OORLOGSRELAAS VAN FLORIMOND PYNAERT,
DE LANDEGEMSE VRIJWILLIGER 1914-1918

door Jan Luyssaert

Inleiding

Geraadpleegde werken:

Baert 1975
G.P. Baert, H. Maes, Deinse oorlogsvrijwilligers 1914-1918, in K.O.K. Deinze, jg. 42 (1975), blz. 3-30.

Christens 1987
R. Christens, K. De Clercq, Frontleven 14/18. Het dagelijks leven van de Belgische soldaat aan de IJzer, Tielt, 1987.

Debaeke 1994
S. Debaeke, Humor in de oorlog. Bizarre en grappige verhalen, anekdoten, foto's uit de Grote Oorlog 1914-18, Veurne, 1994.

Debaeke 1996
S. Debaeke, De laatste onthoofding, Veurne, 1996.

Debaeke 1998
S. Debaeke, Het drama van de Dodengang, Koksijde, 1998.

De Cuyper 1968
A. De Cuyper, Journal de campagne 1914-1917. Oorlogsdagboek van een hulpdokter in het Belgisch leger, Brugge, 1968.

De Keyser 1973
S. De Keyser, J. Maton, Renaat De Rudder gedenkboek, Tielt, 1973.

Demeester 1985
M. Demeester, J. Hardeman, Van den grooten oorlog. Volksboek, Kemmel, 1985.

Depoorter 1987
Ch. Depoorter, S. Cossey, W. Tillie, 1914-1918. De oorlog achter het front, Poperinge, 1987.

De Schaepdrijver 1997
S. De Schaepdrijver, De Groote Oorlog. Het Koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog, Amsterdam-Antwerpen, 1997.

Deseyne 1987
A. Deseyne, Oorlog in de Ieperboog. Cursus voor gidsen in de "Ypres Salient", Zonnebeke, 1987.

De Vos 1996
L. De Vos, De Eerste Wereldoorlog, Leuven, 1996.

De Vos 1975
J. De Vos, "Operatie Landegem" oktober-november 1918, in Het Land van Nevele, jg. VI (1975), afl. 3, p. 164-170.

Duprez 1919
L. en R. Duprez, Renaat De Rudder, een stille getuige, Evergem, 1979.

Durnez 1988
G. Durnez, Zeg mij waar de bloemen zijn. Vlaanderen 1914-1918, Leuven, 1988.

Falter 1997
R. Falter, Het stiet ons tegen de borst, in DS Magazine, 18 april 1997, p. 8-10.

Guldenboek 1934
Guldenboek der vuurkaart, Brussel 1934-35.

Jacobs 1988
M. Jacobs, Naamstenen 1914-1918, Brugge, 1988.

Lampaert 1987
R. Lampaert, Modder voor het vaderland. De ongrijpbare stad: Ypres salient 14/18, Tielt, 1987.

Lanszweert 1981
R. Lanszweert, Wereldoorlog I 1914-18, in De IJzerbode, jg. 11 (1981), nr. 3.

Luyssaert 1993
J. Luyssaert, De oorlogscorrespondentie 1915-18 van de familie Vandermeersch, in Bruyntjes Brieven, jg. 4 (1993), nr. 16, september 1993.

Massart 1982
A. Massart, Historique du 13e de Ligne 1918-1980 et des unités issues en 1939-1940, s.l., 1982.

R.A.B. 1979
R.A.B., Wereldoorlog I en het Roesbrugse gedenkteken, in De IJzerbode, jg. 9, 1979, nr. 11.

Schepens 1984a
L. Schepens, 14/18. Een oorlog in Vlaanderen, Tielt, 1984.

Schepens 1984b
L. Schepens, E. Vandewoude, Albert & Elisabeth 1914-1918. Albums van de Koningin. Nota's van de Koning, Brussel, 1984.µ

Senesael 1969
M. Senesael, De IJzerslag, Langemark, 1969.

Simkins 1992
P. Simkins, De Eerste Wereldoorlog. Het Westfront, Lisse, 1992.

Ureel 1984
L. Ureel, De kleine mens in de grote oorlog. Getuigenissen van twee generaties dorpsonderwijzers uit de frontstreek, Tielt, 1984.

Vangansbeke 1984
L. Vangansbeke, Les chasseurs à pied Belges dans la première guerre mondiale, Bruxelles, 1984-85.

Van Maele 1994
J. Van Maele, In het spoor van '14-'18. Langs Nieuwpoort, Diksmuide, Ieper en Armentières, Sint-Andries, 1994.

V.F. 1935
V.F., De L'Yser à l'Escaut avec les 1er et 4e régiments de chasseurs à pied en automne 1918 (Extrait du Bulletin Belge des Sciences Militaires, Janvier 1935), Bruxelles, 1935.

Wullepit s.d.
C. Wullepit, Uit "Bange dagen", herinneringen aan de oorlog 1917-18, s.d. (Nederlandse vertaling van een Franse niet uitgegeven tekst van Celina Wullepit uit Reninge).

X 1935
X, Petite histoire du 13me régiment de ligne, Namur, 1935.

Het begin van de Eerste Wereldoorlog

Op 28 juni 1914 doodde Gavrilo Princip in Sarajewo met twee revolverschoten erfgroothertog Frans Ferdinand van Oostenrijk en zijn vrouw Sofie van Hohenberg. Sarajewo was de hoofdstad van Bosnië, een provincie van Servië, in 1908 geannexeerd door Oostenrijk-Hongarije.
Op 28 juli 1914 verklaarde Oostenrijk de oorlog aan Servië, maar daarmee kwam het hele mechanisme van onderlinge militaire bijstandsverdragen in werking. Rusland, bondgenoot van Servië, mobiliseerde zijn troepen. Duitsland, bondgenoot van Oostenrijk, verklaarde op 1 augustus de oorlog aan Rusland. Op 3 augustus verklaarde Duitsland de oorlog aan Frankrijk, een bondgenoot van Rusland.
In de 19de eeuw had Duitsland zich opgewerkt tot een economische grootmacht en dacht het aan een koloniale expansie. Om de behoefte aan "Lebensraum" te realiseren, was het bezit van de Noordzeekust, die een gemakkelijke verbinding met de Afrikaanse kolonies moest verzekeren, onmisbaar. In deze optiek had de Duitse stafchef von Schlieffen het plan opgevat om in geval van een tweefrontenoorlog - één tegen het westen en één tegen het oosten - eerst het westen te verslaan en dan het oosten. Om dit plan te kunnen uitvoeren was voor de Duitse troepen die oprukten tegen Frankrijk, een vrije doortocht door België noodzakelijk.
Op 2 augustus overhandigde om 7 uur 's morgens de Duitse minister von Below-Saleske aan de Belgische minister van Buitenlandse Zaken het Duits ultimatum maar dit werd op 3 augustus 1914 verworpen door het neutrale België. Groot-Brittannië, bondgenoot van Frankrijk en garant van de Belgische onafhankelijkheid, mobiliseerde zijn troepen.
Op 4 augustus trokken Duitse legers België binnen. De Belgische strategie was aangepast aan de Belgische neutraliteitspolitiek. Het verdedigingssysteem was ontworpen als een driehoek met als basis de fortenketen rondom Antwerpen en als punten de forten van Luik en Namen. Daarmee kon men het land verdedigen zowel tegen Duitsland als tegen Frankrijk. Pas nadat de algemene mobilisatie was afgekondigd, opteerde de opperbevelhebber van de Belgische troepen, koning Albert, voor een concentratie van zijn troepen ten westen van Luik, op de linkeroever van de Maas.

Het Belgisch leger bij het uitbreken van de oorlog

Op 28 mei 1913 werd het wetsontwerp op de veralgemeende dienstplicht goedgekeurd. Het jaarlijks contingent werd hiermee van 19.000 op 33.000 gebracht en het oorlogseffectief steeg van 180.000 tot 340.000 man.
Op 29 juli 1914 begon België met de mobilisatie van zijn troepen. De regering beperkte zich tot het oproepen van slechts drie lichtingen om de grenzen te bezetten. België wilde de Duitse overheid niet voor het hoofd stoten.
Op 31 juli werd de volledige mobilisatie afgekondigd. Nu moesten 15 klassen worden opgeroepen (Lampaert 1987, 13). De zeven oudste militieklassen (1905-1899) die nog dateerden van het regime van de loting en van mindere kwaliteit waren, werden belast met de verdediging van de forten. Het mobiele leger bestond uit de acht jongste klassen (1913-1906). De klasse 1914 werd zoals gebruikelijk pas op 15 september 1914 onder de wapens geroepen en was dus niet bruikbaar op 4 augustus 1914. Na haar opleiding zou ze pas vanaf januari 1915 op het front verschijnen.
De Duitse oorlogsverklaring veroorzaakte een enorme opleving van patriottisme onder de Belgen. Van begin september 1914 meldden zich ongeveer 20.000 vrijwilligers. Het merendeel waren Vlamingen omdat Wallonië al door de Duitsers was overrompeld. De strijd werd op 4 augustus 1914 ingezet met ongeveer 190.000 man.

De aanval (De Vos 1996, 28-38)

Op 4 augustus 1914 zetten de Duitsers de oorlog in op het westelijk front, met een tangbeweging in de richting van Luik, vanuit Gemblours in het noorden en ter hoogte van Verviers in het zuiden.
In de nacht van 6 op 7 augustus trokken ze onder leiding van kolonel Ludendorff Luik binnen en begonnen met de belegering van de twaalf forten. Tien dagen later viel het laatste fort. Na de val van de forten van Luik trok het Belgisch leger zich terug op een afwachtingsstelling langs de Gete. Het wachtte daar op de komst van de geallieerde strijdkrachten om samen een front te kunnen vormen dat tot Namen reikte.
Op 10 augustus bestookten Duitse cavaleristen de Belgische Getestelling.
Op 12 augustus 1914 kwam het tot een zware slag tussen Duitse cavaleristen en Belgische troepen bij Halen, in de omgeving van Diest. De Belgische cyclisten, liniesoldaten, lansiers en gidsen konden er de overtocht van de Duitsers over de Gete verhinderen.
Op 14 augustus zetten de Duitse legers zich in beweging in zuidwestelijke richting. Het zwaartepunt van de strijd verlegde zich naar het noordoosten van Frankrijk, in de streek van de Marne en de Aisne.
Het Belgisch leger bood weerstand o.m. op 18 augustus te St.-Margriete-Houtem, maar was niet opgewassen tegen de superioriteit van de Duitsers. Bovendien was de Belgische legerleiding onervaren en deels onkundig (Schepens 1984a, 13).
Om een dreigende omsingeling te vermijden, gelastte de koning op 20 augustus een terugtrekking van het leger achter de nationale vesting Antwerpen. Nog diezelfde dag werd Brussel bezet.
Tussen 21 en 24 augustus vielen ook de Naamse fortificaties. In Henegouwen botsten de Duitsers op Britse troepen van het kleine expeditieleger, maar de samenwerking tussen Britten, Fransen en Belgen vlotte niet. De omsingelde Britten konden zich ten koste van zware verliezen een weg naar Frankrijk vechten (De Vos 1996, 35).
Op 25 augustus 1914 brandden Duitse troepen de stad Leuven plat: 218 burgers kwamen hierbij om en 2.117 van de 9.000 huizen waren verwoest. Aarschot werd door Belgische troepen kortstondig heroverd.
Na de slag aan de Marne vormde het Duitse opperbevel een belegeringsgroepering van 120.000 manschappen om komaf te maken met Antwerpen. De aanval startte op 1 oktober. De forten van Walem, Sint-Katelijne-Waver en Koningshooikt en de schansen van Dorpveld en Duffel boden hardnekkig weerstand.
Van 4 tot 8 oktober werd er hard gevochten. Duitse troepen braken door bij Lier en staken de Schelde over bij Dendermonde. De stad werd bezet.
In extremis verliet het veldleger Antwerpen, de vestingtroepen die de stad moesten verdedigen, bleven achter. Maar de burgemeester van Antwerpen bood de capitulatie aan.
Een sterk uitgedund en gedesorganiseerd leger verzamelde zich in de streek van Veurne, Torhout en Oostende. 9.000 mensen waren in de gevechten van de twee voorbije maanden omgekomen. 15.000 werden wegens ziekte of verwonding van actieve dienst ontslagen. Meer dan 30.000, waarvan het merendeel vestingsoldaten, waren krijgsgevangen gemaakt en 33.000 Belgische soldaten vluchtten naar Nederland en werden daar geïnterneerd.
"Mensen, nauwelijks nog in legeruniform, strompelden stilzwijgend voort, her en der vermengd met vluchtelingen. Het rantsoen bestond uit beschuiten van de Antwerpse koekjesfabrieken en sardines. Zeer vele soldaten legden er onderweg het bijltje bij neer en vluchtten naar Nederland" (Christens 1987, 16).
Het gros van het Belgisch leger bereikte op 14 oktober de IJzer, waar het "te allen prijze" stand zou houden. De slag aan de IJzer kon beginnen.

De Landegemse oorlogsvrijwilliger Florimond Pynaert

Florimond Pynaert was de tweede van tien kinderen uit het gezin van Emile Pynaert (°Landegem 25.04.1861) en Elisa Maria Dalle (°Koolkerke 23.06.1870). Hij werd geboren te Koolkerke op 5 juni 1896 en kwam met zijn ouders op 3 juni 1911 naar Landegem wonen, de geboorteplaats van zijn vader.
Vóór 1913 woonde hij op Wilde bij August Van den Berge. Op 18 januari 1913 verhuisde hij naar Drongen, maar enkele maanden later op 6 juli 1913 kwam hij weer naar Landegem en woonde er bij zijn ouders in de Bovenstraat nr. 15.

Volgens een brief die Pynaert zelf schreef aan het gemeentebestuur van Landegem op 13 augustus 1913 gaf hij zich op maandag 29 september 1914 aan als vrijwilliger in Gent. Die dag vertrok hij met de trein naar Oostende waar de oorlogsvrijwilligers werden verzameld.
Na zijn opleiding in het kamp van Auvours (Bretagne), waar hij zeker Renaat De Rudder ontmoette (Duprez 1979, 48) werd hij bij het 13de Linieregiment ingedeeld en kreeg het stamboeknummer 30884. Tijdens de oktober-novemberdagen 1918 was hij één van de bevrijders van Landegem. Na de oorlog maakte hij deel uit van het Belgische bezettingsleger in Duitsland.

Op 25 juli 1923 trouwde hij te Drongen met Alice Van Hove en vestigde zich op 6 augustus 1923 te Gent, Palinghuizen nr. 159.
Op 13 augustus 1931 wonde hij in de Torrekensstraat 37 te Gent en was er politieagent van de 10de wijk.
Hij overleed te Melle op 17 mei 1980.

Het oorlogsrelaas van Florimond Pynaert

Aan de hand van zijn notities en eventueel andere bronnen schreef Florimond Pynaert na de oorlog zijn wedervaren. Een dagboek kunnen we het niet noemen, hoewel er een zekere chronologie insteekt.

Door de zorgen van ons gewezen bestuurslid Guido Schaeck werd het oorlogsverhaal van Florimond Pynaert in maart 1974 door de heemkundige kring "Het Land van Nevele" uitgegeven onder de titel: Dagboek. Belevenissen als oorlogsvrijwilliger met vertrek en terugkeer uit de oorlog 1914-1918. Pynaert Florimond, geboren op 5 juni 1896. De tekst werd toen in zijn ongewijzigde vorm zonder commentaar of toelichting in het handschrift van de auteur afgedrukt.
Later werd er een getypte versie verspreid, waarin de typist(e) zich de vrijheid had genomen om de tekst ingrijpend te wijzigen. Die versie draagt geen jaartal.
Tachtig jaar na de bevrijding van Landegem in oktober-november 1918 vinden we het een geschikte gelegenheid om het oorlogsverhaal van Florimond Pynaert opnieuw uit te geven maar nu voorzien van toelichtingen, commentaar, kaarten en foto's.

Wijze van uitgave

Onze uitgave is een aangepaste weergave van Pynaerts handschrift.
Om te beginnen hebben we de interpunctie aangepast. Pynaert schrijft wel punten en komma's, maar niet altijd op de juiste plaats. Ook schrijft hij af en toe hoofdletters waar het niet nodig is en omgekeerd.
Het meeste probleem bood de spelling en daar hebben we dan ook het hardst ingegrepen.

Omdat Pynaert de spelling uit zijn tijd niet foutloos gebruikt, hebben we de oude spelling in de huidige omgezet, bijvoorbeeld zo i.p.v. zoo, klederen i.p.v. kleederen; de hypercorrecte h zoals in hoorverdovend hebben we gecorrigeerd in oorverdovend; onmiskenbare fouten zoals mogellijk, terrecht  en dt-fouten hebben we stilzwijgend verbeterd. Verkeerd gebruikte voornaamwoorden die, dat, hen, hun, u, uw, ons, onze hebben we verbeterd waar nodig; de verbuiging van bijvoegelijke naamwoorden hebben we weggelaten, bijvoorbeeld bloten hemel is verbeterd in blote hemel.

Dialectische vormen, zoals morgend, het heeft geweest hebben we gewijzigd in morgen en het is geweest. Echte dialectwoorden of fransachtige woorden uit de soldatentaal hebben we laten staan en ze tussen haakjes verklaard. Vergeten woorden hebben we tussen vierkante haakjes bijgevoegd.
Pynaert heeft zijn verhaal in hoofdstukken ingedeeld en die indeling hebben we behouden maar om de tekst zelf overzichtelijker te maken, hebben binnen de hoofdstukken titels geschreven die verwijzen naar de inhoud van dat fragment. Om het verhaal nog beter te kunnen volgen, hebben we - voor zover we het konden uitmaken - boven sommige fragmenten de datum vermeld.

We zijn er ons terdege van bewust dat onze werkmethode voor kritiek vatbaar is. Misschien zullen sommigen vinden dat we beter de tekst met fouten en al hadden overgenomen. We hadden echter één doel voor ogen: de leesbaarheid van Pynaert zijn verhaal verhogen.
Na elk hoofdstuk volgen onze toelichtingen en commentaar.

We hopen dat we Florimond Pynaert hiermee geen onrecht hebben aangedaan…

 

Hoofdstuk I - Het uitbreken van de oorlog 1914

 

Over de grens gezet

1 augustus 1914

Omstreeks 1 augustus 1914 vertrok ik met mijn vader van Landegem naar het werk, gelegen in Duitsland, nl. Stolberg. Laat in de nacht zijn we op [het] logement aangekomen.

2 augustus 1914

's Anderendaags in de vroege morgen werden wij door twee politiemannen in burger verzocht met hen mede te gaan. Met al onze bezittingen werden wij te Welkenraedt over de grens gezet.
Eens over de grens op Belgisch grondgebied, verspreidden de geruchten dat het oorlog zou worden tussen België en Duitsland. Toen werden we gewaar waarom wij zo veel troepenbewegingen gezien hadden in de omstreken van de grens.
Wij beiden zijn van uit Welkenraedt naar Visé getrokken. Daar ook was een werk aan de gang van onze werkgever.

3 augustus 1914

De volgende dag zouden wij gaan werken maar van werken was er geen sprake want tijdens de nacht waren daar Duitse vliegers verschenen die lichtpijlen afschoten. Ja, dan maar terug naar het logement, om onze kledij in te pakken en naar huis toe te trekken.

4 augustus 1914

's Morgens gingen wij naar de statie van Visé om de trein te nemen naar Luik. Maar terwijl wij daar stonden te wachten op de komst van de trein, kwamen al met eens Duitse vliegers over en wierpen boven de stad wat kleine bommen af, terwijl al de burgers op de vlucht sloegen, richting Luik. Achter ons werd de brug over de Maas door de Belgische genie opgeblazen.
Wij werden gewaar dat er geen trein meer zou komen en trokken met de vluchtelingen mede, richting Luik. Onder de weg was het duidelijk dat het oorlog zou worden. Met ganse regimenten kwamen
[ze] ons tegemoet, optrekkend naar de Duitse grens. De Duitsers waren reeds België binnengevallen.
Laat in de namiddag zijn we in Luik aangekomen en konden [we] de trein nemen voor Brussel. Maar om in Brussel te geraken, hebben wij zeker acht uur op de trein gezeten. De legers hadden natuurlijk de voorrang en allen trokken op richting Luik.
Uiteindelijk zijn wij tijdens de nacht in Brussel aangekomen. Daar was het een geweldig gewoel van soldaten en volk. Hier hoorde men zeggen dat de oorlog was verklaard en dat er aan de grens al hevig werd gevochten.

Oorlogsvrijwilliger

28 september 1914

Tenslotte zijn wij thuisgekomen. En nu was ons land in oorlog. Ik liep hier overal rond vol onrust, tot ik naar Gent trok en mij aangaf als oorlogsvrijwilliger. Daar gaven ze mij een bewijs om mij zo spoedig mogelijk naar Oostende te begeven alwaar ik zou opgevangen worden door het leger.
Ik vertrok uit Gent met een trein welke overladen was met vluchtelingen. Onderweg viel ik bij drie kameraden van Merendree: Grootaert Emiel, Wieme Cyriel en Corijn Cyriel. En zo kwamen wij samen aan te Oostende waar wij vernachten op de straat om ’s anderdaags verzameld te worden door officieren en onderofficieren. En zo werden wij als schapen weggedreven naar Nieuwpoort.
In Nieuwpoort vernachten wij in de kerk. Het werd reeds redelijk koud en wij trokken tapijten weg van het altaar om ons te dekken.
De volgende dag trokken we verder te voet met een stroom vluchtelingen en duizenden en nog duizenden jonge mannen de baan op naar Duinkerke. Hier aangekomen, werden wij ondergebracht in de Franse kazerne, om ’s anderdaags te voet verder te trekken naar Calais, alwaar we op een soort eilandje terechtkwamen, welke uitgaf vlak voor de zee. Hier zouden wij twee nachten verblijven. Maar menslief wat heb ik hier koude geleden. Zo vlak bij deze zeewind en bijna geen klederen aan, ook zonder dekking onder de blote hemel.

Verloop van de oorlog in België

Intussen was er al veel gebeurd in België. Na de bloedige gevechten rond Luik zijn de troepen in aftocht. De Franse troepen kwamen België ter hulp en leverden bloedige gevechten te Rossignol (Lux). Ook onze soldaten waren in zware gevechten betrokken te Halen-Diest. De Duitsers vielen Dinant binnen en moordden de ganse stad uit. Mannen, vrouwen en kinderen werden gefusilleerd om daarna gans de stad in brand te steken. Hetzelfde gebeurde te Namen, Leuven, Tamines en Dendermonde.
En zo kwamen de Duitsers in botsing op de kanten van Bergen met de Engelse cavallerie. Intussen viel Antwerpen en 30.000 soldaten vluchtten naar Holland. Overal een vloed van vluchtelingen met richting Frankrijk. De bevolking is totaal in paniek op de vlucht geslagen. Langs alle wegen ziet men een verschrikkelijke ellende. De gruwelen die de Duitsers verrichten is niet te beschrijven. 

Na twee dagen verblijf op dit eilandje [bij Calais] werden wij om vier uur in de namiddag ingescheept op een vrachtboot welke vroeger diende voor dierenvervoer. En met de avond zijn we het Kanaal overgevaren tot op de kusten van Engeland. Eens in de nabijheid vaarde het schip langsheen de Engelse kust, dit om niet getorpilleerd (Fr. torpiller = torpederen) te worden. 

De volgende [dag] is de boot van de kust weggevaren naar de Franse havenstad Cherbourg. Hier werden wij ontscheept en in een grote hangaar ondergebracht. Voor het eerst sedert ons vertrek uit Gent kregen we hier eten en wel zoveel men verlangde. Niet slapen, opgejaagd en zonder eten, dit was de eerste proef van de oorlog. Na twee dagen verblijf in Cherbourg werden wij in dierenwagons verstopt. Dertig man per wagon en zo vertrokken wij onder strenge bewaking dwars door Normandië, over Carantan, Lison, Bayeux, Caen, Mezedon, Argentan, Alençon, Le Mans om ten slotte afgezet te worden in een kleine statie Champagné op 1 kilometer van het Camp d’Auvours, zo wat 12 kilometers van de stad le Mans (Dé[partement] Sarthe).

Commentaar en toelichtingen

Over de grens gezet

De Duitse troepen waren geconcentreerd in de omgeving van Aken, Eupen en Malmédy. Ze overschreden de Belgische grens op 4 augustus 1914 om acht uur ’s morgens, met de bedoeling om per brigade tussen de forten van Luik te infiltreren. De cavalerie zou de flanken beschermen. Na een aantal verwarde gevechten in de loop van 4 augustus bouwden de Duitsers in de nacht van 4 op 5 augustus een eerste bruggenhoofd te Visé. De door voorwaartse waarnemers goed gejusteerde beschietingen vanuit de forten maakten het de Duitsers zeer moeilijk.
Op 7 augustus ’s morgens was de Duitse generaal Ludendorff in Luik. De citadel gaf zich zonder slag of stoot over. Maar het geschut bemoeilijkte ten zeerste de doortocht van Luik. Op 16 augustus waren Luik en zijn bruggen stevig in Duitse handen (De Vos 1996, 31-33)

 

pynaert1.jpg

De Belgische versterkingen rond Luik vóór de Eerste Wereldoorlog

(Uit: L. De Vos, De Eerste Wereldoorlog, Leuven, 1996, p. 29)

Oorlogsvrijwilliger

Florimond Pynaert volgde vanaf 28 september 1914 met zijn kameraden van Merendree, Emiel Grootaert, Cyriel Wieme en Cyriel Coryn[1] ongeveer dezelfde route die op 12 oktober werd gevolgd door Renaat De Rudder. De Rudder stapte te voet van Landegem langs de spoorlijn over Bellem naar Aalter. Vandaar kon hij met een voertuig van de genie meerijden tot Beernem. Hij sliep in Oostkamp en vertrok over Brugge met een andere groep vrijwilligers naar Oostende. Vandaar ging het te voet naar Nieuwpoort. Van Nieuwpoort ging de tocht met de tram naar De Panne. Met een brood als proviand trok hij langs de kust te voet naar Duinkerke waar hij inscheepte naar Cherbourg. Van Cherbourg reden de rekruten met de trein naar Champagné, waar het kamp van Auvours ligt (Duprez 1979, 41-43). Ook Pynaert en zijn vrienden voeren van Calais langs de Engelse kust naar Cherbourg. Waarom deze lange omweg?

Volgens het Duitse Schlieffen-Moltke aanvalsplan (1912) zou Frankrijk verpletterd geraken door een aanval doorheen het neutrale België en Luxemburg. Het grootste deel van het Duitse leger zou ten noorden van  Samber en Maas in een wijde boog omheen Parijs trekken. Maar de Duitsers zagen vlug in dat het uitvoeren van het oorspronkelijke plan heel veel eiste van de troepen en daarom zakten ze ten oosten van Parijs af. Ondertussen hadden de Fransen en Britten in de omgeving van Parijs dubbel zoveel troepen als de Duitsers (35 divisies tegen 18). De slag aan de Marne kon beginnen (De Vos 1996, 40). Na het mislukken van het Schlieffen-Moltkeplan o.m. door de slag aan de Marne zou de nieuwe bevelhebber Erich von Falkenhayn over een front van zo'n honderd kilometer van de Noordzee tot aan La Bassée een offensief ontketenen in de richting van de Kanaalhavens Duinkerke, Calais en Boulogne (De Vos 1996, 51). Om te vermijden dat Belgische ongeoefende vrijwilligers in het strijdgewoel zouden terecht komen, werden ze per boot overgevaren van Duinkerke of Calais naar Cherbourg in Normandië.

 

pynaert2.jpg

Het Schlieffen-Moltke plan (1912)

(Uit L.De Vos, De Eerste Wereldoorlog, Leuven, 1996, p. 40)


 

Hoofdstuk2 - Het kamp d'Auvours

Het kamp van Auvours

Begin oktober 1914

Wij kwamen hier aan in het kamp omstreeks begin oktober 1914. Dit kamp is gelegen rondom in de sparbossen met aan het hoofd van het kamp een splitsing van twee grote wegen. De eerste rechts is de grote baan van Le Mans naar Parijs en de andere Le Mans-Tours.
Hier werden 30.000 vrijwilligers samengebracht. Een gelijkaardig kamp op 20 km van hier Parigné Levecque, ook eveneens 30.000 vrijwilligers. Hier aangekomen vind ik veel kameraden terug. Zo ontmoet ik Renaat De Rudder die ik tijdens mijn vertrek uit België kwijt was geraakt. Ook Jozef Van de Casteele, Herman Michiels en Goedertier, en nog zovele anderen uit de omgeving van Landegem. Seffens kregen wij een kostuum in wit lijnwaad om opgedrild te worden. Alle dagen oefening tot wij door ons knieën zakten.

Winter 1914

Inmiddels was er al wat tijd voorbij en de winter was in aantocht. Alle dagen regen en nu en dan wat sneeuw. Het is de eerste winter van de oorlog en wij lagen hier onder tenten op wat stro of planken zonder dekking. Soms kwam water in de tenten gestroomd. En daar stonden wij nu vlak voor de winter, zonder kledij, geen schoenen, geen kledij, alle dagen oefening in de sneeuw en met houten klompen, zonder kousen aan de voeten. Wij bonden wat vodden aan onze voeten die we hier of daar konden bemachtigen want onze voeten zijn gekwetst. Het was niet uit te staan en daarbij onder verschrikkelijke tucht. Ja, wij zijn terechtgekomen in de greep van het militarisme.
Vele jongens werden hier weggevoerd naar het hospitaal, half vervrozen. Ik zelf werd op een morgen weggevoerd naar het hospitaal van Le Mans. Na acht dagen aldaar verbleven te hebben, kon ik terug mijn eenheid gaan vervoegen en de oefening hernemen. Wij kregen een oud Frans geweer uit de oorlog van 1870. Dit zou naar het einde van de oefening leiden.

April 1915

Begin april 1915 ontvingen wij een modern geweer. Dat was het sein om naar het oorlogsfront te vertrekken met een Frans uniform.

 

pynaert3.jpg

 Belgische soldaten in hun wit pak
(Familiearchief Jan Luyssaert)

 

pynaert4.jpg

De Belgische tenten in het kamp van Auvours
(Familiearchief Jan Luyssaert)

 

Eerste oorlogservaringen in Adinkerke

Begin de maand april 1915 vertrokken wij naar het front, over Alençon, Aigle, Evreux, Rouen, Amiens, Abbeville, Boulogne, Calais, Duinkerke. In Adinkerke werden wij afgezet. Hier hoorde men het kanongebulder van het IJzerfront. Rechtover de statie van Adinkerke werden wij bijeengeroepen op een plein om verdeeld te worden in verscheidene regimenten. Intussen kwamen daar al wat frontsoldaten een kijkje nemen of er geen kennis van hen bij was. En de eerste kennis die ik ontmoet was Van Hove Karel uit Drongen. Hij vroeg mij eens met hem mede te gaan zien.

In een barak langs een muur van het kerkhof zag ik een 20-tal gesneuvelde soldaten liggen, allen vreselijk verminkt en uiteengereten.
Deze doden werden hier tentoongesteld om de soldaten te harden. Na dit gruwelijk zicht ging ik terug naar de verzamelplaats waar ik gescheiden werd van mijn drie kameraden. Zij werden ingelijfd bij het 8e en ik bij het 13e.

April 1915

Twee dagen zouden wij hier blijven alvorens naar het front te vertrekken. Tijdens mijn verblijf ging ik wat op speurtocht en kwam tot de conclusie dat Adinkerke een van de belangrijkste plaatsen was van het IJzerfront. Overal was er veel beweging, een mierennest van soldaten, alle ras Franse-Engelse en van veel vreemde koloniën.
De statie was veel te klein om al deze transporten te verwerken: troepen, munitie, kanonnen, levensmiddelen, laden en lossen van gekwetsten, zij die in verlof gingen of terugkeerden, enz.
Zo kwam ik terecht aan het kanaal Duinkerke-Nieuwpoort met veel scheepvaart, alle soorten goederen en munitie voor het front. Ik keer terug naar de statie op de baan Adinkerke-De Panne. Hier zag ik de tram om en weer Adinkerke-De Panne rijden, volgepropt met soldaten en nog getrokken door paarden. Kortom gezegd Adinkerke is het Parijs van het IJzerfront.
De twee dagen zijn om en in de loop van de namiddag vertrekken wij, of ik voor de eerste maal naar het front. Onder de weg naderen wij stap voor stap het voortdurende kanongebulder. Dit maakt een geweldige indruk. Tenslotte komen wij toe te Wulpen. Hier is men al binnen het bereik van het kanonvuur.

Commentaar en toelichtingen

Het kamp van Auvours

Het kamp van Auvours gaf een troosteloos beeld. Het lag in het departement van de Orne in de streek van de Calvados, ten oosten van de Eure en ten zuiden lag de aantrekkingskracht van de stad Le Mans. Auvours was een kleine vlek, te midden van heide en bos, met schaarse weiden en uitgestrekte beboste heuvelruggen, slechte wegen en kronkelpaden. Het kamp was bebouwd met 4 à 5 lange barakken aangevuld met legertenten. Het was een oud oefenterrein van de Franse artillerie (Baert 1975, 9-10).

Ook Renaat De Rudder[2] klaagde erover dat ze de winter 1914-15 moesten doorbrengen op slecht gevulde strozakken in tenten en met twee dekens en hun pardessus tegen de koude (Duprez 1979, 43).
Met zijn kledij was het al even pover gesteld; in zijn brief van 2 februari 1915 schrijft De Rudder aan zijn ouders: "Wij hebben voor kostuum een witte broek en vest, maar daaronder draag ik mijne burgersbroek en onderbroek, en op 't lijf ben ik ook dik gekleed". De rekruten hadden dus geen aangepaste kledij en droegen witte "uniformen" boven hun burgerkleren (Duprez 1979, 45-46).
Met de uniformen was het na de slag aan de IJzer al even erg gesteld. Het uniform waarmee de Belgische soldaat naar de oorlog was getrokken, was niet aangepast aan de toenmalige nieuwe oorlogsvoering. De meesten hadden zich reeds tijdens de bewegingsoorlog van hun ongemakkelijke uitrusting ontdaan. Vanaf juli-augustus 1915 kregen de soldaten geleidelijk aan een zomerkostuum van het Engelse type en tegen de winter een kakikleurig winterpak (Christens 1987, 41). Het hoeft ons dan zeker niet te verbazen dat Pynaert in april 1915 naar het front moest vertrekken in een Frans uniform.

Eerste frontervaringen in Adinkerke

Na de Slag aan de IJzer stabiliseerde het front zich en kon men de medische hulp organiseren. Wanneer een patiënt zwaar gekwetst was en moest geopereerd worden, werd hij zo vlug mogelijk naar een fronthospitaal overgebracht. Anders ging de gekwetste naar het evacuatiehospitaal of het 'Hôpital Militaire Belge' te Adinkerke dat vanaf april 1915 werkzaam was in de "Villa Cabour". Vanuit Adinkerke werden gekwetsten voor verder herstel overgebracht naar Noord-Frankrijk of Engeland (Jacobs 1988, 59). In de loop van de oorlog werden in Adinkerke 7.400 soldaten voor oorlogsverwondingen opgenomen (Christens 1987, 77). Vanuit het station van Adinkerke liep de spoorlijn naar Calais vanwaar men gemakkelijk  kon overvaren naar Engeland. Het wekt geen verbazing dat er zich in de buurt van een groot hospitaal ook een groot militair kerkhof bevond.

Het Belgisch leger bestond uit 6 Legerdivisies. De 4de Divisie bestond o.m. uit de 8ste Gemengde brigade, waarvan het 8ste Linieregiment deel uitmaakte en de 13de Gemengde brigade waarvan het 13de Linieregiment een onderdeel was. Het 13de Linieregiment maakte naam tijdens de bloedige gevechten te Keiem op 18 en 19 oktober 1914. Slechts één officier en tweehonderd man van de zevenhonderd keerden uit die gevechten terug.

Tijdens de stabilisatieoorlog bezette het 13de in eerste linie de sectoren Nieuwpoort, Drie Grachten (Steenstraat) en Ramskapelle, met de aanvallen op de Duitse stellingen "Violette" en "Terstille", gelegen in de sector Ramskapelle tussen de spoorlijn Nieuwpoort-Diksmuide en de IJzer. In mei 1916 verloor het 13de bij Diksmuide 357 man en 9 officieren. In de winter 1917-18 stond het 13de in Ramskapelle, Boezinge en Merkem.

Na een bewogen bezetting van de sector Diksmuide van juni tot september 1918 nam het deel aan de twee fasen van het bevrijdingsoffensief in Vlaanderen: op 28 september bij Zarren en op 14 oktober bij Handzame. In oktober-november 1918 vinden we het 13de Linieregiment terug bij de zware gevechten aan het kanaal van Schipdonk o.m. te Landegem (Guldenboek 1934, XVI-XVII en 295-296).

 

pynaert5.jpg

 

Hoofdstuk 3 - Aan het front begin april 1915.
1e sector Ramskapelle

Ingekwartierd te Wulpen

Aangekomen te Wulpen werd ik ingekwartierd in het huis van de veldwachter. Hier te Wulpen ziet het er al wat oorlogsachtig uit. Het dorp gedeeltelijk verwoest door de bombardementen, de kerk bijna met de grond gelijkgemaakt. Na de nacht te hebben doorgebracht onder het nu en dan ontploffen van obussen en om 8 uur 's morgens samenkomst van de compagnie. Wij kregen wat theorie en ook onze kogels, 180 stuks, een niet te onderschatten gewicht. Wij nieuwelingen kregen de raad ons aan te passen met ouderen die reeds het front kenden.
Na deze bijeenkomst werd ik al gewaar dat er een strenge tucht bestond. Ja, nu maar eens op speurtocht. Ik ga achter het dorp, zo kom ik aan de kerk. Daarachter was het een vlakte en zag
[ik] de eerste keer een stuk van de IJzervlakte. Ook hoorde ik in de verte ontploffingen en geratel van geweer en mitrailleuzen. Een eind verder stonden de eerste kanonnen die het Duitse front beschoten.
Dus deed ik hier mijn eerste stap in de richting van het front. Toen keerde ik terug. Binnengekomen, wat onder elkander gepraat en gelachen. De ouderen trachtten ons ook wat schrik op ons lichaam te werpen, maar ja, soldaten onder elkaarder zijn nu eenmaal zo.
Ja, daar in het huis van de veldwachter voelde ik mij niet op mijn gemak. Er liepen daar zo veel officieren in en uit. Maar een tijdje nadien ontdekte ik het officiersspel. Daar was een dochter en deze noemde Zoé. Daarmee was mijn vrees opgelost. Rechtover de deur was een groot boerenhof dat door de Franse artilleristen was belegerd. Ik stond dit zo wat te bezien en zag daar niet anders lopen dan ratten. Ik deed teken naar een Franse soldaat dat er daar zoveel ratten liepen. Och zegde hij, er lopen er hier met de honderden. Bij het binnenkomen vertelde ik dit. Wacht, zegde daar een, tot wanneer u in Ramskapelle komt,
[ze] zullen daar in uw oren komen bijten.

Naar Ramskapelle

Twee dagen waren voorbij en in de avond vertrokken wij naar het vuur, achter het dorp weg langs smalle wegeltjes dwars door de weiden en grachten. Nauwelijks hebben wij het dorp verlaten en [we] komen in de zone der kanonnen, deze alle met de vuurmond gericht op de vijand. Nooit werden de wegen gevolgd welke op de landkaarten voorkomen. Het zou te gevaarlijk zijn want deze wegen werden veel onder vuur genomen. Daarom werden binnenwegeltjes aangelegd door de genie. Ook deze wegeltjes kwamen immers op hun doel uit. Als het goed donker was geworden, kwamen wij toe aan de statie van Ramskapelle. Het is te zeggen, die eens de statie was geweest. Het ganse dorp was een puinhoop. Hier aan de statie langsheen de ijzerweg werden de wachten uitgezet. In het donker was hier niets te zien maar veel te horen, rechts en links van ons veel vuurwerk.

Overstroming

Onder de morgen, toen het klaar werd, stonden wij vlak voor de zoveel besproken overstroming. Deze werd verwezenlijkt tijdens de slag van de IJzer in oktober 1914 toen de Duitsers oprukten. De genie met de sluiswachter te Nieuwpoort liet de sluizen in de lucht vliegen. En terwijl de slag in hevigheid woedde, werden de Duitsers verrast door het water dat gans de oppervlakte van Nieuwpoort tot Diksmuide onder water zette. En zo verzonk het Duitse leger in het water, met achterlating van kanonnen, materiaal, paarden en soldaten. De Belgen trokken zich terug tot op de berm van de spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide. Het is dank zij het onder water zetten dat de slag van de IJzer gewonnen werd, en de Duitsers tot stand zijn gebracht.

In Ramskapelle

Hier staan wij nu aan de statie [van Ramskapelle], links van ons de stad Nieuwpoort gans verwoest, met hier en daar een zuil welke boven de puinen uitsteekt. Het zicht op de overstroming is wonderbaar om zien. In de verte midden het water de voorposten. Het lijken alle kleine eilandjes te zijn. Hier op het water drijven alle soorten dieren rond, opgeblazen paarden, koeien, zwijnen en veel Duitse soldatenlijken. In de verte ziet u soms een kanon boven water steken. Aan de boorden van de ijzerweg, kant der overstroming, zijn al deze dieren en soldatenlijken aangespoeld, en dit verspreidt een verpeste geur. De ratten zitten er met honderden aan te peuzelen, voor hen is het kermis.
Ramskapelle, het verwoeste dorp, is het toneel geweest van de verwoede bajonetgevechten tussen de Franse koloniale troepen en de Duitsers. De lijken werden hier bijeengebracht en met benzine en petrol overgoten om ze vervolgens te laten opbranden.
Ook in de puinen trof men zeer veel lijken aan. Toen bestonden er nog geen loopgraven. Dag en nacht was men onder de bloten hemel. Soms kond ge u verbergen onder wat planken of wat anders dat u wat kon beschermen tegen regen en koude.
's Anderendaags laat in de nacht, trokken wij over loopplanken, gezegd passerellen, naar de voorposten op 150 m van de vijand zodat wij daar in het midden van de overstroming, op zo een soort eilandje achter een berm modder wegverstopt lagen om de vijand op te vangen. Bij het aflossen werd er soms geschoten met geweer, ook soms met mitrailleuzen en een raffel van kanonvuur. In deze vlakte was dit een gevaarlijk spel. Dan vielen er telkens doden en gewonden.
Op de voorposten verbleven wij telkens voor vier dagen en nachten, blootgesteld aan weer en wind, en daarbij het geschut, zonder u veel te kunnen bewegen. Want bij de minste beweging kwam het geschut in werking.
Ja, nu zitten wij volop in de oorlog. Naar gelang dat het verder gaat, wordt het een routine, en raakt u eraan gewend. Na vier dagen: aflossing, eens om middernacht, dan eens om drie uur in de morgen, nooit op hetzelfde uur, dit teneinde om de Duitsers op een dwaalspoor te brengen.
Dan trekken wij op reserve om 's nachts te gaan werken want van heden af zal men beginnen met loopgraven aan te leggen. Dit is ook een zeer gevaarlijk werkje. Soms moeten wij gaan werken aan de sluizen van Nieuwpoort onder hevige bombardementen en gepaard met verliezen. Bij het naar het werk of naar de voorposten gaan, is men misleid door de duisternis en kwam
[men] in het water terecht. Dan moest ge zo verder lopen tot wanneer de klederen aan uw lichaam droogden. 's Zomers was dit niet erg, maar in de winter… Ik moet er niet aan toevoegen hoe wij daar gesteld waren.
Eens waren ik en mijn kameraad Van den Bos op de voorpost op 100 m van de vijand. Om twee uur in de nacht kwamen achter ons drie gedaanten naar ons toe. Het was Koningin Elisabeth met twee officieren bij zich. Deze vroeg ons hoe [we] het stelden. Ik antwoordde goed. Waarop ze zegde: het is hier kalm. Ja, zegde ik, het is niet altijd zo. Dan kregen wij beiden elk een stuk chocolade en elk twee pakjes Engelse sigaretten, waarop ze onmiddellijk terugkeerden.
Onze post lag hier vlak voor de "Ferme Violette", een zeer gevaarlijke plaats. Dit was een door de Duitsers versterkt boerenhof, van daaruit werd er oneindig veel op ons geschoten. Tot wanneer de legerleiding een besluit nam daar voor goed een einde aan te maken.

Mei 1915

Op een goede morgen in de maand mei werd onze compagnie samengebracht om daar aan te vallen en deze post te gaan vernietigen. Wij zouden ondersteund worden door een compagnie van het 8e regiment op de linkerkant van ons. Zeer vroeg in de morgen trokken wij door de overstroming op handen en voeten op ons doel af. Alles ging goed, maar plots komen wij voor de prikkeldraadversperring en werden door de Duitsers ontdekt. Hun mitrailleuzen en handgranaten kwamen in werking. Er werden vuurpijlen afgeschoten, waardoor zij een klaar zicht hadden daar op het water.

Het werd een vreselijke slachting. Wij lagen daar zonder dekking te dobberen op het water. Ten slotte vangden (sic) wij de aftocht voor degenen die niet gedood werden. Doden en gekwetsten bleven achter op het slagveld. Terug in onze linie gekomen, met bitter weinig. Ik was toch een van de overlevenden, al de anderen werden letterlijk weggemaaid van het mitrailleuzevuur. Ik zag tijdens het gevecht een officier middendoor maaien van de kogels. Al dezen zijn ter plaatse gebleven en werden opgegeven als vermist. Deze "ferme" was gelegen vlak voor de IJzerstroom. In feite was het grondgebied Mannekensvere.

Na de slag hingen veel lijken in de prikkeldraad en zijn daar blijven hangen tot ze verteerd of wel opgevreten [waren] van de ratten. Lang na de gevechten kon men overdag de lijken zien hangen.

Op rust in Wulpen

Mei-juni 1915

Na deze gevechten trokken wij op rust te Wulpen. Tijdens onze rust had daar een nieuw drama plaats. Langsheen de vaart naar Nieuwpoort bevond zich een eskadron lansiers in reserve. Toen een officier vanuit Wulpen naar zijn manschappen toeging, werd hij bij het naderen van de paardenstallen op korte afstand doodgeschoten door een van zijn soldaten. De soldaat was bezig de paarden te reinigen, toen hij de officier zag aankomen, nam hij zijn karabijn en schoot de officier dood.

7 juli 1915

Naderhand zegde men dat de soldaat veel last had van hem, de soldaat zou gezegd hebben tegen zijn kameraad: als hij vandaag komt, schiet ik hem omver. Inderdaad, hij heeft dit gedaan. Nog dezelfde dag, in de loop van de namiddag, werd hij in een weide tussen het dorp en de brug in het openbaar aan een paal gebonden en terechtgesteld, door zes soldaten, drie officieren en twee gendarmen.

Hij werd ter plaatse niet begraven, maar zo maar eenvoudig in de grond verstopt (sic), met een houten kruis zonder opschrift, wel onder aan de paal een arduinen steen met de naam Zaman. Hij was een Gentenaar.
Gans de oorlog is deze daar blijven liggen in deze weide.
Een nog gelijkaardig geval heeft zich voorgedaan te Veurne. Een onderofficier had daar een meisje vermoord. De moordenaar werd later ter dood veroordeeld en later op de markt van Veurne onthoofd door de Franse valbijl. Het is de laatste onthoofding die in België plaats heeft gehad.
Na deze diverse zaken trokken wij in reserve op de rechterkant van Ramskapelle, in het boerenhof gezegd "Tjokveld"; zo gewoon: artillerievuur, schrappenels, enz.

Zomer 1915

Het was dus in de zomer 1915. Ramskapelle gedeeltelijk verwoest. De gebouwen welke nog bruikbaar waren, werden gebruikt als opslagplaatsen voor verberging (sic) van materiaal van de genie. Het moet zijn dat de Duitsers daar iets van bemerkt hadden. Op een namiddag brak plots een hevig bombardement los over het dorp. Het duurde zo wat twee [uur]. Onmiddellijk werden wij in alarm gebracht want wij dachten dat het op een aanval zou uitlopen. Het bombardement viel plots stil en gedurende een uur was [er] niet anders dan stof, rook en brand. Toen alles terug helder werd, konden wij ons eigen ogen niet geloven. Het dorp was totaal weggevaagd en een blakte (= vlakte) geworden. Veel geniesoldaten bevonden zich in deze depots en deze werden allen gedood en daarna opgebrand.

Op voorpost "Beverdijk"

De tijd van reserve was voorbij en wij trokken voor vier dagen naar de voorpost, maar deze keer op een andere plaats, meer rechts naar Pervijze, genaamd "Beverdijk". Na de vier dagen komen wij op reserve wat achterwaarts ook op een hoeve, genaamd "Ferme Roodester". Ieder soldaat wilde liefst in een hoekje liggen. Ja, nu en wel, ik was te laat aangekomen en vond geen plaats meer. Ik zag daar twee benen uitsteken en trok deze soldaat uit het hoekje, teneinde om ik deze plaats te bemachtigen.

Deze begon te roepen en te vloeken zodat de luitenant er bij te pas kwam om het verschil (sic) op te lossen. Ik kreeg natuurlijk een berisping en kon maar verder plaats gaan zoeken, maar ik vond er geen meer. En terwijl ik daar zo wat rondliep, komt daar almeteen een obus afgefloten en deze viel juist op de plaats van het verschil. De soldaat in kwestie, welke ik enige seconden voor de ontploffing had weggetrokken, vloog de lucht in en werd totaal uiteengereten. Ik kreeg een stuk vlees in mijn gezicht, bloedde, en werd direct naar het hospitaal van De Panne gevoerd. Ik kwam ervan af met twee blauwe ogen. Hij, de arme jongen, noemde Serteyn en was van St.-Pauwels. Hij had voor zo gezegd (sic) de dood gevonden in mijn plaats. Hij werd begraven op het militaire kerkhof te Adinkerke. Aan zijn dood en begraving is dus een droevige geschiedenis verbonden. Daar hij aan [stukken] werd geschoten, kon men maar juist zijn bovenlichaam vinden. De rest lag daar in het ronde gespat.

En op deze manier heeft hij zo gezegd twee begraafplaatsen: een te Adinkerke en een op het slagveld. Dit zijn de gruwelen van de oorlog.

Loopgraven aanleggen

Nu is men voor goed aan het werk om loopgraven en versterkingen aan te leggen. Rust bestaat bijkan niet meer. Iedere nacht valt er te werken.
Dit is veel gevaarlijker dan op de voorposten te zijn. U staat blootgesteld aan alle gevaren, want als de Duitsers veranderingen konden vaststellen, begon hij (sic) bij nachte met schrapenels te schieten, en soms met ganse salvo's. En terwijl loopgraven en versterkingen gelegd worden, doet de genie het werk van het front te camoufleren zodat alle wegen en posten afgedekt zijn. Dit om de Duitsers zo weinig mogelijk zicht te geven op onze kant. En zo werd gans het IJzerfront een forteres (Fr. forterresse = vesting).
Ja, er werd hier veel gezwoegd en gewerkt om ons leven te beschermen. Maar tijdens de werken waren altijd verliezen door het schrappenelvuur zodat ze daar een liedje van gemaakt hebben, dat luidt als volgt:

        Gaat toch niet naar Ramskapelle
        Want daar schieten ze met obussen en schrappenellen.

Juli-augustus 1915

Tijdens de zomer werd gans het Belgisch leger veranderd van uniform. Nu ontvingen wij een pak in de kaki, met kepie. Wij worden nu allen gelijk de Engelsen.

Eens waren wij aan het werk om een loopgracht dwars door het kerkhof van Ramskapelle te trekken. Het was in de loop van de namiddag, toen de Duitsers al met eens zo hevig begonnen te schieten. Wij allen renden uit elkander, die wat links en de andere wat rechts om dus uit de richting van het geschut te vluchten. Almeteen stelden wij vast dat er een man vermist bleek te zijn en we vermoedden dat hij misschien gedood of gekwetst achterbleef. Hierop ben ik in volle bombardement gaan zoeken en vond hem daar op het kerkhof liggen, gans bebloed en uitgeput. Hij was zwaar gekwetst. Een stuk ijzer was dwars door zijn schouderblad gevlogen. Ik sleurde hem uit de richting van het geschut en [hij] werd dan zeer dringens weggedragen naar de eerste hulppost. Het was mijn beste vriend, Dauw Felix van Zaffelare. Hij is nooit aan het front meer gekomen en werd zwaar invalied.

Honderde keren heeft hij mij naderhand bedankt, zeggende: het is dank aan u dat ik nog in leven ben, zonder u was ik doodgebloed daar op dat kerkhof van Ramskapelle. Dit zou naar het einde gaan van gezegde sector.

Op rust nabij Duinkerke

Augustus 1915

Omstreeks augustus 1915 werden wij door een ander divisie afgelost en [we] trekken voor een korte periode op rust op de kanten van Ghyvelde Bray-Dunes of Rozendael, nabij Duinkerke. Men zegt hier rust, maar ik moet er aan toevoegen dat het maar juist het "woord" rust is. Bedoeling is van het front weg, want veel rust hebt u niet.
Wij moeten de wacht optrekken en op bijzondere plaatsen de kust bewaken. Er zijn oefeningen en lange marsen te doen, naar het luizenbad gaan en zo veel andere dingen.
Maar nu hebben we hier de divisieschouwing, en zo een revue duurt een ganse dag.
Deze wordt gehouden op het strand van Bray-Dunes. Voor ons, infanterie, is het een dag van minstens 30 km te voet en zwaar beladen.
We vertrokken vroeg uit Rozendael, over Bray-Dunes, Ghyvelde, Adinkerke, De Panne. Hier komt men op het strand en [we] leggen door het zand de weg af naar Bray-Dunes. Aldaar komt men aan gans vermoeid, waar de tribune is opgesteld om voorbij te defileren voor de hoogheden, zoals koning en koningin, Franse en Engelse generaals, enz. enz. Van daar naar uw boerenschuur om u uit te rusten, onder het defileren van ratten die overal boven uw hoofd rondlopen.
De dag daaropvolgend wordt u met rust gelaten, buiten diegenen die aangeduid worden voor de wacht.
Het is ook de gewoonte als men in grote rust is dat u moet ingespuit (sic) worden, om ziekte te voorkomen. Ook dan ligt u gesneuveld voor twee dagen. 

pynaert6.jpg

 

De Belgische sectoren 1914-16.
(Uit: R.Christens, K. De Clercq,
Frontleven 14/18. Het dagelijks leven van
de Belgische soldaat aan de IJzer
, Tielt, 1987, p. 20)

 

Commentaar en toelichtingen

Het front dat door Belgische troepen werd bewaakt, was van noord naar zuid ingedeeld in de volgende sectoren: Nieuwpoort, Ramskapelle, Pervijze, Diksmuide, Lo en Steenstrate (Christens 1987, 20). Pynaert vergist zich dus als hij Ramskapelle de eerste sector noemt of misschien bedoelt hij dat het zijn eerste sector was.
Op 29 oktober 1914 brachten aan het station van Ramskapelle de Duitse regimenten, gesteund door hevig kanonvuur, een tijdelijke doorbraak in de Belgische linies teweeg. De Duitsers richtten zich reeds in op het terrein, ze waren meester in het hele dorp en maakten rond het dorp loopgraven die ze verlengden in de grachten naar Diksmuide.
Op 30 oktober zetten de Belgische troepen gesteund door Franse koloniale troepen een tegenaanval in.
Ramskapelle moest in de nacht weer teruggenomen worden. Rond twee uur 's morgens trokken de Duitsers zich uit Ramskapelle terug. Ramskapelle was weer in Belgische handen.
Achtergebleven Duitsers werden door de Algerijnen gevangengenomen. Gedurende de hele oorlog trouwens hielden de Fransen met enkele van hun divisies de zuidelijke flank van de Belgische legersector bezet o.m. met koloniale troepen, zoals Spahi's en Goumiers, dit zijn bewapende ruiters uit Algerije (Depoorter 1987, 21-22; Senesael 1969, 220-225; Schepens 1984a, 19-22).

Ingekwartierd te Wulpen

In het begin van de oorlog werden de soldaten in alle boerderijen en schuren aan het front ingekwartierd. In het voorjaar 1915 werden in de weiden van Kruisabele en Eggewaartskapelle de eerste houten barakken opgericht. In het voorjaar van 1916 was in de sector Pervijze al een hele divisie in barakken ondergebracht. In de sectoren Lo en Steenstrate verbleven de troepen nog vrijwel uitsluitend in schuren. Ook in Oeren en Wulpendam waren de soldaten nog het hele jaar door in hoeven ingekwartierd en gedeeltelijk in de barakken in de omgeving ervan. Maar de kantonnering bleef over het algemeen karig en ver van bevredigend. De officieren hadden een goed onderkomen bij de notabelen van het dorp of in de woonvertrekken van de hoeven (Christens 1987, 89).

In Ramskapelle

Het loopgravensyteem zelf bestond uit drie lijnen. Voor de eerste linie lagen de voorposten en luister- of observatieposten. Ongeveer 500 meter achter de eerste linie bevond zich de tweede. Deze loopgraven (tranchées) stonden met elkaar in verbinding via verbindingsgangen (boyau). In 1915 kwam er overal een derde linie. Uiteindelijk bedroeg de diepte van het defensief op sommige plaatsen zo'n tien tot twintig kilometer (De Vos 1996, 59).

In de eerste oorlogsmaanden verbleven de soldaten één tot twee dagen aan het front, in eerste lijn of op de voorposten, daarna volgden één tot twee dagen rust of halve rust. Naarmate in 1915 de levensomstandigheden beter en het gevaar minder groot werden, werd een 3- tot 4-daagse frontdienst gebruikelijk (Christens 1987, 53).

In Ramskapelle werd de eerste lijn langs de spoorwegberm ingericht. In het station van Ramskapelle bouwde men een betonnen observatiepost. Van hieruit had men een uitstekend gezicht op de weidse watervlakte. Vele loopgraven tussen Nieuwpoort en Ramskapelle waren niet meer dan een halve meter in de spoorwegberm uitgegraven. In deze streek, met zijn zware kleverige polderklei, waar de loopgraaf na korte tijd onder water liep, ging men de linies bovengrond aanleggen (Christens 1987, 27 en Jacobs 1988, 34-35).

 

pynaert7.jpg

 

Schema van het loopgravensysteem
(Uit: R.Christens, K.De Clercq,
Frontleven 14/18. Het dagelijks leven
van de Belgische soldaat aan de IJzer
, Tielt, 1987, p. 22)

Overstroming

De druk op het Belgische leger werd almaar groter en de rechteroever van de IJzer ging bijna volledig verloren aan de Duitsers. Sedert de middeleeuwen had men deze streek geïnundeerd als verdediging tegen de Franse agressie. Ook nu zocht de legerleiding haar heil in deze oude strategie. Nu de IJzer toch in Duitse handen was gevallen, opteerde men voor de inundatie van de strook land tussen de westelijke dijk van de gekanaliseerde IJzer en de spoorwegberm. Op die manier zou er een kunstmatig meer ontstaan tussen Nieuwpoort en Diksmuide. Om de inundatie te verwezenlijken deed kapitein-commandant Prudent Nuyten een beroep op Karel Cogge, een personeelslid van de watering van Veurne. In de nacht van 25 op 26 oktober werden alle 24 openingen in de spoorwegberm afgesloten. Ook bouwde men over enkele honderden meter met zakjes aarde een dam tussen het kanaal van Veurne en de spoorwegberm. In de nacht van 27 op 28 oktober bracht men het stijgende zeewater langs de Oude Sluis van Veurne naar de Koolhof en de Noordvaart. Het debiet bleek echter onvoldoende. Daarom opende men op aanwijzing van sluismeester Geeraert de schuifdeuren van het verlaat van de Noordvaart. Men opende het verlaat van de Noordvaart nog eens in de nacht van 31 oktober, 1 en 2 november. In november stond het water op sommige plaatsen tot drieënhalf meter boven de bodem. De overstroming kwam net op tijd. Deze onderwaterzetting ging ten onrechte de geschiedenis in als de overstroming van de IJzer, maar in werkelijkheid ging het om de Noordvaart (De Vos 1996, 55-57). Het klopt dus niet dat, zoals Pynaert schrijft, de sluizen werden opgeblazen.

 

pynaert8.jpg

Ondergelopen gebieden in de IJzervlakte
(Tekening L.De Ruyck)

 

pynaert10.jpg

Het sluizen- en verlatencomplex te Nieuwpoort in 1914
(Uit: L.De Vos,
De Eerste Wereldoorlog, Leuven, 1996, p. 48)

 

Op rust in Wulpen

Op 7 juli werd te Wulpen soldaat Alphonse Van Herreweghe wegens moord door de krijgsraad veroordeeld tot de dood met de kogel. Hij werd geboren te Wetteren in 1877 en was milicien (1899) bij de 1ste Lansiers. Zijn gratieverzoek werd verworpen en hij werd dezelfde dag geëxecuteerd. Hij werd begraven te Wulpen langs het kanaal Veurne-Nieuwpoort (Debaeke 1996, 88-89).
In de lijst van veroordeelden tot de dood met de kogel is geen Zaman uit Gent terug te vinden; Pynaert beschikte blijkbaar over de verkeerde informatie.
Uit zijn relaas over de onthoofding te Veurne blijkt duidelijk dat Pynaert zijn dagboek achteraf heeft geschreven. Chronologisch bevindt hij zich in 1915 en plots valt hem de onthoofding van 1917 te binnen.
Op 27 oktober 1917 vermoordde de 26-jarige onderofficier Emile Fervaille (°Menen 1891) te Veurne zijn zwangere vriendin Rachel Ryckewaert. Op 15 januari 1918 veroordeelde de Krijgsraad hem ter dood door onthoofding en niet met de kogel aangezien het een geval van gemeen recht betrof.
Koning Albert wees het genadeverzoek af omdat de soldaat voor de rest van de oorlog in de cel zou zitten, terwijl zijn strijdmakkers aan het front voortdurend hun leven waagden. Op 29 januari 1918 onthoofde de Franse meesterbeul Anatole Deibler de veroordeelde op de binnenkoer van de gevangenis van Veurne en niet op de markt, zoals Pynaert beweert. De executie was wel voorzien op de Grote Markt maar wegens het gevaar voor Duits artillerievuur werd ze 24 uur uitgesteld en vond ze plaats op de binnenkoer van de gevangenis. Het was de laatste executie met de guillotine in België. Ferfaille werd op het burgerlijk kerkhof van Adinkerke begraven (Debaele 1996, 67-79).

Op voorpost "Beverdijk"

Beverdijk ligt ten noordoosten van Pervijze.
Sedert december 1914 was in De Panne het Rode-Kruishospitaal om en rond het hotel "L'Océan" werkzaam o.l.v. dokter Depage, professor aan de Vrije Universiteit Brussel. Met de hulp van Britse en Deense verpleegsters, vanaf februari 1915 bijgestaan door Belgische verpleegsters die in Engeland waren opgeleid, slaagde hij erin van "L'Océan" een modelinrichting te maken (Christens 1987, 79 en Schepens 1984a, 117).

pynaert11.jpg

In de onderwatergezette vlakte tussen IJzer en de spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide hadden zowel Belgen als Duitsers voorposten ingericht. Bij de Dodengang liepen de twee linies in een brandpunt samen.
(Uit: S.Debaeke,
Het drama van de Dodengang, Koksijde, 1998, p. 26)

Loopgraven aanleggen

Op drukke wegen werden op sommige plaatsen camouflagenetten opgehangen die de verkeersdrukte voor vijandelijke waarneming vanuit kabelballons moest verbergen. Uiteraard werden alle militaire installaties zoals geschut aan het oog van de vijand onttrokken (Depoorter 1987, 52).

De invoering van de kakiuitrusting maakte een einde aan de grote diversiteit van uniformen binnen het Belgische leger. In de loop van 1915 kregen de soldaten een ovale helm van het Franse type, een groene lange jas en broek van het oude model, een vest van het Engelse type, zwaardere bottines en een kleine en lichte rugzak met tentzeil. In juli en augustus 1915 werd een zomerkostuum van het Engelse type ingevoerd. Het katoenen kakikleurig pak had een jas met uitgesneden kraag, een broek en een kepie die de donkerblauwe muts met oorlappen verving. Vanaf eind oktober 1915 kregen de mannen een winterpak en vanaf 15 november 1915 werd het dragen van het kakiuniform verplicht (Christens 1987, 41-42).

Op rust nabij Duinkerke

Ofschoon de koning op 15 oktober 1914 beslist had dat het Belgisch leger het nationale grondgebied niet mee zou verlaten, lag het voor de hand dat de troepen niet uitsluitend op Belgisch grondgebied konden gelegerd worden. Ze betrokken dus kwartieren o.m. te Bray-Dunes en in diverse gemeenten van het département du Nord. Belgische opleidingskampen lagen verder naar het zuiden, o.m. in Normandië (Schepens 1984b, 143).

Na drie tot zes maanden dienst werd het regiment afgelost en mochten de soldaten op zo'n vijf kilometer achter het front in grote rust gaan. Zo werden De Panne en het Noord-Franse badplaatsje Bray-Dunes en omgeving door Belgen bezet. De benaming "grote rust" dient niet al te letterlijk worden genomen. Met turn- en wapenoefeningen werden de soldaten beziggehouden. Het leven werd vergald door allerlei inspecties op materiaal en uitrusting, door oefeningen, theorielessen en lange afmattende marsen met volledige bepakking. Tijdens een verblijf in de kuststreek vond op het strand vaak nog een of andere patriottische ceremonie plaats. Naast de gewone kazernedienst werden de soldaten tijdens hun grote rust nog belast met de kustwacht (Christens 1987, 101-103, 112 en 115).

pynaert12.jpg

Op 2 januari 1915 had dokter A. Depage in een bioscoopzaak te De Panne een badinstallatie ingericht om de militairen, "opgevreten" door het ongedierte en het schurft, te ontsmetten. De installatie had een capaciteit van 1.500 baden per dag. Op enkele maanden tijd was het leger nagenoeg van het schurft verlost, maar dat was niet het geval met vlooien en luizen. De hygiëne betekende een zwaar probleem voor de militaire overheid. Er werden later op verscheidene plaatsen o.m. in De Panne, Oost-Vleteren (Elsendamme) en Pollinkhove (Fintele) open of gesloten baden geïnstalleerd, zodat de manschappen zich konden verzorgen (Schepens 1984b, 49; Schepens 1984a, 124; Christens 1987, 92; Jacobs 1988, 70).

Naast de vlooien en luizen waren de ratten voor de soldaten een nog grotere plaag. De loopgrachten en kantonnementen krioelden van dit ongedierte. Dagelijks ging men op klopjacht met stokken, schoppen en honden, maar de ratten bleven zich voortplanten. De jacht op ratten werd een sport en er werden zelfs vangwedstrijden georganiseerd. De soldaten moesten voortdurend hun eetrantsoenen beschermen in blikken dozen of in hun gamel (eetketeltje).

Vlooien, luizen en ratten waren in de soldatenrevues zeer populair, zoals volgend versje getuigt:

        Ratten zijn ook opgeroepen
        Om te vechten met den troep;
        Kan 't dan missen dat ze snoepen
        van ons brood en van ons snoep.

        Zijn de ratten oorlogsdieren,
        't Is nog niets bij vlooi en luis,
        Want dees kennen geen manieren,
        In ons broek, daar zijn ze thuis.

        O ratten en muizen,
        Ze zitten dag en nacht aan ons brood.
        O vlooien en luizen,
        Ze bijten ons overal rood. (Debaeke 1994, 30-33).

 

Hoofdstuk 4 - Sector Diksmuide

Winter 1915-1916

Na onze rust in het noorden van Frankrijk komen we in beweging om eens naar een ander punt te trekken, namelijk het zo gevreesde Diksmuide, over Adinkerke-Veurne de grote baan op richting Ieper. Maar aan het kruispunt Izenberge-Alveringem slaan we links af tot in het dorp van Alveringem. Hier werden we verdeeld om in de boerenschuren te gaan slapen. Na twee dagen verblijf, namen we de sector van Diksmuide over. Bij donker trokken wij over Forthem. Eens daar, geen burgerij meer. Dan voorbij de Rabbelaar en St.-Jacobs-Kapelle en zo verder naar Diksmuide.
Bij het naderen van ons doel was er zeer veel leven en lawaai, ontploffingen, geweer en mitrailleuzegerammel. Om middernacht komt men toe aan de IJzerstroom. Het gaat er hier geweldig aan toe. Als de Duitsers fussees
(Fr. fusée: vuurpijl) afschieten, is gans onze lijn verlicht en dat waren wij niet gewoon op de sector van Ramskapelle.
Maar ja, hier is men maar op een 30-tal meters van elkander. Wij zijn hier terechtgekomen in een echte heksenketel. Onmiddellijk werd ieder zijn post aangeduid. Het eerste dat ze ons zeggen is nooit uw hoofd boven de loopgraven te steken, want op de Duitse kant staan veel gepointeerde (Fr. pointer: geschut richten) geweren en mitrailleuzen, en deze maaien van tijd tot tijd eens gans de lijn af. Ook voor de landbommen werden wij verwittigd, om immers een stokje in uw mond te hebben als wanneer ze landbommen werpen. Dit is een kwestie van luchtverplaatsing bij het ontploffen.
Toen het dag werd, kon men op de overkant de stad Diksmuide zien liggen, gans in puinen. Het bleek langs de overkant een versterking te zijn, nauwelijks 30 m van elkander gescheiden. Hier op onze kant, de gevechtslinie, met veel periscopen om op uw geweer te plaatsen en verder met ijzerdekkingen en platen, om uw geweer door te steken. Deze platen noemde men boucliés (Fr. bouclier: schild).
Hier zijn wij op een plaats van het front die plooibaar is. Tussen Nieuwpoort en Diksmuide is het niet plooibaar, ook niet op de rechterkant tot aan Steenstraat, dit door de overstroming. Maar hier te Diksmuide kan de vijand doorbreken en kunnen [ze] oprukken tot Duinkerke om op die manier een deel van het Belgisch leger in te sluiten. Het is juist daardoor dat Diksmuide een gevaarlijke en slechte sector was. Nu dat we hier zijn, hebben wij ons niet verbeterd. Men komt hier terecht onder het vuur van landbommen, mijnwerpers (Dt. Minenwerfer: mortier), ook stikgas, en liggen in het bereik van handgranaten. Wij van onze kant doen hetzelfde voor de Duitsers.
Op de boorden langsheen de IJzerstroom bestaan drie soorten loopgraven: 1e gevechtslinie, 2e reserve, 3e beneden de dijk dienende als schuilplaats.
Nochtans is de dijk redelijk breed, maar toch kan men er weinig beweging doen, daar de scherpschutters u ten alle kanten onder vuur nemen. De loopgraven
[zijn] verdeeld in vier delen: A B C D.

N° A recht over de brug.
N° B recht over de minoterie.
N° C hier is de eerste post waar ze de IJzer oversteken door middel van een vlot, welke op de kant der Duitsers is geblindeerd
(Fr. blinder: pantseren). Bij hevige storm geraakt dit vlot soms los en drijft weg naar de Duitse linie toe: dan kan u in het water springen, zoniet wordt u dood geschoten.
N° D is van weinig belang. Daar komt men in het overstroomd gebied naar de sector van Lo toe.

Zo verslijten wij hier ons schoon jong [leven] in alende (= ellende). Wij gaan voor vier dagen rust nemen te Alveringem. En tijdens mijn rust kom ik in contact met mijn vrienden van Landegem, Camiel Van Wassenhove, bij wie ik nu en dan al ben geweest. Ook kwam [hij] mij al eens bezoeken met Jozef Van de Casteele en Herman Michiels, daar ze alle drie deel uitmaakten van de 4e divisie. Zij hun drie waren van het 10e regiment en waren tesamen dikke vrienden.
Tijdens onze rust werd u ook al eens geroepen om een werkje te doen. Zo werden ik en mijn kameraad eens aangeduid om te gaan werken in het depot van onze divisie, aan de brug van Fortem, voor het lossen van levensmiddelen. Aan de ingang van het park stond een onderofficier met twee schildwachten om controle uit te voeren voor wat binnen en buiten ging. Wij waren daar aan het lossen toen almeteens een bak kaarsen opensprong. Een wachtmeester van de artillerie was daar voor de controle. Goed, zegt hij, terwijl de bak toch open is, neemt maar elk twee kaarsen mede, maar zegt het aan niemand. Ik en mijn kameraad tevreden stopten deze kaarsen in ons broekspijp om er mede buiten te geraken. Gedaan met werken en we zouden naar Alveringem terug bij ons regiment gaan.
Maar bij het uitgaan van het park werden wij tegengehouden door de onderofficier, die ons zegde, ik moet u beiden onderzoeken. Natuurlijk kwamen de kaarsen te voorschijn en wij beiden werden weggeleid, met twee soldaten, bajonet op kanon en in de bak gestopt aan de brug van Fortem. Een nacht en twee dagen lieten ze ons daar zitten zonder eten.
Maar als de tijd gekomen was om met ons compagnie op te trekken naar de vuurlinie lieten ze ons los.

Op voorpost over de IJzer

Laat in de nacht vertrokken wij op reserve naar St.-Jacobs-Kapelle, om daar vier dagen te verblijven en bij nacht te gaan werken naar Diksmuide. Na vier dagen terug post C. Toen wij om twee uur in de nacht daar toestuikten, moesten wij met een twintigtal mannen op voorpost over de IJzer. Ik was er ook bij. Eens met het vlot over werden wij verdeeld. Deze die wij aflosten, keerden met het vlot terug, maar toen de laatste mannen gingen vertrekken, lag voor mij een lijk. Ik zegde aan de laatste, een korporaal, dat hij een gesneuvelde achterliet. Ja, zegde hij, ik weet het, wij zullen morgen vroeg het lijk komen halen. Om vier uur in de morgen hebben ze het lijk komen weghalen. Het was dan nog een kennis van mij, Dhondt Florimond uit Drongen.
Deze post C was een gevoelige plaats. Het is immers van hier uit het vertrekpunt van de patrouilleurs die bij nacht de Duitsers gaan aanvallen. Soms keren ze terug met krijgsgevangenen maar ook kon het wel eens verkeerd aflopen. Als de Duitsers in hinderlaag lagen, dan kwam het tot bloedige botsingen en lieten ze doden en gekwetsten achter. Ook kwam het soms tot lijf-aan-lijf [gevechten] met dolken. Post C is gans de oorlog het toneel geweest van zware patrouillegevechten. Eens was een kameraad van mij, De Jonghe Paul, hij was van Kallo, ook mede getrokken op patrouille en kwam in een  hinderlaag terecht. Hij keerde terug met een deel van zijn kin afgeschoten. En zo vertrokken er veel om nooit meer terug te komen. Hetzelfde gebeurde op de Duitse kant.

23 december 1915

Zo verliep het Diksmuide-Alveringem om en weer. Op 23-12-1916 komen wij terug op post C. Toen werd[en] ik en mijn kameraad Van den Bos, hij was van Deurne, aangeduid, om ons voor de Duitse linie in hinderlaag te leggen om de Duitse patrouille op te vangen. Daarom dienden wij door modder en water te kruipen zo dicht mogelijk [bij] de Duitse linie, om ons dan te verbergen in het riet. En dit voor twee dagen.

25 december 1915

Wij beiden lagen daar vlak in de noorderwind en sneeuwstormen met een temperatuur 10 tot 15 onder nul. Twee dagen en nachten hebben wij daar liggen knarsetanden van de koude en schrik. Als wij ons verroerden kon het onze dood betekenen. Tenslotte waren wij beiden nog tevreden dat wij niet in de eerste linie zijn moeten blijven, want de Duitsers vierden Kerstnacht met zware bombardementen. Alles werd op de eerste linie in gruis geschoten, natuurlijk met doden en gekwetsten. Zo is het nog onze redding geweest daar in de eerste linie niet te zijn geweest.
Naderhand worden wij om vier uur in de morgen nog eens aangevallen door een Duitse patrouille, maar voor hen was het een mislukking. Zij allen werden gedood met hun zeven. Deze lijken zijn daar blijven liggen tot ze opgevreten werden van de ratten. Want Diksmuide was het miljoenenkwartier van de ratten.
Ook tijdens de winter, als de wind uit het noorden waaide, was het zeer gevaarlijk. Dan maakten de Duitsers gebruik om stikgas te lossen. Dit gas werd gelost uit buizen welke op onze linie gericht waren.
Maar de grootste slachtoffers waren de ratten. Deze werden ziek en bliezen op en zochten hun schuilplaatsen onder de passerellen (
Fr. passerelle: loopbrug) en lieten zich gemakkelijk vangen en langzaam stierven ze. Ja, zo is Diksmuide: ratten, luizen en tijdens de zomer ganse zwermen muggen en ander ongedierte. Verder onze gewone gang: rust, werken, reserve en tranchée.

Grote inspectie te Alveringem

30 december 1915

Eens te Alveringem grote inspectie: Koning Albert zou komen. En [we] werden bijeengebracht op een weide. Iedereen had zijn best gedaan om [er] zo proper mogelijk uit te zien. Toen kwam de Koning aan. Hier en daar ondervroeg hij een soldaat. Ik viel in zijn oog en hij kwam bij mij. Terwijl hij op mijn wangen streelde, zegde hij mij: "U bent nog zo bitter jong, je bent zeker vrijwilliger." Ik antwoordde van ja en ben 19 jaar. Vervolgens vroeg hij van waar ik was. Ik zegde hem van Landegem. "A ja, dat ken ik, daar loopt een kanaal door, ook de spoorlijn Gent-Brugge". Hij scheen dit goed te kennen.

Op reserve

De vier dagen zijn om en we gaan op reserve naar de "Ferme quatre pas à tonner", niet ver van St.-Jacobs-Kapelle. Van hier moesten wij bij nacht gaan werken naar Diksmuide.
Van uit het geniepark van Fortem liep een treintje, Decauvilleken tot Kaaskerke. Dit treintje werd getrokken door paarden tot Kaaskerke, maar aangezien dat ze met deze paarden geen weg meer konden in dat kogelgefluit, werd besloten de paarden maar te laten komen tot St.-Jacobs-Kapelle in plaats van tot Kaaskerke. Dus tijdens onze reserve dienden wij deze wagontjes door te duwen tot Kaaskerke. Daar aangekomen, moest men in alle richtingen het materiaal ter plaatse dragen, blootgesteld aan alle soorten gevaren. Want de Duitsers waren zeer goed op de hoogte wat er dan 's nachts gebeurde.
De tweede dag op het boerenhof doet
[zich] daar een geval van voorgevoel voor. Soldaat Bervoets van Schaffen ontving een brief uit het bezette België. Bij het openen van deze brief vindt hij de foto's van zijn ouders en zusters erin.
Bij het zien weende hij van geluk en blijdschap, doch werd hij naderhand neerslachtig. 's Avonds werd het tijd om op te trekken naar St.-Jacobs-Kapelle toen hij almeteens weigerde te gaan werken. Hij verklaarde: ik ben neergedrukt door de brief welke ik ontving van mijn ouders, daarbij zeggende aan sergeant Horckmans: als ik mede ga, word ik dood geschoten.
Sergeant Horckmans trachtte hem te overhalen en zegt: u zal u toch niet voor de krijgsraad laten brengen. De jongen, ten einde raad, zegde: ik zal maar mede gaan om doodgeschoten te worden.
Wij vertrokken naar St.-Jacobs-Kapelle om vandaar de wagontjes voort te duwen, maar bij het binnenkomen van Kaaskerke komt daar een obus afgefloten en ontplofte juist op het wagontje welke hij voortduwde. De arme jongen verdween, in stukken gereten. Slechts enkele stukken vlees hebben ze nog teruggevonden.
Daar op het slagveld van Kaaskerke is gans zijn leven vernietigd. Na dit ongeval ging alles verder door met het materiaal, maar bij het minste lawaai kwam het geschut in werking.
Hier te Kaaskerke heeft gans de oorlog een locomotief gestaan van de spoorweg, in 1914 achtergelaten. Deze stond niet
[ver] van de vuurlinie en heeft de zwaarste bombardementen doorstaan. Gedurende vier jaar zijn er miljoenen kogels op terechtgekomen. Het was de trots van Kaaskerke.

Naar post C

Vierde dag. Weg naar de gevreesde post C. Het was nu redelijk kalm en voor de eerste keer moest ik niet over de IJzer. Tijdens de nacht allen op post in de eerste gevechtstranchée. Ongeveer 500 m achter de eerste linie heeft daar een kapelletje gestaan. Dat was een reserveplaats bezet door de cavalerie. In de namiddag barst daar almeteens een bombardement los. Toen het ophield, was alles verdwenen en de bezetters werden allen gedood, 39 man, allen van de chasseurs te paard. Ook wij kregen wat van de brokkelingen en sergeant Horck-mans, met een soldaat bij zich, werden onder een instorting bedolven. Sergeant Horckmans kon men levend van onder het puin halen maar de andere jongen was reeds dood. Een lange spijker was dwars door zijn hoofd gedrongen. In het jaar 1918 is sergeant Horckmans aan zijn verwondingen overleden. Hij was van Gent. Hoe verder de oorlog, hoe slechter de toestand.

Juli 1916

In de maand juli 1916 verlaten wij plots Diksmuide om meer links op de schuiven. Wel onze lieve Heer, wij komen terecht in de Bayaux (= Boyau) de la mort, gezegd dodengang. Een geluk, wij zijn daar niet lang gebleven, slechts enkele dagen. Niettegenstaande dat er sprake was om daar lang te blijven. Deze plaats was bekend voor een zeer slecht punt, maar toch hebben wij daar geen verliezen gehad.

September 1916

Rond de maand september 1916 werden wij afgelost door een andere divisie en trokken op rust naar Izenberge, Leisele of Hondschoote.
En zo ligt Diksmuide en de "Bayaux de la Morte "
(sic) achter de rug.

Commentaar en toelichtingen

Winter 1915-1916

Fortem

Fortem is een gehucht van de gemeente Alveringem en ligt aan het kanaal Veurne-Lo, ook Lovaart genoemd. Op de weg van Fortem naar St.-Jacobskapelle lag café "de Rabbelaere", op de huidige N 319.
Nergens lagen de Belgische en Duitse stellingen zo dicht bij elkaar als in de sector Diksmuide. Enkel de IJzer, die op sommige plaatsen maar 15 à 20 meter breed is, scheidde de strijdende partijen (Debaeke, 1998, 119).

 “Mijnenwerpers” en gifgas

In 1915 gebruikten de Duitsers de gevreesde "Minenwerfer" die geschikt waren om een stelling met zandzakken (de zgn. "Vaderlanders") uiteen te laten spatten (Lampaert 1987, 68). In Duitsland had professor Haber, een scheikundige, proeven gedaan met traangas in granaten. Maar het resultaat was onbevredigend. Daarna ontstond het idee om gas in flessen te brengen en via buizen te laten ontsnappen. Uit proeven bleek dat chloorgas hiervoor het best geschikt was (Lampaert 1987, 68-70). Op 22 april 1915 om 17 uur lieten de Duitsers chloorgas (nog geen Yperiet) ontsnappen uit 5.730 stalen cilinders tussen Schreiboom (halfweg Langemark-Poelkapelle) en Steenstrate (Deseyne 1987, 24). Toen vanaf april 1917 de Duitsers zowat alle Belgische linies met chloorgas overvielen, maakte het Belgisch leger, dat tot dan geen chemische wapens had gebruikt, vermoedelijk vanaf november 1917 ook gebruik van gas.
Als voorbereiding op de Derde Slag bij Ieper werden in de nacht van 12 en 13 juli 1917 voor het eerst yperietobussen (zo genoemd naar de stad Ieper) afgeschoten op de Britse 55e divisie tussen Wieltje en Hooghe. De gasbeschietingen werden om de twee dagen herhaald. Yperiet of mosterdgas werd niet meer uit stalen flessen vrijgelaten maar als gasobussen afgevuurd met mortieren of veldkanonnen. Als de obus ontplofte, spatte de vloeistof in het rond. Op de huid vormden zich blaren en bij het inademen werden de longen aangetast. In militaire ogen was yperiet een sprong voorwaarts omdat het de vastgelopen fronten weer in beweging kon krijgen. Het vluchtige chloorgas van 1915 was heel snel geneutraliseerd door de ontwikkeling van goede gasmaskers. Mosterdgas had het militaire voordeel dat het langer dan één gasmasker meeging. Vandaar dat het yperiet zo massaal gebruikt werd in het laatste oorlogsjaar. Alleen al in Hansbeke zouden er tijdens het eindoffensief in oktober-november 1918 onder de burgerbevolking 27 dodelijke slachtoffers gevallen zijn (Deseyne 1987, 30 en 34; Falter 1997, 8-10).

De Minoterie (zie kaart)

Met de Minoterie of Bloemmolens hadden de Duitsers een geduchte vesting in handen. Deze stevige betonnen constructie bevond zich op nauwelijks 20 meter van de loopgraven op de oostzijde van de IJzer. De Belgische soldaten hadden een heilige schrik voor de Duitsers die onzichtbare schietgaten in de bloemmolens hadden en elke onvoorzichtige beweging afstraften. Met hun vast opgestelde granaatwerpers beschoten de Duitsers vanuit de Bloemmolens het voorste gedeelte van de Dodengang. Door aanhoudende Belgische artilleriebeschietingen bleef er van het gebouw uiteindelijk slechts een ruïne van beton en verwrongen staal over (Debaeke 1998, 127-128).