteld werd. In een visitatieverslag van 1656 spreekt de deken over de "pater confessarius" en stipt aan dat hij, de deken, niet opgeroepen wordt bij de professie van de zusters.[xli]
Over het verblijf van die pater wordt niets verteld, wel weten we dat op 7 oktober 1657, voor de eerste maal een pater biechtvader aangesteld werd door het "Capitulum Provinciale", d.i. het kapittel van de recollecten, dat om de drie jaar gehouden wordt om o.a. de biechtvaders van de vrouwenkloosters aan te duiden. Gewoonlijk wordt het mandaat van 3 jaar niet hernieuwd.[xlii]
Met het bouwen van een huis voor de paters wordt in 1663 een aanvang genomen.
Joan Martin della Faille,
heer van (de) Stede en de Lande van Nevele, doen te weten dat wij genegen
wesende ten bede en de begeerte van(de) eerw. moeder en(de) religieusen van het
clooster der penitenten tot 't voors Nevele, ' wel is van de fondatie van onze
voorsaeten en de wat redenen ons moverende, hebben gheconsenteerd en(de)
gheoctroyeert, soo wij doen mits dese, dat de voors. moeder zal vermooghen te
coopen en(de) aan t voors clooster annexeren sekere eerve, gheleghen noortwest
neffens t voors. clooster, en(de) commende zuutwest op de straete tot op den
Oosbrouc, groot ontrent de twee hondert xxx (r) oeden, met (gaeder)s dat op
zelve eerve zal vermoghen ghebauwt en de gheerigeert worden eene woonste ofte
paterije voor de eerw. p.p. Recollecten, wesende ten dienst van voors clooster;
consenteren mitsdies dat de zelfe eerve voor soo veele als ons raect zal
gheamortiseert wesen. In kennisse der waerheyt, hebben wij deze gheteekent, den
15 february XIVc dryentzestich.
J.M. Dellafaile
[xliii]
De zusters hebben dus de grond gekocht en het amortisatierecht vereffend. Voor het bekostigen van de bouwwerken hebben de paters dan aalmoezen ingezameld.[xliv] In zijn visitatieverslag van 1664 schrijft de deken van Deinze, I. Gillemans, dat het oprichten van de residentie op wereldlijk vlak voldoet aan de vigerende gebruiken: op kerkelijk vlak wordt een voorwaarde gesteld: er mogen daar nooit meer dan twee kloosterlingen wonen, anders zou men vlug tot het stichten van een klooster komen. De abt van Drongen, als bezitter van het patroonsrecht van de parochie van Nevele, zou dat trouwens nooit dulden.[xlv] Er verblijven dan ook in de residentie meestal twee paters en een lekebroeder. Buiten de vergoedingen, die zij van het klooster krijgen voor het celebreren van de kerkdiensten, hebben de paters ook nog het inkomen van de "staties": op sommige feestdagen treden ze als hulpbedienaars op te Deinze, te Nevele en de omliggende parochies.[xlvi]
Enkelen van de paters recollecten, die te Nevele verbleven, hadden reeds een gevulde loopbaan achter zich, en misschien kwamen ze het in het landelijke Nevele wat rustiger doen. Zo pater Archangelus Van Hoecke (1698-1763): hij was 15 jaar leraar in de godgeleerdheid, achtereenvolgens gardiaan (overste van een rekollektenklooster) en eerste raadslid van de provinciaal. Van 1751-1754 werd hij als biechtvader van het Nevels klooster aangesteld. Wellicht is hij na zijn mandaat van drie jaar er gebleven; hij stierf te Nevele op 25 augustus 1763.[xlvii]
Een edict van 1783 bepaalt dat een aantal kloosters afgeschaft worden, waaronder dat van Nevele. De "paterije" blijft evenwel voortbestaan, maar de paters moeten zich zelf bedruipen, want alle inkomsten van het Nevels penitentenklooster worden in de pensioenkas gestort.
De Nevelse magistraat verantwoordt het voortbestaan van de kapel van het klooster: "Amptman, burgemeester en de schepenen der stede en de Vrijhede van Nevele certificieren voor waerachtigt dat de kercke van het gesuprimeert clooster der penitenten binnen de selve stede noodigh is om door de eerwaarde pater recolletten binnen t'selve Nevele daer in te verrichten de nodige diensten soo tot geniet van de inwoners van alhier als van d'omliggende parochien... 21 juny 1784".[xlviii]
In zijn verslag van 14 juni 1784 is de substituut-fiskaal, als commissaris van zijn Majesteit, niet zeer tegemoet komend; het is niet nodig de kapel te behouden, want ze ligt op een paar stappen van de parochiekerk. Moet ze behouden, dan dient het ten laste van de tiendheffers van de parochie te zijn. Hoe de pastoor van Nevele en de abt van Drongen daarop gereageerd hebben, wordt niet vermeld. In juni 1795 werd de kapel niet meer gebruikt, want ze werd dan tot toneelzaal omgevormd.[xlix]
De laatste pater biechtvader was Valerianus Raparlier, te Nevele in 1787 gestorven.[l] Of er nadien nog paters in de residentie verbleven hebben is ons niet bekend. In 1795 waren er geen meer.[li]
De Oostenrijkers werden uit onze streken gedreven in 1794 en in 1795 worden de Zuidelijke Nederlanden een deel van Frankrijk.
In september 1796 werden de meeste kloosterorden afgeschaft, worden hun goederen in beslag genomen en geleidelijk wordt tot de verkoop ervan overgegaan.
Voordat de "paterij" verkocht werd, was ze bewoond door "le citoyen Seriacop, commissaire du directoire près l'administration municipale du canton te Nevele". Laat het ons zo stellen: een Fransgezinde ambtenaar kreeg het voorrecht het huis van de paters te mogen bewonen.
Op 12 oktober heeft de verkoop plaats: het huis met tuin wordt ingesteld tegen 3.600 frank en met het vierde opbod wordt het le citoyen Seriacop toegewezen voor de som van 140.000 frank.[lii] De kadastrale legger, bij de Popkaart (ongeveer 1850) gevoegd, vermeldt nog een afstammeling die op het goed woont: Cariolu Martinus Seriacop, zaakwaarnemer. De ligging van de huidige villa Marie-José en tuin, Langemunt 12, stemt nagenoeg overeen met die van de "paterij".
De bedienaars van de
parochies dienen inkomsten te hebben om waardig hun ambt te kunnen uitoefenen en
om hun kerk of kapel in stand te houden en te verzorgen. Van oudsher hebben de
parochianen dan bijgedragen in die onderhoudskosten. Dat geschiedde in natura:
het tiende deel van de opbrengst van het land, zowel van gewassen als van vee.
De tiendheffers, de
rechthebbenden van de tienden, zijn niet altijd pastoors, maar veelal
bisschoppen, kapittels of kloosters, die dan op hun beurt de pastoors een deel
van het tiende, de "portie congrue", afstaan.
Maar in de loop van de tijden
is het ook vaak gebeurd dat de tienden in handen kwamen van leken, van de heren
dus. Vanzelfsprekend zal dat heel wat moeilijkheden scheppen, want wat
oorspronkelijk een kerkelijke belasting was, wordt nu van zijn doel afgeleid. De
toestand zal dan ook aanleiding geven tot allerlei geschillen, die door de
rechtsbanken dienen beslecht. Zo bezat de heer van Nevele in de XVIe eeuw nog
een deel van de tiende van Vinkt.
Te Nevele is de abdij van
Drongen de tiendheffer; nu is de pastoor er van oudsher een geestelijke uit die
abdij en zo mag ondersteld dat hij een ruim aandeel van de tiende van Nevele
toegewezen krijgt.
Er wordt gesproken over grote
tienden als zij worden geheven op grote gewassen: tarwe, rogge, haver, vlas.
Kleine tienden hebben betrekking op kleine gewassen zoals: erwten, bonen,
knollen... Er zijn nog andere tienden die in het kader van ons opstel niet in
aanmerking komen.
Veelal werden de tienden
verpacht en de tiendheffer kreeg dan van de pachter, die de opbrengst te gelde
maakte of gedeeltelijk verbruikte, een overeengekomen bedrag. Als de oogst nu op
het veld stond in schoven, kwam de heffer van het groot tiende of de pachter en
wees elke tiende of elfde schoof aan die hem dan afgestaan werd; te Vinkt was
het de elfde schoof.
In theorie was het tiende in
drie delen opgesplitst: een derde was het vast inkomen van de pastoor, de
"competentia", een tweede derde voor de kerkfabriek die het beheer over de kerk
heeft en het overige derde ging naar e H. Geesttafels die dienden in te staan
voor de armenzorg.[liii]
Het klooster an Nevele krijgt
bij zijn stichting een derde van een tiende. Maar in de akte, die dat bevestigt,
is de formulering over het toekennen zo vaag gesteld, dat er later heel wat
moeilijkheden zullen oprijzen in verband met dat tiende.
In de stichtingsakte van 1502
staat te lezen dat de zusters bepaalde delen van renten en tienden verkrijgen,
die moeten aangewend worden voor het celebreren van missen en kerkdiensten en
bij verhoging van tienden, zal de meeropbrengst ook aangewend worden voor andere
kerkdiensten.[liv]
Het is dus een leek - de heer van Nevlee - die over een deel van dat tiende beschikt, en krachtens de stichtingsakte, is het bestemd voor het gasthuis, dat aan de zusters toegewezen wordt. Er mag ondersteld worden dat het aanvankelijk een derde van een tiende was voor de armenzorg. Daar er geen oorkonden voorhanden zijn in verband met de overdracht van het derde deel van het tiende aan de heer van Nevele zullen er op juridisch vlak heel wat geschillen dienen beslecht.[lv]
Pas in 1658 treffen we een eerste document aan waar geschreven staat dat het klooster te Nevele een deel van de tiende van Vinkt bezit. De Franse legers zijn door Vinkt getrokken en enkele eenheden hebben er gelogeerd: er is veel schade berokkend. De baljuw, de burgemeester en de schepenen van Vinkt certifieren dat de pachter van de tiende van Vinkt schade geleden heeft. De twee andere tiendheffers zijn "den heere cappelaen van Odonck en de heeren groote vicarissen der Cathedrale kercke van Doornick".[lvi]
In 1671 en volgende jaren komt de koster van Vinkt op de proppen voor zijn vast inkomen "de competentie costeraele" dat op een tiende van Vinkt dient geheven te worden. Hij beroept zich op een uitspraak in een proces van 1658, waarvan nu geen sporen meer te vinden zijn. Dat de koster het pleit gewonnen heeft, blijkt pas uit een stuk van 1783. Toen werd op last van de Oostenrijkse regering de staat van inkomsten en uitgaven van de kloosters opgemaakt; voor het klooster van Nevele staat een jaarlijkse uitgave van 10 gulden ingeschreven op de naam van de koster van Vinkt.[lvii]
Het valt best te begrijpen dat de pastoor van Vinkt en zijn parochianen met ledige ogen toezien dat de groot tiende an de parochie, het klooster van Nevele toekomt. Livinus Goethals, die te Vinkt pastoor was van 1665 tot 1715 en in de moeilijke oorlogsjaren zijn parochie met veel toewijding bestudeerde[lviii], zal het opnemen tegen de tiendheffers. Wij zijn nu bijzonder goed ingelicht over het verloop van het proces, dat hij tegen de zusters van Nevele inspant. Het Recueil van(de) sae(ch)en der Penitenten van Nevele als thiendehefferiggehen binne de p(aro)chie an Vinkt t s(eder)t 1699" bevat twee folio's en een derde met 19 regels. Daarin zijn geresumeerd de vorderingen en replieken van de partijen. De aanvang luidt "29 july syn sy (de zusters van Nevele) met de andere thiendeheffers betrocken door den Pastor van Vinckt Eerw. M(eeste)re Livinus Goethals tot supplement van syne portie congrue ter somme van 350 gul(den)s".
Het verweer van de zusters van Nevele komt in hoofdzaak hierop neer: hun deel van het tiende van Vinkt is "laïcaal" d.w.z. is geschonken door de heer voor het volbrengen van bepaalde verplichtingen, in dasu celebreren van kerkdiensten voor de familie Montmorency, krachtens de stichtingsakte van 1502. In hun verweer van 9 nov. 1699 "seggen de religieuzen dat het deel van het thiende hun competerende is laïcaal, en de ghecommen van waerel(dlijk)e handen met last van vele missen en andere onereuse conditien welckdanighe thienden vrij en exempt zijn van alle competentie pastoralen".
De repliek van de pastoor van
Vinkt zal dan ook die bewering met een paar argumenten ontzenuwen.
a. Het deel van de tiende
van Vinkt dat het Nevels klooster toegewezen wordt is "voor gheestelijck te
reputeren, omdat sij een geestelijcken beseten wordt"
b. Het Nevels klooster werd
reeds veroordeeld tot het bijdragen in het vast inkomen van de koster van Vinkt.
c. Het Nevels klooster heeft
reeds bijgedragen in de herstellingswerken van de kerk van Vinkt en in het
hergieten van de kerkklok.
Die twee laatste argumenten tonen dus aan dat het Nevels deel van het tiende van Vinkt ook voor "geestelijke" doeleinden aangewend werd. Bij ontstentenis van titels, waaruit duidelijk zou moeten blijken wat de rechten en verplichtingen van beide partijen zijn, heeft de Raad van Vlaanderen een vonnis geveld dat gunstig uitviel voor het Nevels klooster: de groot-vicarissen van Doornik en de kapelaan van Ooidonk dienen bij te dragen in het inkomen van de pastoor van Vinkt: de eerwaarde moeder van het Nevels klooster wordt van die verplichting ontslagen. In het "Recueil..." luit dat: "den 29 9bre 1700 is de sententie gegeven waerbij de andere verw(eerder)s gecond'emneer)dt syn naer proportie te contribiceren aan da pastorele competentie en de tusschen hun en de jeghens de eerw(aardig)e Moeder onverleth gelaten etc." Het origineel van die sententie lijkt niet meer voorhanden te zijn.[lix]
Die uitspraak, die niet erg bemoedigend was voor de pastoor van Vinkt, is geen eindpunt. Van bij de aanvang van zijn pastoraat, dat liep van 1735 tot 1764, zal pastoor Jan Frans Tilley in het strijdperk treden. Hij was een actief man die door de deken geprezen wordt.[lx] Bij rekwest van 7 november 1737 worden door hem de tiendheffers van Vinkt betrokken in de onkosten voor de herstellingswerken, die de pastorie dringend vergt.
Er is, wat het Nevels klooster betreft, geen uitspraak in die zaak. Misschien zijn de partijen tot een minnelijke schikking gekomen.
De opvolger van pastoor Tilley was Henricus Van Balen, die eveneens aanspraak zal maken op de grote tiende van Vinkt. Wellicht was hij diplomatischer aangelegd dan zijn voorgangers, want de vordering wordt nu niet ingediend door de pastoor, maar wel door zijn parochianen. De aldaar residerende notaris Jan, Frans Van Wonterghem wordt gelast een verzoekschrift op te stellen.
"Inghevolghe het placaet
van syne majesteit van den 25e sept. 1769" worden de tiendheffers
verplicht bij te dragen in de onkosten van de herstellings- en verbouwingswerken
van de kerk. De opmetingen ervan hebben aangetoond dat ze te klein is voor het
aantal mishoorders, ongeveer 1250. De voorziene onkosten voor het verbouwen
worden op 5000 gulden geschat. Om zijn argumenten te doen doorwegen heeft de
notaris een pittoresk beeld opgehangen van de bestaande toestand.
Er zijn "... continuele
ongevallen, stoornissen in en de buyten de kercke ten tijde der goddellijke
diensten, mitsgaders degene en de ongeregeltheden die door de cleenheyt van het
beluyck derselve kercke worden veroorsaakt". Vaak gebeurt het dat
mishoorders misselijk worden "door dien men er geperst staet gelyck de
haringen in de tonne". Heel wat mensen moeten buiten blijven staan en
trotseren er de winderkoude en de zomerhitte. "...dat nocht de pastor, aerm
ende kerkmeesters onmogelyck dickwils door het volk nie en connen dringhen, de
eene om hunnen kerckplichten en de sermonen te verrichten, de andere om de
giften en de caritaeten der god-vruchtige prochianen te vesaemelen...".
De behandeling van die vordering kent een langzaam verloop. Op 12 mei 1785 stelt de kapelaen van Ooidonck ten slotte voor de zaak in der minne te regelen. Er werd een aanvang met het bouwen van een zijbeuk gemaakt en grosso modo heeft het kerkgebouw van Vinkt sedertdien geen belangrijke wijzigingen meer ondergaan.[lxi]
Maar inmiddels heeft zich
althans een belangrijk feit voorgedaan: op last van de Regering worden sommige
kloosters afgeschaft. Het Nevels klooster valt onder die maatregel en op 22 mei
1784 wordt het officieel afgeschaft, zoals verder wordt uiteengezet.
Wat nu met de tiende van
Vinkt? Heel eenvoudig: het Nevels deel ervan dient nu gestort in de
"Religie-kassen" d.i. het pensioenfonds dat opgericht werd om de uitgetreden of
verplaatste zusters een vergoeding of pensioen toe te kennen.
Het inkomen en de goederen werden beheerd door een "administrateur" en deze wordt nu geconfronteerd met de vordering van de notaris van Vinkt: bijdragen in de onkosten voor de verbouwing van de kerk. Opnieuw goochelen de partijen met de bewering: het deel van de tiende dat het klooster int is van wereldlijke oorsprong, de anderen zeggen dat het van geestelijke oorsprong is. De onmiddellijke chef van de beheerder is substituut fiscaal Pulinck en die maant hem aan het been stijf te houden, hoewel de beheerder zou verkiezen in geen proces gewikkeld te worden en toegevingen te doen.[lxii] Op 18 april 1786 is de bijdrage van tiendheffers nog niet vereffend; de notabelen en de "pointers" willen nog eens met de tiendheffers praten en alzo zich de onkosten van processen besparen.[lxiii] Inmiddels wordt het Nevels derde van de tiende jaarlijks verpacht en wordt de opbrengst, 826.17.0 g. in 1782, in de Religie-Kasse gestort.
Op 24 mei 1788 vinden we nog een laatste vermelding van verpachting.[lxiv]
Hoe later de tiende besteed
werd is waarschijnlijk uitvoerig uitgewerkt in het verslagboek van de beheerder.
Helaas, dat document is sedert 1940 zoek op het Rijksarchief te Brussel.[lxv]
Met de Franse Revolutie van
1789 werd het heffen van tienden afgeschaft. Toen België in 1795 bij Frankrijk
ingelijfd werd, wordt die afschaffing, in 1796, hier ook van kracht. Het was
voor de landelijke bevolking een opluchting voortaan vrijgesteld te worden van
die betrekkelijke zware belasting in natura. Maar het Franse bewind zal andere
zware belastingen invoeren, die de geleidelijke verarming van onze streken in de
hand werken.
8. De afschaffing
Reeds onder het bewind van Maria-Teresia, de Oostenrijkse landvorstin die over de Zuidelijke Nederlanden regeerde van 1740 tot 1780, is de binnenlandse politiek gericht op een besnoeiing van de kerkelijke macht: nu wordt een amortisatierecht geëist op het grondbezit van de kloosters; novicen moeten minstens 25 jaar oud...
Keizer Jozef II, die regeerde van 1780 tot 1790, zal die politiek verder uitwerken en vaardigt dan ook heel wat edicten uit met betrekking tot de religieuze kwesties. Op 17 maart 1783 wordt het edict afgekondigd "rackende vernietinge van verscheyde onnoodige kloosters in de Nederlanden". In de memorie van toelichting van het edict wordt benadrukt dat de inkomsten van sommige kloosters beter kunnen aangewend worden; hier wordt bedoeld op een meer efficiënte aanpak van de armen- en de ziekenzorg en tevens de bevordering van de seculiere geestelijkheid.
"... en de inkomsten der zelve (van de klooster) te doen besteden tot vermeerderinge van 't getal der priester belast met de zielzorge en de tot andere godvruchtige oprechtingen even voordeelig aan de Religie en de aen de menschlieventheyt...". De kloosterlingen mogen in een ander klooster gaan of de geestelijke staat verlaten; hun wordt een pensioen toegekend. Het wordt geput uit de "Religie-Kasse", die door de verkochte goederen van de afgeschafte kloosters gespijsd wordt.[lxvi] Alle kloosters, die omzeggens geen sociale aanbreng hadden, werden door het edict geviseerd.
In totaal werden er 173 in de Zuidelijke Nederlanden afgeschaft, hoofdzakelijk vrouwenkloosters.
Zoals vele andere
kloostergemeenschappen heeft de Nevelse een verzoekschrift tot de plaatselijke
overheid gericht om, onder bepaalde voorwaarden te mogen voortbestaan: "De
onderschreven eerweerder moeder en de gemynte van het clooster der Stede van
Nevele verclaeren bij desen hun gesaemendlyck te verbinden met volle goedte en
de genegentheyt op het versoech van de regeerders en de opperhoofden der selve
Stede en de Lande van Nevele van in het beluyck onser clooster te erigeren
publicque scholen voor het jongvrouwe geslagt, mitsgaeders tot het bewaeren van
krankzinnighe persoonen en de voordoen in alle het gonne door de gemelde
regeerders vooren gestelt bij hun humble vertoogh aen synne majesteit
gepresenteert, eveneens in alle tgonne synne voors. Majesteit nopens dies aen
ons sal gelieven t ordonneren van nu voorts tot den eeuwegen daeghe, met belofte
syne Majesteits ordonnanties op een volkomen wyse te sullen volbrengen en de
observeren sonder daeraen syt te willen manqueren. In teken van alle welcken is
deze bij ons ondertekend".
desen 21 juny 1783.
Het verzoekschrift draagt de handtekening van 17 zusters, kloosternaam en familienaam. De wereldlijke overheid van het Land van Nevele heeft gunstig geadviseerd, want zij stuurt op haar beurt "aen syne Majesteit den Keyser en Koningh" een lang uitgesponnen vertoog - 11 bladzijden - waarin ze het voortbestaan van het klooster bepleit. De bewijsvoering komt hierop neer:
Het onderwijs is verwaarloosd in het Land van Nevele. De gegoede burgerij zendt haar kinderen naar andere streken om er onderwijs te benieten, zelfs tot in Frankrijk. Voor het gewone volk zijn er geen "publique schoolen". Welnu er zijn hier "twintigh religieusen en de leekezusters, alle zeer bequaeme en de geleerden persoonen, soo in de lees en de schrijfkunde der vlaemsche en fransche taelen als cijffer const en de verders alle handgedaet in deen lande geplogen...". Benevens het onderwijs voor de meisjes, zouden ze ook instaan voor de "bewaeringhe van de krancksinnigen". Het "onderwijs van het jonck mannegeslagt" zou aan de paters toevertrouwd worden. De kloosterlingen zijn tevreden met een bescheiden inkomen en zo zal de oprichting van scholen geen grote financiële last meebrengen. Het vertoog draagt 41 handtekeningen, waaronder die van "Le baron de Nevele", de clerus, de baljuw, de amptman, de burgemeester, de schepenen en de griffier, de pointers en de setters...
Een randnota, door de centrale administratie op het vertoog geschreven licht ons in wat met de documenten is geschied: "soit remis aux actes ne s'agissant pas de s'occuper de cet objet à présent", wat beduidt dat het geklasseerd wordt zonder nader onderzoek.[lxvii]
22 mei 1784 zal wel een beroerde dag geweest zijn voor het klooster: de substituut-fiskaal A. Pulinx is er gearriveerd om het klooster volgens de wettelijke voorschriften af te schaffen. In aanwezigheid van alle zusters geeft hij lezing van het edict. Hij heeft eveneens uiteengezet waarin het pensioen bestond. De zegels werden gelegd op de kostbare voorwerpen. Amptman Carbonelle werd als "économe" aangesteld van alles wat niet verzegeld was.
Op 5 juni 1784 heeft de substituut-fiskaal opnieuw het klooster bezocht, en met elk van de 20 kloosterlingen heeft hij een afzonderlijk gesprek gehad over hun keuze; over hun beslissing en datum van vertrek wordt evenwel niets gezegd.[lxviii]
Wat de reactie te Nevele was over die afschaffing, weten we niet. Elders in het land is er ook weinig reactie geweest en zonder veel protest hebben de geviseerde kloosterlingen hun lot ondergaan.[lxix]
9. Het verder verloop
Krachtens het edict van 1783 werd een Comité de la Caisse de Religion opgericht - "de Religie-Kasse". Die instelling zal de opbrengst van de verkochte en verhuurde goederen van de afgeschafte kloosters besteden aan het uikeren van pensioenen voor de uitgetreden of verplaatste kloosterlingen. Voor ieder afgeschaft klooster wordt een beëdigd beheerder aangesteld en voor Nevele was dat Judocus Vander Donckt, advocaat en schepen te Oudenaarde, waar hij ook beheerder was van het afgeschafte klooster van de grauwe zusters.[lxx] Zoals reeds boven vermeld, is zijn boekhouding voor Nevele, in depot op het ARA, zoek sedert 1940. Gelukkig was in 1782 "bij ordonnantie" een staat van goederen en een inventaris van de meubelen opgemaakt door de Nevelse griffier C. Minne, zodat wij, bij ontstentenis van de precieze gegevens van de beheerder, toch een idee hebben van de inkomsten. Hier volgt de samenvatting[lxxi]:
|
inkomen van grond |