EEN TYFUSEPIDEMIE TE VINKT IN 1853
door Lieven De Ruyck
WAT IS TYFUS?
Tyfus is een besmettelijke ziekte die in onhygiënische omstandigheden van mens tot mens of via besmet voedsel, dranken of sanitaire inrichtingen wordt verspreid. Sommige mensen zijn "dragers" van de ziekte zonder er zelf vatbaar voor te zijn. Dat betekent dat zij de schadelijke bacteriën in hun lichaam meedragen en voor anderen een permanente infectiebron zijn. De bacteriën ontsteken niet alleen het slijmvlies van de ingewanden maar verspreiden zich via de bloedbaan door het hele lichaam. De verschijnselen lijken aanvankelijk op die van een zware griep, maar daarna volgt er een hardnekkige koorts van rond de veertig graden, waardoor de lijder steeds meer verzwakt, diarree heeft (meestal met bloed doorlopen) en dikwijls delirium. Gedurende enkele dagen kan ook op de buik een roze huiduitslag zichtbaar worden, die minder wordt naarmate de ziekte langer duurt. Als er geen complicaties optreden begint na twee à drie weken geleidelijk een herstel. De incubatietijd van tyfus is ongeveer 10 dagen. Met antibiotica kan de ziekte goed worden bestreden. In de periode die we hier behandelen, dus vóór antibiotica ter beschikking stond, was de mortaliteit 10 à 20%.
In zijn eerste verslag over de ziekte beschrijft Dr. Dumont de ziekteverschijnselen als volgt: Bij het grootste deel van de zieken was het opkomen van de ziekte vrij plots. Bij allen stelde men van bij het begin verdoving en duizeligheid vast en meestal misselijkheid. De meesten hadden een hoge koorts met ijlingen afgewisseld met neerslachtigheid en krachteloosheid. De blik is versuft of star, ze liggen op de rug, de tong is droog, de tanden roetkleurig, ze hebben weinig dorst en meestal is er diarree (1).
EVOLUTIE VAN DE ZIEKTE
De ziekte werd het eerst in Vinkt gesignaleerd op 23 januari 1853 en kende een eindpunt rond 30 juni 1853 (2). In totaal zijn er 315 personen besmet geweest. 31 of 32 personen zijn aan de ziekte gestorven(3). Een telling van 25 juni leert ons dat van de toen nog 28 tyfusslachtoffers er 12 van het mannelijk en 16 van het vrouwelijk geslacht waren. Op dat moment ontvingen nog 48 personen allerlei zorgen. Het lijkt dan ook weinig waarschijnlijk dat alle sporen van de ziekte rond 30 juni verdwenen zouden zijn. Hetzelfde rapport (4) vermeldt namelijk nog een aangroei van zieken in de maand juni. Tussen 1 en 7 juni worden er 7 nieuwe gevallen gesignaleerd, tussen 9 en 13 juni 9 en tussen 14 en 23 juni 15 nieuwe gevallen.
Vinkt werd dus wel erg zwaar door deze ziekte getroffen. 315 zieken op een toenmalige bevolking van 1.945 personen is een groot aantal (16,1%). Het dodenaantal lag de jaren voordien rond de 25 in de eerste zes maanden van het jaar. Eind juni 1853 was dit reeds opgelopen tot 45. Het totale aantal zou in 1853 uiteindelijk 74 bedragen. Dit is een van de hoogste sterftecijfers van de eeuw, met uitzondering van de hongerperiode 1846-1848 toen deze aantallen nog veel hoger lagen.

Grafiek 1
Merkwaardig is dat de ziekte een zeer geïsoleerd karakter had. Als we de overlijdens van Vinkt vergelijken met deze van twee aangrenzende gemeenten, Zeveren en Meigem, voor de periode 1833 tot 1860, dan merken we dat, daar waar de lijnen elkaar vrij getrouw volgen gedurende die dertig jaar, beide laatste gemeenten geen beduidende verandering te zien geven in de sterftecijfers voor 1853 (grafiek 1). In beide was nochtans tyfus voorgekomen: in Zeveren zouden er twee gevallen van tyfus gesignaleerd zijn (5), in Meigem drie gevallen. Deze laatsten waren geïmporteerd door meisjes die in Vinkt in de kantwerkschool werkten(6).

Grafiek 2
Vooral in de beginperiode maakte de ziekte veel slachtoffers. Er waren 8 overlijdens in maart, 19 in april, 7 in mei en juni en 6 in juli (grafiek 2). Dit waren natuurlijk niet allemaal slachtoffers van de ziekte. Het is echter wel zo dat tyfus deze getallen bovenmatig aandikte.
Bekijken we de gegevens van naderbij dan merken we dat er in de tyfusperiode 17 personen van het mannelijk geslacht overleden en 22 vrouwen.

Grafiek 3
De kindersterfte was vrij groot 8 op de 39 (grafiek 3). Het gaat hier echter voornamelijk om zuigelingensterfte. De leeftijd varieert van 2 dagen tot 9 maanden. (Zie bijlage I)
Er overleden 5 personen uit de leeftijdsgroep 15 tot 25 jaar. De meeste slachtoffers waren echter volwassenen tussen 36 en 60 jaar. Onderverdeeld per maand merken we dat de meeste slachtoffers in deze groep vielen tussen februari en juli.
Op 23 april meldt Le Messager de Gand dat tot begin april de dodelijke slachtoffers, op enkele uitzonderingen na, zwakke personen, of reeds lijdende aan een ziekte van de organen zijn. Gezonde personen zijn er bijna allemaal tegen bestand. In de periode van 15 tot 18 april was er 1 hervallen, en waren er 7 personen aangetast, waaronder verscheidene sterke mensen genietend van een stevige gezondheid. Zij werden tenminste 3 maal 24 uur geveld door de ziekte. Dit verhoogde natuurlijk de terreur in de gemeente (7).

Grafiek 4
Zoals in dergelijke omstandigheden te verwachten valt trof zo'n epidemie vooral de meest behoeftigen (grafiek 4). Indien we voor de tyfusperiode een uitsplitsing maken per beroep dan stellen we vast dat 42% van de slachtoffers spinsters waren en 21% wever. De kantwerksters komen slechts voor 3% in de cijfers voor. Een merkwaardige situatie, want de kantwerkscholen worden door alle bronnen als de broeihaarden van de ziekte aangegeven. Kennelijk konden de jongeren zich van de ziekte beter herstellen en werden vooral de ouders getroffen. Een reden kan liggen in het feit dat kinderen die de leeftijd van +10 haalden reeds tot de sterksten behoorden. De zwakkeren stierven reeds vroeger. Kinderen zullen bij het ziek worden automatisch meer in bed blijven dan de ouders omdat ze geen gezin hebben om voor te zorgen. Aangezien rusten bij een dergelijke ziekte belangrijk is, kunnen we hierin een verklaring vinden voor het gering aantal slachtoffers onder de kinderen en het grotere aantal onder de volwassenen(8).
HET VERLOOP VAN DE GEBEURTENISSEN IN VINKT
Alhoewel achteraf blijkt dat de eerste ziektegevallen reeds eind januari 1853 moeten worden gedateerd schreef het gemeentebestuur nog op 18 februari een brief aan de provinciegouverneur met de mededeling dat de kantwerkscholen binnen de gemeente met betrekking tot de gezondheid .... nogal in eenen tamelijken voldoende staet verkeeren (9).
Vanaf maart werd het echter voor de autoriteiten duidelijk dat maatregelen moesten worden genomen. Op 19 maart werd Dokter Dumont naar Vinkt gestuurd om een evaluatie te maken van de steeds zorgwekkender toestand. Er waren op dat moment reeds 92 inwoners getroffen voornamelijk kantschoolwerksters tussen 10 en 18 jaar (10). Niettegenstaande het aantal getroffenen erg hoog was, stelde de dokter toch vast dat het aantal dodelijke slachtoffers laag bleef. Vijf personen stierven tot op dat moment aan de ziekte (11).
De haard van de ziekte bevond zich in de kantwerkscholen waarvan er in de gemeente vier waren. De dokter stelde dan ook voor deze scholen te sluiten en ze te laten witten en ontsmetten. Hij vroeg ook eenzelfde behandeling voor de woningen van de besmette personen. Verder stelde hij voor een noodhospitaal op te richten. Daarbij merkte hij wel op dat dit bijzonder moeilijk zou zijn gezien de slechte financiële toestand van de gemeente. Ook het gemeentebestuur kloeg over de financile toestand van de gemeente: Zonder subsidie van staat en provincie Mijnheeren is het onmogelijk te kunnen volhouden om de vereischte en onvermeidelijke noodwendigheden aen de typhoiden te bezorgen. Wij gelooven ons te mogen onthouden U te erhaelen ofte voor ogen te leggen den ongelukkigen financielen toestand der gemeente, de verschillende comtabiliteiten die de gemeente en armgesticht hebben het U al genoegzaem bewezen (12). De gemeente had namelijk een schuld van 6.000 fr.
Op 21 maart besliste het College dan ook de kantwerkscholen te sluiten. Pastoor Baetens (13), directeur van één der kantwerkscholen, legde dit bevel echter naast zich neer. Hy beweerde dat de kinderen beter in de school waeren dan in hunne wooning (14). Daarop werd hem, in een brief van 22 maart, bevolen de school binnen de 24 uur te sluiten anders volgde de sluiting van ambtswege (15). Ondertussen informeerde de gemeente zich in een brief aan de Procureur des Konings of zij het recht hadden dergelijke actie te ondernemen (16). De politiecommissaris kreeg de opdracht het schorsingsbesluit uit te voeren. De pastoor haalde bakzeil en sloot de school maer hy deed het slechts een kwartier voordat de vier en twintig uren waren verlopen (17).
Een week later, op 27 maart 1853, kwam het gemeentebestuur, op een buitengewone zitting van de gemeenteraad, bijeen. De voorzitter geeft verslag van het advies van den traiterenden Docter Verbiest (18), bij welke hij van gevoelen is, dat de kinderen welke door den typhus niet aengedaen zijn nochte de dispisitien niet hebben mogen beginnen werken. Het College stelde vast dan ook dat sedert de sluiting al die lokalen, gekuischt, gewit en verlucht zijn gedurende negen dagen en ze is van gevoelen de zelve te openen op overmorgen (19) en op de volgende voorwaarden waer naer de kantwerkschoolhouders zich zullen moeten gedragen, en er door hunne kinderen zoveel het hun aengaen moge aen te doen volkomen onder hunne persoonlijke verantwoordelijkheid (20).
De voorwaarden waren de volgende:
Schooluren: 's morgens van 6 uren tot 8 uren, van 9 tot 11 uur, des namiddags van 1 uren tot 4 uren, van 5 uren tot 7 uren 's avonds. De tijden tussen de uren mag geen enkel kind in het lokaal verblijven noch er werken. Ze zijn verplicht te spelen en zich te verzetten.
Geen vierpotten mogen gebruikt worden.
Er mogen geen kinderen worden aanvaard die door tyfus besmet zijn geweest.
Dat de kinderen die hun plichten vervullen s' middags mogen komen middagmalen in het huis die de commissie, gelast met het ontvangen der giften gedaen in voordeel der armen, ter haren beschikking heeft. Het College voegde er nog aan toe dat bij het eerste teken van tyfus de school in kwestie opnieuw moet worden gesloten.
Op 6 april brengt Dokter Dumont een nieuw bezoek aan Vinkt. Hij stelde vast dat de ziekte nog steeds uitbreiding nam maar dat zijn voorstellen werden uitgevoerd. In een derde rapport van 13 mei bleek het aantal zieken te zijn opgelopen tot 217 en het aantal doden tot 25. Hij stelde verder vast dat de ziekte minder intens geworden is en dat de grote stijging van het aantal besmette personen rond 5 en 6 mei waarschijnlijk te wijten is aan een plotse temperatuurverandering. Het ziektebeeld vertoonde geen verandering en de meeste nieuwe gevallen deden zich voor in woningen waar er reeds besmette personen waren. De sluiting van de scholen volstond volgens hem om de eerste besmettingshaarden uit te schakelen. Sinds hun heropening was er geen enkel nieuw geval meer gesignaleerd. In een laatste rapport van 25 juni werd echter gewag gemaakt van een heropflakkering. Opnieuw waren kinderen uit de kantwerkscholen getroffen.
DE KANTWERKSCHOLEN

Uit alle verslagen blijkt dat de hygiëne in de kantwerkscholen de oorzaak was van het uitbreken van de ziekte. De gemeente Vinkt was verarmd door de instorting van de linnenindustrie. De economische situatie was spectaculair verslechterd vanaf de jaren '30. Dit blijkt duidelijk wanneer we voor Vinkt het geboortensaldo bepalen voor die periode. Vanaf 1842 tot 1860 sterven er bijna continu meer mensen in Vinkt dan er geboren worden (grafiek 5). De mechanisering van de textielnijverheid speelde natuurlijk een belangrijke rol. Thuisarbeiders konden niet langer concurreren met de fabrieksnijverheid, en precies op het ogenblik dat de arbeidsmarkt overspoeld werd door bezitslozen, dagloners en landarbeiders, ging ook een deel van de buitenlandse afzetmogelijkheden voor linnen verloren (21). Protectionistische maatregelen in sommige van onze buurlanden o.a. Frankrijk, vormden de doodsteek voor deze belangrijke bedrijfstak in Vlaanderen.
Ook in Vinkt werden heel wat gezinnen getroffen door deze crisis en verloren aldus hun bestaansmiddelen. Van de in 1846 210 aanwezige getouwen waren er maar een 90-tal meer werkzaam (22). Om toch voor een zeker inkomen te zorgen werden de kinderen meer en meer ingeschakeld om voor het broodnodige inkomen te zorgen. De kinderen verdienden er 40 à 50 centiemen per dag (23). Om daaraan tegemoet te komen werden in de jaren '40, in het Vlaamse land, dan ook vele kantwerkscholen opgericht. De naam "scholen" kan hier verwarring stichten. Het gaat om werkplaatsen waar vele uren per dag gewerkt wordt en waar van schoolse aktiviteit nauwelijks sprake is.
In 1853 telde Vinkt drie kantwerkscholen voor meisjes en één voor jongens. Een kantwerkschool voor jongens was zeer uitzonderlijk aldus De Potter en Broeckaert en zij voegden er aan toe dat op zedelijk gebied, het onderwijs der jeudige knapen daaronder lijden moet (24). Dit wijst dan ook op de uitzonderlijk moeilijke economische omstandigheden waarin de gemeente zich bevond.
De kantwerkschool voor jongens had een oppervlakte van 57,81 m² en een hoogte van 2 meter (volume 115,62 m³). Deze school telde in 1853 een 100-tal leerlingen.
De drie kantwerkscholen voor meisjes waren:
1. De school van Mr. Pastoor, met een oppervlakte van 45,83 m² en een hoogte van 2,15 m (volume 98,53 m³). Deze school bevond zich op de benedenverdieping en had geen bevloering. Er waren in 1853 78 kinderen.
2. De school van een kanunnik uit Brugge met 100 leerlingen. Het was een nieuw gebouw, met een oppervlakte van 80 m² en een hoogte van 3,70 m (volume 296 m³).
3. De school van de zusters Vandenbossche was een kleinere kantwerkschool met ongeveer 34 leerlingen en een oppervlakte van 21,06 m², een hoogte van 2,25 m en dus een volume van 47,39 m³.
Een eenvoudige rekensom leert ons dat de ruimte waarover de leerlingen/arbeidsters beschikten in alle scholen vrij gering was.
| School | maximaal aantal m² per leerling | aantal m³ lucht per leerling |
| Jongensschool | 0,5 | 1,15 |
| Pastoorsschool | 0,5 | 1,2 |
| Kanunnikschool | 0,8 | 2,9 |
| School Vandenbossche | 0,6 | 1,3 |
DE LEVENS- EN WERKOMSTANDIGHEDEN
Dat in omstandigheden waarbij mensen gedurende uren op elkaar gepakt zitten, ziektes kunnen ontstaan moet ons niet verwonderen. Dokter Ladors beschreef zijn bezoek aan de kantwerkschool van de pastoor als volgt: Vanaf het binnenkomen wordt men geslagen door de hoge temperatuur en de besmette lucht die iedereen verstikt die er durft binnendringen. Het is daar, in een laag hok van het meest ongezonde type, dat men al deze jonge kinderen ziet, opgetast de een tegen de andere. Door het verbruik van zuurstof, de vorming van koolzuur, de verdamping van dierlijke materie aangetrokken door de ademhaling, wordt het meest subtiele van alle vergiften voortgebracht, nl.: giftige dampen. Die dampen nemen de arme sukkels met zoveel meer gemak op indien zij jong zijn, en hun dagelijkse voeding niet in verhouding staat met de groei en ontwikkeling van hun organisme (25). In dergelijke omstandigheden verbleven de kinderen 7/8 van hun werkdag die begon om 6 uur in de morgen en duurde tot 8 uur 's avonds.
De echte beginhaard van de ziekte werd gesitueerd in de kanunnikschool. Deze school was nochtans pas nieuw, goed gebouwd en goed verlucht. Midden maart waren in deze school reeds 30 leerlingen besmet. In dezelfde periode verlieten ook 18 leerlingen de pastoorsschool om redenen van de ziekte of uit schrik (26).
De meeste lokalen lieten dus veel te wensen over wat betreft de werkruimte voor de arbeid(st)ers. Verder was het werk veel te langdurig en te nauwkeurig om na verloop van tijd geen gezondheidsproblemen op te leveren voor kinderen van 7 tot 10 jaar en ouder. Een briefschrijver vertelt het volgende in Le Messager de Gand: Wij hebben, tijdens de winter, kinderen zien werken vanaf het krieken van de dag tot de middag en van één uur tot tien uur in de avond, met slechts een kwartier pauze die werd gebruikt voor het verorberen van een stuk brood. Veel kinderen moesten op dit uur van de nacht een half uur afleggen om thuis te geraken, langs bar slechte wegen, vaak door de regen of de sneeuw. Ze komen kletsnat thuis en vinden geen vuur om zich te verwarmen voor het slapengaan op stro of bladeren. Meestal hebben ze geen deken om zich te bedekken. Dit kon niet blijven duren, een ziekte moest er het gevolg van zijn (27).
Een andere brief beschreef de toestand in de Vinktse woningen. Er gebeuren hier zaken om de sterkste harten te ontroeren en de minst gevoeligen tranen te laten vloeien: stel u de hutten voor, waar alles ontbreekt, bewoond door 8 tot 10 personen, soms door drie verschillende families, die er met moeite ruimte hebben. De sfeer is er geladen met ziekelijke dampen, je vind er drie kinderen reeds slachtoffer van de tyfusplaag, in de hoek naast het vuur, als ze al vuur kunnen maken; een vader, een moeder krachteloos, zonder voedsel, bijna niet gekleed; zonder dekens, afgemat van de honger en uitgeput door de ellende, de rest van de kinderen nog niet aangetast, die zich wat soelaas kunnen verschaffen, zonder werk, gedwongen alles te delen met de ongelukkige slachtoffers. 's Nachts slapen ze op het weinige stro, als ze er al hebben want ze slapen op de naakte grond, bij de door tyfus aangetaste broers en zusters: etend een stuk brood, of een mengsel van water met roggebloem, wachtend tot de hand van de liefdadigheid die hen vandaag voedt hen morgen niet laat sterven (28).
Ook Dokter Ladors trekt fors van leer tegen de eigenaars van de scholen. Hij verweed hen kortzichtigheid en schreef: onze wet legt straffen op aan hen die aan plagerijen meedoen, terwijl ze doof blijven t.o.v. de mensen die door hebzucht gedreven zich niet schamen de jongsten van een ganse bevolking te vernietigen, te doen opsluiten in echte riolen, jonge mensen nochtans bestemd om ons te vervangen. Ik ga volmondig akkoord, zegt de dokter, dat men kinderen moet voorbereiden op de arbeid, maar volgens mij is het duizend keer beter dat de kinderen op straat lopen en opgevoed worden in luiheid dan hen op te offeren voor een vals liefdadigheidsdoel of een voorgewende menslievendheid. Ieder onbewoond verklaarde school moet verboden worden, ze moet gesloten worden, niet voor enkele dagen maar voor altijd. Als het waar is dat onze wetten ontoereikend zijn op dat vlak, dan is dit een leemte in onze wetgeving, die men zo spoedig mogelijk moet aanvullen (29).
De epidemie taste ook het nog het resterende economisch leven in Vinkt grondig aan. Geen enkele bezoeker, vreemdeling of handelaar kwam nog naar de gemeente. Men deed een grote omweg om deze te vermijden: de landbouwers van de gemeente die nog niet besmet zijn gaan op zondag, naar de omliggende gemeenten om hun religieuze verplichtingen te volbrengen. Verscheidene kleinhandelaars staan reeds aan de rand van het bankroet (30). De gemeente bood aldus deze briefschrijver, een zeer treurige aanblik: Bij de minste zonnestraal ontmoet men er bleke figuren, met afgeschaafde huid (slichten), die beginnen te herstellen van de tyfus (31).
BESTRIJDING VAN DE ZIEKTE
De ziekte werd vooral bestreden door het sluiten van de kantwerkscholen. Deze maatregel werd zoals hierboven vermeld slechts zeer kort toegepast. Door de provinciale geneeskundige dienst werd voorgesteld tot het oprichten van een hospitaal. Om budgettaire reden was dit geen gemakkelijke opgave en uiteindelijk resulteerde het in het ter beschikking stellen van enige lokalen van de handwerk- en gemeentescholen. De bedoeling is daar de zieken onder te brengen van arme families, die nog niet besmet zijn om op die manier, door afzondering, de overige leden van het huisgezin te bevrijden (32). Een aantal onderstandswoningen worden ook met dit doel voor ogen toegewezen aan behoeftigen (33).
Er waren echter niet alleen budgettaire problemen. Volgens dokter Dumont was er ook de slechte wil van de zieken die hun familie niet wilden verlaten en zich niet wilden laten verzorgen door vreemden (34). Algemeen kunnen we stellen dat de dokters eerder de verdere uitbreiding van de ziekte probeerden te voorkomen. Van enige therapie of het gebruik van geneesmiddelen was helemaal geen sprake.
DE HULP
Om aan de meest dringende nood tegemoed te komen werd door het armbestuur en het bijstandcomiteit voedsel en kleding uitgedeeld. Meer dan 500 behoeftigen ontvingen dagelijks een voedzame soep. Er werden klederen en beddegoed uitgedeeld en 180 kinderen van de kantwerkscholen kregen een noodrantsoen in de gemeentelijke keuken (35).
Het is vooral rond deze hulp dat er een conflict ontstond tussen pastoor J.J. Baetens en het gemeentebestuur, een confict dat nogal wat weerklank vond in de toenmalige pers. Daarover later meer, nu eerst de feiten.
Op 24 maart lanceerde de pastoor een oproep in de katholieke krant Le Conservateur om hulp te bekomen voor de slachtoffers van de ziekte. Er werd speciaal gevraagd naar broeken voor kinderen tussen 12 en 16 jaar (36). Andere kranten volgden met eenzelfde oproep. In De Broedermin vroeg men een aalmoes te bezorgen, hetzij in geld of in lijnwaad voor slaapklederen en hemden. Tweederde van de zieken, schrijft de krant, bezat slechts één hemd en het was onmogelijk hen op tijd te verschonen (37).
Tengevolge van deze oproepen stroomden de giften toe. In Le Conservateur werd bijna dagelijks een lijst afgedrukt van de nieuw binnengekomen giften. Bij deze krant kwamen de bijdragen vooral binnen in de periode tussen 25 maart en 5 april. Dit was dus direct na de eerste oproep. Vanaf 10 april werden de bijdragen zeldzamer en kleiner. In de liberale Le Messager de Gand begon de intekenlijst pas op 23 april. De bedragen die hier dagelijks binnenkwamen waren groter. Beide kranten haalden een behoorlijk bedrag aan hulpgelden op: Le Conservateur in totaal 2.490 fr., Le Messager de Gand 3.638 fr.

Grafiek 6
De schenkingen kwamen uit alle lagen van de bevolking. De personen werden dikwijls met naam en toenaam genoemd. De adel en de rijke burgerij waren op de lijsten ruim vertegenwoordigd. Op de lijst van Le Messager de Gand kwamen ook een aantal organisaties een duit in het zakje doen zoals "La Société Royal des Mélomanes", de loges "Septentrion" en "La Fidélité", "La Société des Ancien Frères d'armes de l'Empire", "La Société Royal Broedermin en Taelyver", e.a.

Grafiek 7
Een deel van de giften gebeurde anoniem. Over beide kranten gespreid werd 27% van het totale bedrag anoniem geschonken (grafiek 6). De verhouding tussen Le Conservateur en Le Messager de Gand is wel frappant. Bij Le Conservateur kwam 1.351 fr van de totale 2.490 fr. uit anonieme schenkingen. Bij Le Messager de Gand slechts 277 fr van de totale 3.638 fr. (grafiek 7)

Grafiek 9
Een dergelijke verhouding vinden we ook bij het aantal schenkers. Het aantal personen dat een gift deed via Le Messager de Gand was veel groter dan via Le Conservateur. Ze waren daarenboven bijna allemaal op naam (grafiek 8). Naast giften in geld vinden we in Le Conservateur ook een lijst met giften in natura: kinderbroeken, dekens, oud linnen, kousen, enz. (Zie bijlage II).
Andere hulp kwam van de nationale overheid, die op 14 april 1853 een toelage van 500 fr aan de gemeente gaf om haar te helpen bij het bestryden der onkosten, voortkomende uit de ziekte, welke aldaer woedt (38). Een tweede subsidie van 500 fr. volgde in juni (39). Ook de provincie gaf een toelage van 500 fr. (40).
De Gentse Bisschop stelde geld ter beschikking en zond op zijn kosten Zusters van Liefde naar Vinkt om de zieken te verzorgen en de hulpmiddelen toe te dienen (41). De komst van deze zusters naar Vinkt, waarvan er trouwens ook één besmet geraakte, wordt in Le Conservateur als volgt beschreven: De zusters assisteren dag en nacht aan het ziekenbed van de tyfuspatiënten en brengen hen verlichting in hun lijden (42). En verder: Deze goede zusters gaan van deur tot deur, van hut tot hut, en brengen aan de arme zieken geneesmiddelen tegen hun ziekte, troost in hun leed, steun in hun uitputting, en boven alles goddelijke vertroosting door christelijke barmhartigheid. De sympathie verzacht het lijden meer dan de geneesmiddelen, de zachte woorden en vriendschap die doordringen tot de ziel van de armen verlossen hen van de uitputting. Men weet dat de armen weinig doen aan de orde, de netheid van het huishouden; de zusters doen dagelijks ondervindingen op, maar deze Zusters van de Voorzienigheid stellen zich niet enkel tevreden om de zieken te helpen hun wonden te verbinden, ze leren veel families hoe de zieken te verzorgen, de was te doen, het schoonmaken van de woning, het witten van de muren, het wassen van henzelf en de kinderen; infeite leren ze hen duizende kleine dingen die een goede moeder moet kennen, maar die deze armen, bij gebrek aan opvoeding, te veel verwaarlozen (43).
Er komt een hulpprogramma tot stand, met benefietavonden en publicaties voor het goede doel. Enkele voorbeelden.
- Een groep Gentse industriëlen legde een intekenlijst en slaagde erin om in 48 uur 3.400 fr. in te zamelen (44).
- Er werd in Spiegelhove een benefietconcert gegeven, op O.L.H.Hemelvaart, door drie lyrische genootschappen: "La Société des Fanfares", het "Willemsgenootschap" en "La Société des Choeurs". De inkom bedroeg 50 cent. De opbrengst was voor de zieken (45).
- De componist van een wals voor piano, getiteld "Ei! 't was in Mei" schonk de winst aan de armen van Vinkt. De wals was te koop bij de Gentse uitgever Gevaert (46).
- Een "Romance voor basstem", uitgegeven bij dezelfde Gevaert, werd verkocht ten voordele van de zieken. Dit muziekwerk kreeg de titel "Le Médiant". De tekst was van een zekere M.F.D., officier bij het 12de regiment; de muziek van Meester R. Damman, oud koster van Vinkt en schoolmeester van 1839 tot aan zijn overlijden in 1871 (47).
- Arbeiders doen een inspanning en storten een bijdrage (48).
- De "Société des Melomanes" houdt een collecte in Café Minard waar ook muzikale avonden georganiseerdworden voor het goede doel (49).
- Cafés houden collectes onder hun gasten (zie bijlage II).
- De "Société de Rhétoriques, les Fontainistes", houdt een voorstelling. De opbrengst is voor de zieken. Een aantal personen wordt omwille van zijn bijdrage speciaal vermeld nl: M. Drory voor gratis gas, M. Minard eigenaar van het theater die 60 fr korting gaf, M. Snoek-Ducaju voor het gratis drukken van de uitnodigingen en de tikets, M. Dullé voor de gratis afiches, M. Rogier, dirigent die geen salaris wou en M. Claeys de kapitein van de brandweer die gratis werkte. Verder ook nog M. Lobert, kapper van het theater die eveneens gratis werkte.
HET CONFLICT MET DE PASTOOR
Wanneer we de startdata van de intekeningen nog even bekijken dan merken we dat bij Le Conservateur direct na de oproep van de pastoor de giften binnenkwamen. Le Messager de Gand startte zijn campagne pas na 20 april 1853. De tyfus bevindt zich dan wel op haar hoogtepunt maar de werkelijke reden moet ons inziens gezocht worden in het conflict dat over deze hulpgelden uitbrak tussen de pastoor en het gemeentebestuur.
Pastoor Baetens, die de aankondiging in Le Conservateur had laten plaatsen en met de krant ongetwijfeld over een inschrijvingslijst had onderhandeld, was van mening dat de gelden die erop gestort werden hem toekwamen en dat hij die gelden dus naar eigen goeddunken aan de hulpbehoevenden kon besteden. Dit was ook de visie van de krant. Zij schreef op 1 mei Als de administratie van de Armenzorg of het Comité "Hulp aan Vinkt" zich tot ons zou wenden met de vraag een intekenlijst te openen ten voordele van de arme zieken van deze gemeente, dan zouden wij deze prijzenswaardige intenties van de leden ter harte nemen, maar aangezien het initiatief genomen is door een andere bron, zijn wij niet verplicht rekenschap te geven van de opdrachten waarin wij investeren (50).
De gemeenteraad en met hen het Weldadigheidsbestuur en het Bijstandscomiteit dachten er echter anders over. Zij begaven zich naar het bureel van Le Conservateur om de hulpgelden te innen en stelden daar "tot hun verbazing" vast dat de pastoor een som van 2.490 fr. had ontvangen. Het gemeentebestuur schreef dan ook een brief naar pastoor Baetens met het verzoek de som binnen de twee dagen aan de ontvanger van de gemeente te bezorgen (51). Aangezien de pastoor daar geen gevolg aan gaf besloot het College op 16 april 1853 de permanente deputeiten van den provinciale raed te verzoeken om de benodigde bemagtiging ten einde Heer Jean Josef Baetens, pastor dezer gemeente in rechte te mogen aanspreken tot de overstelling der gedaene giften ten gevolge van een oproep in het voormelde bureel Conservateur ten voordele van de gemeente (52).
In de pers ontspon zich dan ook een pennestrijd met supporters voor beide stellingen. In Le Conservateur verdedigde men natuurlijk de eigen beslissing. In Le Messager de Gand en in De Broedermin vocht men ze aan. Het geheel leidde tot een niet zo fraai spektakel over de hoofden van de zieken heen. Men verweed de pastoor verkwisting en oneigenlijk gebruik van de gelden. De pastoor gaf in Le Messager een overzicht van zijn uitgaven. Zij werden als volgt in De Broedermin overgenomen:
- Uitdeling van soep 420 fr
- Uitdeling van bouillon 210 fr
- Uitdeling van tisane (53) 108 fr
- Onderhoud (in zyn huis) van twee zwarte zusters 300 fr
- Onderhoud (in zyn huis) van eene zieke zwarte zuster 163 fr
- Reiskosten der zusters 50 fr
- 50 bedstoelen 300 fr
- 100 paljassen en hoofdkussens 515 fr
- 200 sargien (54) 300 fr
- Uitdeling in geld en vervoerskosten 125 fr
- Totaal 2491 fr
De redacteuren van beide kranten uitten volgende kritiek. (We geven de tekst weer zoals hij in de Broedermin werd opgenomen.)
De korrespondent doet op deze rekening eenige bemerkingen. Er is, zegt hy, bouillon en tisane uitgedeeld, maer dit was eene nutteloze uitgave, derwyl de zieken alles wat door de geneesheren voorgeschreven was, in de gemeentelyke keuken konden krygen.
De somme van 513 fr voor het onderhoud der dry zwarte zusters heeft veel verwondering gebaerd, te meer daer de overste van het klooster aen een zeer achtbaer persoon der gemeente verzekerd had, dat de armen geen centiem zouden moeten betalen. De zusters zelven zouden haer leed hebben doen kennen, omdat men eene zoo zware somme voor haer onderhoud in rekening bragt, derwyl zy gedacht hadden uit zuivere menschenliefde naer Vynckt gegaen te zyn.
Wat de vyftig bedstoelen en 100 paljassen betreft, waervoor de pastoor 851 fr in rekening brengt, de korrespondent van Vynckt meldt, dat het bystandskomiteit, in dryën verdeeld, verleden woensdag al de arme huizen en zelfs die, welke zich in geenen volkomen staet van armoede bevinden, heeft bezocht, en er maer 2 bedstoelen en 29 paljassen heeft gevonden, welke van het komiteit zelve niet kwamen, - dat er sinds nog 18 geleverd en nog dry besteld zyn by de schrynwerkers Van Daele en Bekaert, doch dat er in de gemeente geene andere uitgedeeld of besteld zyn.
Het bystandskomiteit van zynen kant hield al de schrynwerkers en een twintigtal naeisters bezig en alles werd uitgedeeld naermate het gereed was.
En verder: Van den 23 maert tot den 10 april waren er twee zusters te Vynckt. Dan kwam er eene derde by en den 30 april deelde de pastoor aen het komiteit van bystand zyne rekening mede, waerby het onderhoud der zwarte zusters met de onkosten der reize van Gent naer Vynckt op 513 fr gebragt was.
Welnu, deze zusters hebben gezamenlyk ongeveer honderd dagen dienst gedaen. Dat is dus 5 fr per dag voor iedere zuster, dat de armen der gefolterde gemeente betaeld hebben. Is een ryk man, die zooveel voor eene zieke dienster betaelt? Wy gelooven het niet, en het is met een pynlyk gevoel, dat wy eene zoo jammerlyke zaek aenstippen (55).
De pastoor reageert kort daarop als volgt in Le Messager de Gand: Ik verneem dat u, in uw nummer van 3 mei laatstleden een onvolledige publikatie deed van de gedane en de nog te maken uitgaven ten voordele van de tyfuspatiënten van mijn parochie. Zoals de opmerkingen, die deze publikatie vervolledigen, niets anders willen bereiken dan het in twijfel trekken van mijn goede trouw en ongeïnterresseerd zijn in het volbrengen van mijn opdracht die door de armen me zijn toevertrouwd, voel ik me verplicht, wanneer de ziekte zal gestopt zijn, niet een bij benadering maar gedetailleerde rekening te publiceren, zoals ik tot nu toe had moeten doen (56).
Een dergelijke verantwoording werd echter niet meer teruggevonden. Vanaf juli 1853 wordt trouwens door de pers met geen woord meer gerept over slachtoffers en/of gevolgen van deze tyfusepidemie.
BESLUIT
Werkloosheid en lage lonen zorgden in de periode 1840-1860 continu voor een ellendige toestand onder de arbeidende bevolking. Kinderen werden verplicht om voor de nodige aanvulling van het gezinsinkomen te zorgen.
De industriële revolutie ging dus gepaard met een gigantisch verarmingsproces in Vlaanderen. Deze ellende lokte tot het midden van de 19e eeuw weinig reactie uit. Ook in Vinkt merken we dit. Er is geen sprake van een opstandige bevolking. De mensen ondergaan gedwee hun lot. Wel wordt er een humanitaire actie op touw gezet. De rijke, vooral Gentse, burgerij geeft een aalmoes, 5 fr., 10 fr., 20 fr... (57). Anderen duiken in hun kleerkast op zoek naar wat oude spullen, een paar broeken, wat lakens, een paquet vieux linge. De giften zijn eenmalig, zo ook alle solidariteit.
De problemen van de getroffenen komen in de pers maar matig aan bod. De kranten besteden er hooguit een paar "bloedstollende" artikelen aan, gebaseerd op de rapporten van de artsen. Al vlug ontaarden de artikelen in een pennestrijd over wie wat waar mocht uitgeven, wie goed helpt en wie slecht, wie het geld in eigen zak steekt of wie het graag ter beschikking zou hebben. In de laatste krantenartikels is over de zieken, waar het toch allemaal om zou moeten gaan, geen sprake meer. De giftenstroom droogt op. De gegoede burger voelt zich kennelijk bekocht en houdt de beurs liever dicht. Financiële spitsvondigheden voeren de boventoon.
De gemeenteraad komt zelfs op 14 november 1853 tot de vaststelling dat het allemaal nog best is meegevallen. Er zijn niet "teveel" slachtoffers gevallen. Van beslissingen om dergelijke epidemiën in de toekomst te voorkomen is er geen spoor. Zou de geschiedenis zich dan toch herhalen?
Noten
1. Recueils de rapports concernant les épidémies qui ont régné à divers époques dans la Flandre Oriental, 1847-1853, rapport nr.1, p. 250-265.
2. Recueils de rapports ... rapport nr.3, p. 250-265 (bijgeschreven achteraf).
3. Recueils de rapports..., rapport nr.4, p. 250-265.
4. Recueils de rapports..., rapport nr. 4, p. 250-265.
5. Recueils de rapports..., rapport nr. 4, p. 250-265.
6. Recueils de rapports..., rapport nr. 1, p. 250-265.
7. Le Messager de Gand, 23/4/1853.
8. Met dank aan Dr. Meganck K. voor de nuttige inlichtingen.
9. RAG, Vinkt modern archief nr 29, kopieboek van uitgaande briefwisseling, 1851-1856.
10. RAG, Vinkt modern archief nr 9, Register van beslissingen van de gemeenteraad, 21 maart 1853.
11. Recueils de rapports..., rapport nr. 1, p. 250-265.
12. RAG, Vinkt modern archief nr 9, Register van beslissingen van de gemeenteraad, 21 maart 1853.
13. Was pastoor te Vinkt van 5 september 1849 tot 20 juli 1857. MICHEM F., Vinkt, Kerk en Parochie, p. 51.
14. De Broedermin, 5 mei 1853.
15. RAG, Vinkt modern archief nr 29, kopieboek van uitgaande briefwisseling, 1851-1856.
16. Ibidem.
17. De Broedermin, jrg. 6, 5 mei 1853, nr. 128
18. Verbiest was dokter in Nevele. Hij verving de Vinktse dokter Standaert welken door de typhus op zijn uiterste lag. Standaert zal echter herstellen en zijn praktijk in Vinkt de daaropvolgende jaren verderzetten.
19. Dinsdag 29 maart.
20. RAG, Vinkt modern archief nr 9, Register van beslissingen van de gemeenteraad.
21. VANDENBROECKE Chr., Sociale geschiedenis van het Vlaamse Volk, p. 177.
22. DE POTTER F. en BROECKAERT J., Vinkt, p. 8.
23. RAG, Vinkt modern archief nr 9, Register van beslissingen van de gemeenteraad, 21 maart 1853.
24. Ibidem.
25. Recueils de rapports..., rapport nr. 4, p. 250-265, vrije vertaling.
26. Recueils de rapports..., rapport nr. 1, p. 250-265.
27. Le Messager de Gand, nr. 120, 30/4/1853, vrije vertaling.
28. Le Conservateur, nr. 86, 27/3/1853.
29. Recueils de rapports..., rapport nr. 4, p. 250-265.
30. Le Messager de Gand, nr. 113, 23/4/1853.
31. Ibidem.
32. De Broedermin, jrg. 6, 16/17 mei 1853, nr 139 en 140.
33. RAG, Vinkt modern archief nr. 29, kopieboek van uitgaande briefwisseling, 1851-1853.
34. Recueils de rapports..., rapport nr. 3, p. 250-265.
35. Le Messager de Gand, 24/4/1853.
36. Le Conservateur, 24/3/1853, nr. 83.
37. De Broedermin, 26 maart 1853.
38. Ruiselede krijgt om dezelfde reden een toelage van 150 fr. De Broedermin, jrg. 6, 17 april 1853, nr. 110.
39. RAG, Vinkt modern archief nr 9, Register van beslissingen van de gemeenteraad.
40. Le Messager de Gand, 23/4/1853.
41. De Broedermin, 26 Maart 1853.
42. Le Conservateur, 2/4/1853.
43. Le Conservateur, 9/4/1853.
44. Le Conservateur 28/4/1853. De krant stelt aan de industrilen de vraag of zij dezelfde geste niet kunnen doen voor hun verminkte arbeiders en een hospice oprichten. Le Conservateur, nr. 120, 30/4/1853.
45. Le Messager de Gand, 28/4/1853.
46. Le Messager de Gand, 3/5/1853.
47. Le Conservateur, 25/5/1853. F. Michem, Vinkt, Kerk en parochie, p. 72.
48. Le Messager de Gand, 14/4/1853. De krant voegt er volgende bedenking aan toe Touchant exemple de bienfaissance bien digne de trouver des imitateurs.
49. Le Messager de Gand, 25/4/1853.
36. Le Conservateur, 24/3/1853, nr. 83.
37. De Broedermin, 26 maart 1853.
38. Ruiselede krijgt om dezelfde reden een toelage van 150 fr. De Broedermin, jrg. 6, 17 april 1853, nr. 110.
39. RAG, Vinkt modern archief nr 9, Register van beslissingen van de gemeenteraad.
40. Le Messager de Gand, 23/4/1853.
41. De Broedermin, 26 Maart 1853.
42. Le Conservateur, 2/4/1853.
43. Le Conservateur, 9/4/1853.
44. Le Conservateur 28/4/1853. De krant stelt aan de industrilen de vraag of zij dezelfde geste niet kunnen doen voor hun verminkte arbeiders en een hospice oprichten. Le Conservateur, nr. 120, 30/4/1853.
45. Le Messager de Gand, 28/4/1853.
46. Le Messager de Gand, 3/5/1853.
47. Le Conservateur, 25/5/1853. F. Michem, Vinkt, Kerk en parochie, p. 72.
48. Le Messager de Gand, 14/4/1853. De krant voegt er volgende bedenking aan toe Touchant exemple de bienfaissance bien digne de trouver des imitateurs.
49. Le Messager de Gand, 25/4/1853.
50. Le Conservateur, nr. 121, 1/5/1853
51. RAG, Vinkt modern archief nr 29, kopieboek van uitgaande briefwisseling, 1851-1856.
52. RAG, Vinkt modern archief nr 9, Register van beslissingen van de gemeenteraad.
53. Kruidenthee, aftreksel van kruiden.
54. Dekens.
55. De Broedermin, jrg. 6, 5 mei 1853, nr. 128.
56. De brief werd overgenomen in:Le Conservateur, nr. 134, 14/5/1853.
57. Een ei kostte toen 0,06 fr., 1 kg. tarwebloem 0,4 fr.