PROSPER COCQUYT, VAN MOLENAARSZOON TOT ONGEKROONDE KONING DER VERKEERSVLIEGERS

"He was what we call in this country a selfmade man and in the United States this is about the highest honour one can achieve." [1]
(Jerome Lederer)

"Cocquyt est pilote, pilote dans l'âme, dans la chair, dans les sens, pilote par destin. Eût-il fait autre chose, il serait resté ce que son destin le fit" [2]
Marcel Edemond)

Prosper Cocquyt werd op 9 juni 1900 te Astene geboren als zoon van Emiel, ketser, en Emerence Vermaercke. Als hij drie jaar was, verhuisden zijn ouders naar Landegem waar vader Emiel molenaar werd op de Heirenthoek.

De molen van Astene, links onder het grote dak, het geboortehuis van Prosper Cocquyt

Proper liep school te Landegem. Van hem werd verteld dat hij een goede maar vooral temperamentvolle leerling was met een buitengewone interesse voor wiskunde en aardrijkskunde en een passie voor mechaniek[3].

Toen vader Cocquyt in 1916 door de Duitse bezetter ver­plicht werd zijn maalactiviteiten op een laag pitje te houden, ging Prosper werken in de brouwerij Meiresonne waar hij instond voor het onderhoud van de machines. Twee jaar later hadden de stoommachine, de gasmotoren en de elektri­sche centrale aldaar geen geheimen meer voor hem.

Prosper Cocquyt, de 16-jarige chef van de machinekamer van de brouwerij Meirsonne te Landegem

In de vak- en ambachtschool Sint-Antonius (Holstraat, Gent) volgde hij de leergangen elektriciteit en mechaniek en behaalde er in 1921 het diploma van elektricien wissel- en gelijkstroom en het bekwaamheidsgetuigschrift van autome­chanieker. Terzelfdertijd volgde hij in het Provinciaal Handels- en Taalinstituut, beter bekend als de English-club (Savaanstraat, Gent) een cursus Frans. Zijn beroepskeuze leek gemaakt. Hij zou zich als elektricien in het dorp vestigen terwijl zijn broer het ouderlijk bedrijf verder zou uitbaten.

Eind 1921 werd hij opgeroepen voor het leger. Hij werd ingelijfd in het eerste regiment Genietroepen te Gent en bleef zo goed en kwaad als het kon verder studeren per briefwisseling. Even dacht hij eraan zijn studies stop te zetten maar toen kwam plots een keerpunt in zijn leven.

Aangespoord door het enthousiasme van Jos Moeykens uit Eeklo, een neef langs moeders zijde, die sinds juli van hetzelfde jaar korporaal leerling-piloot was aan de vlieg­school van Gosselies, voelde hij zich eveneens sterk aange­trokken door het totaal nieuw beroep van piloot. Hij ver­liet de genie en trok naar de luchtmacht te Gosselies waar hij op 1 juni 1922 zijn luchtdoop kreeg door Albert Van Cotthem[4], zijn latere hoofdmonitor. Hij was er terecht gekomen in een groep van jonge geestdriftige waaghalzen van wie hun leermeesters zelf soms debutanten waren, vooral waar het om de theoretische kennis aankwam.

De leerling-piloot Cocquyt en zijn kozijn Jos Moeykens.

Op 20 juli 1922 deed hij zijn eerste solovlucht na nauwe­lijks drie vlieguren opleiding. Hij verliet Gosselies op 1 september met het burgerlijk brevet van piloot op zak.

De militaire vliegschool te As (Limburg) werd zijn volgende bestemming. Hij behaalde er op 16 december het elementaire brevet en op 5 mei 1923, als eerste van zijn lichting, het militair vliegbrevet. Hij werd bevorderd tot sergeant-vlieger en overgeplaatst naar Evere waar de "derde esca­drille, derde groep" van de luchtmacht gevestigd was. Samen met luitenant-navigator Jean Verhaeghen zou hij er zich speciaal toeleggen op de luchtfotografie.

Toen Sabena in 1923 werd opgericht keek men uit naar bekwa­me piloten voor de burgerluchtvaart, die over gans de wereld nog in haar kinderschoenen stond. Prosper Cocquyt werd aangezocht en maakte de overstap op 1 mei 1924. Later zou hij er opnieuw Van den Eynde, Lambotte en Joseph Van Ackere terug zien met wie hij samen was opgeleid te Gosse­lies. Deze vier worden in Belgische luchtvaartmiddens in één adem genoemd als de "vier assen" waarop de pas opge­richte Sabena draaide tijdens haar pioniersperiode. De eerste twee verongelukten tijdens hun dienst. Cocquyt en Van Ackere zouden een mooie carrière uitbouwen die hen later tot in de hoogste regionen van onze nationale lucht­vaartmaatschappij zou brengen.

De vier grote assen van Sabena in 1929 vóór de eerste vlucht Antwerpen-Hamburg. V.l.n.r. Van Ackere, Cocquyt, Lambotte en Van den Eynde

Hetzelfde jaar, op 23 juli, stapte hij in het huwelijks­bootje met Elza Timmermans uit Hoeilaart. Het gezin kreeg twee kinderen, een dochter Jenny en een zoon Franz.

Cocquyt en zijn gezin, naast hem zijn vrouw, zijn dochter Jenny en zijn zoon Franz

Op 5 april 1926 deed hij zijn eerste solovlucht naar Groot-Brittannië. Vanaf dan vloog hij verscheidene vaste lucht­verbindingen in waarvan de bekendste ontegensprekelijk de lijn Brussel-Leopoldstad was, nu precies zestig jaar gele­den.

In 1928 werd hij de eerste Belgische piloot die het brevet voor blindvliegen behaalde aan de Farmanschool[5] te Toussus-le-Noble en vanaf 1930 begon hij met de opleiding van de piloten voor de eerste nachtvluchten. Diverse nieuwe vliegtuigtypes, zoals de Savoia Marchetti S73 en S83, de Junker 52, de Douglas, enz. werden door hem getest en in gebruik genomen. Reeds in 1935 werd hij luchtvaartmiljonair d.w.z. dat hij toen reeds meer dan één miljoen kilometer in de lucht had afgelegd wat neerkomt op ongeveer 25 maar rond de aarde langs de Evenaar. Op dat ogenblik was hij ook de enige chef-piloot van Sabena.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij door de bezetter op non-actief gesteld. Van deze gedwongen rust maakte hij gebruik om lessen te volgen in psycho-techniek aan het Instituut voor Hogere Studiën te Brussel en wist hij zich verdienstelijk te maken bij de inlichtingendienst van de Weerstand. Op 10 augustus 1945 zat hij, na vijf jaar inac­tiviteit, opnieuw aan het vliegtuigroer en voor de instru­mententafel, de luisterhoorn op het hoofd, klaar voor een nieuwe vlucht naar Belgisch Kongo, ditmaal in de hoedanig­heid van tweede piloot. Kort daarop echter werd hij op­nieuw boordcommandant.

In april 1946 was hij in Santa Monica (Californië) om er voor Sabena de eerste DC-4 in ontvangst te nemen en in maart 1949 was hij opnieuw in Californië, in San Diego, om zich er vertrouwd te maken met de tweemotorige Convair 240. Op 27 maart stond het eerste toestel te Brussel aan de grond, nauwelijks negen dagen later landde hij reeds met een tweede exemplaar. Toen bij Sabena enkele chef-piloten werden benoemd voor de lijnen naar de diverse werelddelen, kreeg Cocquyt de Europese lijndiensten onder zijn bevoegd­heid.

Op 20 september 1949 werd hij samen met zijn vriend Jo Van Ackere te Melsbroek gehuldigd voor 25 jaar trouwe dienst bij Sabena. In de pers werd hij toen als de beste, veilig­ste en koelbloedigste piloot van zijn generatie beschouwd. Met zijn 49 jaar was hij op dat ogenblik de ouderdomsdeken van het vliegend personeel van onze nationale luchtvaart­maatschappij.

20 september 1944: Prosper Cocquyt wordt geïnterviewd voor de radio naar aanleiding van zijn 25 jaren dienst bij Sabena

Tijdens deze kwarteeuw bij Sabena noteerde hij 36 gevallen waarbij hij in moeilijkheden kwam waaronder 15 noodlandin­gen. Zo verloor hij in oktober 1923 in volle vlucht een wiel. Het toestel ging bij de landing te Ukkel overkop maar de beide inzittenden konden ongedeerd uit het toestel kruipen[6].

Op 26 juni 1930, op weg naar Hamburg, verloor hij boven Bremen de rechtermotor van zijn Fokker F VII. Hij landde zonder problemen te Hamburg en keerde 's anderendaags naar Brussel terug op twee motoren. Nog in 1930 vloog hij van Brussel naar Praag met een defecte stuurinrichting, enz.

Bij geen enkel van de ongevallen die hem overkwamen raakten passagiers of bemanning ernstig gewond. Steeds zocht hij naar het waarom van deze incidenten. Hij was ervan over­tuigd dat vele ongevallen het gevolg waren van zinsbegoo­cheling bij de piloten. Hij beschreef het probleem een eerste maal in 1931 maar vond geen afdoende verklaring voor de eventuele oorzaken. Twintig jaar later stelde hij hier­over een uitgebreid rapport op, ditmaal van wetenschappe­lijke aard. Het werd vertaald in het Engels en verspreid in Amerikaanse luchtvaartmiddens waar het zeer positief werd onthaald. Op 20 november 1952 werd deze studie bekroond met de Flight Savety Award, uitgereikt te New York door de stichting die dezelfde naam draagt, aan personen die zich verdienstelijk hebben gemaakt op het gebied van de lucht­vaartveiligheid.

Hij zat aan het roer van meer dan honderd verschillende vliegtuigen, vormde tientallen piloten, vervoerde duizenden passagiers waaronder diverse staatshoofden en hoogwaardig­heidsbekleders. Zijn ontwapenende glimlach en zijn reputa­tie als veilige piloot - C'est Cocquyt qui pilote? Alors tout va bien - maakten hem legendarisch.

Prosper Cocquyt werd de lievelingspiloot van het Belgische vorstenhuis en de persoonlijke piloot van de koningen Albert I en Leopold III. Op het paleis van Laken was hij een graaggeziene gast en volgde men zijn luchtvaartpresta­ties en wetenschappelijke rapporten op de voet. Weinig landgenoten werden zo veelvuldig gefotografeerd aan de zijde van koningen, prinsen en prominenten als Cocquyt met zijn eeuwige glimlach.

Koningin Astrid en Koning Leopold in gesprek met zijn geprefereerde piloot

Prinses Joséphine Charlotte naast Prosper Cocquyt bij haar terugkeer in het vaderland in 1951

Prosper Cocquyt in gesprek met Groothertogin Charlotte van Luxemburg. Links kiezerin Zita en prins Otto van Habsburg

Op 25 november 1953 bestuurde hij voor de laatste maal een lijnvliegtuig van Sabena. Toen het toestel neerstreek op Schiphol was er een beperkte zichtbaarheid en bij de lan­ding zakte de DC-4 door het landingsstel en gleed verder op zijn romp. De buiklanding had enkel stoffelijke schade tot gevolg maar omdat een officieel onderzoek werd ingesteld mocht hij voorlopig geen toestel meer besturen.

Deze verplichte inactiviteit was voor hem een zware morele slag die hij maar niet kon verwerken. Iedereen die van hem hield, van koning tot werkman, trachtte hem er weer bovenop te helpen. Sabena benoemde hem op 23 maart 1954 tot ere-chef-piloot en directie-attaché belast met het helikopter­verkeer. Niets baatte, men zag hem langzaam wegkwij­nen.

Op 22 oktober 1954 meldde de radio het droevige nieuws dat Prosper Cocquyt schielijk overleden was. Tijdens zijn loopbaan had hij 21.056 u 35' vlucht op zijn actief en legde meer dan vijf miljoen kilometer af, wat er op neer komt dat hij ongeveer twee en een half jaar van zijn leven in de lucht doorbracht.

Te Landegem, het dorp van zijn jeugd, werd door het Nevels gemeentebestuur een straat naar hem genoemd.

In 1985, naar aanleiding van de 50e verjaardag van de eerste geregelde lijnvlucht tussen België en Belgisch Kongo, werd in het Museum Rietgaverstede te Nevele en in het Parochiaal Centrum te Landegem een herdenkingstentoon­stelling georganiseerd die het leven van de gewezen lucht­vaartpionier en hoofdpiloot van Sabena belichtte[7].

[1]Jerome Lederer: Managing Director of the Flight Safety Foundation New York in 1955.

[2]Marcel Edemond in het artikel Deux vieux loups de l'air à l'honneur verschenen in het personeelstijd­schrift van Sabena naar aanleiding van de huldiging van de piloten Cocquyt en Van Ackere voor 25 jaar trouwe dienst bij de luchtvaartmaatschappij.
[3]In het geromanceerde levensverhaal van Prosper Coc­quyt, geschreven door Albert Goetghebeur, wordt veelal de nadruk gelegd op de stalen wilskracht en de koppig­heid van Cocquyt. Als kind was hij zo koppig dat de muldersknecht hem "Kop Zestiene" noemde waarmee hij bedoelde dat Cocquyt zo koppig was als zestien andere koppigaards samen.

[4]Albert Van Cotthem leidde in de jaren twintig te Gosselies het grootste deel van de piloten op die later in dienst traden bij Sabena. Later kreeg hij hiervoor de eretitel van "Eredeken der Luchtvaart".

[5]Henri Farman (°Parijs 1874) was achtereenvolgens wielrenner, automobielrijder en luchtvaartpionier. Hij was in het begin van deze eeuw houder van meerdere luchtvaartrecords en legde zich vooral toe op deze waaraan een prijs verbonden was. Zijn broer Maurice (°Parijs 1877) was eveneens houder van verscheidene luchtvaartrecords in de vlieg- en ballonsport. Vanaf 1912 gingen beide broers samenwerken. Hun bedrijven waren te Billancourt (bij Parijs) gevestigd. Tot aan de Tweede Wereldoorlog waren de Farmantoestellen een begrip in de wereld van de militaire- en verkeers­vlieg­tuigen.

In een interview, naar aanleiding van zijn 25 jaar dienst bij Sabena, vertelde Cocquyt dat hij op zeven­jarige leeftijd zijn eerste vliegtuig zag. De familie Cocquyt was per sjees op weg naar het bedevaartsoord van Oostakker toen zij Henri Farman aan het werk zagen die voor de eerste maal met een toestel een hoogte van 50 meter haalde.

[6]Sergeant-vlieger Dekeyzer was de tweede inzittende van het vliegtuig. Bij dit voorval ontstond een gekende uitspraak van Cocquyt. Toen ze vaststelden wat er haperde, vroeg Dekeyzer wat hen nu te doen stond, waarop Cocquyt antwoordde: Landen, 'k heb nog nooit iemand weten blijven vliegen.

[7]Antoine Janssens, conservator van het Museum Rietga­verstede, stelde deze tentoonstelling samen, die bijna 3.000 bezoekers aantrok.
(Zie: Land van Nevele, jg. XVI, afl. 3-4, blz. 212).