In en om de Kalevallei

door Guido Schaeck

Gewoonlijk zegt men dat de Kale ontspringt op het plateau van Tielt, langs de Poekebeek (± 45 m boven O.P.). Als we beide beken volgen en we denken het Schipdonkkanaal weg, we vergeten de Brugse Vaart en we willen het kanaal Gent-Terneuzen niet zien, dan komen we tot de bevinding dat Poekebeek, Kale en Durme één rivier vormen tot in de Schelde.
Van Tielt tot Nevele noteren we een verval van 45 m naar 8 m dus op ± 15 km een verval van 27 m. Van Nevele tot aan de Schelde slechts een verschil van 5 m, m.a.w. de Poekebeek kan een snelstromende beek genoemd worden; Kale en Durme zijn "luie" beken, beken die verzanden en dichtslibben.

Weinig rivieren werden in de loop der tijden zo getourmenteerd als onze Oude Kale. We citeerden daarnet het kanaal Gent-Terneuzen (Sassevaart), de Brugse Vaart en het Schipdonkkanaal; het zijn de drie schuldigen die de waterafvoer van Poekebeek en Kale hebben gestoord. We komen daar nog verder op terug.

Als we de alluviale valleien bekijken (en dat kan zeer goed aan de hand van de bodemkaart), dan ligt de zaak geheel anders. Het alluvium van Durme en Kale biedt geen problemen; vanaf Nevele echter volgt de alluviale strook niet meer de Poekebeek maar wel de Rekkelingebeek. Deze staat dan in verbinding met de Oude Caandel, de Zeverenbeek, de Vondelbeek, de Oude Mandelbeek en de Mandel. Zo gezien kwam het Kalewater van het plateau van Wijnendaele (± 40 m boven O.P.).

Als we in deze alluviale zonde dé rivier, de Kale, volgen dan ontwateren volgende beken als zijrivieren in de Kale: de Maanbeek, de Reigersbeek, natuurlijk de Poekebeek, de Kozijnbeek, de Grote Beek, e.a. Alle doorbreken de kouter alvorens in de Kale uit te monden.

Tussen de Mandel en de Leie zijn verscheidene alluviale verbindingen. Het Mandelwater kon langs deze verbindingen vlugger afgevoerd worden langs de Leie dan langs de "luie" Kale en omdat ze dichtslibde en verzandde, vloeide in de laatste jaren slechts 's winters Mandelwater en/of Leiewater door de Kale.

Zij die de Kale "tourmenteerden"

De Lieve

Werd gegraven van 1251 tot 1269 en was de eerste kunstmatige verbinding tussen Gent en de zee. De Kale heeft niet veel last van dit graafwerk ondervonden omdat de Lieve - tussen de twee rabotten - het waterpeil aannam van de Kale.

Inderdaad, op de Lieve waren geen sluizen aangebracht (het is Leonardo da Vinci die dit systeem van versassing uitvond).

Er waren wel rabotten: een rabot heeft slechts één sluishoofd van waarop men met een hijstoestel de boten uit het water hief en aan de andere plaats deponeerde (hogere of lagere waterstand).

De Sassevaart (nu kanaal Gent-Terneuzen)

Keizer Karel gaf op het einde van zijn bewind toelating om de Landdijk te doorsteken en een sluis te bouwen tussen de Westerschelde en de Sassevaart. Het graafwerk in dit kanaal, dat in 1547 begonnen was, werd in 1563 beëindigd. Van toen af waterde de Kale af in de Sassevaart en liet de Durme aan haar lot over.

De Brugse Vaart

Na tal van moeilijkheden (zie kaart) wordt de Brugse Vaart gegraven. Men had reeds in 1379 gepoogd Brugge te verbinden met de Leie te Gottem, maar de Witte Kaproenen deden dit werk stopzetten. Onder Albrecht en Isabella werd de Brugse Vaart gegraven - niet naar de Leie te Gottem maar naar Gent.
De Coupure, als verbinding met de Leie, volgde slechts in 1571.
De Brugse Vaart is niet om economische redenen alleen gegraven. Hij werd ook als verdediging gezien. De dorpen ten noorden van dit kanaal werden dikwijls door de geuzen geplunderd en moesten contributie betalen. Om deze belastingen en afpersingen te voorkomen kon de Brugse Vaart als een goede verdediging aangelegd worden. Men bouwde er ook verschillende forten langs.
Op deze vaart heerste er een druk goederen- en reizigersverkeer. Er waren voornamelijk trekschuiten te zien, barges, vandaar nog namen als Bargiekaai en Bargiebrug.
Het Kalewater moest nu aan het Duivelsgat met een sifon onder de Brugse Vaart door. 's Zomers en bij lage waterstand bood deze sifon geen problemen, maar 's winters en bij plotse dooi is hij oorzaak van het overstromen van de Kalemeersen en zelfs van het bulkengebied langs de Wildebeek of Meirebeek (o.m. in november 1974).


Op dit fragment van een kaart uit 'Sanderus' Flandria Illustrata (1641-1644)
bemerken we duidelijk de verschillende forten langs de Brugse Vaart.

 

Het Nevels Vaardeken (soms Nieuwe Kale genoemd)

Wanneer werd dit vaardeken, dat Nevele met Schipdonk op de Brugse Vaart verbond, gegraven? Zeker is dat dit vaardeken in 1751-1752 werkelijk werd verbeterd en geruimd. Vijf jaar later overstroomde de Leiestreek weer en weer stond de hele Kalevallei blank. Men begon reeds te denken aan het Schipdonkkanaal. Maar hoe dan ook het Nevels Vaardeken stond met de Poekebeek in verbinding en daardoor kreeg de Kale minder water. Het vaardeken is nog ten dele zichtbaar aan de Brugse Vaart op de scheiding Hansbeke-Merendree. De breedte van de brug kan een idee geven van de grootte van de schepen die voor de verbinding zorgden tussen Nevele en Gent of Brugge.

Het Schipdonkkanaal

Het Schipdonkkanaal (Afleidingskanaal van de Leie) werd gegraven in 1847-1848. Het Nevels Vaardeken verdween vanaf Nevele tot aan Merendreebrug. Vanaf Merendreebrug tot aan de Brugse Vaart noemt men dit deel van het Nevels Vaardeken de Kruiskale.
Op sommige plaatsen kwamen de Kalemeanders in het nieuw kanaaltracé, daardoor werd de Kale op dit plaatsen rechtgetrokken. Het water van de Poekebeek stortte zich nu rechtstreeks in het kanaal en de Kale werd dus "ontlast". Daardoor groeide deze beek nog meer dicht. De vervuiling van de laatste tien jaren was zo groot, dat om zo te zeggen alle leven er verdween; 's winters, in de lente of na grote regenval vertoont de Kale nog enig leven.
Wanneer men nu de Kale ziet, gelijkt ze meer een gracht dan een beek. De Kale was nochtans echt geen minderwaardige beek en dat bewijzen de kouters rondom. Leie, Schelde, Dender en Mandel vloeiden tussen prachtige open kouters; alle echte stromen en rivieren die naam waardig in ons gebied, doet dit. Ook de Kale, en dat is het bewijs van wat ze als rivier eens was: concurrent van de Leie, met een brede alluviale strook, met kouters, met overstromingen en... met vis.
In de Kale werd gevist met het kruisnet, de peure (een kluts teken of pieren), met de puiker (fuik) en 's winters kapte men een gat in het ijs en kon men de snoek zo met de hand uit het water naar boven smijten.
Soms werden takkenbossen gebruikt om paling te vangen. De takkenbos werd een tijdlang in het water gelegd en dan met een ruk boven getrokken; vangst: paling, een arm dik.
Snoek werd ook gestropt. Als een snoek in het zonlicht lag te soezen, schoof men een strop, zelfs van een korenhalm, over zijn lichaam met een ruk naar boven.
Een steeknet of zwa werd hier niet gebruikt; dat was wel mogelijk in de Poekebeek, maar in de Kale is de bodem altijd slijkerig geweest.
"Uitzetten", d.i. twee dijken bouwen en het water uitscheppen, was de beste manier om vis te vangen. De vis ligt in het goor te spartelen. Dan een dijk licht doorsteken en de vis, die door het goeleke stroomt, scheppen met de emmer. Bij het uitzetten zag men bleekgroen zand van onder de oevers, onder het gras, de beek binnenstromen: de kwelm.

 

FOLKLORE EN LEGENDEN

Op de Oostbroek staat sinds 1651 de kapel van O.L. Vrouw van Zeven Weeën. Deze kapel werd vergroot in 1830. Toen lag er een brug over de Kale die naar de kapel leidde, de Kapellebrug. De kapel was omwald en op het brugje over de wal stond een houten hekken. Ten tijde van de Franse overheersing (einde 18de eeuw) was de kapel ingericht als woning. Toen de cholera in het Land van Nevele uitbrak, deed de kapel dienst als ziekenzaal. In de vorige eeuw telde men hier meer dan 3000 bedevaarders.

Een schaapherder vond in de weiden van de Oostbroek een O.L.V.-beeldje. Hij nam het mee naar huis, maar groot was zijn verbazin toen hij dat beeldje 's anderendaags terug vond in de Oostbroek. Dit gebeurde zo drie maal en daarom besloot men hier een kapel te bouwen.

Een oude hovenier vertelde nog volgende legende: een voerman, die dagelijks de tocht Nevele-Gent en terug aflegde, passeerde de Oostbroek, richting Gentstraat. Ter hoogte van de grensscheiding Vosselare-Nevele stuikte één van zijn paarden plots dood. Toen de voerman nu op een van de volgende doortochten nog een paard verloor gingen de praatjes hun gang. De streek was behekst, men sprak van de kwade hand. De spanning steeg ten top toen een derde paard, op dezelfde slijkerige plaats, de geest gaf. Men zou een kapel bouwen om heksen en kwade geesten te bezweren. "Zo bouwde men de O.L.V.-kapel op de Oostbroek", zei de hovenier, "op één van de dode paarden. Dit paard werd begraven met de poten hemelwaarts, zodat deze poten als het ware de ganse kapel schraagden".

HOEVEN

Het "Zevenbunder" (Vosselare) stond vroeger bekend onder de naam "Hof ten Broecke" en werd reeds in 1412 vermeld.
Het hof behoorde toe aan de abdij van Drongen en was bewoond door Pieter Goethals.
Na de Franse overheersing werd dit hof verkocht, maar van de vroegere uitgestrekte landerijen bleven nog slechts 7 bunder over. Van toen af, in 1801, kreeg deze hoeve de naam "Zevenbunder".
Het "Zevenbunder" is een typisch voorbeeld van het 'Einzelhöfe"-systeem. In de Karolingische tijd deed men aan groepsontginning, m.a.w. men woonde in groep (wijken, misschien "driesen") en samen werd het meest geschikte land ontgonnen, bvb. een (droog) kouterstuk. De omliggende gronden werden gebruikt als terrein voor het grazen van het vee en voor het kappen van hout voor verwarming.
Omstreeks de 12de of 13de eeuw begon men afzonderlijke hoeven te bouwen. Abdijen, kloosters of kasteelheren beschouwden zulks als een goede investering. Het "Zevenbunder" was ongetwijfeld zo een hoeve.

Andere in de streek zijn: het Poortakkergoed, het Groot Goed ter Meers, de Kervijnhoeve en sommige hoeven van de Westhoek.

Al deze hoeven waren gevestigd op de rand van de kouter, zelfs in de vallei of in het bulkengebied. Op de kouter hadden deze hoeven goed bewerkbaar akkerland en in de vallei of in de bulken had men beste weiland.

Later, in de 17e eeuw, begon men boerderijen te bouwen van het Marsch-type. Typische voorbeelden hiervan zijn gelegen langs de Moerstraat. De ontginning van het Dotnestbos (Drongen-Landegem), die oorspronkelijk vanuit de kouters en vanuit de "Einzelhöfe" werd verricht, werd in de 17e eeuw verder gezet vanaf de Moerstraat. Deze straat werd dus aangelegd middenin het moeras. Men zorgde voor een betere afwatering en langs deze straat bouwde men de nieuwe hoeven, meestal met de voorgevel naar het land gericht.

Deze twee laatste systemen, de "Einzelhöfe"- en het Marsch-type kan men uit de percelering aflezen.

Geraadpleegde werken

R. Tavernier, Bodemkaart van België.
H. Van den Abeele, Het Kanaal van Schipdonk.
Ferraris kaarten.
Gent, De vierde haven van Benelux. Uitgave stad Gent.
Rijksarchief Gent. Kaarten en plannen, nr. 107 en 108.
We danken tevens Prof. dr. R. Tavernier voor zijn mondelinge mededelingen en dhr. A. Janssens die ons liet putten uit de documentatie van zijn Rietgaverstedemuseum.

 

BIJLAGE
Vertaling van Ferraris, Carte de Cabinet des Pays-Bas Autrichiens, 1771, Volume IV, mémoire 6.

De Oude Caele, die aan de samenvloeiing van de Pouquesbeke en Reckelyngsbeke ten zuiden begint, is 14 tot 15 voet breed, heeft 3 tot 4 voet water in de zomer; maar in de winter overstroomt zij langs beide zijden het omliggende tot meer dan 100 vadem ver; hoewel haar bedding een diepte heeft van 8 tot 9 voet. Over stenen bruggen kan men in de dorpen Landeghem en Merendree die rivier oversteken; over een houten brug ter hoogte van het gehucht Rabot kunnen de voetgangers naar het gehucht Loo.

De Cleyn Caele heeft haar oorsprong in enkele grachten gelegen bij de Moerstraete, (ten zuiden van dit blad), ze is 4 tot 5 voet breed en even diep; hoewel ze in de zomer op vele plaatsen droog ligt en op andere plaatsen slechts 4 duim water heeft, is ze in de winter bijna vol; ze wordt altijd maar breder tot aan de samenvloeiing met voornoemde rivier, waar ze 10 voet breed is en 6 voet diep, en anderhalve voet water in periodes van droogte; voor de samenvloeiing neemt ze een beek op die haar oorsprong heeft bij het gehucht Stroomken, die 6 voet breed is, 3 voet diep en heeft 1 voet water. Ze loopt met de rivier in een aquaduct onder het kanaal Brugge-Gent aangelegd, en dan splitst ze zich nog in twee armen Caele en Oude Lieve geheten. Over stenen bruggen kan men de kleine Caele overteken ter hoogte van het gehucht Moerstraete, dicht bij de Cleydonckdriesch, in het dorp Vinderhaute en op het gehucht Wildendriesch vindt men een houten brug; er zijn er nog een viertal kleine stenen bruggen voor voetgangers, evenals een ander naar het eerste.

De Oude Lieve, die te Meulestede in het kanaal van het Sas van Gent uitmondt, is een oude rivier die ongeveer 4 vadem breed is en 3 tot 4 voet diep; de bedding is zeer drassig en ligt in de zomer bijna altijd droog; maar in de winter treedt ze ver buiten haar oevers en overstroomt de weiden waarlangs ze stroomt.

Over stenen bruggen kan men ze oversteken op het gehucht Meulestede en Vierwegsche en er zijn drie doorwaadbare plaatsen tussen dit gehucht en het kanaal van Brugge.

De Caele die vroeger een rivier was, is heden slechts een gracht van 6 tot 18 voet breed en 4 tot 5 voet diep en heeft anderhalve voet water in de zomer. Haar bedding is zeer drassig en staat vol in de winter; na geweldige regens treedt ze buiten haar oevers. Men kan ze met gerij doorwaden ter hoogte van het gehucht Westbecke en te Everghem is er een stenen brug.

Het kanaal Gent-Brugge is 12 tot 25 vadem breed, 7 tot 9 voet diep. Op verscheidene plaatsen is de bedding ervan zandig en vast en de boorden ervan worden van Gent af naar het westen hoger, zodat ze aan de uitgang 20 voet boven het water liggen. Met gerij wordt het kanaal overgestoken over draaibruggen te Mariakerke en te Lovendeghem en met een veer op 4 plaatsen, te weten op het gehucht Hawestraete, aan de samenvloeiing van de nieuwe Caele en het kanaal van Brugge, naar het gehucht Durmestraete en naar dat van het Rabot.

Het kanaal van het Sas van Gent is 12 tot 13 vadem breed en 6 tot 8 voet diep; de bedding ervan is zandig en het kanaal is afgezet met dijken die vier tot 5 voet hoog zijn met aangepast talud. Het is goed bevaarbaar en over een draaibrug kan het op het gehucht Meulestede worden overstoken.

De Nieuwe Caele is een kanaal waaraan sedert 20 jaar begonnen is en dat nog geen enkele verbinding heeft, zoals men het opmerkt bij het dorp Nevele en uitloopt ten noorden van het kanaal Gent-Brugge. Het is ongeveer 2 vadem breed en 8 voet diep en heeft in de zomer 2 voet water en in de winter 6 tot 7 voet. De bedding is drassig en het zou bevaarbaar worden als er nog veel aan gewerkt wordt; nochtans is het aan zijn rechterzijde, van het gehucht Grootenherwegh tot aan zijn verbinding met het kanaal van Brugge, afgezet met een dijk die een aangepaste breedte heeft. Met gerij kan het over houten bruggen op het gehucht Grootenherwegh en te Landegem overstoken worden.

De Poucquesbeke, die er in het zuidwesten binnenkomt, is 2 vadem breed en 6 tot 7 voet diep; in de periodes van droogte heeft ze 2 voet water. In de winter en bij het smelten van de sneeuw treedt ze ver buiten haar oevers; de bedding is vast en zandig en de oevers zijn steil. Met gerij kan men over een houten brug die op het gehucht Udaele oversteken evenals over vier stenen bruggen gelegen tussen dat gehucht en de Nieuwe Caele.

De Reckelynghsbeke die ten zuiden binnenkomt en in voornoemde beek stroomt, is 2 vadem breed en 4 tot 5 voet diep, heeft anderhalve voet water in de droge periodes; ze treedt nogal uit haar oevers in de regenseizoenen. Met gerij wordt ze over een stenen brug te Nevele overgestoken.

De Nieuwe Vaart werd begonnen om er een kanaal van te maken, maar de werken werden niet beëindigd zodat hij nu bijna vol is.

De gracht die ligt langs het kanaal van Gent-Brugge en in verbinding staat met de twee Caeles, is 14 tot 15 voet breed, 10 voet diep. De oevers zijn steil en de bedding is drassig.

De andere grachten die door de weiden stromen zijn ongeveer 15 voet breed, als ze met een dubbele lijn voorgesteld worden, en de helft met een lijn. Ze hebben nogal een gelijkvormige diepte van 4 voet.

Wat de kleine vijvers betreft, die hier en daar verspreid liggen, die kunnen alle drooggelegd worden.

WAARNEMINGEN BETREFFENDE HET LEGEREN EN HET KANTONNEREN

Op het eerste gezicht ziet men in dat het terrein, dat dit blad bevat, de meest gepaste plaatsen biedt voor het aanleggen van een kamp en het inrichten van een kantonnement.

De kanalen Nieuwe Caele, Gent-Brugge en dat van de Lievevaert, eveneens de Leie, de Caele of Oude Caele en de Oudelieve, de bossen en hagen die het grootste gedeelte van dat gebied doorkruisen, ook enkele vlakten die er liggen, bieden grote voordelen, zelfs op sommige plaatsen voor de ruiterij.

De krijgsverrichtingen kunnen er begunstigd worden door de nabijheid van steden als Gent, Aalst, Brugge en Oudenaarde.

De geschikte plaatsen om een legerkorps in linie op te stellen zijn:

1. Tussen Nevele en het dorp Mariakerke, linies die zich uitstrekken naar het kanaal van Brugge enerzijds, en naar De Oude Caele anderzijds; het front mag dan gekeerd zijn naar het noorden of het zuiden; er wordt een verbinding met Gent voorzien evenals enkele vrije overtochten van die waterlopen die achteraan of zijdelings liggen.

2. Op de rechteroever van het kanaal Gent-Brugge, linies die zich uitstrekken van Somerghemboven af over het grondgebied van Lovendeghem tot aan het kanaaltje Lievevaert geheten, of zelfs tot aan de Caele: mochten in deze stelling de troepen naar het zuiden liggen, dan kan de rechtervleugel dichter bij dat kanaal komen te liggen en steunen op de omgeving van het gehucht Hansbekeveir.

3. Op de velden die links en rechts van de Caele liggen, zouden de troepen met een vleugel steunen op het kanaal Gent-Brugge, met de andere op het kanaal van het Sas van Gent, blad Z6, het centrum ligt dan ter hoogte van het dorp Everghem.

4. Op de een of andere oever van het kanaal nieuwe Caele geheten, een van de vleugels steunt tegen het kanaal Gent-Brugge, de andere tegen de Leie ten zuiden van Nevele en het front gedekt door de Nieuwe Caele.

De overvloedige graanoogst van dat kanton evenals van die uit de omgeving, de opbrengst van hooi en klaver, de kanalen en de goede wegen zijn de voordelen van dat deel van het land en verschaffen de middelen om de legers in het nodige te voorzien; maar ter bescherming van de magazijnen van het leger en ter bedekking van de konvooien zouden de posten uit het omliggende, die als belangrijk beschouwd worden, in staat van verdediging dienen gesteld te worden. Het hout komt er niet in overvloed voor; op korte tijd zou men er ook gebrek aan hebben.