ONGESCHREVEN VERLEDEN
Een archeologische kijk op de vroegste bewoningsgeschiedenis van het Land van Nevele
door Wim De Clercq
INLEIDING: WAAROM DEZE PUBLICATIE?
Voor velen is de term "geschiedenis" of meer algemeen zelfs "verleden", een abstract begrip, een vaag woord zonder direct (vooral financieel) "nut". Het is de bedoeling van deze publicatie om aan de geïnteresseerde lezer duidelijk te maken dat hetgeen onze maatschappij heden ten dage verwezenlijkt heeft, slechts tot stand kon komen door een proces van vallen en opstaan, doorheen de tijd en doorheen de ruimte, en dat dat proces soms tot uiting komt aan de hand van overblijfselen in onze eigen, onmiddellijke omgeving, in casu het Land van Nevele. Niet alleen kan dit aangetoond worden door de geschiedschrijving, die gebruik maakt van geschreven of mondelinge bronnen die ons doorheen de tijd zijn overgeleverd, het kan echter ook onderzocht worden aan de hand van de materiële overblijfselen uit ons verleden. Schrift is op de tijdsschaal gezien immers een relatief recente uitvinding, wat betekent dat over de menselijke activiteit in het grootste deel van het verleden helemaal geen geschreven bronnen bestaan. Willen we iets te weten komen over het ontstaan en de ontwikkeling van de menselijke samenleving vóór het gebruik van het schrift, dan dienen we een beroep te doen op de archeologische wetenschap. Zij onderzoekt immers samen met een aantal verwante "partnerwetenschappen", hoe de mens evolueerde doorheen de tijd, en dit aan de hand van de materiële overblijfselen uit dat bewuste verleden.
In plaats van een opsomming van sites en inventarissen uit eigen regio aan te halen, werd geopteerd om deze bijdrage gestalte te geven door middel van een algemeen overzicht van de menselijke evolutie, geïllustreerd aan de hand van sites en voorbeelden uit het Land van Nevele zelf. We zullen deze tekst vooral beperken tot de periode die loopt van de oudst vastgestelde menselijke aanwezigheid in de regio tot aan de periode waarvan we over geschreven bronnen beschikken. Concreet betekent dit de periode van ongeveer 10.000 vóór Chr. tot ongeveer 800 na Chr. anders gezegd de periode van de midden-steentijd (het zgn. Mesolithicum) over de late steentijd, de metaaltijden, de Romeinse tijd, tot en met de Vroege Middeleeuwen.
Men dient voor ogen te houden dat deze bijdrage geen wetenschappelijke publicatie is, daarvoor bestaan andere media. Het is een vulgariserende tekst, die in de eerste plaats bedoeld is om wetenschappelijke gegevens, die maar al te vaak in gesloten kring blijven, aan een ruim publiek kenbaar te maken en dit op een hopelijk min of meer begrijpelijke wijze. De bijdrage dient dan ook enkel beoordeeld te worden op deze - vulgariserende - gronden. Verder werd bewust gekozen om zo weinig mogelijk sites exact te lokaliseren, noch met plaatsnamen, noch op kaarten. We stelden immers vast dat een vorige gelijkaardige publicatie in dit tijdschrift (over de Romeinse nederzettingen te Merendree), aanleiding gaf voor enkele malafide personen om zelf op "schattenjacht" te gaan. Dit kan nooit de bedoeling zijn. Onze regio's zijn doorheen de tijd steeds relatief arm gebleven. Schatgravers dienen te beseffen dat door hun onsystematische en wilde graafpartijen, telkens een stukje verleden onherroepelijk vernietigd wordt. Niet wat we vinden is voor de archeologen immers van belang, in de eerste plaats is de manier waarop het onderzoek plaats heeft en de vondstcontext waarin het voorwerp zich bevindt belangrijk. De voorwerpen zijn een middel tot, bovendien zonder financiële waarde.
HET LANDSCHAP EN DE BODEMGESTELDHEID IN HET LAND VAN NEVELE
Op het eerste gezicht lijkt een tekst over het landschap en de bodemgesteldheid van weinig direct nut voor de kennis van de oudste menselijke occupatie. Men dient echter voor ogen te houden dat de mens voor zijn onderhoud doorheen de tijd steeds aangewezen is geweest op de bronnen die de natuur hem bood en dit voor voedsel, huisvesting en klederdracht. Een goede kennis van het landschap en de bodem van een regio, kan het bijgevolg gemakkelijker maken om de keuze van de mens in het verleden voor welbepaalde posities in het landschap, beter te begrijpen, in het bijzonder dus vanuit een economisch perspectief.
Door het feit dat Vlaanderen een zeer dichte bebouwing kent, door het wanordelijke net van spoorwegen, kanalen en wegen is het, zeker voor leken, moeilijk om heden ten dage een goed beeld te bekomen van het oorspronkelijk natuurlijk landschap. Het antropogeen (= cultureel, menselijk bepaald) landschap is bij ons nu immers alomtegenwoordig. Een belangrijk element in de reconstructie van het landschap is de bodemkunde. Door de in de jaren ‘50 opgestelde bodemkaarten is het immers mogelijk gebleken om verschillende bodemsoorten, hun drainage en de profielontwikkeling te bepalen. Samen met hoogteligging, hellingsgraad en de al of niet aanwezigheid van waterlopen vormt deze factor een set van elementen die de keuze tot inplanting van een nederzetting, doorheen de tijd in de hoogste mate bleven bepalen. Deze vier elementen bepaalden of beïnvloedden ook de specifieke soorten vegetatie (zowel in wilde als geteelde vorm) waarvan de mens diende te overleven. Een natte beekvallei kent bv. een fundamenteel verschillend ecotoop dan een hoge, droge zandrug. Waar de beekvallei geschikt kan zijn voor de jacht, voor beweiding of voor het kappen van hout, zijn de droge zandruggen uitermate geschikt voor bv. de teelt van graangewassen. Een leembodem is meer vruchtbaar dan een kleibodem, een dichte bebossing langs een rivier is goed voor de jacht, een naar het zuiden gerichte helling biedt beschutting tegen de koude, enz... Samenvattend kunnen we stellen dat de aanwezigheid van natuurlijke grondstoffen (zoals een vruchtbare, goed gedraineerde bodem, hout, klei,...) en goede geografische posities van in de prehistorie tot zelfs in recente tijden een zeer belangrijke invloed hebben uitgeoefend op het aantrekken van menselijke bewoning. Alvorens de belangrijkste landschappelijke entiteiten in het studiegebied te bespreken, is het noodzakelijk het algemeen kader te omschrijven waarin deze elementen hun oorsprong vonden en waarin ze dienen begrepen te worden.
De regionale fysische toestand
Op regionaal vlak maakt het Land van Nevele deel uit van de zgn. “Vlaamse Vallei”. Dit is een relatief reliëfarm en laag, vlak gebied waarin de algemene hoogte varieert van +5 m in het noorden tot +15 m in het zuiden.[1] Tijdens de IJstijden werd deze zone in het toen bestaande “tertiaire” reliëf uitgeschuurd en vervolgens (ca. 25.000 jaar geleden) weer opgevuld met lagen zandige sedimenten (15 à 30 m dik). Dit gebied strekt zich uit van de huidige Scheldemonding in het noorden, tot de valleien van Leie en Schelde in het zuiden. In het westen wordt het gebied begrensd door de klei- en grindrijke cuesta Oedelem-Zomergem en de tertiaire opduikingen bv. te Aalter en te Lotenhulle. In het oosten vormt de lijn Stekene-Waasmunster het uiterste (met tevens een kleirijke cuesta als grens). Voor onze streek is de tertiaire klei op de cuesta Oedelem-Zomergem van belang. Hetzelfde geldt voor de klei en veldsteen uit de zgn. “Paniseliaanfase” in Aalter.
Als hoofdkenmerken voor het landschap in de Vlaamse vallei en dus ook in een groot deel van het Land van Nevele, kunnen volgende landschapsvormen aangehaald worden:
1) Een algemeen opvullingvlak waarop micro-reliëfvormen voorkomen, of waarop deze zijn ingesneden.
2) Zandruggen, dikwijls asymmetrisch verlopend en gescheiden door min of meer gesloten depressies met een parallel verloop (bv. in Merendree).
3) Beekvalleien en rivierdalen: in eerste instantie zijn voor de regio van belang: de Kale-Poeke en de hierin afwaterende beken, en de Leievallei.
4) Kouterruggen, symmetrisch aan beide zijden van rivier- of beekdalen. Exemplarische voorbeelden van deze structuren treffen we aan in de hoge, droge en landschappelijk open stroken langs de Kale, meer bepaald langs de weg van Merendree over Vosselare tot in Bachte-Maria-Leerne.
5) Komgebieden.
6) Rivier- en landduinen (bv. langs de Leie te Deurle).
7) Kleine kopjes en ruggen, dikwijls verband houdend met een ondiep tertiair reliëf en kenmerkend voor overgangszones (bv. te Hansbeke).
Landschap en bodem in detail: de vallei van de Kale-Poekebeek
Van kapitaal belang voor het ontstaan en de ontwikkeling van de oudste menselijke populaties in de regio zijn de valleien van Leie, Kale en Poekebeek. Vrijwel alle vondsten uit de steentijden, metaaltijden en de Romeinse tijd zijn in direct verband te stellen met de aanwezigheid van één van deze waterlopen. Het spreekt voor zich dat deze natuurlijke waterwegen en de afwaterende beken een belangrijke rol speelden als natuurlijke “corridors” om het gebied te betreden, toegankelijk te maken en te ontginnen. De Leie vormt ter hoogte van Bachte-Maria-Leerne en Sint-Martens-Leerne de zuidelijke grens van het Land van Nevele, terwijl de Kale van zuid naar noord het gebied doorsnijdt, terwijl de Poekebeek hetzelfde doet van west naar oost. We zullen ons voor de rest van het verhaal vooral toespitsen op de valleien van Poekebeek en Kale, vooral omdat deze beken ten volle het Land van Nevele doorsnijden. De Leie maakt slechts een kort, maar daarom niet minder belangrijk, contact met het studiegebied, waardoor het gevaar bestaat een in verhouding verkeerde vergelijking op te wekken met de Kale. Hiermee bedoelen we dat de Leie in eerste instantie in het ruimer archeologisch patroon van de Leievallei dient begrepen te worden, en niet als klein stukje, in vgl. met de Kale-Poekebeek.
Alhoewel de Kale en de Poekebeek vandaag niet meer voorstellen dan een ietwat uit de kluiten gewassen gracht (ook wat de stank en kleur betreft), oefende deze rivier, het betreft inderdaad één geheel, (zie hieronder) een uiterst belangrijke invloed uit op de aanwezigheid van menselijke groepen, reeds van enkele duizenden jaren geleden. De oudste sporen van menselijke aanwezigheid in het Land van Nevele werden immers aangetroffen op de kouters die deze waterlopen flankeren. Geomorfologisch onderzoek toont aan dat de Kale zowel via de Poekebeek met de Mandel in verbinding stond, alsook via drie takken ter hoogte van Deinze met de Leie contact had, al is het niet echt duidelijk wanneer en onder welke omstandigheden[2]. Met deze beken vormt de Kale de bovenloop van de Durme, waarmee ze via de Moervaartdepressie in verbinding stond. Toponymische en historische informatie kan de veronderstelling Kale = Poeke en Kale = Durme ondersteunen[3]. Het toponiem “Durme” komt immers voor langsheen de Kale in Evergem, Vinderhoute, Merendree en Zomergem.
Op geomorfologisch en landschappelijk vlak vormt het Land van Nevele, vooral door de aanwezigheid van Kale, Poekebeek en Leie, een bevoorrecht nederzettingsgebied. Dit wordt onderstreept door de afwisseling van zandruggen, lemig-zandruggen en beekvalleien enerzijds en depressies en hoger gelegen complexen (kouters) anderzijds.
[1] De Moor & Heyse, 1978.
[2] Verbuggen et al., 1991
[3] Devos, 1958.
DE STEENTIJD: MET STEEN ALS GRONDSTOF
Inleiding
Wanneer hieronder een overzicht geboden wordt van de beschikbare gegevens over de steentijd en over de menselijke aanwezigheid in het Land van Nevele tijdens die periode in het bijzonder, dan moet men zich steeds voor ogen houden dat hier slechts op enkele bladzijden een periode behandeld wordt, die enkel reeds voor wat betreft de bestudeerde regio, een tijdsspanne omvat van ongeveer 10.000 jaar vóór Chr. tot ongeveer 2000 vóór Chr. een periode van maar liefst 8.000 jaar dus. De gegevens waarover we beschikken zijn fragmentair en zullen, zeker in vergelijking met de latere perioden (Metaaltijden en Romeinse tijd) vrij abstract overkomen. Dit wil daarom niet zeggen dat de Steentijden minder aandacht zouden verdienen, het is en blijft immers de periode van waaruit de menselijke evolutie zich voltrok.
De oude Steentijd: het Paleolithicum
De Steentijden omvatten vrijwel de langste periode in de menselijke ontwikkeling. Van vroeg reeds in de menselijke evolutie onderscheidde de mens zich van andere diersoorten door het gebruik van werktuigen (ook wel artefacten genoemd) om hem bij allerhande taken bij te staan. Omdat steen niet vergankelijk is, zijn slechts de stenen werktuigen bewaard gebleven, wat daarom niet uitsluit dat er ook nog oudere werktuigen in organisch materiaal hebben bestaan. De oudste aangetroffen gebruiksvoorwerpen zijn afkomstig uit Ethiopië (2,5 miljoen jaar oud) en Tanzania (1 miljoen jaar oud), de wieg van de menselijke evolutie. De aanmaak van werktuigen werd in dit laatste land vastgesteld op een site in de Olduvai-kloof, een belangrijke archeologische vindplaats. De werktuigen die men er aantrof zijn dus ongeveer 1 miljoen jaar oud, en bestaan uit ruw bekapte stenen die als primitieve vuistbijlen kunnen beschouwd worden. De makers van deze werktuigen behoorden tot de tak van de homo erectus.
Het is tevens de homo erectus die de Afrikaanse bakermat verlaat en aan de ”kolonisatie” van Europa begint. Ondermeer in Zuid-Frankrijk werden in grotten sporen van activiteit van de homo erectus teruggevonden. Sporen van vroege menselijke aanwezigheid zijn in Europa over het algemeen vrij schaars wat ondermeer kan verklaard worden door het feit dat deze sites onder meters diep sediment kunnen afgedekt zijn waardoor we ze moeilijk kunnen opsporen. Anderzijds is het ook zo dat door de afwisseling tussen zeer koude glacialen (IJstijden) en interglacialen (warmere perioden tussen de IJstijden) de menselijke aanwezigheid sterk gebonden is aan klimatologische factoren en wellicht ook vrij beperkt en tijdelijk zal geweest zijn. Dichter bij ons dienen we de site van St.-Acheul (in de Somme-vallei) te vermelden. Ze dateert van ongeveer 400.000 jaar geleden en leverde heel wat regelmatig bewerkte vuistbijlen op. In deze periode duiken ook de eerste bewijzen op dat de homo erectus in staat was het vuur te gebruiken. Van bij het prille begin van de menselijke evolutie, tot ongeveer 5000 vóór Chr. wordt de menselijke levenswijze gekenmerkt door een nomadisch bestaan, waarbij geleefd werd van jacht, aaseten (in de vroegste fasen) en pluk en waarbij zeker in de oude steentijd, het ritme van rondtrekken grotendeels bepaald werd door de jaarlijkse trek van de rendierkuddes.
De zonet behandelde oudste fase van de Steentijd wordt door archeologen het oud-Paleolithicum genoemd. Langzaam maar zeker treedt er echter evolutie op in de wijze waarop de werktuigen worden vervaardigd en rond 250.000 vóór Chr. is de technologische evolutie dermate gevorderd dat door de archeologen de term midden-Paleolithicum wordt ingevoerd. Waar in de oude fazen één steen bewerkt werd tot hij de geschikte vorm had, wordt nu duidelijk dat er een weldoordachte methode werd toegepast, waarbij eerst een reeks voorbereidende afslagen op een ruwe vuursteenknol werden aangebracht om uiteindelijk tot één of meerdere werktuigen te komen. Er treedt tevens een grotere technische complexiteit op, evenals een grotere diversiteit in het beschikbaar aantal werktuigen. Tijdens het midden-Paleolithicum komt ook een nieuwe biologische evolutie naar voor, met name het verschijnen van de homo sapiens neanderthalensis in Europa en het Nabije Oosten. Deze mensensoort wordt o.a. gekenmerkt door een sterk geprononceerd been boven elke oogkas, zijn herseninhoud was bovendien groter dan bij de moderne mens. Rond 35 à 40.000 jaar geleden stierf hij echter uit, om onbekende redenen. Sites uit het midden-Paleolithicum zijn blijkens zeer recent onderzoek in onze streek (periode 80.000-60.000 vóór Chr.) wel degelijk aanwezig (Crombé & Van Der Haegen, 1994). We kunnen ze echter maar aantreffen op plaatsen die niet afgedekt zijn door dikke pakketten afzettingen uit de IJstijden. Dergelijke midden-Paleolithische sites treffen we ondermeer aan in Aalter, waar op de rand van de Vlaamse vallei (zie hierboven) miljoenen jaren oude tertiaire toppen van heuvels uitsteken boven dikke quartaire zandpakketten .
Vanaf ongeveer 35.000 jaar geleden komen enkele nieuwe wijzigingen duidelijk op de voorgrond. Het betreft ondermeer het verdwijnen van de homo sapiens neanderthalensis en de opkomst - vanuit Afrika rond 200.000 jaar geleden - van de homo sapiens sapiens enerzijds en het verschijnen van o.a. nieuwe steenbewerkingstechnieken anderzijds. Tijdens deze periode bevinden we ons tevens in de koudste fase van de laatste IJstijd. Ondermeer de Beringstraat raakte volledig dichtgevroren, wat op zijn beurt aanleiding gaf voor de mens om het Amerikaanse continent te bereiken. Technologisch zien we dat de bewerking van de vuursteen nu op een veel “rendabeler” wijze gebeurt. Belangrijk is de vervaardiging van lange klingen, ondermeer te gebruiken als messen. Ook het gebruik van benen werktuigen werd voor deze periode voor het eerst vastgesteld. Een ander interessant gegeven is het opduiken van kunst tijdens het Magdaleniaan, een sub-fase binnen het laat-Paleolithiucm. Mooie voorbeelden hiervan treffen we ondermeer aan in enkele beroemde grotsites (Altamira, Lascaux) waar afbeeldingen van dieren op de rotsen geschilderd werden. Venusbeeldjes in kalksteen wijzen op het bestaan van een soort vruchtbaarheidscultus.
Na het ijs, ... Een nieuw klimaat, een nieuwe levenswijze: het Mesolithicum
Rond 10.000 vóór Chr. eindigt de laatste IJstijd en treden er enkele drastische wijzigingen op in fauna en flora. De overgangsperiode tussen de IJstijden (het Pleistoceen) en de warme fase waar we ons ook nu nog in bevinden (het Holoceen) wordt tardiglaciaal geheten. Het is in deze overgangsfase dat de mens als rechtstreeks gevolg van de klimatologische veranderingen, geconfronteerd wordt met de aanzet van een totaal nieuwe manier van voedselvoorziening en overleven. Archeologisch gezien heet deze overgangsfase het epi-Paleolithicum. Het is juist uit deze fase dat we de oudste sporen van menselijke aanwezigheid in het Land van Nevele aantreffen. Het betreft vuurstenen werktuigen, aangetroffen op de zandruggen langsheen de Kale te Merendree. De werktuigen in vuursteen omvatten brede klingen, schrabbers en zgn. stekers. Dergelijke artefacten werden ondermeer aangewend voor de slacht en het villen van wild en voor het verder bewerken van huiden, gewei en bot. Een ander voorwerp daterend uit deze overgangsfase is een vuurstenen spits, waarschijnlijk gebruikt als pijl of speerbewapening. Typologisch gezien hoort dit exemplaar thuis in de zgn. Tjongercultuur, genoemd naar een Nederlandse vindplaats. Ook deze spits werd aangetroffen in Merendree langsheen de Kale. Verwante exemplaren werden ondermeer gevonden in Vinderhoute.
Rond 9000 vóór Chr. is de tardiglaciale overgangsfase voorbij. Opstoten van koude en warmere perioden (oscillaties) maken nu plaats voor een geleidelijke maar constante temperatuurstijging, en voor een toenemende vochtigheidsgraad (ondermeer wegens het smelten van de ijskap). Toendra maakt nu plaats voor aanvankelijk een open boslandschap dat op zijn beurt, zo’n 4000 jaar later, reeds door dichte loofwouden en moerassen zal vervangen zijn. De zeer ingrijpende wijzigingen in de flora hebben vanzelfsprekend een onmiddellijk gevolg op de fauna. Sommige diersoorten zoals rendieren die gebonden zijn aan de koude en het toendralandschap, migreren met de koude mee naar het noorden. Andere diersoorten zoals oerrund, wild zwijn, herten en dieren met een biotoop in dicht bos nemen hun plaats in. Dat dit zware gevolgen moet gehad hebben voor de mens is duidelijk. In de archeologische terminologie breekt dan ook een nieuwe fase aan: het zgn. Mesolithicum (ca. 9000 vóór Chr.-5000 vóór Chr.).
Niet alleen is de pijlbewapening en de wijze van jacht niet meer geschikt voor de nieuwe diersoorten in een nieuwe omgeving, bovendien dient de mens z’n jaarlijks ritme van rondtrekken aan te passen om te kunnen overleven. Algemeen wordt aangenomen dat het, gezien de toenemende diversiteit in planten en dieren, gemakkelijker was om in het dagdagelijks voedselonderhoud te voorzien, waardoor de jaarlijks af te leggen “zwerftochten” inkrompen. Waar in de koude perioden tijdens het jong-Paleolithicum de speer nog een belangrijk jachtwapen was, zal nu de boog in het overheersend boslandschap langzaam maar zeker de overhand nemen. En dat komt ook tot uiting in de vuurstenen pijlbewapening die voor de pijlen wordt gebruikt en in de werktuigen die het wild moeten bewerken. Grote klingen en stevige schrabbers maken plaats voor zgn. microlithen (lett.: kleine stenen). Er ontwikkelt zich een wijd gamma aan vuurstenen werktuigjes en pijlbewapening met geometrische vormen zoals cirkelsegmenten, driehoeken en trapezia. Deze uiterst fijne en kleine artefacten werden op een weldoordachte wijze vervaardigd uit de vuursteenknollen. Als pijlpunten en weerhaken werden ze geschacht op pijlen of harpoenen. Ook hier kunnen we gerust stellen dat het klimaat de mens aanzette tot een technologische innovatie. Voorbeelden van mesolitische werktuigen worden veelvuldig aangetroffen op de zandruggen in de buurt van de Kale, ondermeer te Bachte-Maria-Leerne, Vosselare, Nevele, Landegem en Merendree. Ze zijn het bewijs dat de vallei van de Kale een dikwijls gefrequenteerd terrein van de mesolithische mens was.
De eerste landbouwers: het Neolithicum
Vanuit het Nabije Oosten (bv. Jordaanvallei) en Anatolië zet er zich vanaf het 9de millennium voor onze tijdrekening een beweging in gang die we met de term “neolithisatie” dienen te omschrijven. Hiermee wordt de overgang naar de jonge steentijd bedoeld, in essentie een periode waarin de mens overschakelt van een nomadisch naar een sedentair bestaan, gekenmerkt door een steeds grotere mate van zelfvoorziening in voedsel. Met andere woorden, tijdens deze periode doet de landbouw zijn intrede. Het tot stand komen van de gemengde landbouw is een complex proces waarbij zowel toeval als gericht menselijk opzet een rol speelden zowel in de domesticatie van planten als van dieren. Bij de vroegst geteelde plantensoorten dienen we graangewassen en peulvruchten te vermelden, terwijl schaap, geit, rund en varken reeds van bij het begin van de neolithisatie gedomesticeerd werden. Het oudste voorbeeld van domesticatie werd overigens reeds veel eerder, met name in het Mesolithicum aangetroffen. Het betreft de introductie van de hond als huisdier. De oudst vastgestelde bewijzen hiervan dateren van 12.000 jaar vóór onze tijdrekening en zijn afkomstig uit Scandinavië. Het gericht kweken van dieren met als doel in vlees en huiden voor de mens te voorzien, is dus slechts een innovatie van in het Neolithicum. Vanaf 5500 komt het midden en noordwesten van Europa onder invloed van deze nieuwe stroming. De zgn. bandkeramische cultuur, zo genoemd naar het typische aardewerk versierd met banden, is de eerste landbouwcultuur in Europa. Voor het eerst wordt aardewerk vervaardigd, worden woningen gebouwd en worden planten en dieren gekweekt. Zeer opmerkelijk is de homogeniteit die bestaat in huizenbouw (steeds NW-ZO gericht), de structurering binnen de nederzettingen, de productie van aardewerk, de vuursteenbewerking, enz. en dit binnen een gebied dat zich uitstrekt van aan de Donau over Polen tot in het Bekken van Parijs. De bandkeramische cultuur blijkt vooral een voorkeur gehad te hebben voor leemgronden, bv. in de provincie Henegouwen waar ondermeer te Blicquy een nederzetting uit deze periode werd onderzocht.
Voor onze gewesten is het wachten tot het midden- en laat-Neolithicum (ca. 5000-2000 vóór Chr.) vooraleer de eerste schaarse neolithische elementen opduiken. Mogelijkerwijze kan dit later voorkomen worden verklaard door het feit dat noordelijk Vlaanderen hoofdzakelijk zandgronden bezit, die voor landbouw over het algemeen minder geschikt zijn. De in de Kale-vallei aangetroffen aanwijzingen van menselijke aanwezigheid tijdens het Neolithicum omvatten enkele pijlpunten, enkele fragmenten van gepolijste bijlen en één volledige vuurstenen bijl. De silex waaruit de meeste voorwerpen vervaardigd zijn, is afkomstig uit Spiennes, een plaatsje in Henegouwen waar op een industriële wijze "avant la lettre" aan vuursteenontginning werd gedaan. In diepe mijnschachten werd de vuursteen er ontgonnen om vervolgens een ruwe voorbewerking te ondergaan en verder verspreid te worden over lange afstand. Naast vuursteen voor de aanmaak van grote en kleine, al of niet gevleugelde pijlpunten, werden lange, regelmatige klingen (messen) gemaakt en vooral bijlen die meestal glanzend gepolijst, gehanteerd werden voor het omhakken van bomen. In het begin van deze eeuw werd melding gemaakt van de vondst van een neolithische nederzetting in Zeveren[1]. Tot nu toe kon dit nog niet bevestigd worden door archeologisch onderzoek.
De vondsten uit het Land van Nevele horen dus wellicht thuis in het midden-Neolithicum, en meer bepaald zelfs in de Michelsbergcultuursfeer, een culturele omschrijving binnen het midden-Neolithicum. Deze stelling zou kunnen bevestigd worden door de vondst van aardewerkfragmenten waarin in de klei silexfragmenten zijn bijgemengd. Dit is een typisch kenmerk van de Michelsbergcultuur. Dit mogelijk midden-neolithisch aardewerk werd aangetroffen op de kouter in Vosselare[2] en bij opgravingen in Landegem.
Menhirs en bekers: het einde van het Neolithicum en de overgang naar de Bronstijd
In de periode tussen ongeveer 3800 en 2100 vóór Chr. vindt de overgang plaats van de Steentijden naar de Metaaltijden. Belangrijk hierbij is het voorkomen over uitgestrekte gebieden, van relatief homogene cultuurgroepen en -fenomenen. Een mooi voorbeeld hiervan vinden we in het megalithisme, een religieus-funeraire stroming die tot uiting komt in de menhirs en dolmens waarvan we niet alleen in Frankrijk en Engeland maar ook in Spanje, Malta, Nederland en België sporen terugvinden. Een ander voorbeeld van dergelijke stromingen vinden we in de zgn. bekerculturen (4de en 3de millennium vóór onze tijdrekening). Kenmerkend voor deze fase is het voorkomen van bekers met slanke, S-vormige profielen, dikwijls voorzien van touwindrukken. In het Land van Nevele werden enkel bij de opgravingen te Landegem enkele kleine fragmentjes van aardewerk in deze traditie aangetroffen.
[1] Raeymakers, 1907.
[2] Bauters & Crombé, 1997; De Clercq, 1995a.
EEN VERHAAL VAN METAAL: DE BRONSTIJD (ca. 2000-750 vóór Chr.) EN DE IJZERTIJD (ca. 750 vóór Chr.- Romeinse verovering)[1]
De introductie van het metaal: koper en brons
Een belangrijke, nieuwe innovatie, was de langzame maar zekere introductie van het metaal. Deze beweging zette zich in gang vanuit Anatolië, omstreeks 2300 vóór Chr. In eerste instantie werden enkel koperen voorwerpen vervaardigd. Vrij snel en wellicht bij toeval, kwam men tot het inzicht dat het toevoegen van tin aan het koper tot een lagere smelttemperatuur en een verbeterde bewerkingsgraad leidde. Door toevoeging van 10% tin werd de ideale legering tot stand gebracht. Het zo gevormde brons (tin + koper = brons) zou gedurende een periode van ongeveer 1.000 jaar een belangrijke rol uitoefenen in de economie en de samenleving.
Voor het eerst komt in de menselijke evolutie het verschil tussen de zgn. “haves” en de zgn. “have-nots” op een min of meer “internationale” schaal tot uiting. Tin met name, was een relatief schaars erts. Gezien het broodnoodzakelijk was voor het vervaardigen van het brons, leidde de schaarsheid ervan snel tot monopolisatie en verrijking van die gebieden die over ertsrijke lagen beschikking hadden (Bretagne, Cornwall en Bohemen). Vanuit deze zones ontwikkelen zich twee belangrijke cultuursferen, de Atlantische en Centraal-Europese. Zij zullen elk op hun beurt een invloed uitoefenen op de bronstijdmaatschappij in onze regio’s. Tijdens de vroege-en midden-Bronstijd staan onze gewesten voornamelijk onder Atlantische invloed; tijdens de late-Bronstijd is de Centraal-Europese inbreng dominant. De vroegste metalen voorwerpen die in de Lage Landen voorkomen, zijn koperen dolkjes. Ze komen reeds voor in laat- tot finaal-neolitische culturen. Vanaf 2100 vóór Chr. doet brons definitief zijn intrede en vangt in de archeologische terminologie de Bronstijd aan. Het nieuwe metaal wordt ondermeer gebruikt om wapens (lanspunten), sieraden (spelden, armbanden) en gebruiksvoorwerpen (pijlpunten, vishaken) mee te vervaardigen. Gezien de zuurtegraad van de zandbodems bewaren bronzen voorwerpen zeer slecht en bijgevolg vinden we er dan ook weinig resten van terug. Anderzijds zijn tot nu toe ook relatief weinig nederzettingen opgegraven. Bovendien was het brons in onze gewesten wellicht zelfs een relatief schaars en bijgevolg voor de elite gereserveerd prestigeobject, waarbij de verspreiding en het bezit van deze voorwerpen vooral via uitwisselingsnetwerken onder de elite tot stand kwam. In dit verband dienen we een etnografisch gedocumenteerd gebruik te vermelden dat bekend staat onder de term “potlach”-fenomeen. Hierbij offeren welstellenden een deel van hun bezit aan de goden. Op deze wijze zouden de klassenverschillen binnen de maatschappij - ogenschijnlijk - weggevlakt worden en de bestaande orde bestendigd worden. Het voorkomen van tientallen bronzen voorwerpen in Vlaamse rivieren wordt in dit kader geïnterpreteerd.[2] Bronzen objecten blijven in zuurstofarme omgeving bovendien goed bewaard, wat leidde tot de bewaring van enkele fraaie stukken. Het merendeel van deze riviervondsten kwam aan het licht door baggerwerkzaamheden op het einde van de 19de en in de 20ste eeuw. Door de grootschalige manier van baggerwerken die men heden ten dage hanteert, ontsnappen wellicht nog vele andere bronzen aan onze aandacht.
Bij het graven van het Schipdonkkanaal in 1847, stootten de arbeiders op het grondgebied van Merendree op enkele bronzen voorwerpen. Bij nader onderzoek blijkt dat deze voorwerpen werden gevonden bij het doorsnijden van een oude Kale-tak (de Cruys-Kale)[3]. De voorwerpen zijn goed bewaard. Het betreft een 30 cm lange bronzen speld en een bronzen lanspunt. Beide voorwerpen dateren uit de late-Bronstijd[4]. Ze worden bewaard in de Koninklijke Musea voor Kunst & Geschiedenis te Brussel.
En wat met de doden?
Een ander aspect uit de Bronstijd betreft de bewoning en de begraafwijze. Wat de bewoning betreft kunnen we zeer kort zijn. De Bronstijd-boerderijen zoals we die kennen uit opgravingen in Nederland zijn in onze gewesten zeker aanwezig geweest. Tot nu toe werd er voor onze regio’s slechts één gedeeltelijk onderzocht, met name te Maldegem[5]. Hier kwamen een tweetal gebouwplattegronden aan het licht. Ongetwijfeld zijn ook op de kouters langsheen de Kale Bronstijd-boerderijen te verwachten. Dit wordt niet alleen gesuggereerd door de aanwezigheid van aardewerk in bronstijdtraditie, gevonden aan het oppervlak, maar ook en vooral door de met zekerheid vastgestelde aanwezigheid van enkele grafvelden. In de vroege- en midden-Bronstijd werden de doden immers in gecremeerde vorm in een urne onder een grafheuvel bijgezet. Deze laatste structuren kenmerken zich door één of meerdere circulaire grachten met een diameter die schommelt tussen de 20 en de 35 m. In het midden was een heuvellichaam en/of een wal opgeworpen. Dergelijke structuren kunnen heden ten dage bv. nog bewonderd worden in Limburg en in het Zoniënwoud. Ze komen vooral voor in de vroege- en midden- Bronstijd en worden vaak geassocieerd met de zgn. Hilversumcultuur, een cultuur die enkele opmerkelijke affiniteiten vertoont met de Wessexcultuur in Engeland. Bij ons is er van de grafheuvels, ondermeer door eeuwenlange intensieve landbouwactiviteit, niets meer te merken aan het oppervlak. Door het feit dat de opgevulde grachten echter een andere samenstelling hebben dan de natuurlijke grond, kan er verandering optreden in de groei van de gewassen die wortelen boven deze gracht. Vooral in droge perioden zal het graan dan bv. langer groen blijven boven deze meer vruchtbare grachten dan het graan dat wortelt boven de gewone zandgrond. Op deze wijze kan het patroon van de gracht die de grafheuvel omgaf vanuit de lucht waargenomen worden, en gefotografeerd; op deze wijze zijn in het hele Land van Nevele (Bachte-Maria-Leerne, Landegem, Vosselare, Merendree, Hansbeke) verschillende grafheuvels gelokaliseerd. Eén van deze heuvels op de kouter in Vosselare werd bij opgraving in 1992 onderzocht[6]. Radiokoolstofdatering op houtskool, aangetroffen in de grachtvulling, plaatste deze structuur in de periode tussen ongeveer 1500 en 1000 vóór Chr.
Naar het einde van de bronstijd toe treedt er, waarschijnlijk onder de toenemende invloed van de Centraal-Europese cultuursfeer, een belangrijke wijziging op in het dodenbestel. De doden worden nu niet meer bijgezet onder grafheuvels maar wel in gecremeerde vorm in een urne in een kuil in de bodem begraven, vandaar de benaming urnenveldencultuur. Monumenten zoals de cirkels uit de vroege- en midden-Bronstijd zijn in deze periode duidelijk schaarser aanwezig. Wel duiken, bij de overgang naar de vroege-IJzertijd toe, ovale en vierkante monumenten op. In de omgeving van het Land van Nevele vermelden we een urnenveld in Aalter (Oostergem).
Van Hallstatt tot La Tène: de IJzertijd
Door een reeks omstandigheden waar we hier nu niet zullen op ingaan, geraakt het systeem van netwerken die het brons en vooral het tin verspreiden, danig ontwricht. De kwaliteit van het brons gaat achteruit. IJzer, dat overigens reeds rond 1500 vóór Chr. werd gebruikt in Klein-Azië, neemt de plaats van het brons in. IJzer wordt gekenmerkt door een hogere smelttemperatuur dan brons. De kwaliteit (hardheid) van het eindproduct ligt merkelijk hoger dan dat bij brons het geval is. Bovendien is ijzererts geografisch gezien relatief regelmatig verspreid en kan dus in principe zowat overal grondstof voor ijzer bekomen worden. Deze beweging zet zich in Europa vooral in de 8ste eeuw vóór Chr. door. Binnen de IJzertijd onderscheiden we twee grote fasen: de vroege-IJzertijd, gekenmerkt door de zgn. Hallstattcultuur (750-450 vóór Chr) en een late-IJzertijd omschreven door de term La Tène cultuur (450 - Romeinse verovering).
Wat de Hallstattcultuur betreft dienen we, net als in vorige perioden, te wijzen op de uniformiteit van de cultuur over grote afstand. Het kerngebied vinden we vooral terug in de Oostenrijkse Alpen, waar bv. in het plaatsje Hallstatt een mijnbouwsite, gericht op de ontginning van zout, was gevestigd. Terloops willen we hierbij vermelden dat zout gedurende lange tijd in de geschiedenis een product van zeer hoge waarde was, met monopolisatie en verrijking van de bezitters van de bronnen ervan tot gevolg. De verspreiding van de Hallstattcultuur wordt ondermeer toegeschreven aan krijgers te paard. Waar in de late-Bronstijd binnen de urnenvelden een relatieve sociale egaliteit naar voor komt, zien we nu langzaam maar zeker sociale verschillen zich manifesteren. Een sociale toplaag installeert zich, hoogteversterkingen (zgn. Fürstenzitzen) worden opgericht, zeer rijke grafcontexten verschijnen. Naast het ontstaan van een sociale stratificatie, blijken ook de contacten met de mediterrane maatschappij duidelijker naar voor te komen. Vooral Griekse en Etruskische voorwerpen duiken op in rijke Hallstattgraven.
In Zandig-Vlaanderen worden we geconfronteerd met een perifeer fenomeen. De typische rijke uitingen van de Hallstattcultuur ontbreken. Ook hier kan van een gebrek aan onderzoek gewag gemaakt worden. Overigens werd recent in SST een deel van een nederzetting uit de vroege-IJzertijd onderzocht[7]. Wat het Land van Nevele, betreft, beschikken we voorlopig nog over geen enkele zekere aanduiding. Dit is wel het geval voor de late-IJzertijd.
Rond 500 vóór Chr. komt een nieuwe stroming op de voorgrond, met name de La Tène cultuur. Vroeger werden de dragers van deze cultuur vereenzelvigd met de Kelten, zo genoemd door Griekse auteurs. Het is wellicht onterecht hen als één etnische entiteit te beschouwen. Het ontstaan van deze nieuwe cultuur wordt nu ondermeer verklaard door veranderingen binnen de Hallstattbeschaving zelf, eerder dan over de opkomst van een nieuw “volk” te spreken. Het kerngebied van de La Tène-cultuur, zo genoemd naar een site in Zwitserland, vinden we ondermeer in de Champagnestreek, Bohemen en het Rijnland. Vanaf de vijfde eeuw zwermen verschillende bevolkingsgroepen uit, om onbekende redenen. Onder andere de Antieke Griekse wereld krijgt af te rekenen met de Keltische krijgersbendes. Uiteindelijk raken ze verspreid over West-Europa en Klein-Azië.
Ook hier kan binnen de samenleving een zekere sociale hiërarchie worden onderscheiden. De elite vestigt zich in hoogtenederzettingen, zoals bv. op de Kemmelberg. Op het vlak van de materiële cultuur (aardewerk, juwelen,...) onderscheiden deze groepen zich duidelijk van de rest van de bevolking. Kunst en religie zijn twee opmerkelijke facetten in de samenleving. Kenmerkend voor de vroege fase van de La Tène-cultuur, is het voorkomen van aardewerk met een geknikt wandverloop, al of niet versierd met geometrische versieringen. Dergelijk type vaatwerk ontwikkelt zich vanuit het Marnegebied. Ook in het Land van Nevele zijn op verschillende plaatsen, vooral dan langsheen de Kale te Vosselare[8], Landegem[9], Zeveren[10] en Nevele[11], sporen van vroeg-La Tène-sites aangetroffen. In de omgeving vermelden we nog sites in SST[12] en in Zomergem[13].
Het einde van de La Tène cultuur en de overgang naar de Romeinse tijd is over heel Vlaanderen ondanks alles nog een vrij slecht gedocumenteerde periode. Opgravingen in Aalter brachten ondermeer een rechthoekig omgrachte structuur aan het licht die in de religieuze sfeer kan geïnterpreteerd worden[14]. Te Vinderhoute werden bewoningssporen opgegraven.[15]
[1] Voor een recent overzicht van de IJzertijd in Vlaanderen: De Mulder & Verlaeckt, 1997; De Mulder 1998.
[2] Verlaeckt K., 1996.
[3] De Clercq, 1993
[4] Verlaeckt K., 1993
[5] Crombé, 1997.
[6] Bourgeois & De Mulder, 1992.
[7] Bourgeois J., 1992.
[8] De Clercq, 1995a; Bourgeois & De Mulder, 1992; De Clercq & De Mulder 1998, Bauters & Crombé, 1997, Crombé., 1977a&b.
[9] Ongepubliceerde opgravingsgegevens.
[10] Bauters, 1994.
[11] Janssens, 1968; Thoen 1968; Van Swalm 1973-4; Tremerie, 1991.
[12] Vermeulen, 1989.
[13] De Clercq & Thoen, 1995.
[14] Bourgeois & Rommelaere, 1992.
[15] Bourgeois et al., 1987.
ONZE GEWESTEN IN HET LICHT VAN DE GESCHIEDENIS: DE ROMEINSE PERIODE
Inleiding
Het zwaartepunt van de archeologische vondsten in het Land van Nevele is vooral gesitueerd in de Romeinse periode. De reden hiervan ligt besloten in verschillende factoren. Ten eerste zijn onze eigen onderzoeksactiviteiten en specialisatie vooral gericht op deze periode. Ten tweede is het zo dat Romeinse sites, met steevast een uitgebreide materiële cultuur, zich sneller laten herkennen bij werfcontrole of terreinprospectie dan bv. sites uit de Steentijd. Tenslotte is het zeker ook zo dat de Romeinse sites binnen de regio in opvallende mate aanwezig zijn, wat wellicht zijn verklaring heeft in de functie van de Kale als doorgangsas (zie verder).
De eerste geschreven bronnen ...
Vóór de komst van de Romeinen is er over onze gewesten, op enkele vluchtige passages na, vrijwel niets bekend uit antieke teksten. Dit betekent dat, zoals we hoger reeds aantoonden, voor de kennis van de prehistorie we volledig aangewezen zijn op de archeologie om iets te weten te komen over de levenswijze in die tijd. Voor de Romeinse tijd treedt hier een verandering in op, zij het echter dat we nu wel enkele teksten bezitten waarin allochtonen de situatie in Gallië beschrijven, maar waarbij geen enkele tekst door een autochtoon zelf geschreven is. Daarvoor is het wachten tot in de Middeleeuwen. De passages die auteurs, zoals bv. Caesar, wijden aan de zeden en gewoonten van de lokale bevolking, zijn en blijven een dankbaar instrument om de archeologische gegevens aan te toetsen. We mogen hierbij echter ook niet uit het oog verliezen dat de verschillende mediterraanse auteurs vreemdelingen waren in onze contreien en de situatie als het ware door een vertekenende, cultureel bepaalde bril zagen. Net zoals wij ook nu nog elke dag doen, trachtten ze immers de nieuwe, voor hen quasi ongekende cultuur, te interpreteren vanuit hun eigen leefwereld, normen en begrippen. En dat betekent op zijn beurt dat we de bewuste passages eerder als “document uit de tijd”, als stukje mentaliteitsgeschiedenis moeten zien, eerder dan als een strikt objectieve historische bron. Archeologie en partnerwetenschappen vormen bijgevolg voor de Romeinse tijd in onze gewesten dé belangrijkste informatiebron.
De Romeinse veroveringen
Door allerhande politieke en economische factoren, veroverde Julius Caesar tijdens de “Gallische Oorlog” (58-52 vóór Chr.) de gebieden welke nu overeenkomen met Frankrijk, België, Duitsland en Nederland ten zuiden van de Rijn. Deze verovering werd een halve eeuw later, zeker voor wat betreft het gebied ten noorden van de Seine, geconsolideerd door keizer Augustus (27 vóór Chr. - 14 na Chr.) in het kader van zijn - mislukte - veroveringspolitiek t.o.v. Germanië (het gebied ten noorden van de Rijn). Het gebied dat Caesar “Gallia” heette, werd onderverdeeld in enkele grote administratieve eenheden, provincies genaamd. Deze waren op hun beurt nog eens onderverdeeld in kleinere bestuurlijke eenheden, de zgn. civitates, welke op hun beurt min of meer samenvielen met de machtsgebieden van verschillende autochtone stammen die het gebied bevolkten vóór de inval van de Romeinse legioenen. Het gebied tussen de Noordzee en de Schelde behoorde toe aan de stam der Menapii. Hun hoofdstad (de zgn. caput civitatis) was Oppidum Menapiorum of anders gezegd, Castellum Menapiorum, dit is letterlijk, “versterkte plaats van de Menapiërs”. Met deze plaats wordt het hedendaagse Kassel (bemerk de verwantschap met het woord castellum) in Noord-Frankrijk bedoeld, een strategisch gelegen stadje dat ook nu nog opvalt door zijn ligging op een steile heuvel met zicht - en controle - over de Kustvlakte richting Duinkerke en over het vlakke binnenland en de Zuid-West-Vlaamse getuigenheuvels.
Deze civitas was zelf gesitueerd in de provincie Gallia Belgica, een gebied dat onder burgerlijk gezag stond (het was een zgn. “senatoriële provincie”) en waarin naast de civitas van de Menapiërs ook nog 16 andere civitates begrepen waren. Gebieden die aan de grens van het Rijk gelegen waren, zoals bv. de Rijnprovincies, stonden begrijpelijkerwijze onder militair bewind. Tijdens de laat-Romeinse tijd (ca. 275-410 na Chr.) stond het Rijk onder - militaire - druk (zie verder), met als gevolg dat een staatkundige reorganisatie op touw werd gezet. Voor het gebied waar het Land van Nevele in gelegen is, was de hoofdstad nu niet langer Kassel maar wel Doornik. Deze nieuwe administratieve indeling en het verschuiven van het machtscentrum van Kassel naar Doornik waren van groot belang tijdens de vroege Middeleeuwen (zie verder) en vinden ondermeer een weerspiegeling in de middeleeuwse indeling van de bisschoppelijke machtsgebieden.
Door de veroveringen veranderde de bestaande sociale, culturele en politieke situatie op tal van vlakken. De oorlogssituatie waarin ongetwijfeld vele mensen het leven lieten, moet ook voor het gebied van de Menapii gevolgen gehad hebben, zelfs al vinden we daar in de geschreven bronnen en op archeologisch vlak weinig van terug. Caesar meldt overigens wel dat in eerste instantie de Menapii zich terugtrokken in hun wouden en moerassen Bij latere militaire campagnes werden ze echter ook ingelijfd. Uit de oorlogsjaren (58-52 vóór Chr.) zijn weinig of geen sites gekend in het gebied ten noorden van de Seine, ondanks het feit dat Caesar wel degelijk allusie maakt op plaatsen (waaronder Atuatuca; meer dan waarschijnlijk Tongeren). Misschien heeft het ontbreken van sites en vondsten uit die tijd te maken met het mobiel en plaatselijk relatief tijdelijk karakter van de militaire operaties. De oudste sporen van Romeinse aanwezigheid in noordelijk Vlaanderen dateren uit de regeringstijd van keizer Augustus (27 vóór Chr.-14 na Chr.) Hij voerde samen met zijn stiefzonen Tiberius, Drusus en vriend Agrippa een veroveringspolitiek ten aanzien van het gebied ten oosten van de Rijn. In dit kader werden wegen en militaire kampen aangelegd om aan de Rijnoperaties de nodige logistieke en strategische steun te verlenen. Voor onze contreien is vooral de weg die de militaire vlootbasis Boulogne verbond met Keulen aan de Rijn van belang. Zo werden langs dit tracé ondermeer te Tongeren en te Velzeke (nabij Zottegem) een reeks militaire steunpunten in de diepte opgericht. Ondanks het feit dat de veroveringspolitiek voor Germanië in 9 na Chr. op een bloedige nederlaag voor de Romeinen in het Teutoburgerwoud uitliep, betekende de Romeinse militaire aanwezigheid bij ons een belangrijke aanzet voor wat we in het vervolg van deze tekst met de term “Romanisatie” zullen aanduiden. Immers, door de komst van de militairen, door de invoering van tot dan toe ongekende infrastructuur zoals wegenaanleg en havenbouw, door de invoering van een administratief apparaat en vooral door de schaalvergroting op tal van vlakken, kwam de autochtone bevolking in contact met een voor hen totaal nieuwe manier van denken en handelen. Vrij snel reeds trad er contact op tussen de Romeinen, die in de eerste fase essentieel militairen en hun gevolg waren, en de lokale bevolking. Er kwam handelsverkeer tussen beide partijen, praktische, sociale, godsdienstige en culturele gebruiken werden (on)bewust van elkaar overgenomen. Deze meer en meer gemengde levenswijze zette zich ook verder na het verdwijnen van de legioenen (ca. 15-20 na Chr.). Nederzettingen die vroeger militaire kernen waren, ontwikkelden zich snel tot burgerlijke commerciële, residentiële en/of administratieve centra. Tongeren ontwikkelde zich zelfs tot stad in de officiële Romeinse betekenis van het woord, een voorrecht dat aan geen enkele andere bewoningskern op het grondgebied van het huidige België werd verleend.
Het gevolg van dit zeer complex en vooral geleidelijk proces van interactie, was het ontstaan van een Gallo-Romeinse beschaving. Twee aanvankelijk totaal verschillende culturen die zich eerst in een conflictsituatie bevonden, smolten als het ware samen om één mengcultuur te vormen. Alhoewel strikt militair en politiek gezien de Romeinen de overwinnaars waren, is er op cultureel vlak sprake van wederzijdse integratie op velerlei vlakken. De Romeinse bijdrage is vooral belangrijk door de inbreng van de schaalvergroting, de systematisering en de algemene structurering van een maatschappij die in essentie en zeker bij ons, een verderzetting was van de pre-Romeinse situatie. De geleidelijkheid van deze evolutie, gespreid over een periode van toch wel 100 jaar, kan hierin niet genoeg benadrukt worden. Sommige regio’s zoals de zone rond de vroege militaire inplantingen rond Tongeren en langsheen de weg Boulogne-Keulen in het algemeen, leggen begrijpelijkerwijze, eerder getuigenis af van vroege Romanisatie. Niet alleen strategisch-politieke factoren lagen echter aan de basis van deze ontwikkeling. In het algemeen valt het op hoe de vruchtbare leemgronden in Centraal-België reeds onder keizer Claudius (41-54 na Chr.) volop geromaniseerd raken. De uit landbouwkundig oogpunt armere zandgronden in West- en Oost-Vlaanderen blijken pas vanaf de regeringstijd van de zgn. dynastie der Flaviërs, dit zijn de keizers Vespasianus, Titus en Domitianus, tussen 69 en 96 na Chr.) onder “Romeinse” invloed te komen. Dit fenomeen geldt op basis van de huidige stand van onderzoek ook voor het Meetjesland[1] en het Land van Nevele, en kan wellicht ondermeer begrepen worden door een expansie van het bewonings- en landbouwareaal vanuit het steeds meer onder economische druk staand leemgebied.
Pax Romana en de economische bloei
De eerste drie eeuwen na Chr. zijn algemeen gezien een periode van groei, consolidatie en welvaart. De landbouwtechniek werd door de introductie van enkele typisch Romeinse technieken en verfijningen aanzienlijk verbeterd, wat bv. goed tot uiting komt in een aanzienlijke toename van de omvang (en dus vleesproductie) van runderen en in de invoering van een wijd gamma aan nieuwe plantensoorten (bv. selder, koriander, perziken, ...). Ook de schaal waarop geproduceerd en verkocht werd, werd aanzienlijk uitgebreid. Waar de pré-Romeinse landbouw vooral zelfvoorzienend (autarkisch) van karakter was, werd nu ook naar een surplus-productie toe gewerkt. De handelsnetwerken verschoven in de Romeinse periode tevens van een overwegend lokaal georiënteerde organisatie, naar een regionaal, interregioaal en zelfs supraregionaal niveau. Dit komt ondermeer goed tot uiting in de aanvoer van bv. wijn uit Zuid-Frankrijk en olijfolie uit Spanje, twee producten waar ook de sites in het Land van Nevele (bv. Merendree, Nevele, Landegem,...) duidelijk niet van verstoken bleven. Politiek en militair gezien heerste er vrede, enkele opstanden van lokale adel en de inval van een zeevarende Germaanse stam (de Chauken) in de late tweede eeuw niet te na gesproken. De Romeinen omschreven die periode zelf dan ook als een periode van vrede, de zgn. “pax romana”.
Een belangrijke innovatie was de introductie van het schrift. In hoeverre dit doordrong in de samenleving is vooralsnog moeilijk in te schatten. Enkele ingekraste letters op scherven Romeins aardewerk (2de-3de eeuw na Chr.) uit Merendree laten weinig twijfel bestaan over de aanwezigheid van geletterden op deze site. Een ander belangrijk nieuw aspect was de introductie van het muntwezen, waardoor als het ware een Europese monetaire eenmaking "avant la lettre” werd verwezenlijkt. Romeinse munten werden in het Land van Nevele ondermeer gevonden te Zeveren[2] en te Bachte-Maria-Leerne[3] (slecht gedocumenteerde vondsten) en bij archeologisch onderzoek in Merendree. Op deze laatste site werden munten aangetroffen van de keizers Augustus, Hadrianus, Trajanus en Marcus Aurelius. Dit wil echter nog niet zeggen dat elke goederentransactie gepaard ging met geldverkeer. Een groot deel van de economie bleef waarschijnlijk nog gebaseerd op de pre-Romeinse traditie van de ruilhandel. Het is bovendien fout om ons hedendaags model van monetaire markteconomie volledig en inhoudelijk te projecteren op de Gallo-Romeinse beschaving.
Zoals hoger reeds aangegeven kende het Land van Nevele tijdens de Romeinse periode een relatief dichte occupatie, vooral dan langsheen enkele geografisch interessante assen. Het is niet onze bedoeling alle sites in extenso te belichten. We zullen echter, aan de hand van een zeer algemene doorlichting van de Romeinse urbanisatievormen, enkele voorbeelden uit het Land van Nevele voorstellen. In het bijzonder gaat het om de sites van Merendree en Nevele.
In algemene - en dus sterk gesimplificeerde - termen kunnen bij de Romeinse bewoningsvormen enkele hoofdeenheden onderscheiden worden, met name: steden, militaire kampen, dorpen, villa’s en landelijke nederzettingen. Zoals reeds gesteld, is in het huidige België slechts één Romeinse stad gelegen: Tongeren, het Romeinse Atuatuca Tungrorum. Andere belangrijke Romeinse steden (lat.: colonia of municipium) waren Nijmegen (Ulpia Noviomagus) en Keulen (Colonia Claudia Ara Agrippinensium). Tongeren bezat de langste stadsmuur van Noord-Gallië: maar liefst 4.5 km lang. Dit betekent niet dat het omsloten gebied volledig volgebouwd was. De muur gold immers eerder als prestigeobject. De stad, gegroeid uit een Augusteïsche militaire kern, bezat een dambordvormig stratenpatroon naar mediterraans model, evenals een tempel.[4] De bevolking bestond uit geromaniseerde autochtonen en ook uit “echte” (= uit Rome of Italië afkomstige) Romeinen. Het betrof hoge officieren, ambtenaren, politieke functionarissen en kooplui. Verder werd de stad bevolkt door allerhande nijveraars, rijke burgers, ambachtslui, enz… De opgravingsresultaten en de vondst van enkele beeldhouwwerken getuigen van een sterke Romeinse invloed.
De volgende belangrijke categorie van bewoningsvormen betreft de militaire kampen. Ook deze structuren zijn in België over het algemeen vrij schaars aanwezig. Hun inplanting hangt af van belangrijke politieke militaire factoren en aangezien het gebied tussen Noordzee en Ardennen nooit echt een belangrijke rol speelde op het politiek en militair toneel, waren er dan ook weinig redenen voor de Romeinen om er een permanente militaire aanwezigheid uit te bouwen. Slechts in het kader van de uitbouw van een netwerk van militaire steunpunten in de diepte, ten behoeve van de verovering van het rechts-Rijnse gebied onder keizer Augustus (zie hoger) werden enkele militaire kampen uitgebouwd, ondermeer te Velzeke. Deze kampen waren vermoedelijk echter maar van tijdelijk belang en ondergeschikt aan het algemene militaire kader waarin ze opgericht waren. Na de Augusteïsche periode is het ruim twee eeuwen wachten tot er nieuwe sporen van de aanwezigheid van Romeinse militairen opduiken. Te Maldegem, Aardenburg en Oudenburg werden er immers militaire kampen opgericht. Hun ligging vlakbij zee of op geografisch goed geaccentueerde punten nabij de Kustvlakte, evenals een historische bron die melding maakt van een inval van een zeevarende, en wellicht tevens het binnenland plunderende stam (rond 170 na Chr.) kunnen op een Romeinse reactie ten opzichte van deze invallers duiden[5]. Dat deze reactie succesvol moet geweest zijn, komt ondermeer onrechtstreeks tot uiting in de economische bloei die het hinterland van deze kampen kende in het laatste kwart van de tweede en de eerste helft van de derde eeuw na Chr.[6] Anderzijds kan deze bloei misschien ook begrepen worden door het feit dat dit zandgebied slechts een honderdtal jaar later dan het zuidelijke, meer vruchtbare leemgebied, werd ontsloten, waardoor de economische expansie maar tot volle bloei kon komen, geruime tijd na dat dit het geval was in het zuiden[7].
Zeker in Aardenburg en Oudenburg kan een militaire occupatie met min of meer permanent karakter worden verondersteld. Dit geldt blijkens de huidige stand van onderzoek niet voor Maldegem.
Een volgende, bij de meeste mensen bekende, Romeinse bewoningsvorm is de “villa”. Deze grote landbouwuitbatingen met luxewoonhuis, stallen en bijgebouwen worden op het grondgebied van België vooral aangetroffen in het vruchtbare leemgebied van Henegouwen, Haspengouw, Zuid-Oost-Vlaanderen, Brabant, ... Gedurende geruime tijd gaf de verspreidingskaart van deze villae overigens aanleiding tot het idee als zou Zandig-Vlaanderen niet of nauwelijks zijn bevolkt gedurende de Romeinse tijd. Inderdaad valt het op hoe deze structuren vooral in het zuiden van het land aanwezig zijn.
Het archeologisch onderzoek toont ondertussen echter duidelijk aan dat het landschap in Zandig Vlaanderen minstens evenzeer ontsloten was gedurende de Romeinse tijd als dat in het zuiden van het land het geval was. De bewoningsvormen waren gewoon verschillend qua bouwtrant. In Zandig-Vlaanderen was hout hét voor de hand liggende bouwmateriaal, waardoor de aanvoer van kwaliteitsstenen uit het zuiden veel duurder uitviel en enkel voor belangrijke gebouwen werd gereserveerd. Vermits bouwpuin van stenen gebouwen eerder opvalt dan de restanten van houtbouwnederzettingen en door het feit dat de Romeinse bouwwijze sterk regionaal verschilt en dus afhangt van de lokale beschikbare grondstof, kan gemakkelijk begrepen worden waarom gedurende lange tijd verondersteld werd dat enkel het zuiden van het land onder Romeinse invloed stond. Ondertussen is er dus een definitieve wijziging gekomen in dit beeld: Zandig-Vlaanderen was wel degelijk ontsloten, zij het dat de bewoningsvormen in de meerderheid van de gevallen uit houtbouw bestond. Tot nu toe werd in het gebied tussen Gent en Brugge en tussen Leie en de grens met Nederland slechts op één plaats met zekerheid de aanwezigheid van Romeinse steenbouw vastgesteld en wel te Nevele langsheen de Poekebeek[8].
Over de aard van de Romeinse steenbouwsite te Nevele durven we ons in de huidige stand van onderzoek nog niet uit te spreken. Immers, niet alle stenen Romeinse gebouwen kunnen onderverdeeld worden bij de villae. Daarnaast bestonden immers tal van gebouwstructuren die in steen waren opgetrokken, denken we bv. maar aan officiële gebouwen. Het archeologisch proefonderzoek dat in 1996 werd uitgevoerd leverde een onverhoopt aantal gegevens op over de materiële cultuur en het consumptiepatroon op deze site. Bij het onderzoek kwamen ondermeer Romeinse muurresten aan het licht, stukken vloerbeton, wandbepleistering en fragmenten van muurschilderingen. Deze elementen zijn karakteristieke kenmerken van gebouwen in steenbouwtraditie.
Waarschijnlijk was het gebouw echter niet volledig in steen opgetrokken. Eerder moeten we denken aan een vakwerktraditie waarbij de opgaande wand bestond uit leem en een houten raamwerk, geplaatst op een stenen sokkel en een stenen fundering. Afdrukken van takken, planken en stro op het beton en het cement van de binnenwanden wijzen hierop. De stenen gebruikt voor de fundering bestaan uit veldstenen, wellicht afkomstig uit de tertiaire opduikingen, bv. te Aalter, Lotenhulle.., en uit grote blokken Doornikse kalkstenen. De mortel, gebruikt voor het samenvoegen van de blokken, voor het bepleisteren van de wand en voor het vloerbeton, bestaat uit een mengeling van kalk en fijn gemalen dakpanfragmenten, wat aan de mortel een typische roze kleur verleent. Interessant is ook de vondst van verschillende fragmenten van zgn. “tubuli”. Dit zijn rechthoekige buizen die deel uitmaakten van een verwarmingssysteem en die in de spouwen van de muren werden ingewerkt. Bij een Romeins systeem voor centrale verwarming, het zgn. “hypocaustsysteem”, wordt de warme lucht vanuit een centrale stookplaats in de onderkeldering onder het gebouw geblazen. De lucht wordt dan geëvacueerd via de in de spouwen ingewerkte tubuli, richting dak. Door de toepassing van dit systeem konden én de vloer én de wanden verwarmd worden. Experimenteel onderzoek wees uit dat op deze wijze de temperatuur in de huiskamer kon oplopen tot 23° C. De vondst van met mortel bedekte tubuli toont aan dat ook in Nevele dit verwarmingssysteem werd toegepast.
Over de binneninrichting van sommige delen van het gebouw zijn we geïnformeerd door de vondst van vloerbeton en wandschilderingen. Vooral de wandschilderingen zijn interessant aangezien we een fragment van een patroon aantroffen. Bij Romeinse wandschilderingen werd de techniek van de fresco’s toegepast waarbij de verf van de decoratie op een natte ondergrond bestaande uit een fijn, zuiver wit kalklaagje werd aangebracht. Dit was op zijn beurt aangebracht op de mortel die het contact vormde met de tubuli en/of het raamwerk met pleister van de wanden. In Nevele konden we rode, blauwe, groene en gele tinten vaststellen. Eén fragment is groot genoeg om een patroon te herkennen. Het betreft een rode basisband van waarop loodrechte, fijne rode lijntjes vertrekken naar boven toe. Deze worden op hun beurt onderbroken door schuine penseelstreken. Dit decoratiepatroon maakt deel uit van een typische Gallo-Romeinse zgn. paneeldecoratie waarbij de wanden op deze wijze in verschillende rechthoekige velden (zgn. panelen) werden ingedeeld waarbinnen dan al of niet een versiering (bv. bloemmotieven) werd geschilderd.
De bedaking van het gebouw bestond, zoals dat overigens op de meeste sites voor sommige gebouwen ook het geval was, uit typische Romeinse dakpannen, de zgn. tegulae en imbrices. Tegulae zijn platte, rechthoekige pannen van ca. 30 cm op 60 cm, met twee opstaande randjes aan de lange zijde; deze pannen werden dan naast elkaar gelegd en de plaats waar twee opstaande randen samenkwamen werd afgedekt door halfronde langwerpige dakpannen, de zgn. imbrices.
Glas werd in Nevele aangetroffen onder de vorm van recipiënten (kommen en flessen), sieraden (een stuk van een armband) maar ook onder de vorm van vensterglas. Interessant is de vondst in 1825, van een glazen Romeinse fles in Poesele[9]. De exacte vondstcontext is onbekend.
Een ander interessant aspect van het onderzoek in Nevele betreft de studie van de teruggevonden planten- en dierenresten. Door het bestuderen van de teruggevonden zaden, botten en schelpen is het mogelijk gebleken een eerste inzicht te verkrijgen in de aard van de geconsumeerde planten en dieren. We dienen nog te vermelden dat organisch materiaal uit archeologische context in Zandig-Vlaanderen doorgaans zeer slecht bewaard is. Slechts onder water, of in verbrande vorm (zoals het graan uit Nevele) of in een omgeving waar de zuurtegraad laag is zoals in de zeer kalkrijke omgeving van de met mortel gevulde uitbraaksleuven van het Romeins gebouw te Nevele, kan organisch materiaal bewaard blijven. Wat betreft het dierlijk botmateriaal dient voor Nevele de consumptie van zowel jachtwild, geteeld vee als vis- en schaalproducten aangehaald te worden[10]. Bij het wild vermelden we o.a. haas, bij het geteeld vee rund, schaap en varken.
Zeer opmerkelijk is de import van schaaldieren en vis. Doorgaans worden dergelijke resten aangetroffen in de nederzettingen met een meer elitair karakter. Voor Vlaanderen kan met de vondsten uit Nevele nu voor het eerst worden aangetoond dat ook (zee)vis van onze kust, naar het binnenland toe werd vervoerd. De geconsumeerde producten betreffen o.a. schol of bot (zeevis), wulken en oesters.
Tot slot dienen we nogmaals de aandacht te vestigen op het belang van de nederzetting te Nevele. Zowel de bouwwijze, de aard van importgoederen als de uitgestrektheid van het areaal wijzen duidelijk op een hoge graad van Romanisatie. Helaas is het grootste gedeelte van de site ondertussen volgebouwd, zodat slechts enkele percelen in de toekomst nog kunnen onderzocht worden.
Naast steden, kampen en villa’s treffen we in de Romeinse tijd ook dorpen aan. Over de interne structuur, de omvang en de functie ervan bij ons, is nog slechts heel weinig geweten, vooral door een gebrek aan onderzoek. De Romeinen zelf noemen die kernen vicus, wat eigenlijk een verzamelnaam was voor alles wat geen villa, kamp of stad was. In die zin is de term veel te ruim en slechts door opgraving kunnen we meer inzicht krijgen in het fenomeen. Tot nu toe is uit onderzoek gebleken dat deze centra gemakkelijk 10 à 30 ha in oppervlakte konden beslaan. Over het algemeen bezaten ze een centraliserende economische, religieuze en wellicht politieke functie over het omgevend gebied. De uitbouw van deze functies, evenals de omvang van het bezette areaal variëren sterk van regio tot regio. Ook de oorsprong ervan is verre van duidelijk. Voor sommige kernen zoals Velzeke wordt gedacht aan het verder groeien van een kleine burgerlijke nederzetting in de buurt van een Augusteïsche militaire kern, terwijl op andere plaatsen dan weer het doorleven van een pré-Romeinse kern aan de basis zou liggen. Hoe dan ook zijn deze agglomeraties, ook en vooral in Zandig-Vlaanderen, een slecht gekend element uit de Romeinse tijd. Voor het Land van Nevele kon het bestaan van een dergelijk dorp aangetoond worden in Merendree[11]. Het is niet onze bedoeling hier in extenso in te gaan op het Gallo-Romeinse Merendree. Hiervoor verwijzen we naar een eerdere publicatie in het tijdschrift “Het Land van Nevele”[12]. We beperken ons hier dan ook tot een samenvatting.
Door het synthetiseren van gegevens uit opgravingen, luchtfotografie, terreinprospectie en materiaalstudie, kon afgeleid worden dat er zich een opvallende concentratie van oppervlaktevondsten, losse vondsten en vondsten in situ aftekent op een 11 m boven de zeespiegel gelegen zandrug nabij de vroegere splitsing van de Neer-Kale (de Oude Kale) en de Cryus-Kale. Het complex heeft een oppervlakte van ca. 20 ha. Het valt bovendien op hoe weldoordacht deze site in het lokaal en zelfs regionaal bodemkundig landschap ingeplant ligt. De nederzetting situeert zich immers aan de splitsing van de Kale, op een hoge, droge zandrug. Bovendien maakt de Kale op deze locatie een belangrijke bocht van een Z-N gerichte loop naar een W-O gerichte loop. Door luchtfotografie en opgraving werd een Romeinse weg gelokaliseerd die doorheen de site loopt, terwijl de lineaire spreiding van sites ten zuiden van Merendree, de aanwezigheid van een Z-N gerichte weg langsheen de Kale zeer aannemelijk maakt. Door de inplanting aan de buiging in de Kale, komt de site als het ware op het draaipunt tussen de zuidelijke en oostelijke invloedssfeer te liggen. Via de Moervaartdepressie komt de Kale immers met de Durme in contact en kon de verbinding met het in de Romeinse tijd druk bewoonde Land van Waas gerealiseerd worden. Dit contact komt ondermeer goed tot uiting in de import van Waaslands aardewerk op de site in Merendree. Anderzijds zorgt de zuidelijke verbinding voor contact met de Leiezone en met de vruchtbare gebieden langsheen Mandel en Poekebeek. Naar het noorden en westen toe, sluiten klei- en veldsteenrijke gebieden aan in Zomergem en Aalter. Dat deze gebieden in de Romeinse tijd een zeker belang hadden, wordt ondermeer bewezen door de vondst van een Romeins kleiverwerkend atelier te Zomergem-Boven, slechts enkele kilometer ten N van de site in Merendree. Het transport van deze zware bouwmaterialen gebeurde bij voorkeur te water zodat het zeer aannemelijk lijkt dat de pannen langsheen de dichtst bijgelegen bevaarbare waterloop (de Kale in Merendree) werden vervoerd. Over de economie van de site zelf zijn we relatief slecht ingelicht. Vooral belangrijk is het massaal voorkomen van smidseslakken over het hele areaal van de site. Dit wijst alleszins op de aanwezigheid van (een) ijzerbewerkend(e) atelier(s) op de site.
Een element dat de inpassing van de site in Merendree in een regionaal en zelfs interregioaal handelsnetwerk onderstreept, is de massale aanwezigheid van importgoederen. Net zoals in Nevele valt deze site immers op door de import van goederen uit Zuid- en Centraal Frankrijk, Duitsland, Spanje,... Het betreft ondermeer olijfolie en wijn in amforen, luxeaardewerk, glas en maalstenen. Niet alleen voor Merendree maar eigenlijk voor heel het Land van Nevele vormt de Kale dé dirigerende factor in de ontsluiting, ontwikkeling en bloei van het gebied.
Tenslotte maar daarom niet minder belangrijk, willen we de aandacht vestigen op een bewoningsvorm die wellicht het merendeel van de bewoning zal uitgemaakt hebben. Het betreft de kleine, landelijke nederzettingen in houtbouw. Zowel bij terreinprospectie als bij noodonderzoek kwamen verschillende kleinere materiaalconcentraties aan het licht. Zij laten de aanwezigheid vermoeden van kleinere nederzettingen, die op relatief regelmatige afstand t.o.v. elkaar liggen ingeplant. Sporen hiervan kwamen ondermeer aan het licht op de kouters langsheen de Kale in Landegem en Merendree. Wat het grondgebied van Merendree betreft, valt het op hoe deze kleinere sites mooi geschikt liggen op zandruggen rond de centrale grotere site. Alhoewel we er hier maar kort bij stilstaan mag er niet aan getwijfeld worden dat deze sites de basis van de economie vormden. Het ontbreekt voorlopig nog aan grootschalig onderzoek om meer te kunnen zeggen aangaande hun structuur en economie.
Religie & dood
Over de godsdienst en dodenbestel in de Romeinse tijd beschikken we over heel wat informatie. Net zoals bij de algemene culturele beschouwingen is ook op het vlak van deze twee steeds nauw met elkaar verbonden elementen sprake van Romanisatie. Hierbij is er enerzijds sprake van verderleving van pre-Romeinse elementen en anderzijds worden er duidelijk Romeinse invloeden geïntroduceerd in de godsdienst. Een mooi voorbeeld hiervan kan gevonden worden in het opschrift op een sokkel van een beeld, aangetroffen bij archeologisch onderzoek in Kruishoutem. Het betreft een opschrift gewijd aan de god Mars-Camulus. Mars stelt hierbij de typisch Romeinse oorlogsgod voor, terwijl Camulus (denk aan de Kemmel-berg) zijn autochtoon (Keltisch) equivalent was[13]. Er is dus geen sprake van godsdienstige overheersing, wel van syncretisme of samensmelting. Het veelgodendom vond ondermeer zijn uiting in de oprichting van tempels, maar ook in de oprichting van zgn. huisaltaars waarin bv. ook lokale goden konden vereerd worden. Interessant is het gebruik om kleine beeldjes uit pijpaarde, afkomstig uit Centraal-Frankrijk of het gebied rond Keulen bij religieuze praktijken te gebruiken. Ondermeer te Merendree werden fragmenten van dergelijke beeldjes aangetroffen.
Het dodenbestel in de Romeinse tijd in onze regio’s kenmerkt zich door het cremeren van de dode en het begraven van de resten in zgn. brandrestengraven. Tijdens dit proces wordt de dode op een brandstapel geplaatst, al of niet vergezeld van giften voor in het hiernamaals. De restanten van de brandstapel (houtskool, verbrand been, verbrand aardewerk) worden vervolgens in een kuil in de grond geworpen. Hierbij worden giften zoals sieraden, gebruiksvoorwerpen, aardewerk, en mogelijk voedsel aan de dode meegegeven om hem het leven in het hiernamaals te vergemakkelijken. Een voorbeeld van dergelijk grafveld binnen het Land van Nevele kwam aan het licht in St.-Martens-Leerne. De graven waren hier voorzien van een voor onze regio toch wel zeer rijk ensemble grafgiften waaronder ondermeer een halssnoer, glazen recipiënten en zeldzaam importaardewerk.
Naar het einde van de Romeinse tijd
Onder druk van bewegingen in Oost-Europa ontstond er een steeds toenemende druk op de Romeinse (Rijn) grens. Steeds meer niet Gallo-Romeinse bevolkingsgroepen, Germanen met name, vestigden zich binnen de grenzen van het Imperium. Zij immigreerden uit hun autochtoon kerngebied: de zone ten N van de Rijn en de Elberegio. Dit proces leidde snel tot spanningen en rond het midden van de derde eeuw na Chr. is er reeds sprake van invallen en een sterk toenemend verval binnen het rijk. Sommige Germaanse groepen werden opgenomen in de Romeinse structuur. Het zijn de zgn. foederati die opereerden onder eigen leiders maar voor het Romeins belang. Anderen (de zgn. laeti) kregen grond om gewassen te verbouwen maar dienden in tijd van oorlog onder Romeins bevel te vechten. Reeds vanaf het midden van de derde eeuw na Chr. is er een duidelijke en zeer sterke terugval in de Romeinse bewoning in het Land van Nevele vaststelbaar. Dit gegeven kadert in de algemene vaststelling dat het overgrote deel van de Romeinse sites in het noorden van het land, rond het midden en in de loop van het derde kwart van de derde eeuw na Chr., werden verlaten. Slechts enkele belangrijke centra en militaire kampen (bv. Oudenburg en wellicht Gent) bleven bezet. Ook enkele kleinere, strategisch gelegen sites blijken bewoond te zijn, ondermeer te Bachte-Maria-Leerne. Steden zoals Tongeren en Bavai vallen terug op 1/3 van hun oorspronkelijke grootte. Reeds in de vierde en vijfde eeuw vestigen zich Germanen in de vallei van de Leie. Sporen hiervan werden aangetroffen te St.-Martens-Latem[14], maar ook in Merendree mag Germaanse (wellicht Saksische) aanwezigheid verondersteld worden. Bij opgravingen werd immers aardewerk aangetroffen dat zowel qua vorm, versiering als techniek thuis hoort in het Elbegebied (N-Duitsland). In elk geval is het gebied in de laat-Romeinse tijd (ca. 275-410 na Chr.) drastisch ontvolkt in vergelijking met de vorige twee eeuwen.
Ondanks de uitbouw van een verdedigingssysteem (ondermeer door een reeks kustforten zoals te Oudenburg ) dient keizer Honorius bij het begin van de vijfde eeuw na Chr. zijn troepen naar Italië zelf terug te trekken om het kerngebied te verdedigen. Tevergeefs. Op oudejaarsavond 406 werd de Rijngrens doorbroken nabij Mainz. In 410 werd Rome zelf geplunderd door de Goot Alarik. Restanten van Romeinse legioenen trokken zich terug tot in Centraal-Frankrijk.
[1] De Clercq & Thoen, 1996 & 1997.
[2] De Potter & Broeckaert, 1864-70.a.
[3] De Potter & Broeckaert, 1864-70.b
[4] Vanvinkenroye, 1994.
[5] Thoen, 1991.
[6] Thoen & De Clercq, 1995.
[7] De Clercq & Thoen, 1998.
[8] De Clercq & Thoen, 1997.
[9]Maertens de Noordhout, 1938, Inv. 699.
[10] Ervynck et al., 1997.
[11] De Clercq 1994-1995.
[12] De Clercq, 1996.
[13] Vermeulen et al., 1993.
[14] Vermeulen, 1989.
DE VROEGE MIDDELEEUWEN
Met deze omschrijving wordt de periode aangegeven die loopt van het einde van de Romeinse tijd (begin 5de eeuw) tot en met de Karolingische periode (9de eeuw). Sporen uit deze periode zijn in het Land van Nevele uitermate schaars.
Zoals in vorig hoofdstuk reeds aangehaald werd, kenmerkt de periode tussen de late 4de en de 6de eeuw zich door voortdurende verschuivingen van bevolkingsgroepen. In deze weinig standvastige situatie is het dan ook moeilijk om, zeker in een perifeer doorgangsgebied zoals noordelijk Vlaanderen, een éénduidig beeld te bekomen. Algemeen kaderen de voornaamste immigraties in de bewegingen ondernomen door de Salische Franken, rond 430-440 geleid door hun koning Chlodio, die zijn machtscentrum Dispargum (wellicht Duisburg) in Toxandrië (= Noord-Brabant en de Kempen) verplaatst in zuidelijke richting. Onder koning Childerik (de zoon van koning Merovech, vandaar de naam van deze dynastie) wordt het Frankisch machtscentrum geïnstalleerd in Doornik, de vroegere laat-Romeinse civitas hoofdplaats van de Menapii. Zijn zoon Clovis verplaatst het kerngebied naar het grondgebied van het huidige Frank(en)Rijk. Onder de historisch bekende term Franken blijkt archeologisch overigens eerder een (dikwijls met geweld verworven) samensmelting van verschillende kleinere Germaanse bevolkingsgroepen begrepen te worden. Verschillende elementen (aardewerk, juwelen,...) die wijzen op de aanwezigheid van Saksische & Thüringse invloeden werden immers vastgesteld. De Frankische landname blijkt zich vooral geconcentreerd te hebben op strategische gelegen plaatsen, bij voorkeur langsheen rivieren. Zo vermelden we in onze streken Asper (Schelde), Semmerzake (Schelde), Drongen (Leie) en in het Land van Nevele in het bijzonder, Bachte-Maria-Leerne (Kale-Leie).
Niet zelden treffen we de Merovingische sites aan op of in de onmiddellijke buurt van de vroegere Romeinse bewoningszones (Kruishoutem, Velzeke,...). Dit proces van landname door nieuwe bevolkingsgroepen was een geleidelijk proces met voortdurende wijzigingen en slechts doorgedreven archeologisch onderzoek kan meer duidelijkheid brengen in dit complex geheel. Wat de bewoning betreft zijn tot nu toe in Vlaanderen slechts op een handvol plaatsen sporen van houtbouwconstructies aangetroffen (Brugge-St.-Andries, Kerkhove, Kruishoutem). Grafvelden daarentegen zijn frequenter (gemakkelijker herkenbaar) en kenmerken zich, in tegenstelling tot de Romeinse tijd, door het gebruik van de inhumatie. De doden werden bovendien begraven in rijengrafvelden. Het onderzoek van dergelijke grafvelden laat qua schikking en inhoud bovendien de sociale verhoudingen (heer-horigen) dikwijls op een treffende wijze zien. Wat godsdienst betreft dienen we nog te vermelden dat de kerstening van onze gewesten door Amandus en Eligius pas in de 7de eeuw werd doorgevoerd. Interessant is het feit dat de kerk van Merendree - als basilica reeds in 748 genoemd - gewijd is aan de heilige Radegunde, een Thüringse prinses. In Vlaanderen is slechts één kerk aan haar gewijd (Merendree), in Wallonië zijn dat er twee en in Zuid-Nederland vermelden we Domburg. Het feit dat een patrocinium en zeker een zeldzaam zoals dit, slechts weinig verandering meer ondergaat eens toegekend, doet toch vermoeden dat we hier met een zeer oude kerk te maken hebben. Bovendien maakt Merendree deel uit van de fiscus Marca, het Merovingische kroondomein. Alhoewel doorslaggevende archeologische gegevens voorlopig nog ontbreken, suggereren deze elementen toch het potentieel belang van Merendree als Merovingische kern. Gezien de omvang van de site in de Romeinse tijd en gezien de goede, strategische ligging lijkt ons dit niet verwonderlijk te zijn. Dat er zeker in de 9de eeuw reeds activiteit was in de zone rond de huidige kerk blijkt uit de recente vondst bij bouwwerken van Karolingisch radgestempeld importaardewerk.
Met de komst van de dynastie der Karolingers treden we langzaam maar zeker volledig in het licht van de geschiedenis. Archeologisch zijn deze perioden daarom niet minder interessant. Voorlopig ontbreekt het echter aan archeologisch onderzoek op Middeleeuwse sites in het Land van Nevele. Uitzonderingen hierop zijn enkele kleinschalige onderzoeken op landelijke bewoningskernen in Landegem[1] en Poesele[2]. Een vette kluif voor toekomstig archeologisch onderzoek zou bv. kunnen liggen op de locatie van de vroegere burcht van Nevele, nabij het vroegere klooster en de kerk van Nevele.
[1] Verstraete, 1988.
[2] De Clercq, 1998.
BESLUIT
In dit nummer van “Het Land van Nevele”, hebben we getracht een overzicht te bieden van de oudste bewoningsgeschiedenis van onze regio. Aan de hand van een algemeen overzicht, geïllustreerd met voorbeelden aangetroffen in het Land van Nevele, hebben we deze evolutie in de ruimere West-Europese context willen illustreren. Deze werkwijze achtten we broodnodig om tot een goed begrip te komen van het belang van de vondsten. Immers, niet de vondsten op zich, wel de algemeen chronologische en culturele evolutie waarin ze thuishoren, m.a.w. hetgeen ze betekenden voor de mensen die ze vervaardigden en wat ze ons vertellen over de toenmalige samenleving, is voor ons van belang. Zoals gezegd zijn de vuurstenen, potten en pannen dus een middel tot, eerder dan een doel op zich. Daarom kozen we niet voor een betekenisloze opsomming van voorwerpen.
Verder moet het duidelijk zijn dat de bestudeerde regio tal van sporen uit het verleden in zich draagt. Uit verschillende perioden zijn er tal van facetten uit de toenmalige samenlevingen (bewoning, grafvelden, akkersystemen) in de bodem aanwezig. Ze vormen een belangrijk archief, dat gevrijwaard dient te worden van elke aantasting of vernieling (diepploeging, erosie, bebouwing, ruilverkaveling, infrastructuurwerken,...) en voor het nageslacht bewaard dient te worden. Blijkt deze vrijwaring niet of slechts ten dele mogelijk, dan moet archeologisch onderzoek uitgevoerd worden. Vooral de vallei van Kale-Poeke, en al de hierin afwaterende beken, is een gebied met een archeologisch potentieel dat het lokaal wetenschappelijk belang ver overstijgt. Van ongeveer 10.000 jaar vóór Chr. tot nu speelde deze rivier immers een belangrijke, continue rol in de ontginning en ontwikkeling van het gebied. Met uitzondering van enkele dorpskernen en enkele staaltjes van absoluut verdachte ruimtelijke wanordening, zijn de valleien en de flankerende kouters t.o.v. de omgevende gebieden relatief gespaard gebleven van bebouwing en is er dus een potentieel aanwezig om de relatie mens-omgevend milieu op ruimtelijke en diachronisch uitgebreide schaal te conserveren en/of te onderzoeken. Dergelijke situaties worden in Vlaanderen met de dag schaarser. Waar nog geen bebouwing aanwezig is moet dit dan ook zo blijven, niet alleen uit archeologisch maar tevens uit landschappelijk, landbouwkundig en ecologisch standpunt.
Bibliografie
In deze bilbiografie werden alle werken opgenomen die geconsulteerd werden bij het tot stand komen van deze publicatie. Daarenboven voegden we de voornaamste archeologische literatuur toe, waarin archeologische aspecten uit het Land van Nevele aan bod komen, ook al werd die niet steeds expliciet in de tekst gebruikt.
Bauters L., 1994. Een ijzertijdkuil op de Blekerij te Zeveren-Deinze (O.-Vl). Lunula, Archaeologia Protohistorica, II, p.51.
Bauters L., 1995. Deinze-Zeveren, Blekerij. Een ijzertijdkuil en een brandrestengraf. In: Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium. Jaarverslag van de provincie Oost-Vlaanderen 1993-1994, pp. 139-142.
Bauters L., 1995. Deinze-Vinkt. Wegen over wegen, vroegere wegen onder een hedendaagse steenweg. In: Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium. Jaarverslag van de provincie Oost-Vlaanderen 1993-1994, pp. 138-139.
Bauters L. (red.), 1997. Een aardgasleiding. 65 km archeologische informatie. In: Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium. Jaarverslag van de provincie Oost-Vlaanderen 1996, pp. 103-167.
Bauters L. & Crombé Ph., 1997. Nevele-Vosselare. Een meerperiodenvindplaats uit de prehistorie nabij de Meirstraat. In: Bauters L. (red.), pp. 125-126.
Bourgeois J., Bungeneers J., Delcourt A., & Rommelaere J., 1987. Fouilles à Vinderhoute-Molenbrug. Campagnes 1985-1986. Occupation mésolithique, habitat du second âge du fer et de l’époque Romaine. Scholae Archaeologicae, 8. Gent.
Bourgeois J. & De Mulder G., 1992. Een grafheuvel uit de bronstijd en prehistorische perceleringen. Opgravingen 1990 op de kouter te Vosselare. Het Land van Nevele, XXIII, 4, pp. 245-266.
Bourgeois J. & Rommelaere J. 1992. Bijdrage tot de kennis van de metaaltijden. De opgravingen te Ursel (1985-1989) en Aalter (1989-1990). Appeltjes van het Meetjesland, 42, pp. 59-88.
Bourgeois J., 1993. De nederzetting uit de vroege ijzertijd te St.-Gillis-Waas “Reepstraat”, 1991-1992. Lunula. Archaeologia Protohistorica, I, pp. 59-61.
Brulet R.(red.), 1994. Braives-La-Romaine. Bilan de vingt ans de recherches archéologiques dans l’agglomération gallo-romaine de Braives 1973-1992. Louvain-La-Neuve.
Capenberghs J. (red.). 1991. Gisteren voorbij. Een archeologische kijk op de geschiedenis van de oudste tijden. Leuven-Apeldoorn.
Crombé Ph. & Van Der Haegen G., 1994. Het midden-Paleolithicum in noordwestelijk België. Archeologische Inventaris Vlaanderen, Buitengewone Reeks, 3.
Crombé Ph., 1997. Nevele-Vosselare. Vondsten uit de metaaltijden aan de Landegemstraat. In: Bauters L. (red.), pp. 121-122.
Crombé Ph., 1997. Nevele-Vosselare. IJzertijdsporen nabij de Gentstraat. In: Bauters L. (red.), p. 123.
Crombé Ph., 1997. Maldegem. Boerderijen uit de bronstijd te Burkel. In: Monumentenzorg & Cultuurpatrimonium. Jaarverslag van de Provincie Oost-Vlaanderen 1996, pp. 112-116.
De Bast J., 1808. Receuil d’Antiquités romaines et gauloises, trouvées dans la Flandre proprement dite. Gent.
De Clercq W., 1993. De speld en lanspunt van Merendree: twee opmerkelijke artefacten uit de bronstijd. Het Land van Nevele, XXIV, 4, pp. 298-309.
De Clercq W., 1994-1995. De Gallo-Romeinse aanwezigheid in Merendree (Nevele, O.-Vl.). Een Archeologische Survey. (Licentiaatverhandeling, RUG).
De Clercq, W., 1995a. Nieuwe prehistorische vondsten op Vosselare-Kouter. Het Land van Nevele, XXVI, 1, pp. 63-67.
De Clercq W. 1995b,. Enkele opmerkelijke Gallo-Romeinse vondsten uit Merendree, bewaard in de Koninklijke Musea voor Kunst & Geschiedenis te Brussel. In: Bulletin van de KMKGB, 66, pp. 151-159.
De Clercq W. & Thoen H., 1995. IJzertijdvondsten te Zomergem-Boven (gemeente Zomergem, Oost-Vlaanderen). Lunula, Archaeologia Protohistorica, II, pp. 73-76.
De Clercq W., 1996. Gallo-Romeins Merendree. Een dorp uit de eerste eeuwen van onze jaartelling. Het Land van Nevele, XXVII, 2, pp. 93-191.
De Clercq W., 1997a. Onbekend is onbemind. De Vroege Middeleeuwen in het westen en noordwesten van Oost-Vlaanderen, gezien vanuit archeologisch perspectief. Handelingen van de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, Nieuwe Reeks, LI, pp. 21-36.
De Clercq W., 1997b. Spitten vóór de stal. Archeologisch noodonderzoek van een middeleeuwse gracht in Poesele. Het Land van Nevele, jg. XXVIII, 4, pp. 254-259.
De Clercq W. & Thoen H., 1996. Onderzoek naar de Gallo-Romeinse aanwezigheid in het Meetjesland (O.-Vl.). Methodologie en eerste resultaten van een multi-disciplinair prospectieonderzoek. In: Romeinendag 13 maart 1996, pp. 12-16.
De Clercq W. & Thoen H., 1997. Archeologie in een serre. Proefopgravingen op een Romeinse steenbouw te Nevele (O.-Vl.). VOBOV-Info, 46, pp.15-23.
De Clercq W. & Bauters L., 1998. Wegen onder de wegen. Enkele aanduidingen i.v.m. het voorkomen van houten, post-middeleeuwse wegdekken in het Land van Nevele. Het Land van Nevele, XXIX, 1, pp. 20-26.
De Clercq W. & De Mulder G., 1998. Vroege La Tène bewoning in de vallei van de Kale te Vosselare-Meerskant (gem. Nevele, prov. O.-Vl.): materiaalstudie en situering in het regionale nederzettingspatroon. Lunula, Archaeologia Protohistorica, VI, pp. 69-74.
De Clercq W. & Thoen H., 1998. Enkele aspecten van de Gallo-Romeinse aanwezigheid in het Meetjesland. Status quaestionis en recent Romeins archeologisch onderzoek in het gebied ten NW van Gent. In: Vriendenboek Luc Stockman, pp. 51-62.
De Clercq W., Deschieter J., Hageman B. & Vermeulen F. Archeologisch onderzoek van een Gallo-Romeinse nederzetting in Merendree (Nevele, O.-Vl.). (in voorbereiding)
De Laet S.J., 1979. Prehistorische Kulturen in het zuiden der Lage Landen. Wetteren, p. 390.
De Loë A., 1891. Quelles sont les découvertes relatives à l’âge du bronze et le premier âge du fer qui ont été faites jusqu’ici en Belgique et quelles sont les conséquences eten tirer ? F.A.H.B., 7e congres, I.
De Loë A., 1937. Belgique Ancienne. Catalogue descriptif et raissonnée. Bruxelles.
De Loë A., S.D., Carte Archéologique de la Belgique romaine, répertoire statistique.
De Potter F. & Broeckaert, 1864-1870a. Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen, 1ste reeks. Arr. Gent, I.
De Potter F. & Broeckaert, 1864-1870b. Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen, 1ste reeks, Arr. Gent, VIII.
De Moor G. & Heyse I., 1978. De morfologische evolutie van de Vlaamse vallei. De Aardrijkskunde, 4, pp. 343-378.
De Mulder G. & Verlaeckt K., 1997. De Kelten in Vlaanderen. ca. 750-50 vóór Chr. Zottegem.
De Mulder G., 1998. Kelten en de Nederlanden. Van prehistorie tot heden. Orbis Linguarum, 1, pp. 1-32.
Desittere M., 1975. De bronzen aanvalswapens der Lage landen uit de Bronstijd en de Vroege IJzertijd. (Onuitgegeven licentiaatverhandeling, RUG).
Desittere M., 1968. De urnenveldencultuur in het gebied tussen Neder-Rijn en Noordzee. Dissertationes Archaeologicae Gandenses, 11. Brugge.
Devos A., 1958. De middeleeuwse loop van de Durme en haar bijrivier de Poeke. Oost-Vlaams verbond van de Kringen voor Geschiedenis, Voorlichtingsreeks, 23. Gent.
Ervynck A., Gautier A. & Van Neer W., 1997. Import van schelpdieren en vis in een Romeinse nederzetting te Nevele., VOBOV-Info, 46, pp. 24-28.
Gauchez V., 1882. Topographie des voies romaines en Belgique. A.A.A.B., XXXVIII, 3e reeks, VIII.
Hagemans G., 1863. Un cabinet d’amateur: notices archéologiques et description raissonée de quelques monuments de haute antiquité. Gent.
Janssens A., 1966. De tegelvondsten in de kerk van Nevele. Bijdragen tot de Geschiedenis der stad Deinze, XXXIII, pp. 87-97.
Janssens A. 1969. Primitieve ijzerwinning uit de La Tène III. Ons Heem, 23, p. 172.
Janssens A., 1974. Een oude nederzetting te Nevele? Het Land van Nevele, V, 3, pp. 106-115.
Janssens A., 1978. De steentijdvondsten van Nevele & Vosselare. Het Land van Nevele, IX, 1, pp. 42-48.
Juste Th., 1864. Catalogue des collections composant le Musée d’Antiquités d’Armures et d’Artillerie. Bruxelles.
Maertens de Noordhout J., 1938. Catalogue du Musée des Antiquités de l’Université de Gand. Gent.
Mariën M.E., 1952. Oud België. Van de eerste landbouwers tot de komst van de Caesar. Antwerpen.
Raeymakers D., 1907. Quelques stations tardénoisiennes et néolithiques découvertes aux environs de Gand. F.A.H.B., 20e congres, Gent, II.
Rogge M. & Lamarcq D. (eds.), 1996. De Taalgrens. Van Oude tot Nieuwe Belgen. Leuven.
Schayes A.G.B., 1847. Notice sur plusieurs découvertes d’antiquités à Léde, à Montroeul-sur-Haine et dans les fouilles faites pour le creusement des canaux de Schipdonk et de Zelzaete. Bulletins de l’Académie Royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-Arts de Belgique, XIV, pp. 267-269.
Schayes A.G.B., 1877. Catalogue du Musée Royal d’Armure, d’Antiquités et d’Artillerie. Brussel.
Schayes-Piot A.G.B., 1877. La Belgique et les Pays Bas avant et pendant la domination Romaine., III, Bruxelles.
Schayes-Piot A.G.B. & Van Dessel C., 1877. La Belgique et les Pays Bas avant et pendant la domination romaine. Addendum Van Dessel: La topographie des voies romaines en Belgique et le statistique archéologique. Bruxelles.
Schuermans H., 1872. Antiquités trouvées en Belgique. B.C.R.A.A., IX.
Semey J. & Vermeulen F., 1986. Gallo-Romeins te Merendree (Oost-Vlaanderen). Archeologie, 1, p. 20.
Semey J. & Rommelaere J., 1986. Merendree (Oost-Vlaanderen): Gallo-Romeinse bewoningssporen. Archeologie, 1, pp. 20-21.
Thoen H., 1969. Nevele: Late ijzertijd. Archeologie, p. 65.
Thoen H., 1991. Le camp Romain de Maldegem et les invasions des Chauques en 175 de notre ère. In: Thoen H., Bourgeois J., Vermeulen F., Crombé Ph. & Verlaeckt K., (red.). Studia Archaeologicae. Liber Amicorum Jacques A. E. Nenquin. Gent., pp. 185-200.
Thoen H. & De Clercq W., 1995. De Gallo-Romeinse aanwezigheid in Maldegem en Adegem. Handelingen van de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, Nieuwe Reeks, XLIX, pp.1-31.
Tremerie K., 1991. Het westelijk gedeelte van de provincie Oost-Vlaanderen tijdens de metaaltijden. Een archeologische inventaris. (Onuitgegeven licentiaatverhandeling RUG).
Van Doorselaer A. & Bourgeois J., 1996. Van boeren en adellijke heren. Sociale differentiatie in de ijzertijd ca. 750 voor Chr. In: Van Roeyen (red.), pp. 29-47.
Van Doorne G. & Walgraeve R. (red.), 1976. Vondsten uit de Leie te Deinze. Bijdragen tot de Geschiedenis der Stad Deinze en het Land aan Leie en Schelde, XLIII, pp. 1-357.
Van Neer W. & Lentacker A., 1994. L’archéozoologie: définition, méthodes et possibilités. In: Brulet R. (red.), pp. 21-23.
Van Roeyen J.P.(red;), 1996. Uit Vlaamse bodem. 10 Archeologische verhalen. Sint Niklaas.
Van Swalm I., 1973-4. Het La-Tène vaatwerk rond Gent. (Onuitgegeven licentiaatverhandeling, RUG).
Vanvinkenroye W., 1994. Een bijdrage tot het stadskernonderzoek van Romeins Tongeren. Publicaties van het Gallo-Romeins Museum Tongeren, 46.
Verlaeckt K., 1993a. Metalen voorwerpen uit de bronstijd, gevonden op het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen. In: Archeologisch Jaarboek Gent, 1992, pp. 49-130.
Verlaeckt K., 1993b. Poging tot reconstructie van een archeologische odysse. Oost-Vlaamse bronzen in de verzamelingen van de Koninklijke Musea voor Kunst & Geschiedenis. In: Bulletin van de KMKGB, 64, pp. 163-195.
Verbruggen C., Denys L. & Kiden P., 1991. Paleo-ecologische en geomorfologische evolutie van Laag- en Midden-België tijdens het Laat-Kwartair. De Aardrijkskunde, 3, pp. 357-376.
Verlaeckt K. (red.), 1996. Tussen heuvel en rivier. De bronstijd in Oost-Vlaanderen (ca. 2000-750 v. Chr.). Dendermonde.
Verlaeckt K. 1996. Riviervondsten en depots: offers of tekens van macht? In: Verlaeckt K. (red.), pp. 49-71.
Vermeulen F., 1983. Romeins en Middeleeuws aardewerk te Merendree (Oost-Vlaanderen). Archeologie, 2, pp. 89-90.
Vermeulen F., 1985. A Roman cemetery at Sint-Martens-Leerne (Deinze, East-Flanders). Scholae Archaeologicae, 1. Gent.
Vermeulen F., 1989. Kelten, Romeinen en Germanen tussen Leie en Schelde. Archeologische vondsten in Sint-Martens-Latem en in het zuiden van de Vlaamse Zandstreek. Scholae Archaeologicae, 10. Gent.
Vermeulen F., Rogge M. & Van Durme L. (red;), 1992. Terug naar de bron. Kruishoutem archeologisch doorgelicht. Archeologische Inventaris Vlaanderen, Buitengewone Reeks, 2. Gent.
Verstraete E., 1988. Archeologische vondsten te Landegem. Het Land van Nevele, XIX, 4, pp. 288-298.
X., 1847. Découvertes d’antiquités dans le canal de dérivation de la Lys. M.S.H., XXI, pp. 510-511.
X., 1848. Découvertes d’antiquités dans le canal de dérivation de la Lys. M.S.H., XXI, p.127.
X., 1866. Catalogue d’une très belle et riche collection de monnaies, médailles, ... antiquités et livres de numismatique. Gand, 12 avril 1866.
X., 1878. Dictionnaire de la Gaule, époque celtique.