EEN 16de-EEUWSE DUIVENTOREN TE HANSBEKE
door Albert Martens
In een bijdrage van O.S. De Praet Duiventorens in Oost-Vlaanderen verschenen in Oostvlaamse Zanten, jg. 41 (1966) nrs. 3, 4, 5 vindt men een beknopte studie over het ontstaan en de geschiedenis van de duiventorens in ons land.
Gedurende de periode van het leenroerig tijdperk en in de daaropvolgende eeuwen was het houden van duiven een voorrecht van edellieden, abdijen en kloosters.
Men kweekte duiven omwille van hun smakelijk vlees. Deze duivenkweek vormde, samen met de vogelrie, de visserie en de zwanerie, een belangrijk onderdeel van de voedselvoorziening voor de rijke tafels van de edellieden.
De kasteelheren bouwden speciale torens met duiventillen waarin honderden koppels konden nestelen, broeden en kweken. Op de toren werd niet gevoederd, tenzij tijdens zeer strenge wintermaanden, zodat de duiven voeder zochten op de omliggende akkers van de pachters, die dit stilzwijgend moesten gedogen.
De duiventorens werden aanvankelijk in hout vervaardigd doch later met bakstenen gebouwd. Men treft ze nog aan op of rond kasteeldomeinen en op oude boerderijen die aan abdijen of kasteelheren toebeho(o)r(d)en.
Op het oude pachthof palend aan het grafelijk domein aan de zuidkant van de Veldstraat te Hansbeke, staat achteraan op het erf nog een dergelijke duiventoren.
Het vierkantige gebouw van middelmatige hoogte is opgetrokken in baksteen en heeft als basisafmetingen 3,50 m bij 3,50 m.
Het zadeldak ligt ingesloten tussen twee trapvormige puntgevels; iedere trapgevel bezit tweemaal vier trappen en een bovenste trap, die elk door een platte natuursteen afgedekt zijn.
In de oostgevel bevinden zich ter hoogte van de derde trap drie kleine openingen in driehoekstand; onder deze vlieggaten ligt een sterk afgebrokkelde loopplaat die rust op vier consoles in mergelsteen.
De westgevel bevat op dezelfde hoogte een horizontale rij van vijf vluchtgaten voorzien van een eveneens op consoles liggende loopplaat.
De ingangsdeur tot de gelijkvloerse ruimte, die thans als fornuiskot dient, bevindt zich in de noordgevel gericht naar de boerenwoning.
Een booggewelf scheidt dit braskot en de bovenliggende duivenkluis die men met een ladder aan de buitenzijde langs een laag deurtje van 1,25 m hoogte bij 0,70 m breedte kan bereiken.
De kluis bevat 120 uitspringende woonnissen die in baksten tegen de zijwanden gemetseld zijn.
De aan de toren aangrenzende stallingen werden later aangebouwd, hetgeen er op wijst dat het duivenhuis oorspronkelijk alleen stond.
Hoewel het bouwjaar niet met zekerheid is gekend mag men aannemen, rekening houdend met de bouwwijze, dat de duiventoren van de 16de eeuw dateert.
Dit zou eveneens worden bevestigd door een notitie in het penningkohier van Hansbeke daterend van 1571, hierin wordt vermeld dat Anthonis De Meye(re) pachter was van een pachtgoed, vermoedelijk gelegen in de Veltstrate waarop een huzynghen met duvekeete stond.
De hoeve met de duiventoren is thans eigendom van Graaf Boudewijn Bousies en wordt sinds mensenheugenis uitgebaat door opeenvolgende generaties van de familie De Wulf.