EEN VERDWENEN BEROEP: POMPBOORDER

door Antoine Janssens

Tot vóór een 20-tal jaar trof men op onze hoeven of landelijke woningen een houten waterpomp aan. Ze stond dicht bij de ingangsdeur of in een speciaal daartoe aangelegd hoveke. Meestal lag voor de pomp een blauwe Doornikse gootsteen. Deze pomp speelde een belangrijke rol in het dagelijkse leven van onze voorouders: 's morgens ging men zich aan de pomp wassen, maaltijden en veevoeder weren er klaargemaakt, en de afwas werd er gedaan. Dank zij het houten lichaam verschafte deze pomp zeer fris water. Dat vond men heel gewoon want een pomp dient toch om water te verschaffen. Nochtans was het boren van een houten pomp niet zo een gemakkelijk karwei.

Gewoonlijk was het de timmerman, de wagenmaker of de pompboorder die dit werk uitvoerden. Deze vakman had in een vijver of beek altijd enkele eiken- of olmenstammen drijven. De stammen waren ongeveer 4,30 m lang en hadden een doormeter van ca. 25 cm. Zodra de vakman een bestelling kreeg werd de stram op een kleine boomezel naar zijn werkhuis gebracht en tussen grote krammen op een stelling vastgezet.

Op beide koppen van de stam werd de middellijn uitgetekend en met de smetkoord, d.i. een touw ingestreken met lammerzwart[1], werd over de hele lengte van de stam een lijn gezet, de zogenaamde richtingslijn of smetlijn. Aan de ene kop werd nu met een voorganger een gat geboord van 10 à 15 cm diepte. De pompboor van 4,5 m lang werd er ingebracht. Nu konden drie mannen het zware boorwerk beginnen. Twee mannen draaiden de boor, de derde hield de boor in de richting van de smetlijn. Na 4 à 5 uur zwaar werk was de boom doorboord met een holte van 5 cm diameter. Nu werd een boor van 6 cm op de lange pompboor vastgehecht en de opening werd opnieuw doorboord.

Bovenaan werd de opening over een lengte van 1,30 m tot een doormeter van 8,5 cm verbreed. De overgang tussen de opening van 6 cm en 8,5 cm verliep enigszins trechtervormig. In deze overgang kwam het pompslot. Op 15 cm van de bovenzijde werd de teut of toot aangebracht. Aan de onderzijde werd de geboorde opening tot op 50 cm van het uiteinde dichtgemaakt. Juist boven deze gedichte schacht werd in de wand een lokopening geboord.

De lokopening, op ongeveer 50 cm van de onderkant, moest verhinderen dat bij het pompen zand zou meegezogen worden uit de bodem van de pompput.

Nu de stam doorboord was, moest het slot gemaakt worden. Dit was een cilindervormig stuk olmenhout met een doormeter van 8,5 cm, voorzien van leder en een houten klakker. Rond het hout wed een vlasband gelegd, doordrenkt met kaarsvet. Het ganse slot werd in het pomplichaam vastgedreven.

De pomptrekker was een lange houten stok, bovenaan voorzien van een handvat, onderaan hing de pompemmer.

Nu kon de afgewerkte pomp geplaatst worden. Met een stelling, touwen en kettingen werd de pomp, die 175 à 200 kg woog, in de pompput neergelaten.
Dit prachtig stuk vakmanswerk moest de plaats ruimen voor de gietijzeren pomp en later voor de elektrische pomp. Met het verdwijnen van het voorwerp verdween ook het beroep van pompboorder. Gelukkig kunnen we de werktuigen, een lange boor met acht verschillende pompschoepers, bewonderen in het museum "Rietgaverstede" te Nevele.

[1] Lammerzwart is de zwarte stof waaruit zwarte verf werd gemaaakt.