MERENDREE:
naamsverklaring en ontginningsgeschiedenis
door J. Luyssaert
De naam Merendree
Vooral in de 19e eeuw hebben nogal wat
auteurs geprobeerd de naam Merendree etymologisch te verklaren. Hun verklaringen
steunden vooral op fantasie en helemaal niet op bewijsbare taalkundige gegevens.
Ook in de 20e eeuw hebben geschoolde taalkundigen een verkalring van de naam
Merendree gegeven, maar zij beschikten over onvoldoende vergelijkingsmateriaal
om een aanvaardbare verklaring op te bouwen.
De bekende Gentse toponymist dr. Maurits
Gysseling (1919-1997) werd bijna zijn hele beroepsleven lang gefascineerd door
de etymologie van de naam Merendree. Het wekt dan ook geen verbazing dat hij
zijn verklaring heeft verfijnd, naarmate hij over meer vergelijkend materiaal
beschikte. In een artikel uit 1983 ontwikkelt hij de volgende etymologie die
door de Oost-Vlaamse naamkundige dr. L. Van Durme volmondig wordt gedeeld.
Gysseling vertrekt van de Indo-europese vorm *marindhra-, die in het
Germaans marindro- wordt. De prehistorische waternaam Marinthra, die
later Merendree is geworden, bevat het element (a)mar- 'uitbuigend' of
'schitterend' en duidt dus de eigenschap van een water aan, maar over de juiste
betekenis van de wortel (a)mar wordt onder taalkundigen nog
gediscussieerd. Het stapelsuffix -andh-r- wordt veel aangetroffen bij
waternamen, ook in het Velzeekse toponiem Vollander (mededeling van dr. L. Van
Durme).
Merendree is dus een waternaam en betekent 'plaats gelegen aan een uitbuigende
(=met meanders) of schitterende rivier'.
Landschap en bodem in Merendree
Merendree maakt deel uit van de Vlaamse Vallei, een laag en vlak gebied met een hoogte die varieert tussen +5 meter in het noorden (de huidige Scheldemonding) en +15 meter in het zuiden (de valleien van Schelde en Leie). Kenmerkend voor het landschap in Merendree zijn zandruggen in het noorden, beekvalleien en rivierdalen langs de Kale en kouterruggen parallel langs beide oevers van de rivier- en beekdalen.
De vroegste bewoning in Merendree
Hoewel de Poeke (de huidige Kale of
Neerkale, verder in deze tekst Poeke/Kale genoemd) nu niet meer is dan een brede
gracht, trok deze rivier in het verleden in belangrijke mate menselijke bewoning
aan.
De oudste sporen van menselijke aanwezigheid in onze streek dateren uit het laat
oudsteentijdperk (15.000 tot 10.000 jaar geleden). De mensen leefden er op de
kouters langs de vallei van de Poeke/Kale en gebruikten vuurstenen krabbers,
messen en pijlen bij de jacht en bij de bewerking van vlees, hout en huiden.
Vondsten en sites uit het middensteentijdperk (10.000 tot 6.000 jaar geleden)
zijn in de Kalevallei zeer opvallend aanwezig. Er breekt een woudperiode aan:
loofbossen vervangen de toendra en de naaldbossen. Deze vallei was een
uitgelezen bevoorradingsgebied voor de jagers-verzamelaars.
Tijdens het nieuwsteentijdperk (4000-2000 vóór onze tijdrekening) ontgonnen de
mensen de streek voor landbouw en veeteelt en vestigden zich blijvend op de
droge hoogten langs de vallei van de Poeke/Kale.
Ook in de metaaltijden (ca. 1800 vóór tot het begin van onze tijdrekening) en in
de Romeinse tijd (0 tot 400 van onze tijdrekening) was deze rivier van zeer
groot belang.
De zandgronden langs de Poeke/Kale lagen in de bronstijd bezaaid met
grafheuvels. Bossen met veel hazelaars en verpreide stukken grasland langs een
beek overheersten het landschap. Iets verderaf lagen de akkers van de
bronstijdboeren.
In de ijzertijd (van 750 vóór tot het begin van onze tijdrekening) woonde men op
de zandige hellingen zo dicht mogelijk bij de Poeke/Kale. De oppervlakte bos nam
af en er groeide evenveel els (Elsbos, Elzeken, Elsmoortel) en hazelaar als
hulst (Hulst, Hulstbos, Hulsthoek, Hulstmeers).
De vallei van de Durme/Kale, Poeke/Kale en Kruiskale
De Poeke/Kale ontspringt op de hoogte van
Tielt en stroomt langs Ruiselede en Poeke door Nevele, Landegem en Merendree
naar Vinderhoute.
In Merendree splitst de Poeke/Kale zich in een noordoostelijke en een
noord-westelijke arm. De noordoostelijke arm heette aanvankelijk Poeke(beek),
maar kreeg later de naam Kale en mondt in Vinderhoute in de Durme/Kale uit. De
noord-westelijke tak kreeg de naam Kruiskale en stortte zich even ten westen van
Durmenbrug in de Durme, die later (Hoog)kale genoemd werd. In de 18e eeuw werd
een deel van de Kruiskale gekanaliseerd en in het Nevels Vaardeken opgenomen. Nu
is de Kruiskale voor een groot deel in het Schipdonkkanaal opgeslorpt.
Ten noorden van Merendree liep een rivier die aanvankelijk Durme werd genoemd en
later (1613-1623) helemaal werd opgenomen in de Brugse Vaart.
Merendree ligt als het ware in de driehoek gevormd door deze drie rivieren. De
bodems in de alluviale zone van de verschillende takken van de
Durme-Poeke-Kale-Kruiskale bestaan vooral uit natte tot zeer natte gronden met
veensubstraat (Broek, Meers, Vennet, Moer).
Akkers en kouters
Met kouters en akkers worden bedoeld: de
grote, dikwijls langwerpige, hoger gelegen gronden die zich parallel aan de
Poeke/Kale en Kruiskale uitstrekken. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de Lange
Akker. Dit complex van droge, lemige zandgronden van 9 meter hoog ligt ten
zuiden van en parallel aan de Poeke/Kale en was al in de prehistorie bewoond.
Een akker-toponiem suggereert in elk geval een vroege bewoning. Aan de rand van
de Lange Akker lag de bewoningskern het Drieselken.
Ten zuiden van de kerk en ten noorden van het Goed ter Borg (nu Kasteel ter
Wallen, Veldestraat nr.21) werd de Kerkakker ontgonnen. Van het Goed ter Borg
liep dwars door de Kerkakker een dreef naar de kerk. Ongetwijfeld hebben het
omwalde Goed ter Borg en de omwalde hoeve 's Meiers (de huidige pastorie
Gerolfswal) bij de ontginning van Merendree een bijzonder grote rol gespeeld.
Een ander akkercomplex ligt ten noordwesten en ten noordoosten van de splitsing
van de Kruiskale en de Poeke/Kale. De noordwestelijke akker loopt parallel met
de Kruiskale en heet Molenakker. Ten noorden van de Molenakker en ook evenwijdig
met de Kruiskale ligt de Melderakker. De noordoostelijke akker loopt parallel
met en ten noorden van de Poeke/Kale en heet terecht Oostakker.
In de 11e-12e eeuw werd in onze streek een nieuw type bouwlandcomplex ingevoerd.
Door de bevolkingsaangroei zag men zich genoodzaakt nieuw landbouwland te
ontginnen en de vroegmiddeleeuwse akkers te herverkavelen. Waar de
bodemgesteldheid het toeliet, werden de bestaande akkers uitgebreid en eventueel
samengevoegd tot uitgestrekte, open bouwlanden die gemeenschappelijk werden
bewerkt volgens het drieslagstelsel. Zo ontstonden in Merendree de
Oostergemkouter, de Melderekouter en de Molenkouter. In de relatief kleine
Overbroekkouter werd waarschijnlijk Reygers Akker opgenomen en aan de rand van
deze kleinere kouter lag de bewoningskern het Drieselken.
De Lange Akker, de Volakker, Slocx Akker en de Kerkakker waren door hun ligging,
hun bodem of hun beperkte oppervlakte niet geschikt om in een groter
koutercomplex te worden opgenomen en behielden hun akker-naam.
Bilken
In de late Middeleeuwen, d.i. in de tijd van
de grote ontginningen, werden door individuele personen gronden van ongelijke of
minder goede kwaliteit in gebruik genomen. Veel van die nieuw gerooide gronden
werden met levende omheiningen omplant en op die manier kreeg het landschap zijn
gesloten karakter. Alleen de kouters en de Lange Akker behielden hun open
structuur.
De wijk Overpoeke, d.i. het gebied ten zuiden van de Poeke/Kale, en de wijk
Overbroek, ten westen van de Kruiskale, zijn twee typische bilken-gebieden.
Op de wijk Overpoeke ging de ontginning uit van de hoeve de Rode Poort. Bilken
liggen op komgronden (7 à 8 meter hoogte); dat zijn de overgangsgebieden tussen
de kouterruggen (7 à 11 meter) en de alluvia van de beken en rivieren. Ze dragen
de naam van de individuele ontginner of eigenaar, zoals Aagtenbilk, Calle Taets
Bilk, Clouts Bilken, Leeuwaerts Bilk, Pieters Bilk, enz. Ze worden ook genoemd
naar de struiken waarmee ze werden omheind, zoals Braambilk, Eekbilk, Elsbilk.
Meersen
Meersen zijn ontstaan door het draineren van broek-gebieden langs de Durme/-Kale, de Poeke/Kale en de Kruiskale. Soms kregen ze de naam van rivier, zoals Poekmeers; soms onthult de naam ons op welke wijze de meers ontstaan is, zoals Kapmeers, Houwmeers en Scheurmeers.
Bossen
De meeste bossen lagen tot in de 18e eeuw in het noordwesten en het westen van Merendree, in een oud veld-gebied. Aan vroeger bos herinneren o.m. de namen Elsbos, Nedere Bos, Spaaihage, Veldbos, Bos, Hertshage, Boonbos en Breemeersbos.