Bachte-Maria-Leerne in de greep der toverij

door T. Penneman

Op 22 februari 1972 bezocht ik Bachte-Maria-Leerne. Ik wilde o.a. horen wat men in deze gemeente nog vertelde in verband met toverij. Nog 164 andere Oost-Vlaamse gemeenten werden zo door mij bezocht. Ongeveer 3000 mensen vertelden mij duizenden lange of korte verhalen over dit onderwerp. Neen, de mensen zijn niet zó achterdochtig, als ze horen dat ze eens ‘mogen’ vertellen, als ze horen dat het is om dikke boeken te schrijven voor de universiteit! Drie uur slechts bleef ik op Bachte-Maria-Leerne, negen mensen werden bezocht. Ik heb de gemeente verlaten met 32 sagen! Dat kon in het kader van mijn globaal onderzoek volstaan. Maar men zou hier zeker een dik sagenboek samenstellen, als men eens alle mensen van boven de 60 liet vertellen over de toverij! Moge wat nu volgt hiervan het bewijs zijn:

Luister nog eens, gij vriendelijke oude mensen van Bachte en van Leerne naar de verhalen uit uw tijd. Luister, jeugd, naar wat de ouderen mij vertelden. Gij kent hem, Jules Moeykens, 87 jaar, landbouwer op rust. Ik klop op de deur. Een stem roept iets. Ik stap binnen. Jules monstert die vreemde man met zijn regenjas en ik monster Jules. Ik heb het al gezien, hij is een man. Nauwelijks heb ik in een paar woorden gezegd wat ik kom doen, of wij zitten al rond de Leuvense stoof. Mijn klein bandopnemertje ligt onopvallend op mijn schoot. Jules scharrelt van tijd eens in een pot die op het vuur staat te pruttelen. Hij trekt nog zijn plan. Of ze hem nooit bang hebben gemaakt van ’t water, met een waterduvel of zo? Maar neen, hij was niet bang. Hij is aan de Leie geboren:

Zeg Jules, hebt gij uw vader nog horen vertellen over de toverij?
Van wat?

Over de toverij?
O, goddomme, jaak zunne!

Vertel mij dat eens?
Ik hem er mijn vader horen van klappen. Mijn vader is getrouwd met Stefanie van Nevele, van Martens-Leerne en ik heb hem dikwijls horen zeggen, als hij van ginder kwam met den avond, op Martens-Leerne daar, de Damstraat, dat er daar dit kwam en dat… Dat hij meende, hé, dat dat dat was, maar dat dat dat niet was, die toverij zo! En mijn vader zei: Ge moet al dat gerust laten en zere voortgaan. Daar heb ik hem dikwijls van horen klappen. O ja! Ge moet alles gerust laten, zei hij. En als ge wijwater gepakt hebt ’s ochtends, moet ge niet bang zijn.
En hier op Leerne nog geweest, van de boer Volkaert, Leonce Volkaert. Die partij land heette de Duzeroen. En als ‘t avond was, dat ge er niet moest overgaan of dat ge er niet meer van geraakte en dat ge er moest blijven lopen tot de morgen.
Ja, en er heeft er een geweest op Leerne, ik weet ik dat goed, Sabiene De Ceuninck heette ze. Dat was de vrouw van een Fien (?) De Weirdt. Die had de naam van toveresse. En ’t was zo een heel aardige van doening. En ze liep altijd zo met een mannevolksvest aan, hé. En ik weet goed van die. Die kon alles. Wij op ’t hof, als ik klein was nog, mijn vader kocht een keer een zeug met zes viggens. En ja, dat paard dat had geen wijwater gehad, als hij voortreed. En ginder, waar dat hij die zeug oplaadde, die viggens, ze gaven dat ginder wijwater en die Biene De Ceuninck, dat ik daar zeg, was daar op ’t hof. En ze kwam zij daar ook naar kijken, ze was daar ook rond. En als mijn oudste broer ’s avonds naar de paardenstal ging, ’t lag met een veulen, dat paard. Hij verschoot ervan, die ogen waren juist lijk vuurkogels. Dat was wreed om zien. En hij ging mijn vader halen. En ze gingen daarnaar kijken. En ’s avonds, ’t lag dood. Dat was de schuld van haar! Ja dat kon zij allemaal.
En waar dat er zo vrouwen waren die een kind gekocht hadden of wat – nu is dat allemaal in gestichten, maar dan, meneer, dat was allemaal thuis, nietwaar – wel, en ze wist zij met alle truken daar binnen te geraken. Wel, en ’s anderdaags dat was dood en dat was weg. Dat was dood dat kind. Ja, maar ze kenden haar al goed, hoor. De deuren waren al vermaakt, als er een hoorde: Biene De Weirdt komt daar af! Allemaal hun deur vermaakt, Kijk… o, dat is allemaal gebeurd, hé. O, die deugnieterij dat er geweest heeft, o, o… ja, ja.

Hebt gij nog gehoord van toverij met speldekes?
Wel, ik heb nog geweten dat ze deugnieterij deden bij de beesten. Op het einde van hun staart, staat daar zo een beetje lang haar, hé, en ze deden dat een beetje weg en ze taken daar een koperen speldeken in. Ja, ik heb dat allemaal nog horen vertellen. Maar dat is jaren geleden, hoor. Wel, en die beesten die werden lijk razend. En de veearts en gelijk wat erbij gehaald werd, niemand kon peinze wat dat was! En allemaal weg en dood.

Gingen ze dan niet bij de paters?
Ja, ja, maar wie peinsde dat altijd? Mijn vader in den tijd, wij hebben wij dat zo dikwijls gehad dat zij daar liep die Biene. En dikwijls naar de paters geweest naar Gent, zulle. En ik weet nog goed dat mijn vader ging en dat ze nog bij ons geweest zijn op ’t hof. En dat ze een ding gaven… een paasnagel. Dat weet ik allemaal nog goed.

Hebt gij dan nooit gehoord van spoken aan de Leie?
Neen, dat niet. Vroeger werd dat bevaren met zeilschipkes.

En de weerwolf?
O, ik heb daar dikwijls van horen klappen van weerwulven, godverdomme. Ja, ik hoorde daar dikwijls van klappen dat ze daar bang van waren en alles. Maar ik heb dat nooit niet gezien hé! Dat liep daar, heb ik mijn vader ook nog horen vertellen, godverdikke, ja, maar ik heb dat nooit niet gezien neen.

Waren er hier geen onderaardse gangen?
Neen, die hen ergens inschoten en die elders verre ginder dan boven kwamen. Dat werd gegraven onder de grond. Ik heb mijn vader dat nog horen zeggen, maar ik heb het niet gezien. Ik weet het niet. Maar die toverij dat ik u daar gezegd heb hé, ik ga u dat een keer uiteendoen. Ik was ginder een keer op de Leikant, hier op Leerne ginder op de Leikant. Daar, ze woonde zij daartegen die. En die vent, heb ik vader goed horen vertellen dikwijls, en die vent trouwde daar en woonde daar. En als het nacht was, als ze in hun bed waren, ze hoorden zij daar soms meulenen in huis zo met een graanmeulen. En alles zo, ze hoorden zij daar kernen. Zij hoorden zij daar alles doen. En dat ze opvlogen en als ze gingen kijken, ze hoorden of ze zagen niets! En als ze weerom in hun bed waren, dat was weerom hetzelfde. Ik heb mijn vader dat dikwijls horen vertellen. En dan naar de paters gegaan omdat ze daarvan gehoord hadden. En omdat ze daarvan wisten. En de paters en al daar gekomen. En ik hoorde mijn vader dan zeggen dat dat daar dan helegans veel gestild en verbeterd was. Dat het daar gedaan was. En dat al die dingen van toen, dat het daarmee gedaan was als het Sint-Jansevangelie opgekomen was, zei mijn vader. Maar ik weet niet wat dat allemaal was, niewaar.

Wat hebt gij vroeger gedaan?
Ik was een boer.

Hebt ge nooit gehoord dat ze door toverij in ’t water gesmeten werden?
Neen, maar weet ge wat ik mijn vader horen vertellen heb, als hij te vrijen ging daar op Martens-Leerne en hij al de Damstraat moest, alhier naar huis komen, en dat er daar een kat liep en zo aardig. O dat was wreed om zien, zei mijn vader. Maar ja, met dat ik daar veel van hoorde, zei mijn vader, ik was daar niet bang van en ik ging en ik liet ik dat gerust. En er was daar nog enen die aldaar kwam en die gaf die kat een slag! En als hij thuis kwam, heb ik mijn vader horen zeggen, zijn schoonste kalfveirze lag haar bil af… En dat is eigenlijk waar. Dat heb ik mijn vader nog dikwijls horen vertellen.

Zijn kalfveirze?
Een kalfveirze, meneer, ik weet niet of ge dat verstaat?

Een koe?
Een koe, ja, die moest gaan kalven, hé… en hij geeft die kat daar met een stok een slag en dat was die kat die toverij of wat was in de Damstraat. En als hij goddomme thuis kwam, hij ging in de stallen, de schoonste beeste lag haar bil af. Ik moest daar om lachen als mijn vader dat vertelde. Ja maar, zei mijn vader, gij weet gij nog van niets. Gij zijt gij veel te dom, als kleine jongen. Wel, ’t is echt waar geweest en dat weet ik goddomme nog goed, hoor! En ik heb mijn vader nog horen zeggen dat ge altijd moest zien als ge ergens ging of deed, moest ge ’s avonds of gelijk waar, dat ge moest, wijwater pakken. En als ge wijwater gepakt had dat ze u dan niets konden doen. En van die toverij… dat ze u konden ‘verleen’, dat ze een hele nacht altijd moesten lopen en dat ge u nooit niet bekende. Dat ge dikwijls voor water en voor alles kwam, ge weet wel. En dat ge nooit niet wist waar ge waart. En een hele nacht rondlopen hé, tot ’s morgens. En als ze om wat kwamen bij u hé, dat ge daar wijwater in moest doen, dat ze dan niet konden doen. Als ge in melk wijwater ingedaan hebt of zout, kunnen ze u niets doen.

Hebt gij nog gehoord dat ze niet konden karnen?
Ik heb mijn vader dat nog horen zeggen, dat ze karnden en herkarnden en dat ze geen boter kregen. En dat ze daar ook over peinsden ja. En in dien tijd werd daar veel van geklapt hé. Ze gingen naar de paters. En mijn vader, ze kregen zo lijk kleine broodjes, heb ik mijn vader nog horen zeggen, zo kleine dingskes en ze moesten daar alle dagen een beetje van indoen en ze moesten dan lezen zelf.

En van paasnagels onder een stoel?
Ze moet zij dan ook weg, zij kon zij daar niets meer doen.

En van ‘dan aa man’?
O, den ‘aa man’, wel die die ik daar zag op de Leikant. ’t Is daarmee dat allemaal die vrouwen daar zo bang van waren. En de kinderen niewaar, zo zeiden ze: ‘t is den ‘aa man’ dat het heeft. Maar dat was van die, dat dat goddomme betoverd was. En dat teerde uit en dat stierf, dat was dood.

Hebt gij dan nog gehoord van een ‘bomloze put’?
Ja, ja, ik weet daar heel goed van. Die lag alginder ergens zie. Dat was een bomloze put. Ik heb er mijn vader dikwijls horen van klappen.

Wat gebeurde daar?
Ja, niemand durfde daarin of omtrent gaan. En in Vinderhoute of aldaar heb ik nog gehoord van een bomloze put die daar ook was. En dat ze met een koord machtig van lengte, om te weten hoe diep, geen bodem vonden. O, een machtig lange koord en ze doen daar een steen aan, en ze lieten in… Allemaal verloren, genen bodem, hé!

Wij zijn nu in de keurige woning van Theodoor Pieters, 82 jaar, oud-renner en oud-postbode:

Toverij?
Dat heeft bestaan, hé. Ze zeiden altijd Biene De Weirdt.

Hoe was haar echte naam?
Sabiena heette ze. De mensen niet gerust laten en op hun rug en op hun hoofd kloppen. Ik heb daar nooit veel met in alliantie geweest.

Waar gingen ze hier naartoe als de beesten ziek waren?
Bij Boekaert van Waregem, Boekaerdeken.

Wie was dat?
Een soort van een veearts of iets. En ook bij de paters naar Gent, nietwaar.

Hebt gij nog horen klappen van den ‘aa man’?
Ik heb een broer gehad, die heeft daar twee kinders van dood schier van den aa man.

Ook betoverd?
Ah?

Toch niet van die Biene?
Ik weet het niet. Misschien met iets aan te geven, niewaar. Ze kwam zij iets vragen of lenen en dan lapte zij het u.

Maar kon men daar dan niets tegen toen?
Er waren veel mensen in den tijd die zo een paasnagel van de paaskaars onder de deur staken. ’t Schijnt dat zij dan niet binnen konden.

Was er hier geen onderaardse gang?
Ja, van het kasteel en die komt daar tegen de kerk in de meersen uit.

Hoe lang is die?
800 meter.

Waarvoor heeft die gediend?
Ik weet dat niet. Het was van de leenroerigheid, zeiden ze.

Wie in Bachte-Maria-Leerne komt, moet natuurlijk ook het kasteel van ooidonk eens gaan bekijken. Het is nog vroeg in het jaar. Er staat geen één auto… en het is weer beginnen regenen. Toevallig zei ik aan de poort Cyriel Dhaene geboren in 1914. Hij is hovenier op het kasteel. Ik val met de deur in huis:

Zeg meneer, wat is dat hier geweest met die toverij?
Ja, op de Leikant, Bruun De Weirdt. Er was een vrouw die ziek was. Virginie Volkaert. Dat was een ziekte die overgezet was. En ze kwam weer uit haar bed. Ze deden die dekens in de Leie en ze haalden die dekens daar zes weken nadien uit… en daar was nog niets aan. Dat was iets dat een mirakel was. Dat heb ik moeder dikwijls horen vertellen.

Door wie was die dan betoverd?
Ze wilden zij altijd hebben dat dat van Bruun De Weirdt zijn vrouw kwam.

 

Nu komt Jef Corijn aangereden met zijn tractor. Ook Godelieve Van Hee staat bij de portierswoning. Zij is van 1921, haar man is wever. Jef heeft niet veel tijd te verliezen en rijdt verder het park in, nadat hij mij de uitleg gedaan heeft over de moord van Van Hoe-Verstuyft.
Met Godelieve Van Hee begin ik weer over de toverij:
Ge moet dat maar eens vragen aan Jef van zijn broerken.

Die daar…?
Ja, die op de tractor. Zijn broerken die betoverd was, als ze ermee naar den doop gingen. En als ze ermee naar den doop gingen, kwamen ze Biene tegen, die toveresse. En ze was zo wreed geneigd om aan de kinders te komen: Hé, dat is een schoon kindje. Zie ge dat. En ze had dat ook gedaan. En dat kind begint te schreeuwen. En ze komen daarmee thuis, en huilen en tieren dat dat kind doet. En dat waren die vroedvrouwen met die die dat kind droegen, hé. En ze kwamen thuis en Guust, Jozef zijn vader, Guust zegt: Waar hebt gij met dat kind geweest? Zijt gij misschien Biene tegengekomen? Ah ja, en ze heeft ernaar gekeken, zei ze. En hij schiet hem daar naartoe. En ik weet niet wat hij daar gezegd heeft. Ga maar naar huis, heeft ze gezegd… En dat kind was kalm. ’t Was gedaan.

Wie had dat kind kalm gemaakt?
Zij, al met ne keer, zij, zonder erbij te zijn dan. Hij is er naartoe gegaan!

Hebt ge zo nog van die stoten gehoord?
Ja!

Vertel eens.
Waar dat Dobbelaars nu wonen, waar dat die mensen nu wonen waar dat die moord is gepleegd van Van Hoe-Verstuyft, die mensen woonden daar en ze hoorden zij dat ook altijd zeggen en zeggen. En ze kwam daarbinnen: Nu wil ik toch wel eens weten of zij wel iets kan? En de stoelen stonden allemaal rond de tafel. En we gaan onder één van die stoelen een gewijde palmtak steken. En ze zetten die stoel waar dat zij altijd zat, niewaar. En ze komt binnen, en dat ze achter melk kwam. En ze zette haar op die stoel niet! Ze zette haar daar neven! En dan hebben ze gezegd: Ze kan wel wat. Ze zette haar daar niet op. Ofwel was het, dat z’onder allemaal een palmtak staken en enen niet. Ik peins dat het zo iets was! Ja en ik heb ook nog gehoord dat ze zo veel dingen langs de grond smeet. Want mijn meter die woonde daar ook niet ver van. Die had twaalf kinders en ze verbood altijd haar kinders dat ze niets mochten oprapen van de grond. Maar een kind, hé! En één raapte wat op en het was ook betoverd. Allez, zo veel dingen.

Hoe heette die vrouw eigenlijk?
Zij heette Sabiene en haar dochter heette Marie. Die Marie heb ik nog gekend. Die heb ik nog zien staan aan het hekken. En dat was juist ook een toverhekse!

Hebt gij nog van die dingen gehoord?
Mijn schoonvader was van Leerne. En bij hem thuis hadden ze een tweeling. Twee broerkes van mijn schoonvader. Ze veranderden niet, ze verzwaarden niet. Ik weet niet hoe ze dat noemden.

Den ‘aa man’?
Ja, ja. En mijn grootvader ging naar Gent bij de paters. En die zei: Ga naar huis en nog dezen avond zullen ze alle twee gestorven zijn. En mijn grootvader kwam naar huis en tegen dat het avond was, waren ze alle twee gestorven. En mijn schoonmoeder die woonde hier op dat groot hof en ze was daar met twaalf kinders. En op een dag, op een voormiddag kwam ook zo een manneken met een kasse…

Met schoensmeer, nestelingen en… ik hoor het al.
Ja. En hij had de naam dat hij kon toveren. En ze wisten dat. Zo mijn schoonmoeder haar moeder die kocht daar niet van, omdat ze daar zo bang van waren, niewaar. Kijk, zegt hij, als ge niets koopt bij mij, ge ziet daar uw stal staan, niewaar. En ’t is daar een deur aan, zegt hij, met zo een deurken in. Wel, zegt hij, dat deurken staat open, hé. Als ge niet koopt bij mij, gaat daar een koe voorkomen, een kop van een koe. En ze wilden niet kopen. Ze keken en die koe stond daar met haar kop door. En ze gingen dan melken niewaar, en ze konden geen één, geen één koe melken. Ze schopten en ze sloegen en deden, ze konden niets doen. En ze zijn erachter gegaan zeker – dat was te voet, ze gaan van ’t een naar ’t ander – en hij heeft dat dan ook weggepakt. Ze hebben daar voorzeker van gekocht. Dat heb ik mijn schoonmoeder veel horen vertellen. Ze was erbij. Zij woonde daar op dat hof.

Hebt gij nooit gehoord van weerkerende doden?
Dat heb ik niet gehoord. Maar ik heb mijn vader veel horen vertellen van Boekaerdeken van Waregem.

Dat was een veearts, hé?
Ja, als er iets was met hun beesten, gingen ze achter Boekaerdeken en Boekaerdeken leesde dat af. In mijnen thuis hebben ze dat ook nog geweten, dat er een kalf niet wilde drinken of zo. En ze moesten daar om gaan. En Boekaerdeken die zat een keer in de kerk en hij zat neven iemand, ja mijn schoonvader heeft gezegd wie, maar ik weet dat niet meer. En zegt hij: Ik moet naar huis, want mijn zoon is bezig met hem dood te lezen, zegt hij. En die had dien boek gevonden en hij was daar in aan het lezen en hij werd dat gewaar. Ik mot naar huis want mijn zoon is bezig met hem dood te lezen. Dat was waar. En ge moet ook eens vragen aan Jules Vervennet of hij dat niet weet van hun oude schaper en dat berevel.

 

Ik loop nu verder het park in tot bij Jef Corijn die mest op de perken is aan het strooien. Ik vraag hem of hij nooit gehoord heeft over toverij in de Leie. Hij begint echter spontaan over Biene:
Hier heeft een toveresse gezeten. Biene De Weirdt. Dat heeft een toveresse geweest, heb ik mijn vader dikwijls horen zeggen, maar ja, ook van horen zeggen… en in stukken en… Maar ik kan daar geen uitleg over geven, verstaat ge.

Wij rijden nu onmiddellijk naar het hof van Jules Vervennet, 72 jaar, boer en oud-burgemeester. Clara d’Hulster zijn vrouw is van 1897. Vriendelijk worden wij binnen gelaten. Alle drie zitten wij rond de tafel. Na mijn klassieke vragen over de toverij in het water en roversbenden begin ik weer over de toverij. En Clara vertelt:
Dat was één in de gebuurte en al de kinders in de gebuurte waren daar bang van. Omdat ze zeiden dat dat een toveres was. En dat was pertang niet waarschijnlijk, hé. En al de kinders, als ze naar school gingen deden een omweg.

Was dat Biene?
Ja, Sabiene De Weirdt.

Wat deed ze dan eigenlijk?
Ah jongen, dat was een rare. Ze woonde in ons huis en wij waren daar zo bang van. En al de kinders waren daar bang van. En als wij naar school gingen en wij zagen haar gaan: O, Sabien is daar, Sabien is daar! En wij deden altijd een andere weg. Ze kwam hier eens en ze zei tegen mijn vader: Ja maar, de kinders zijn altijd bang van mij. Waarbij komt dat, zegt ze. Ze trapte zo altijd met haar voeten. Dat was zeker een ziekte peins ik. En Lieza Kloede, zij had een jongetje met een arm af. En ze zei dat dat Sabiene was die hen behekst had.

 

Wij zijn nu een paar honderd meters verder, op Sint-Martens-Leerne. Theofiel Rogge woont hier al 56 jaar, maar eigenlijk is hij geboortig van Nazareth. Ik vraag hem of hij nog van Sabien De Weirdt heeft gehoord:
Door De Weirdt kon dat ook, maar zijn vrouw kon het nog beter, zei men. En Door kwam eens uit de kerk en dien oude velorijder kwam ook uit de kerk. En Door zegt: Hoe is ’t? En hij slaat op zijn schouder. En die mens: Hoe, gij, godver… Pas op! En Door zei: ’t Is niets, ’t is niets. Zo, was die mens niet bang geweest, hij zou hij dat toch niet gezegd hebben, hé? Maar daar was daar een dochter. En hij ging een keer wandelen met zijn dochter. En ze komen daar langs de baan aan een partij haver. Ge hebt dat ook nog horen zeggen misschien, in haver, dat er daar wolftanden in komen, niewaar, zwarte bonen (??). Hij zegt: Ik ga eens kijken of gij dat ook kunt, dat ze zeggen. Want ge weet dat ze zegden dat dat altijd verviel.

Van vader op dochter?
Ah ja, of van moeder op dochter. Hij zei: Ik heb dat altijd horen zeggen, dat er waren die dat konden, dat zij dat vastpakten, dat dat al zwart was. Ah, ge moet daar niet zo wreed over klappen, zei ze. En zij pakte zij die haver vast en ’t was al zwart dat ze had. Heb ik altijd horen zeggen, hoor! En dien Door. Hij zat op een zondag binst de mis in een café. Er staat een nieuw huis nu. Dat was te Cesars en ’t was binst de hoogmis. En de paster staat te preken en die Cesar zegt tegen hem: De paster is bezig met preken. Ja maar, als ik wil, hij zal niet lang preken, zei hij. ’t Moet toch zijn dat hij iets kon!

Ook verder in Oost-Vlaanderen hebben wij mensen ontmoet die ons over Leerne iets konden vertellen. Zo was er Ivo Dhanens uit de Kerkstraat te Meigem. Hij is 89 geworden. Hij zit zijn krant te lezen, wanneer ik bij hem binnen kom. Niemand geeft hem 89! Hij vertelt:
Als mijn vader getrouwd is, is hij naar Leerne gegaan. Ik ben van Meigem maar mijn oudste broer is op Leerne geboren. En daar woonde een oude boer. Kolle heette hij, een zagerij. En hij gaat naar huis en hij komt een vent tegen achter hun dreef voor naar ’t hof te gaan. Zegt die vent tegen hem: Ik ben daar bij die boerinne geweest achter een boterham en ik heb genen gehad. Doet haar de complementen dat het haar wel zal spijten. O, kust zijn kloten, zegt hij, hij moet het maar weten. En ’s anderdaags ochtende lagen er drie beesten dood. En ze hebben ook moeten naar Gent gaan om de paters, voor ’t kwaad weg te doen. En die pater moest alleen in de stal. En als hij eruit kwam, hé, ’t zweet drupte van hem. En ’t kwaad was ook weg!

 

Te Machelen in het gesticht ontmoetten wij Oscar Naessens. Hij is 74 jaar. Officieel was hij vlasbewerker, maar hij was o.a. ook een ‘diender’. Hij heeft al duizenden genezen. Plane, nagelgaten, kathlienewielen, hij geneest alles met zijn trouwring. Had hij gewild hij was de rijkste mens van Machelen geweest, maar hij heeft nooit aan iemand een frank gevraagd. Hij heeft nooit iets in zijn hand gepakt, hij liet het in zijn zakske steken.
Ik ging een keer naar Bachte met mijn baas, meneer Morreels van Antwerpen. Die mens is nu ook dood. Ik was propagandist van ‘Zondagsvriend’ en de ‘Gazet van Antwerpen’. En de mensen hun konijnen gingen dood en ze zeiden dat wijf daar, die zwarte zo een dikke. Wel we kwamen wij daar in huis in Bachte en ze zeiden: Ge moet zien dat ge daar niet gaat. Het is een toveresse. Ik zeg: Waar woont die? En mijn baas was ook zo nogal een rare. Hij zegt: Karken, willen wij daar eens naartoe gaan? Hij zegt: Madammeken, ’t schijnt dat gij een toveres zijt. Ge moet hier oppassen, want hier is hier enen bij, die gaat u wat aandoen. ’s Anderdaags was ze weg en vertrokken. En hij heeft ze nooit vanzeleven niet meer gezien. Ze was vertrokken. Vraagt dat een keer in Bachten.

 

Baziel De Waele werd in 1897 te Bachte-Maria-Leerne geboren. Hij woont nu te Astene:
Als er een aardig wijveken was op Bachte-Maria-Leerne, ’t waren al toveressen! Maar dat was geen waar. Biene De Weirdt die had de naam. Pol De Weirdt was haar zoon. En de kinderen waren bang, omdat die oude mensen altijd maar zeiden dat het een toveresse was!

 

Leonce Van Meenen werd in 1889 te Bachte-Maria-Leerne geboren. Hij woont nu te Astene:
Ik heb mijn vader nog horen vertellen dat Vosselare put genommeerd is, omdat, ik weet niet in wat oorlog, ten tijde van een oorlog, dat de klokken van Vosselare daar in die put zouden gesmeten zijn. En daardoor is dat de Vosselaar put geheten.

 

En met Leon Van Speybroeck in 1891 in Bachte-Maria-Leerne geboren, sluiten wij dan onze reeks. Te Astene vertelde hij ons het volgende:
Weet ge waar toverij bestaan heeft? Op Bachte-Maria-Leerne. En dat was op de Oude (?) Weg. Dat was de vrouw van Bruno De Weirdt. Hij was barbier, zijn broer was ook barbier. Zij had de naam van een toveresse te zijn. Zij heette Marie Van Laere. Biene De Weirdt, zeiden ze altijd, maar ze heette eigenlijk Van Laere. Ze woonde in de Leikant, als ge van Leerne naar Bachte gaat.

Hebt ge er nog toeren van gehoord?
Ja, katten op het huis lopen en lichten die brandden, dat was Sabiene De Weirdt! En ik ga nog eens iets vertellen van Sabiene. En dat was den dokteur Callewaert. Die moest komen naar de zieken, maar in de wijk, niewaar. En als hij halfwege was, ’t paard keerde hem om. Hij keerde weerom. En ze zeiden dat dat Sabiene De Weirdt was die dat tegengehouden had.

 

Hiermee zijn wij aan het einde van onze oude verhalen uit Bachte-Maria-Leerne. Men zal dit alles misschien met een lachend schouderophalen gelezen hebben. Maar men zal daarbij toch niet vergeten dat juist in deze verhalen een brok cultuurgeschiedenis vervat ligt die nooit in de geschiedenisboeken terecht kwam. Wie de geschiedenis der 19e eeuw schrijft en hieraan voorbijgaat verwaarloost een belangrijk aspect van de volkscultuur. En wij overdrijven nauwelijks wanneer wij stellen dat de door de historici wel eens gesmade volkskundige methode hier misschien wel dieper doordringt in het verleden dan de wetenschap, die zich er soms op verheft, ‘de wereld alles te zeggen wat wij over de verleden werkelijkheid kunnen vinden’.