OORLOGSRELAAS VAN FLORIMOND PYNAERT, DE LANDEGEMSE VRIJWILLIGER 1914-1918

door Jan Luyssaert

Inleiding

Geraadpleegde werken:

Baert 1975
G.P. Baert, H. Maes, Deinse oorlogsvrijwilligers 1914-1918, in K.O.K. Deinze, jg. 42 (1975), blz. 3-30.

Christens 1987
R. Christens, K. De Clercq, Frontleven 14/18. Het dagelijks leven van de Belgische soldaat aan de IJzer, Tielt, 1987.

Debaeke 1994
S. Debaeke, Humor in de oorlog. Bizarre en grappige verhalen, anekdoten, foto's uit de Grote Oorlog 1914-18, Veurne, 1994.

Debaeke 1996
S. Debaeke, De laatste onthoofding, Veurne, 1996.

Debaeke 1998
S. Debaeke, Het drama van de Dodengang, Koksijde, 1998.

De Cuyper 1968
A. De Cuyper, Journal de campagne 1914-1917. Oorlogsdagboek van een hulpdokter in het Belgisch leger, Brugge, 1968.

De Keyser 1973
S. De Keyser, J. Maton, Renaat De Rudder gedenkboek, Tielt, 1973.

Demeester 1985
M. Demeester, J. Hardeman, Van den grooten oorlog. Volksboek, Kemmel, 1985.

Depoorter 1987
Ch. Depoorter, S. Cossey, W. Tillie, 1914-1918. De oorlog achter het front, Poperinge, 1987.

De Schaepdrijver 1997
S. De Schaepdrijver, De Groote Oorlog. Het Koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog, Amsterdam-Antwerpen, 1997.

Deseyne 1987
A. Deseyne, Oorlog in de Ieperboog. Cursus voor gidsen in de "Ypres Salient", Zonnebeke, 1987.

De Vos 1996
L. De Vos, De Eerste Wereldoorlog, Leuven, 1996.

De Vos 1975
J. De Vos, "Operatie Landegem" oktober-november 1918, in Het Land van Nevele, jg. VI (1975), afl. 3, p. 164-170.

Duprez 1919
L. en R. Duprez, Renaat De Rudder, een stille getuige, Evergem, 1979.

Durnez 1988
G. Durnez, Zeg mij waar de bloemen zijn. Vlaanderen 1914-1918, Leuven, 1988.

Falter 1997
R. Falter, Het stiet ons tegen de borst, in DS Magazine, 18 april 1997, p. 8-10.

Guldenboek 1934
Guldenboek der vuurkaart, Brussel 1934-35.

Jacobs 1988
M. Jacobs, Naamstenen 1914-1918, Brugge, 1988.

Lampaert 1987
R. Lampaert, Modder voor het vaderland. De ongrijpbare stad: Ypres salient 14/18, Tielt, 1987.

Lanszweert 1981
R. Lanszweert, Wereldoorlog I 1914-18, in De IJzerbode, jg. 11 (1981), nr. 3.

Luyssaert 1993
J. Luyssaert, De oorlogscorrespondentie 1915-18 van de familie Vandermeersch, in Bruyntjes Brieven, jg. 4 (1993), nr. 16, september 1993.

Massart 1982
A. Massart, Historique du 13e de Ligne 1918-1980 et des unités issues en 1939-1940, s.l., 1982.

R.A.B. 1979
R.A.B., Wereldoorlog I en het Roesbrugse gedenkteken, in De IJzerbode, jg. 9, 1979, nr. 11.

Schepens 1984a
L. Schepens, 14/18. Een oorlog in Vlaanderen, Tielt, 1984.

Schepens 1984b
L. Schepens, E. Vandewoude, Albert & Elisabeth 1914-1918. Albums van de Koningin. Nota's van de Koning, Brussel, 1984.µ

Senesael 1969
M. Senesael, De IJzerslag, Langemark, 1969.

Simkins 1992
P. Simkins, De Eerste Wereldoorlog. Het Westfront, Lisse, 1992.

Ureel 1984
L. Ureel, De kleine mens in de grote oorlog. Getuigenissen van twee generaties dorpsonderwijzers uit de frontstreek, Tielt, 1984.

Vangansbeke 1984
L. Vangansbeke, Les chasseurs à pied Belges dans la première guerre mondiale, Bruxelles, 1984-85.

Van Maele 1994
J. Van Maele, In het spoor van '14-'18. Langs Nieuwpoort, Diksmuide, Ieper en Armentières, Sint-Andries, 1994.

V.F. 1935
V.F., De L'Yser à l'Escaut avec les 1er et 4e régiments de chasseurs à pied en automne 1918 (Extrait du Bulletin Belge des Sciences Militaires, Janvier 1935), Bruxelles, 1935.

Wullepit s.d.
C. Wullepit, Uit "Bange dagen", herinneringen aan de oorlog 1917-18, s.d. (Nederlandse vertaling van een Franse niet uitgegeven tekst van Celina Wullepit uit Reninge).

X 1935
X, Petite histoire du 13me régiment de ligne, Namur, 1935.

Het begin van de Eerste Wereldoorlog

Op 28 juni 1914 doodde Gavrilo Princip in Sarajewo met twee revolverschoten erfgroothertog Frans Ferdinand van Oostenrijk en zijn vrouw Sofie van Hohenberg. Sarajewo was de hoofdstad van Bosnië, een provincie van Servië, in 1908 geannexeerd door Oostenrijk-Hongarije.
Op 28 juli 1914 verklaarde Oostenrijk de oorlog aan Servië, maar daarmee kwam het hele mechanisme van onderlinge militaire bijstandsverdragen in werking. Rusland, bondgenoot van Servië, mobiliseerde zijn troepen. Duitsland, bondgenoot van Oostenrijk, verklaarde op 1 augustus de oorlog aan Rusland. Op 3 augustus verklaarde Duitsland de oorlog aan Frankrijk, een bondgenoot van Rusland.
In de 19de eeuw had Duitsland zich opgewerkt tot een economische grootmacht en dacht het aan een koloniale expansie. Om de behoefte aan "Lebensraum" te realiseren, was het bezit van de Noordzeekust, die een gemakkelijke verbinding met de Afrikaanse kolonies moest verzekeren, onmisbaar. In deze optiek had de Duitse stafchef von Schlieffen het plan opgevat om in geval van een tweefrontenoorlog - één tegen het westen en één tegen het oosten - eerst het westen te verslaan en dan het oosten. Om dit plan te kunnen uitvoeren was voor de Duitse troepen die oprukten tegen Frankrijk, een vrije doortocht door België noodzakelijk.
Op 2 augustus overhandigde om 7 uur 's morgens de Duitse minister von Below-Saleske aan de Belgische minister van Buitenlandse Zaken het Duits ultimatum maar dit werd op 3 augustus 1914 verworpen door het neutrale België. Groot-Brittannië, bondgenoot van Frankrijk en garant van de Belgische onafhankelijkheid, mobiliseerde zijn troepen.
Op 4 augustus trokken Duitse legers België binnen. De Belgische strategie was aangepast aan de Belgische neutraliteitspolitiek. Het verdedigingssysteem was ontworpen als een driehoek met als basis de fortenketen rondom Antwerpen en als punten de forten van Luik en Namen. Daarmee kon men het land verdedigen zowel tegen Duitsland als tegen Frankrijk. Pas nadat de algemene mobilisatie was afgekondigd, opteerde de opperbevelhebber van de Belgische troepen, koning Albert, voor een concentratie van zijn troepen ten westen van Luik, op de linkeroever van de Maas.

Het Belgisch leger bij het uitbreken van de oorlog

Op 28 mei 1913 werd het wetsontwerp op de veralgemeende dienstplicht goedgekeurd. Het jaarlijks contingent werd hiermee van 19.000 op 33.000 gebracht en het oorlogseffectief steeg van 180.000 tot 340.000 man.
Op 29 juli 1914 begon België met de mobilisatie van zijn troepen. De regering beperkte zich tot het oproepen van slechts drie lichtingen om de grenzen te bezetten. België wilde de Duitse overheid niet voor het hoofd stoten.
Op 31 juli werd de volledige mobilisatie afgekondigd. Nu moesten 15 klassen worden opgeroepen (Lampaert 1987, 13). De zeven oudste militieklassen (1905-1899) die nog dateerden van het regime van de loting en van mindere kwaliteit waren, werden belast met de verdediging van de forten. Het mobiele leger bestond uit de acht jongste klassen (1913-1906). De klasse 1914 werd zoals gebruikelijk pas op 15 september 1914 onder de wapens geroepen en was dus niet bruikbaar op 4 augustus 1914. Na haar opleiding zou ze pas vanaf januari 1915 op het front verschijnen.
De Duitse oorlogsverklaring veroorzaakte een enorme opleving van patriottisme onder de Belgen. Van begin september 1914 meldden zich ongeveer 20.000 vrijwilligers. Het merendeel waren Vlamingen omdat Wallonië al door de Duitsers was overrompeld. De strijd werd op 4 augustus 1914 ingezet met ongeveer 190.000 man.

De aanval (De Vos 1996, 28-38)

Op 4 augustus 1914 zetten de Duitsers de oorlog in op het westelijk front, met een tangbeweging in de richting van Luik, vanuit Gemblours in het noorden en ter hoogte van Verviers in het zuiden.
In de nacht van 6 op 7 augustus trokken ze onder leiding van kolonel Ludendorff Luik binnen en begonnen met de belegering van de twaalf forten. Tien dagen later viel het laatste fort. Na de val van de forten van Luik trok het Belgisch leger zich terug op een afwachtingsstelling langs de Gete. Het wachtte daar op de komst van de geallieerde strijdkrachten om samen een front te kunnen vormen dat tot Namen reikte.
Op 10 augustus bestookten Duitse cavaleristen de Belgische Getestelling.
Op 12 augustus 1914 kwam het tot een zware slag tussen Duitse cavaleristen en Belgische troepen bij Halen, in de omgeving van Diest. De Belgische cyclisten, liniesoldaten, lansiers en gidsen konden er de overtocht van de Duitsers over de Gete verhinderen.
Op 14 augustus zetten de Duitse legers zich in beweging in zuidwestelijke richting. Het zwaartepunt van de strijd verlegde zich naar het noordoosten van Frankrijk, in de streek van de Marne en de Aisne.
Het Belgisch leger bood weerstand o.m. op 18 augustus te St.-Margriete-Houtem, maar was niet opgewassen tegen de superioriteit van de Duitsers. Bovendien was de Belgische legerleiding onervaren en deels onkundig (Schepens 1984a, 13).
Om een dreigende omsingeling te vermijden, gelastte de koning op 20 augustus een terugtrekking van het leger achter de nationale vesting Antwerpen. Nog diezelfde dag werd Brussel bezet.
Tussen 21 en 24 augustus vielen ook de Naamse fortificaties. In Henegouwen botsten de Duitsers op Britse troepen van het kleine expeditieleger, maar de samenwerking tussen Britten, Fransen en Belgen vlotte niet. De omsingelde Britten konden zich ten koste van zware verliezen een weg naar Frankrijk vechten (De Vos 1996, 35).
Op 25 augustus 1914 brandden Duitse troepen de stad Leuven plat: 218 burgers kwamen hierbij om en 2.117 van de 9.000 huizen waren verwoest. Aarschot werd door Belgische troepen kortstondig heroverd.
Na de slag aan de Marne vormde het Duitse opperbevel een belegeringsgroepering van 120.000 manschappen om komaf te maken met Antwerpen. De aanval startte op 1 oktober. De forten van Walem, Sint-Katelijne-Waver en Koningshooikt en de schansen van Dorpveld en Duffel boden hardnekkig weerstand.
Van 4 tot 8 oktober werd er hard gevochten. Duitse troepen braken door bij Lier en staken de Schelde over bij Dendermonde. De stad werd bezet.
In extremis verliet het veldleger Antwerpen, de vestingtroepen die de stad moesten verdedigen, bleven achter. Maar de burgemeester van Antwerpen bood de capitulatie aan.
Een sterk uitgedund en gedesorganiseerd leger verzamelde zich in de streek van Veurne, Torhout en Oostende. 9.000 mensen waren in de gevechten van de twee voorbije maanden omgekomen. 15.000 werden wegens ziekte of verwonding van actieve dienst ontslagen. Meer dan 30.000, waarvan het merendeel vestingsoldaten, waren krijgsgevangen gemaakt en 33.000 Belgische soldaten vluchtten naar Nederland en werden daar geïnterneerd.
"Mensen, nauwelijks nog in legeruniform, strompelden stilzwijgend voort, her en der vermengd met vluchtelingen. Het rantsoen bestond uit beschuiten van de Antwerpse koekjesfabrieken en sardines. Zeer vele soldaten legden er onderweg het bijltje bij neer en vluchtten naar Nederland" (Christens 1987, 16).
Het gros van het Belgisch leger bereikte op 14 oktober de IJzer, waar het "te allen prijze" stand zou houden. De slag aan de IJzer kon beginnen.

De Landegemse oorlogsvrijwilliger Florimond Pynaert

Florimond Pynaert was de tweede van tien kinderen uit het gezin van Emile Pynaert (°Landegem 25.04.1861) en Elisa Maria Dalle (°Koolkerke 23.06.1870). Hij werd geboren te Koolkerke op 5 juni 1896 en kwam met zijn ouders op 3 juni 1911 naar Landegem wonen, de geboorteplaats van zijn vader.
Vóór 1913 woonde hij op Wilde bij August Van den Berge. Op 18 januari 1913 verhuisde hij naar Drongen, maar enkele maanden later op 6 juli 1913 kwam hij weer naar Landegem en woonde er bij zijn ouders in de Bovenstraat nr. 15.

Volgens een brief die Pynaert zelf schreef aan het gemeentebestuur van Landegem op 13 augustus 1913 gaf hij zich op maandag 29 september 1914 aan als vrijwilliger in Gent. Die dag vertrok hij met de trein naar Oostende waar de oorlogsvrijwilligers werden verzameld.
Na zijn opleiding in het kamp van Auvours (Bretagne), waar hij zeker Renaat De Rudder ontmoette (Duprez 1979, 48) werd hij bij het 13de Linieregiment ingedeeld en kreeg het stamboeknummer 30884. Tijdens de oktober-novemberdagen 1918 was hij één van de bevrijders van Landegem. Na de oorlog maakte hij deel uit van het Belgische bezettingsleger in Duitsland.

Op 25 juli 1923 trouwde hij te Drongen met Alice Van Hove en vestigde zich op 6 augustus 1923 te Gent, Palinghuizen nr. 159.
Op 13 augustus 1931 wonde hij in de Torrekensstraat 37 te Gent en was er politieagent van de 10de wijk.
Hij overleed te Melle op 17 mei 1980.

Het oorlogsrelaas van Florimond Pynaert

Aan de hand van zijn notities en eventueel andere bronnen schreef Florimond Pynaert na de oorlog zijn wedervaren. Een dagboek kunnen we het niet noemen, hoewel er een zekere chronologie insteekt.

Door de zorgen van ons gewezen bestuurslid Guido Schaeck werd het oorlogsverhaal van Florimond Pynaert in maart 1974 door de heemkundige kring "Het Land van Nevele" uitgegeven onder de titel: Dagboek. Belevenissen als oorlogsvrijwilliger met vertrek en terugkeer uit de oorlog 1914-1918. Pynaert Florimond, geboren op 5 juni 1896. De tekst werd toen in zijn ongewijzigde vorm zonder commentaar of toelichting in het handschrift van de auteur afgedrukt.
Later werd er een getypte versie verspreid, waarin de typist(e) zich de vrijheid had genomen om de tekst ingrijpend te wijzigen. Die versie draagt geen jaartal.
Tachtig jaar na de bevrijding van Landegem in oktober-november 1918 vinden we het een geschikte gelegenheid om het oorlogsverhaal van Florimond Pynaert opnieuw uit te geven maar nu voorzien van toelichtingen, commentaar, kaarten en foto's.

Wijze van uitgave

Onze uitgave is een aangepaste weergave van Pynaerts handschrift.
Om te beginnen hebben we de interpunctie aangepast. Pynaert schrijft wel punten en komma's, maar niet altijd op de juiste plaats. Ook schrijft hij af en toe hoofdletters waar het niet nodig is en omgekeerd.
Het meeste probleem bood de spelling en daar hebben we dan ook het hardst ingegrepen.

Omdat Pynaert de spelling uit zijn tijd niet foutloos gebruikt, hebben we de oude spelling in de huidige omgezet, bijvoorbeeld zo i.p.v. zoo, klederen i.p.v. kleederen; de hypercorrecte h zoals in hoorverdovend hebben we gecorrigeerd in oorverdovend; onmiskenbare fouten zoals mogellijk, terrecht en dt-fouten hebben we stilzwijgend verbeterd. Verkeerd gebruikte voornaamwoorden die, dat, hen, hun, u, uw, ons, onze hebben we verbeterd waar nodig; de verbuiging van bijvoegelijke naamwoorden hebben we weggelaten, bijvoorbeeld bloten hemel is verbeterd in blote hemel.

Dialectische vormen, zoals morgend, het heeft geweest hebben we gewijzigd in morgen en het is geweest. Echte dialectwoorden of fransachtige woorden uit de soldatentaal hebben we laten staan en ze tussen haakjes verklaard. Vergeten woorden hebben we tussen vierkante haakjes bijgevoegd.
Pynaert heeft zijn verhaal in hoofdstukken ingedeeld en die indeling hebben we behouden maar om de tekst zelf overzichtelijker te maken, hebben binnen de hoofdstukken titels geschreven die verwijzen naar de inhoud van dat fragment. Om het verhaal nog beter te kunnen volgen, hebben we - voor zover we het konden uitmaken - boven sommige fragmenten de datum vermeld.

We zijn er ons terdege van bewust dat onze werkmethode voor kritiek vatbaar is. Misschien zullen sommigen vinden dat we beter de tekst met fouten en al hadden overgenomen. We hadden echter één doel voor ogen: de leesbaarheid van Pynaert zijn verhaal verhogen.
Na elk hoofdstuk volgen onze toelichtingen en commentaar.

We hopen dat we Florimond Pynaert hiermee geen onrecht hebben aangedaan…

 

Hoofdstuk I - Het uitbreken van de oorlog 1914

 

Over de grens gezet

1 augustus 1914

Omstreeks 1 augustus 1914 vertrok ik met mijn vader van Landegem naar het werk, gelegen in Duitsland, nl. Stolberg. Laat in de nacht zijn we op [het] logement aangekomen.

2 augustus 1914

's Anderendaags in de vroege morgen werden wij door twee politiemannen in burger verzocht met hen mede te gaan. Met al onze bezittingen werden wij te Welkenraedt over de grens gezet.
Eens over de grens op Belgisch grondgebied, verspreidden de geruchten dat het oorlog zou worden tussen België en Duitsland. Toen werden we gewaar waarom wij zo veel troepenbewegingen gezien hadden in de omstreken van de grens.
Wij beiden zijn van uit Welkenraedt naar Visé getrokken. Daar ook was een werk aan de gang van onze werkgever.

3 augustus 1914

De volgende dag zouden wij gaan werken maar van werken was er geen sprake want tijdens de nacht waren daar Duitse vliegers verschenen die lichtpijlen afschoten. Ja, dan maar terug naar het logement, om onze kledij in te pakken en naar huis toe te trekken.

4 augustus 1914

's Morgens gingen wij naar de statie van Visé om de trein te nemen naar Luik. Maar terwijl wij daar stonden te wachten op de komst van de trein, kwamen al met eens Duitse vliegers over en wierpen boven de stad wat kleine bommen af, terwijl al de burgers op de vlucht sloegen, richting Luik. Achter ons werd de brug over de Maas door de Belgische genie opgeblazen.
Wij werden gewaar dat er geen trein meer zou komen en trokken met de vluchtelingen mede, richting Luik. Onder de weg was het duidelijk dat het oorlog zou worden. Met ganse regimenten kwamen [ze] ons tegemoet, optrekkend naar de Duitse grens. De Duitsers waren reeds België binnengevallen.
Laat in de namiddag zijn we in Luik aangekomen en konden [we] de trein nemen voor Brussel. Maar om in Brussel te geraken, hebben wij zeker acht uur op de trein gezeten. De legers hadden natuurlijk de voorrang en allen trokken op richting Luik.
Uiteindelijk zijn wij tijdens de nacht in Brussel aangekomen. Daar was het een geweldig gewoel van soldaten en volk. Hier hoorde men zeggen dat de oorlog was verklaard en dat er aan de grens al hevig werd gevochten.

Oorlogsvrijwilliger

28 september 1914

Tenslotte zijn wij thuisgekomen. En nu was ons land in oorlog. Ik liep hier overal rond vol onrust, tot ik naar Gent trok en mij aangaf als oorlogsvrijwilliger. Daar gaven ze mij een bewijs om mij zo spoedig mogelijk naar Oostende te begeven alwaar ik zou opgevangen worden door het leger.
Ik vertrok uit Gent met een trein welke overladen was met vluchtelingen. Onderweg viel ik bij drie kameraden van Merendree: Grootaert Emiel, Wieme Cyriel en Corijn Cyriel. En zo kwamen wij samen aan te Oostende waar wij vernachten op de straat om ’s anderdaags verzameld te worden door officieren en onderofficieren. En zo werden wij als schapen weggedreven naar Nieuwpoort.
In Nieuwpoort vernachten wij in de kerk. Het werd reeds redelijk koud en wij trokken tapijten weg van het altaar om ons te dekken.
De volgende dag trokken we verder te voet met een stroom vluchtelingen en duizenden en nog duizenden jonge mannen de baan op naar Duinkerke. Hier aangekomen, werden wij ondergebracht in de Franse kazerne, om ’s anderdaags te voet verder te trekken naar Calais, alwaar we op een soort eilandje terechtkwamen, welke uitgaf vlak voor de zee. Hier zouden wij twee nachten verblijven. Maar menslief wat heb ik hier koude geleden. Zo vlak bij deze zeewind en bijna geen klederen aan, ook zonder dekking onder de blote hemel.

Verloop van de oorlog in België

Intussen was er al veel gebeurd in België. Na de bloedige gevechten rond Luik zijn de troepen in aftocht. De Franse troepen kwamen België ter hulp en leverden bloedige gevechten te Rossignol (Lux). Ook onze soldaten waren in zware gevechten betrokken te Halen-Diest. De Duitsers vielen Dinant binnen en moordden de ganse stad uit. Mannen, vrouwen en kinderen werden gefusilleerd om daarna gans de stad in brand te steken. Hetzelfde gebeurde te Namen, Leuven, Tamines en Dendermonde.
En zo kwamen de Duitsers in botsing op de kanten van Bergen met de Engelse cavallerie. Intussen viel Antwerpen en 30.000 soldaten vluchtten naar Holland. Overal een vloed van vluchtelingen met richting Frankrijk. De bevolking is totaal in paniek op de vlucht geslagen. Langs alle wegen ziet men een verschrikkelijke ellende. De gruwelen die de Duitsers verrichten is niet te beschrijven.

Na twee dagen verblijf op dit eilandje [bij Calais] werden wij om vier uur in de namiddag ingescheept op een vrachtboot welke vroeger diende voor dierenvervoer. En met de avond zijn we het Kanaal overgevaren tot op de kusten van Engeland. Eens in de nabijheid vaarde het schip langsheen de Engelse kust, dit om niet getorpilleerd (Fr. torpiller = torpederen) te worden.

De volgende [dag] is de boot van de kust weggevaren naar de Franse havenstad Cherbourg. Hier werden wij ontscheept en in een grote hangaar ondergebracht. Voor het eerst sedert ons vertrek uit Gent kregen we hier eten en wel zoveel men verlangde. Niet slapen, opgejaagd en zonder eten, dit was de eerste proef van de oorlog. Na twee dagen verblijf in Cherbourg werden wij in dierenwagons verstopt. Dertig man per wagon en zo vertrokken wij onder strenge bewaking dwars door Normandië, over Carantan, Lison, Bayeux, Caen, Mezedon, Argentan, Alençon, Le Mans om ten slotte afgezet te worden in een kleine statie Champagné op 1 kilometer van het Camp d’Auvours, zo wat 12 kilometers van de stad le Mans (Dé[partement] Sarthe).

Commentaar en toelichtingen

Over de grens gezet

De Duitse troepen waren geconcentreerd in de omgeving van Aken, Eupen en Malmédy. Ze overschreden de Belgische grens op 4 augustus 1914 om acht uur ’s morgens, met de bedoeling om per brigade tussen de forten van Luik te infiltreren. De cavalerie zou de flanken beschermen. Na een aantal verwarde gevechten in de loop van 4 augustus bouwden de Duitsers in de nacht van 4 op 5 augustus een eerste bruggenhoofd te Visé. De door voorwaartse waarnemers goed gejusteerde beschietingen vanuit de forten maakten het de Duitsers zeer moeilijk.
Op 7 augustus ’s morgens was de Duitse generaal Ludendorff in Luik. De citadel gaf zich zonder slag of stoot over. Maar het geschut bemoeilijkte ten zeerste de doortocht van Luik. Op 16 augustus waren Luik en zijn bruggen stevig in Duitse handen (De Vos 1996, 31-33)
 

De Belgische versterkingen rond Luik vóór de Eerste Wereldoorlog

(Uit: L. De Vos, De Eerste Wereldoorlog, Leuven, 1996, p. 29)

Oorlogsvrijwilliger

Florimond Pynaert volgde vanaf 28 september 1914 met zijn kameraden van Merendree, Emiel Grootaert, Cyriel Wieme en Cyriel Coryn[1] ongeveer dezelfde route die op 12 oktober werd gevolgd door Renaat De Rudder. De Rudder stapte te voet van Landegem langs de spoorlijn over Bellem naar Aalter. Vandaar kon hij met een voertuig van de genie meerijden tot Beernem. Hij sliep in Oostkamp en vertrok over Brugge met een andere groep vrijwilligers naar Oostende. Vandaar ging het te voet naar Nieuwpoort. Van Nieuwpoort ging de tocht met de tram naar De Panne. Met een brood als proviand trok hij langs de kust te voet naar Duinkerke waar hij inscheepte naar Cherbourg. Van Cherbourg reden de rekruten met de trein naar Champagné, waar het kamp van Auvours ligt (Duprez 1979, 41-43). Ook Pynaert en zijn vrienden voeren van Calais langs de Engelse kust naar Cherbourg. Waarom deze lange omweg?

Volgens het Duitse Schlieffen-Moltke aanvalsplan (1912) zou Frankrijk verpletterd geraken door een aanval doorheen het neutrale België en Luxemburg. Het grootste deel van het Duitse leger zou ten noorden van Samber en Maas in een wijde boog omheen Parijs trekken. Maar de Duitsers zagen vlug in dat het uitvoeren van het oorspronkelijke plan heel veel eiste van de troepen en daarom zakten ze ten oosten van Parijs af. Ondertussen hadden de Fransen en Britten in de omgeving van Parijs dubbel zoveel troepen als de Duitsers (35 divisies tegen 18). De slag aan de Marne kon beginnen (De Vos 1996, 40). Na het mislukken van het Schlieffen-Moltkeplan o.m. door de slag aan de Marne zou de nieuwe bevelhebber Erich von Falkenhayn over een front van zo'n honderd kilometer van de Noordzee tot aan La Bassée een offensief ontketenen in de richting van de Kanaalhavens Duinkerke, Calais en Boulogne (De Vos 1996, 51). Om te vermijden dat Belgische ongeoefende vrijwilligers in het strijdgewoel zouden terecht komen, werden ze per boot overgevaren van Duinkerke of Calais naar Cherbourg in Normandië.

 

Het Schlieffen-Moltke plan (1912)

(Uit L.De Vos, De Eerste Wereldoorlog, Leuven, 1996, p. 40)

 

Hoofdstuk2 - Het kamp d'Auvours

Het kamp van Auvours

Begin oktober 1914

Wij kwamen hier aan in het kamp omstreeks begin oktober 1914. Dit kamp is gelegen rondom in de sparbossen met aan het hoofd van het kamp een splitsing van twee grote wegen. De eerste rechts is de grote baan van Le Mans naar Parijs en de andere Le Mans-Tours.
Hier werden 30.000 vrijwilligers samengebracht. Een gelijkaardig kamp op 20 km van hier Parigné Levecque, ook eveneens 30.000 vrijwilligers. Hier aangekomen vind ik veel kameraden terug. Zo ontmoet ik Renaat De Rudder die ik tijdens mijn vertrek uit België kwijt was geraakt. Ook Jozef Van de Casteele, Herman Michiels en Goedertier, en nog zovele anderen uit de omgeving van Landegem. Seffens kregen wij een kostuum in wit lijnwaad om opgedrild te worden. Alle dagen oefening tot wij door ons knieën zakten.

Winter 1914

Inmiddels was er al wat tijd voorbij en de winter was in aantocht. Alle dagen regen en nu en dan wat sneeuw. Het is de eerste winter van de oorlog en wij lagen hier onder tenten op wat stro of planken zonder dekking. Soms kwam water in de tenten gestroomd. En daar stonden wij nu vlak voor de winter, zonder kledij, geen schoenen, geen kledij, alle dagen oefening in de sneeuw en met houten klompen, zonder kousen aan de voeten. Wij bonden wat vodden aan onze voeten die we hier of daar konden bemachtigen want onze voeten zijn gekwetst. Het was niet uit te staan en daarbij onder verschrikkelijke tucht. Ja, wij zijn terechtgekomen in de greep van het militarisme.
Vele jongens werden hier weggevoerd naar het hospitaal, half vervrozen. Ik zelf werd op een morgen weggevoerd naar het hospitaal van Le Mans. Na acht dagen aldaar verbleven te hebben, kon ik terug mijn eenheid gaan vervoegen en de oefening hernemen. Wij kregen een oud Frans geweer uit de oorlog van 1870. Dit zou naar het einde van de oefening leiden.

April 1915

Begin april 1915 ontvingen wij een modern geweer. Dat was het sein om naar het oorlogsfront te vertrekken met een Frans uniform.

 

Belgische soldaten in hun wit pak
(Familiearchief Jan Luyssaert)

 

De Belgische tenten in het kamp van Auvours
(Familiearchief Jan Luyssaert)

 

Eerste oorlogservaringen in Adinkerke

Begin de maand april 1915 vertrokken wij naar het front, over Alençon, Aigle, Evreux, Rouen, Amiens, Abbeville, Boulogne, Calais, Duinkerke. In Adinkerke werden wij afgezet. Hier hoorde men het kanongebulder van het IJzerfront. Rechtover de statie van Adinkerke werden wij bijeengeroepen op een plein om verdeeld te worden in verscheidene regimenten. Intussen kwamen daar al wat frontsoldaten een kijkje nemen of er geen kennis van hen bij was. En de eerste kennis die ik ontmoet was Van Hove Karel uit Drongen. Hij vroeg mij eens met hem mede te gaan zien.

In een barak langs een muur van het kerkhof zag ik een 20-tal gesneuvelde soldaten liggen, allen vreselijk verminkt en uiteengereten.
Deze doden werden hier tentoongesteld om de soldaten te harden. Na dit gruwelijk zicht ging ik terug naar de verzamelplaats waar ik gescheiden werd van mijn drie kameraden. Zij werden ingelijfd bij het 8e en ik bij het 13e.

April 1915

Twee dagen zouden wij hier blijven alvorens naar het front te vertrekken. Tijdens mijn verblijf ging ik wat op speurtocht en kwam tot de conclusie dat Adinkerke een van de belangrijkste plaatsen was van het IJzerfront. Overal was er veel beweging, een mierennest van soldaten, alle ras Franse-Engelse en van veel vreemde koloniën.
De statie was veel te klein om al deze transporten te verwerken: troepen, munitie, kanonnen, levensmiddelen, laden en lossen van gekwetsten, zij die in verlof gingen of terugkeerden, enz.
Zo kwam ik terecht aan het kanaal Duinkerke-Nieuwpoort met veel scheepvaart, alle soorten goederen en munitie voor het front. Ik keer terug naar de statie op de baan Adinkerke-De Panne. Hier zag ik de tram om en weer Adinkerke-De Panne rijden, volgepropt met soldaten en nog getrokken door paarden. Kortom gezegd Adinkerke is het Parijs van het IJzerfront.
De twee dagen zijn om en in de loop van de namiddag vertrekken wij, of ik voor de eerste maal naar het front. Onder de weg naderen wij stap voor stap het voortdurende kanongebulder. Dit maakt een geweldige indruk. Tenslotte komen wij toe te Wulpen. Hier is men al binnen het bereik van het kanonvuur.

Commentaar en toelichtingen

Het kamp van Auvours

Het kamp van Auvours gaf een troosteloos beeld. Het lag in het departement van de Orne in de streek van de Calvados, ten oosten van de Eure en ten zuiden lag de aantrekkingskracht van de stad Le Mans. Auvours was een kleine vlek, te midden van heide en bos, met schaarse weiden en uitgestrekte beboste heuvelruggen, slechte wegen en kronkelpaden. Het kamp was bebouwd met 4 à 5 lange barakken aangevuld met legertenten. Het was een oud oefenterrein van de Franse artillerie (Baert 1975, 9-10).

Ook Renaat De Rudder[2] klaagde erover dat ze de winter 1914-15 moesten doorbrengen op slecht gevulde strozakken in tenten en met twee dekens en hun pardessus tegen de koude (Duprez 1979, 43).
Met zijn kledij was het al even pover gesteld; in zijn brief van 2 februari 1915 schrijft De Rudder aan zijn ouders: "Wij hebben voor kostuum een witte broek en vest, maar daaronder draag ik mijne burgersbroek en onderbroek, en op 't lijf ben ik ook dik gekleed". De rekruten hadden dus geen aangepaste kledij en droegen witte "uniformen" boven hun burgerkleren (Duprez 1979, 45-46).
Met de uniformen was het na de slag aan de IJzer al even erg gesteld. Het uniform waarmee de Belgische soldaat naar de oorlog was getrokken, was niet aangepast aan de toenmalige nieuwe oorlogsvoering. De meesten hadden zich reeds tijdens de bewegingsoorlog van hun ongemakkelijke uitrusting ontdaan. Vanaf juli-augustus 1915 kregen de soldaten geleidelijk aan een zomerkostuum van het Engelse type en tegen de winter een kakikleurig winterpak (Christens 1987, 41). Het hoeft ons dan zeker niet te verbazen dat Pynaert in april 1915 naar het front moest vertrekken in een Frans uniform.

Eerste frontervaringen in Adinkerke

Na de Slag aan de IJzer stabiliseerde het front zich en kon men de medische hulp organiseren. Wanneer een patiënt zwaar gekwetst was en moest geopereerd worden, werd hij zo vlug mogelijk naar een fronthospitaal overgebracht. Anders ging de gekwetste naar het evacuatiehospitaal of het 'Hôpital Militaire Belge' te Adinkerke dat vanaf april 1915 werkzaam was in de "Villa Cabour". Vanuit Adinkerke werden gekwetsten voor verder herstel overgebracht naar Noord-Frankrijk of Engeland (Jacobs 1988, 59). In de loop van de oorlog werden in Adinkerke 7.400 soldaten voor oorlogsverwondingen opgenomen (Christens 1987, 77). Vanuit het station van Adinkerke liep de spoorlijn naar Calais vanwaar men gemakkelijk kon overvaren naar Engeland. Het wekt geen verbazing dat er zich in de buurt van een groot hospitaal ook een groot militair kerkhof bevond.

Het Belgisch leger bestond uit 6 Legerdivisies. De 4de Divisie bestond o.m. uit de 8ste Gemengde brigade, waarvan het 8ste Linieregiment deel uitmaakte en de 13de Gemengde brigade waarvan het 13de Linieregiment een onderdeel was. Het 13de Linieregiment maakte naam tijdens de bloedige gevechten te Keiem op 18 en 19 oktober 1914. Slechts één officier en tweehonderd man van de zevenhonderd keerden uit die gevechten terug.

Tijdens de stabilisatieoorlog bezette het 13de in eerste linie de sectoren Nieuwpoort, Drie Grachten (Steenstraat) en Ramskapelle, met de aanvallen op de Duitse stellingen "Violette" en "Terstille", gelegen in de sector Ramskapelle tussen de spoorlijn Nieuwpoort-Diksmuide en de IJzer. In mei 1916 verloor het 13de bij Diksmuide 357 man en 9 officieren. In de winter 1917-18 stond het 13de in Ramskapelle, Boezinge en Merkem.

Na een bewogen bezetting van de sector Diksmuide van juni tot september 1918 nam het deel aan de twee fasen van het bevrijdingsoffensief in Vlaanderen: op 28 september bij Zarren en op 14 oktober bij Handzame. In oktober-november 1918 vinden we het 13de Linieregiment terug bij de zware gevechten aan het kanaal van Schipdonk o.m. te Landegem (Guldenboek 1934, XVI-XVII en 295-296).

 

 

Hoofdstuk 3 - Aan het front begin april 1915.
1e sector Ramskapelle

Ingekwartierd te Wulpen

Aangekomen te Wulpen werd ik ingekwartierd in het huis van de veldwachter. Hier te Wulpen ziet het er al wat oorlogsachtig uit. Het dorp gedeeltelijk verwoest door de bombardementen, de kerk bijna met de grond gelijkgemaakt. Na de nacht te hebben doorgebracht onder het nu en dan ontploffen van obussen en om 8 uur 's morgens samenkomst van de compagnie. Wij kregen wat theorie en ook onze kogels, 180 stuks, een niet te onderschatten gewicht. Wij nieuwelingen kregen de raad ons aan te passen met ouderen die reeds het front kenden.
Na deze bijeenkomst werd ik al gewaar dat er een strenge tucht bestond. Ja, nu maar eens op speurtocht. Ik ga achter het dorp, zo kom ik aan de kerk. Daarachter was het een vlakte en zag [ik] de eerste keer een stuk van de IJzervlakte. Ook hoorde ik in de verte ontploffingen en geratel van geweer en mitrailleuzen. Een eind verder stonden de eerste kanonnen die het Duitse front beschoten.
Dus deed ik hier mijn eerste stap in de richting van het front. Toen keerde ik terug. Binnengekomen, wat onder elkander gepraat en gelachen. De ouderen trachtten ons ook wat schrik op ons lichaam te werpen, maar ja, soldaten onder elkaarder zijn nu eenmaal zo.
Ja, daar in het huis van de veldwachter voelde ik mij niet op mijn gemak. Er liepen daar zo veel officieren in en uit. Maar een tijdje nadien ontdekte ik het officiersspel. Daar was een dochter en deze noemde Zoé. Daarmee was mijn vrees opgelost. Rechtover de deur was een groot boerenhof dat door de Franse artilleristen was belegerd. Ik stond dit zo wat te bezien en zag daar niet anders lopen dan ratten. Ik deed teken naar een Franse soldaat dat er daar zoveel ratten liepen. Och zegde hij, er lopen er hier met de honderden. Bij het binnenkomen vertelde ik dit. Wacht, zegde daar een, tot wanneer u in Ramskapelle komt, [ze] zullen daar in uw oren komen bijten.

Naar Ramskapelle

Twee dagen waren voorbij en in de avond vertrokken wij naar het vuur, achter het dorp weg langs smalle wegeltjes dwars door de weiden en grachten. Nauwelijks hebben wij het dorp verlaten en [we] komen in de zone der kanonnen, deze alle met de vuurmond gericht op de vijand. Nooit werden de wegen gevolgd welke op de landkaarten voorkomen. Het zou te gevaarlijk zijn want deze wegen werden veel onder vuur genomen. Daarom werden binnenwegeltjes aangelegd door de genie. Ook deze wegeltjes kwamen immers op hun doel uit. Als het goed donker was geworden, kwamen wij toe aan de statie van Ramskapelle. Het is te zeggen, die eens de statie was geweest. Het ganse dorp was een puinhoop. Hier aan de statie langsheen de ijzerweg werden de wachten uitgezet. In het donker was hier niets te zien maar veel te horen, rechts en links van ons veel vuurwerk.

Overstroming

Onder de morgen, toen het klaar werd, stonden wij vlak voor de zoveel besproken overstroming. Deze werd verwezenlijkt tijdens de slag van de IJzer in oktober 1914 toen de Duitsers oprukten. De genie met de sluiswachter te Nieuwpoort liet de sluizen in de lucht vliegen. En terwijl de slag in hevigheid woedde, werden de Duitsers verrast door het water dat gans de oppervlakte van Nieuwpoort tot Diksmuide onder water zette. En zo verzonk het Duitse leger in het water, met achterlating van kanonnen, materiaal, paarden en soldaten. De Belgen trokken zich terug tot op de berm van de spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide. Het is dank zij het onder water zetten dat de slag van de IJzer gewonnen werd, en de Duitsers tot stand zijn gebracht.

In Ramskapelle

Hier staan wij nu aan de statie [van Ramskapelle], links van ons de stad Nieuwpoort gans verwoest, met hier en daar een zuil welke boven de puinen uitsteekt. Het zicht op de overstroming is wonderbaar om zien. In de verte midden het water de voorposten. Het lijken alle kleine eilandjes te zijn. Hier op het water drijven alle soorten dieren rond, opgeblazen paarden, koeien, zwijnen en veel Duitse soldatenlijken. In de verte ziet u soms een kanon boven water steken. Aan de boorden van de ijzerweg, kant der overstroming, zijn al deze dieren en soldatenlijken aangespoeld, en dit verspreidt een verpeste geur. De ratten zitten er met honderden aan te peuzelen, voor hen is het kermis.
Ramskapelle, het verwoeste dorp, is het toneel geweest van de verwoede bajonetgevechten tussen de Franse koloniale troepen en de Duitsers. De lijken werden hier bijeengebracht en met benzine en petrol overgoten om ze vervolgens te laten opbranden.
Ook in de puinen trof men zeer veel lijken aan. Toen bestonden er nog geen loopgraven. Dag en nacht was men onder de bloten hemel. Soms kond ge u verbergen onder wat planken of wat anders dat u wat kon beschermen tegen regen en koude.
's Anderendaags laat in de nacht, trokken wij over loopplanken, gezegd passerellen, naar de voorposten op 150 m van de vijand zodat wij daar in het midden van de overstroming, op zo een soort eilandje achter een berm modder wegverstopt lagen om de vijand op te vangen. Bij het aflossen werd er soms geschoten met geweer, ook soms met mitrailleuzen en een raffel van kanonvuur. In deze vlakte was dit een gevaarlijk spel. Dan vielen er telkens doden en gewonden.
Op de voorposten verbleven wij telkens voor vier dagen en nachten, blootgesteld aan weer en wind, en daarbij het geschut, zonder u veel te kunnen bewegen. Want bij de minste beweging kwam het geschut in werking.
Ja, nu zitten wij volop in de oorlog. Naar gelang dat het verder gaat, wordt het een routine, en raakt u eraan gewend. Na vier dagen: aflossing, eens om middernacht, dan eens om drie uur in de morgen, nooit op hetzelfde uur, dit teneinde om de Duitsers op een dwaalspoor te brengen.
Dan trekken wij op reserve om 's nachts te gaan werken want van heden af zal men beginnen met loopgraven aan te leggen. Dit is ook een zeer gevaarlijk werkje. Soms moeten wij gaan werken aan de sluizen van Nieuwpoort onder hevige bombardementen en gepaard met verliezen. Bij het naar het werk of naar de voorposten gaan, is men misleid door de duisternis en kwam [men] in het water terecht. Dan moest ge zo verder lopen tot wanneer de klederen aan uw lichaam droogden. 's Zomers was dit niet erg, maar in de winter… Ik moet er niet aan toevoegen hoe wij daar gesteld waren.
Eens waren ik en mijn kameraad Van den Bos op de voorpost op 100 m van de vijand. Om twee uur in de nacht kwamen achter ons drie gedaanten naar ons toe. Het was Koningin Elisabeth met twee officieren bij zich. Deze vroeg ons hoe [we] het stelden. Ik antwoordde goed. Waarop ze zegde: het is hier kalm. Ja, zegde ik, het is niet altijd zo. Dan kregen wij beiden elk een stuk chocolade en elk twee pakjes Engelse sigaretten, waarop ze onmiddellijk terugkeerden.
Onze post lag hier vlak voor de "Ferme Violette", een zeer gevaarlijke plaats. Dit was een door de Duitsers versterkt boerenhof, van daaruit werd er oneindig veel op ons geschoten. Tot wanneer de legerleiding een besluit nam daar voor goed een einde aan te maken.

Mei 1915

Op een goede morgen in de maand mei werd onze compagnie samengebracht om daar aan te vallen en deze post te gaan vernietigen. Wij zouden ondersteund worden door een compagnie van het 8e regiment op de linkerkant van ons. Zeer vroeg in de morgen trokken wij door de overstroming op handen en voeten op ons doel af. Alles ging goed, maar plots komen wij voor de prikkeldraadversperring en werden door de Duitsers ontdekt. Hun mitrailleuzen en handgranaten kwamen in werking. Er werden vuurpijlen afgeschoten, waardoor zij een klaar zicht hadden daar op het water.

Het werd een vreselijke slachting. Wij lagen daar zonder dekking te dobberen op het water. Ten slotte vangden (sic) wij de aftocht voor degenen die niet gedood werden. Doden en gekwetsten bleven achter op het slagveld. Terug in onze linie gekomen, met bitter weinig. Ik was toch een van de overlevenden, al de anderen werden letterlijk weggemaaid van het mitrailleuzevuur. Ik zag tijdens het gevecht een officier middendoor maaien van de kogels. Al dezen zijn ter plaatse gebleven en werden opgegeven als vermist. Deze "ferme" was gelegen vlak voor de IJzerstroom. In feite was het grondgebied Mannekensvere.

Na de slag hingen veel lijken in de prikkeldraad en zijn daar blijven hangen tot ze verteerd of wel opgevreten [waren] van de ratten. Lang na de gevechten kon men overdag de lijken zien hangen.

Op rust in Wulpen

Mei-juni 1915

Na deze gevechten trokken wij op rust te Wulpen. Tijdens onze rust had daar een nieuw drama plaats. Langsheen de vaart naar Nieuwpoort bevond zich een eskadron lansiers in reserve. Toen een officier vanuit Wulpen naar zijn manschappen toeging, werd hij bij het naderen van de paardenstallen op korte afstand doodgeschoten door een van zijn soldaten. De soldaat was bezig de paarden te reinigen, toen hij de officier zag aankomen, nam hij zijn karabijn en schoot de officier dood.

7 juli 1915

Naderhand zegde men dat de soldaat veel last had van hem, de soldaat zou gezegd hebben tegen zijn kameraad: als hij vandaag komt, schiet ik hem omver. Inderdaad, hij heeft dit gedaan. Nog dezelfde dag, in de loop van de namiddag, werd hij in een weide tussen het dorp en de brug in het openbaar aan een paal gebonden en terechtgesteld, door zes soldaten, drie officieren en twee gendarmen.

Hij werd ter plaatse niet begraven, maar zo maar eenvoudig in de grond verstopt (sic), met een houten kruis zonder opschrift, wel onder aan de paal een arduinen steen met de naam Zaman. Hij was een Gentenaar.
Gans de oorlog is deze daar blijven liggen in deze weide.
Een nog gelijkaardig geval heeft zich voorgedaan te Veurne. Een onderofficier had daar een meisje vermoord. De moordenaar werd later ter dood veroordeeld en later op de markt van Veurne onthoofd door de Franse valbijl. Het is de laatste onthoofding die in België plaats heeft gehad.
Na deze diverse zaken trokken wij in reserve op de rechterkant van Ramskapelle, in het boerenhof gezegd "Tjokveld"; zo gewoon: artillerievuur, schrappenels, enz.

Zomer 1915

Het was dus in de zomer 1915. Ramskapelle gedeeltelijk verwoest. De gebouwen welke nog bruikbaar waren, werden gebruikt als opslagplaatsen voor verberging (sic) van materiaal van de genie. Het moet zijn dat de Duitsers daar iets van bemerkt hadden. Op een namiddag brak plots een hevig bombardement los over het dorp. Het duurde zo wat twee [uur]. Onmiddellijk werden wij in alarm gebracht want wij dachten dat het op een aanval zou uitlopen. Het bombardement viel plots stil en gedurende een uur was [er] niet anders dan stof, rook en brand. Toen alles terug helder werd, konden wij ons eigen ogen niet geloven. Het dorp was totaal weggevaagd en een blakte (= vlakte) geworden. Veel geniesoldaten bevonden zich in deze depots en deze werden allen gedood en daarna opgebrand.

Op voorpost "Beverdijk"

De tijd van reserve was voorbij en wij trokken voor vier dagen naar de voorpost, maar deze keer op een andere plaats, meer rechts naar Pervijze, genaamd "Beverdijk". Na de vier dagen komen wij op reserve wat achterwaarts ook op een hoeve, genaamd "Ferme Roodester". Ieder soldaat wilde liefst in een hoekje liggen. Ja, nu en wel, ik was te laat aangekomen en vond geen plaats meer. Ik zag daar twee benen uitsteken en trok deze soldaat uit het hoekje, teneinde om ik deze plaats te bemachtigen.

Deze begon te roepen en te vloeken zodat de luitenant er bij te pas kwam om het verschil (sic) op te lossen. Ik kreeg natuurlijk een berisping en kon maar verder plaats gaan zoeken, maar ik vond er geen meer. En terwijl ik daar zo wat rondliep, komt daar almeteen een obus afgefloten en deze viel juist op de plaats van het verschil. De soldaat in kwestie, welke ik enige seconden voor de ontploffing had weggetrokken, vloog de lucht in en werd totaal uiteengereten. Ik kreeg een stuk vlees in mijn gezicht, bloedde, en werd direct naar het hospitaal van De Panne gevoerd. Ik kwam ervan af met twee blauwe ogen. Hij, de arme jongen, noemde Serteyn en was van St.-Pauwels. Hij had voor zo gezegd (sic) de dood gevonden in mijn plaats. Hij werd begraven op het militaire kerkhof te Adinkerke. Aan zijn dood en begraving is dus een droevige geschiedenis verbonden. Daar hij aan [stukken] werd geschoten, kon men maar juist zijn bovenlichaam vinden. De rest lag daar in het ronde gespat.

En op deze manier heeft hij zo gezegd twee begraafplaatsen: een te Adinkerke en een op het slagveld. Dit zijn de gruwelen van de oorlog.

Loopgraven aanleggen

Nu is men voor goed aan het werk om loopgraven en versterkingen aan te leggen. Rust bestaat bijkan niet meer. Iedere nacht valt er te werken.
Dit is veel gevaarlijker dan op de voorposten te zijn. U staat blootgesteld aan alle gevaren, want als de Duitsers veranderingen konden vaststellen, begon hij (sic) bij nachte met schrapenels te schieten, en soms met ganse salvo's. En terwijl loopgraven en versterkingen gelegd worden, doet de genie het werk van het front te camoufleren zodat alle wegen en posten afgedekt zijn. Dit om de Duitsers zo weinig mogelijk zicht te geven op onze kant. En zo werd gans het IJzerfront een forteres (Fr. forterresse = vesting).
Ja, er werd hier veel gezwoegd en gewerkt om ons leven te beschermen. Maar tijdens de werken waren altijd verliezen door het schrappenelvuur zodat ze daar een liedje van gemaakt hebben, dat luidt als volgt:

Gaat toch niet naar Ramskapelle
Want daar schieten ze met obussen en schrappenellen.

Juli-augustus 1915

Tijdens de zomer werd gans het Belgisch leger veranderd van uniform. Nu ontvingen wij een pak in de kaki, met kepie. Wij worden nu allen gelijk de Engelsen.

Eens waren wij aan het werk om een loopgracht dwars door het kerkhof van Ramskapelle te trekken. Het was in de loop van de namiddag, toen de Duitsers al met eens zo hevig begonnen te schieten. Wij allen renden uit elkander, die wat links en de andere wat rechts om dus uit de richting van het geschut te vluchten. Almeteen stelden wij vast dat er een man vermist bleek te zijn en we vermoedden dat hij misschien gedood of gekwetst achterbleef. Hierop ben ik in volle bombardement gaan zoeken en vond hem daar op het kerkhof liggen, gans bebloed en uitgeput. Hij was zwaar gekwetst. Een stuk ijzer was dwars door zijn schouderblad gevlogen. Ik sleurde hem uit de richting van het geschut en [hij] werd dan zeer dringens weggedragen naar de eerste hulppost. Het was mijn beste vriend, Dauw Felix van Zaffelare. Hij is nooit aan het front meer gekomen en werd zwaar invalied.

Honderde keren heeft hij mij naderhand bedankt, zeggende: het is dank aan u dat ik nog in leven ben, zonder u was ik doodgebloed daar op dat kerkhof van Ramskapelle. Dit zou naar het einde gaan van gezegde sector.

Op rust nabij Duinkerke

Augustus 1915

Omstreeks augustus 1915 werden wij door een ander divisie afgelost en [we] trekken voor een korte periode op rust op de kanten van Ghyvelde Bray-Dunes of Rozendael, nabij Duinkerke. Men zegt hier rust, maar ik moet er aan toevoegen dat het maar juist het "woord" rust is. Bedoeling is van het front weg, want veel rust hebt u niet.
Wij moeten de wacht optrekken en op bijzondere plaatsen de kust bewaken. Er zijn oefeningen en lange marsen te doen, naar het luizenbad gaan en zo veel andere dingen.
Maar nu hebben we hier de divisieschouwing, en zo een revue duurt een ganse dag.
Deze wordt gehouden op het strand van Bray-Dunes. Voor ons, infanterie, is het een dag van minstens 30 km te voet en zwaar beladen.
We vertrokken vroeg uit Rozendael, over Bray-Dunes, Ghyvelde, Adinkerke, De Panne. Hier komt men op het strand en [we] leggen door het zand de weg af naar Bray-Dunes. Aldaar komt men aan gans vermoeid, waar de tribune is opgesteld om voorbij te defileren voor de hoogheden, zoals koning en koningin, Franse en Engelse generaals, enz. enz. Van daar naar uw boerenschuur om u uit te rusten, onder het defileren van ratten die overal boven uw hoofd rondlopen.
De dag daaropvolgend wordt u met rust gelaten, buiten diegenen die aangeduid worden voor de wacht.
Het is ook de gewoonte als men in grote rust is dat u moet ingespuit (sic) worden, om ziekte te voorkomen. Ook dan ligt u gesneuveld voor twee dagen.

De Belgische sectoren 1914-16.
(Uit: R.Christens, K. De Clercq, Frontleven 14/18. Het dagelijks leven van
de Belgische soldaat aan de IJzer, Tielt, 1987, p. 20)

 

Commentaar en toelichtingen

Het front dat door Belgische troepen werd bewaakt, was van noord naar zuid ingedeeld in de volgende sectoren: Nieuwpoort, Ramskapelle, Pervijze, Diksmuide, Lo en Steenstrate (Christens 1987, 20). Pynaert vergist zich dus als hij Ramskapelle de eerste sector noemt of misschien bedoelt hij dat het zijn eerste sector was.
Op 29 oktober 1914 brachten aan het station van Ramskapelle de Duitse regimenten, gesteund door hevig kanonvuur, een tijdelijke doorbraak in de Belgische linies teweeg. De Duitsers richtten zich reeds in op het terrein, ze waren meester in het hele dorp en maakten rond het dorp loopgraven die ze verlengden in de grachten naar Diksmuide.
Op 30 oktober zetten de Belgische troepen gesteund door Franse koloniale troepen een tegenaanval in.
Ramskapelle moest in de nacht weer teruggenomen worden. Rond twee uur 's morgens trokken de Duitsers zich uit Ramskapelle terug. Ramskapelle was weer in Belgische handen.
Achtergebleven Duitsers werden door de Algerijnen gevangengenomen. Gedurende de hele oorlog trouwens hielden de Fransen met enkele van hun divisies de zuidelijke flank van de Belgische legersector bezet o.m. met koloniale troepen, zoals Spahi's en Goumiers, dit zijn bewapende ruiters uit Algerije (Depoorter 1987, 21-22; Senesael 1969, 220-225; Schepens 1984a, 19-22).

Ingekwartierd te Wulpen

In het begin van de oorlog werden de soldaten in alle boerderijen en schuren aan het front ingekwartierd. In het voorjaar 1915 werden in de weiden van Kruisabele en Eggewaartskapelle de eerste houten barakken opgericht. In het voorjaar van 1916 was in de sector Pervijze al een hele divisie in barakken ondergebracht. In de sectoren Lo en Steenstrate verbleven de troepen nog vrijwel uitsluitend in schuren. Ook in Oeren en Wulpendam waren de soldaten nog het hele jaar door in hoeven ingekwartierd en gedeeltelijk in de barakken in de omgeving ervan. Maar de kantonnering bleef over het algemeen karig en ver van bevredigend. De officieren hadden een goed onderkomen bij de notabelen van het dorp of in de woonvertrekken van de hoeven (Christens 1987, 89).

In Ramskapelle

Het loopgravensyteem zelf bestond uit drie lijnen. Voor de eerste linie lagen de voorposten en luister- of observatieposten. Ongeveer 500 meter achter de eerste linie bevond zich de tweede. Deze loopgraven (tranchées) stonden met elkaar in verbinding via verbindingsgangen (boyau). In 1915 kwam er overal een derde linie. Uiteindelijk bedroeg de diepte van het defensief op sommige plaatsen zo'n tien tot twintig kilometer (De Vos 1996, 59).

In de eerste oorlogsmaanden verbleven de soldaten één tot twee dagen aan het front, in eerste lijn of op de voorposten, daarna volgden één tot twee dagen rust of halve rust. Naarmate in 1915 de levensomstandigheden beter en het gevaar minder groot werden, werd een 3- tot 4-daagse frontdienst gebruikelijk (Christens 1987, 53).

In Ramskapelle werd de eerste lijn langs de spoorwegberm ingericht. In het station van Ramskapelle bouwde men een betonnen observatiepost. Van hieruit had men een uitstekend gezicht op de weidse watervlakte. Vele loopgraven tussen Nieuwpoort en Ramskapelle waren niet meer dan een halve meter in de spoorwegberm uitgegraven. In deze streek, met zijn zware kleverige polderklei, waar de loopgraaf na korte tijd onder water liep, ging men de linies bovengrond aanleggen (Christens 1987, 27 en Jacobs 1988, 34-35).

Schema van het loopgravensysteem
(Uit: R.Christens, K.De Clercq, Frontleven 14/18. Het dagelijks leven
van de Belgische soldaat aan de IJzer, Tielt, 1987, p. 22)

Overstroming

De druk op het Belgische leger werd almaar groter en de rechteroever van de IJzer ging bijna volledig verloren aan de Duitsers. Sedert de middeleeuwen had men deze streek geïnundeerd als verdediging tegen de Franse agressie. Ook nu zocht de legerleiding haar heil in deze oude strategie. Nu de IJzer toch in Duitse handen was gevallen, opteerde men voor de inundatie van de strook land tussen de westelijke dijk van de gekanaliseerde IJzer en de spoorwegberm. Op die manier zou er een kunstmatig meer ontstaan tussen Nieuwpoort en Diksmuide. Om de inundatie te verwezenlijken deed kapitein-commandant Prudent Nuyten een beroep op Karel Cogge, een personeelslid van de watering van Veurne. In de nacht van 25 op 26 oktober werden alle 24 openingen in de spoorwegberm afgesloten. Ook bouwde men over enkele honderden meter met zakjes aarde een dam tussen het kanaal van Veurne en de spoorwegberm. In de nacht van 27 op 28 oktober bracht men het stijgende zeewater langs de Oude Sluis van Veurne naar de Koolhof en de Noordvaart. Het debiet bleek echter onvoldoende. Daarom opende men op aanwijzing van sluismeester Geeraert de schuifdeuren van het verlaat van de Noordvaart. Men opende het verlaat van de Noordvaart nog eens in de nacht van 31 oktober, 1 en 2 november. In november stond het water op sommige plaatsen tot drieënhalf meter boven de bodem. De overstroming kwam net op tijd. Deze onderwaterzetting ging ten onrechte de geschiedenis in als de overstroming van de IJzer, maar in werkelijkheid ging het om de Noordvaart (De Vos 1996, 55-57). Het klopt dus niet dat, zoals Pynaert schrijft, de sluizen werden opgeblazen.

Ondergelopen gebieden in de IJzervlakte
(Tekening L.De Ruyck)

Het sluizen- en verlatencomplex te Nieuwpoort in 1914
(Uit: L.De Vos, De Eerste Wereldoorlog, Leuven, 1996, p. 48)

 

Op rust in Wulpen

Op 7 juli werd te Wulpen soldaat Alphonse Van Herreweghe wegens moord door de krijgsraad veroordeeld tot de dood met de kogel. Hij werd geboren te Wetteren in 1877 en was milicien (1899) bij de 1ste Lansiers. Zijn gratieverzoek werd verworpen en hij werd dezelfde dag geëxecuteerd. Hij werd begraven te Wulpen langs het kanaal Veurne-Nieuwpoort (Debaeke 1996, 88-89).
In de lijst van veroordeelden tot de dood met de kogel is geen Zaman uit Gent terug te vinden; Pynaert beschikte blijkbaar over de verkeerde informatie.
Uit zijn relaas over de onthoofding te Veurne blijkt duidelijk dat Pynaert zijn dagboek achteraf heeft geschreven. Chronologisch bevindt hij zich in 1915 en plots valt hem de onthoofding van 1917 te binnen.
Op 27 oktober 1917 vermoordde de 26-jarige onderofficier Emile Fervaille (°Menen 1891) te Veurne zijn zwangere vriendin Rachel Ryckewaert. Op 15 januari 1918 veroordeelde de Krijgsraad hem ter dood door onthoofding en niet met de kogel aangezien het een geval van gemeen recht betrof.
Koning Albert wees het genadeverzoek af omdat de soldaat voor de rest van de oorlog in de cel zou zitten, terwijl zijn strijdmakkers aan het front voortdurend hun leven waagden. Op 29 januari 1918 onthoofde de Franse meesterbeul Anatole Deibler de veroordeelde op de binnenkoer van de gevangenis van Veurne en niet op de markt, zoals Pynaert beweert. De executie was wel voorzien op de Grote Markt maar wegens het gevaar voor Duits artillerievuur werd ze 24 uur uitgesteld en vond ze plaats op de binnenkoer van de gevangenis. Het was de laatste executie met de guillotine in België. Ferfaille werd op het burgerlijk kerkhof van Adinkerke begraven (Debaele 1996, 67-79).

Op voorpost "Beverdijk"

Beverdijk ligt ten noordoosten van Pervijze.
Sedert december 1914 was in De Panne het Rode-Kruishospitaal om en rond het hotel "L'Océan" werkzaam o.l.v. dokter Depage, professor aan de Vrije Universiteit Brussel. Met de hulp van Britse en Deense verpleegsters, vanaf februari 1915 bijgestaan door Belgische verpleegsters die in Engeland waren opgeleid, slaagde hij erin van "L'Océan" een modelinrichting te maken (Christens 1987, 79 en Schepens 1984a, 117).

In de onderwatergezette vlakte tussen IJzer en de spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide hadden zowel Belgen als Duitsers voorposten ingericht. Bij de Dodengang liepen de twee linies in een brandpunt samen.
(Uit: S.Debaeke, Het drama van de Dodengang, Koksijde, 1998, p. 26)

Loopgraven aanleggen

Op drukke wegen werden op sommige plaatsen camouflagenetten opgehangen die de verkeersdrukte voor vijandelijke waarneming vanuit kabelballons moest verbergen. Uiteraard werden alle militaire installaties zoals geschut aan het oog van de vijand onttrokken (Depoorter 1987, 52).

De invoering van de kakiuitrusting maakte een einde aan de grote diversiteit van uniformen binnen het Belgische leger. In de loop van 1915 kregen de soldaten een ovale helm van het Franse type, een groene lange jas en broek van het oude model, een vest van het Engelse type, zwaardere bottines en een kleine en lichte rugzak met tentzeil. In juli en augustus 1915 werd een zomerkostuum van het Engelse type ingevoerd. Het katoenen kakikleurig pak had een jas met uitgesneden kraag, een broek en een kepie die de donkerblauwe muts met oorlappen verving. Vanaf eind oktober 1915 kregen de mannen een winterpak en vanaf 15 november 1915 werd het dragen van het kakiuniform verplicht (Christens 1987, 41-42).

Op rust nabij Duinkerke

Ofschoon de koning op 15 oktober 1914 beslist had dat het Belgisch leger het nationale grondgebied niet mee zou verlaten, lag het voor de hand dat de troepen niet uitsluitend op Belgisch grondgebied konden gelegerd worden. Ze betrokken dus kwartieren o.m. te Bray-Dunes en in diverse gemeenten van het département du Nord. Belgische opleidingskampen lagen verder naar het zuiden, o.m. in Normandië (Schepens 1984b, 143).

Na drie tot zes maanden dienst werd het regiment afgelost en mochten de soldaten op zo'n vijf kilometer achter het front in grote rust gaan. Zo werden De Panne en het Noord-Franse badplaatsje Bray-Dunes en omgeving door Belgen bezet. De benaming "grote rust" dient niet al te letterlijk worden genomen. Met turn- en wapenoefeningen werden de soldaten beziggehouden. Het leven werd vergald door allerlei inspecties op materiaal en uitrusting, door oefeningen, theorielessen en lange afmattende marsen met volledige bepakking. Tijdens een verblijf in de kuststreek vond op het strand vaak nog een of andere patriottische ceremonie plaats. Naast de gewone kazernedienst werden de soldaten tijdens hun grote rust nog belast met de kustwacht (Christens 1987, 101-103, 112 en 115).

Op 2 januari 1915 had dokter A. Depage in een bioscoopzaak te De Panne een badinstallatie ingericht om de militairen, "opgevreten" door het ongedierte en het schurft, te ontsmetten. De installatie had een capaciteit van 1.500 baden per dag. Op enkele maanden tijd was het leger nagenoeg van het schurft verlost, maar dat was niet het geval met vlooien en luizen. De hygiëne betekende een zwaar probleem voor de militaire overheid. Er werden later op verscheidene plaatsen o.m. in De Panne, Oost-Vleteren (Elsendamme) en Pollinkhove (Fintele) open of gesloten baden geïnstalleerd, zodat de manschappen zich konden verzorgen (Schepens 1984b, 49; Schepens 1984a, 124; Christens 1987, 92; Jacobs 1988, 70).

Naast de vlooien en luizen waren de ratten voor de soldaten een nog grotere plaag. De loopgrachten en kantonnementen krioelden van dit ongedierte. Dagelijks ging men op klopjacht met stokken, schoppen en honden, maar de ratten bleven zich voortplanten. De jacht op ratten werd een sport en er werden zelfs vangwedstrijden georganiseerd. De soldaten moesten voortdurend hun eetrantsoenen beschermen in blikken dozen of in hun gamel (eetketeltje).

Vlooien, luizen en ratten waren in de soldatenrevues zeer populair, zoals volgend versje getuigt:

Ratten zijn ook opgeroepen
Om te vechten met den troep;
Kan 't dan missen dat ze snoepen
van ons brood en van ons snoep.

Zijn de ratten oorlogsdieren,
't Is nog niets bij vlooi en luis,
Want dees kennen geen manieren,
In ons broek, daar zijn ze thuis.

O ratten en muizen,
Ze zitten dag en nacht aan ons brood.
O vlooien en luizen,
Ze bijten ons overal rood. (Debaeke 1994, 30-33).

 

Hoofdstuk 4 - Sector Diksmuide

Winter 1915-1916

Na onze rust in het noorden van Frankrijk komen we in beweging om eens naar een ander punt te trekken, namelijk het zo gevreesde Diksmuide, over Adinkerke-Veurne de grote baan op richting Ieper. Maar aan het kruispunt Izenberge-Alveringem slaan we links af tot in het dorp van Alveringem. Hier werden we verdeeld om in de boerenschuren te gaan slapen. Na twee dagen verblijf, namen we de sector van Diksmuide over. Bij donker trokken wij over Forthem. Eens daar, geen burgerij meer. Dan voorbij de Rabbelaar en St.-Jacobs-Kapelle en zo verder naar Diksmuide.
Bij het naderen van ons doel was er zeer veel leven en lawaai, ontploffingen, geweer en mitrailleuzegerammel. Om middernacht komt men toe aan de IJzerstroom. Het gaat er hier geweldig aan toe. Als de Duitsers fussees (Fr. fusée: vuurpijl) afschieten, is gans onze lijn verlicht en dat waren wij niet gewoon op de sector van Ramskapelle.
Maar ja, hier is men maar op een 30-tal meters van elkander. Wij zijn hier terechtgekomen in een echte heksenketel. Onmiddellijk werd ieder zijn post aangeduid. Het eerste dat ze ons zeggen is nooit uw hoofd boven de loopgraven te steken, want op de Duitse kant staan veel gepointeerde (Fr. pointer: geschut richten) geweren en mitrailleuzen, en deze maaien van tijd tot tijd eens gans de lijn af. Ook voor de landbommen werden wij verwittigd, om immers een stokje in uw mond te hebben als wanneer ze landbommen werpen. Dit is een kwestie van luchtverplaatsing bij het ontploffen.
Toen het dag werd, kon men op de overkant de stad Diksmuide zien liggen, gans in puinen. Het bleek langs de overkant een versterking te zijn, nauwelijks 30 m van elkander gescheiden. Hier op onze kant, de gevechtslinie, met veel periscopen om op uw geweer te plaatsen en verder met ijzerdekkingen en platen, om uw geweer door te steken. Deze platen noemde men boucliés (Fr. bouclier: schild).
Hier zijn wij op een plaats van het front die plooibaar is. Tussen Nieuwpoort en Diksmuide is het niet plooibaar, ook niet op de rechterkant tot aan Steenstraat, dit door de overstroming. Maar hier te Diksmuide kan de vijand doorbreken en kunnen [ze] oprukken tot Duinkerke om op die manier een deel van het Belgisch leger in te sluiten. Het is juist daardoor dat Diksmuide een gevaarlijke en slechte sector was. Nu dat we hier zijn, hebben wij ons niet verbeterd. Men komt hier terecht onder het vuur van landbommen, mijnwerpers (Dt. Minenwerfer: mortier), ook stikgas, en liggen in het bereik van handgranaten. Wij van onze kant doen hetzelfde voor de Duitsers.
Op de boorden langsheen de IJzerstroom bestaan drie soorten loopgraven: 1e gevechtslinie, 2e reserve, 3e beneden de dijk dienende als schuilplaats.
Nochtans is de dijk redelijk breed, maar toch kan men er weinig beweging doen, daar de scherpschutters u ten alle kanten onder vuur nemen. De loopgraven [zijn] verdeeld in vier delen: A B C D.

N° A recht over de brug.
N° B recht over de minoterie.
N° C hier is de eerste post waar ze de IJzer oversteken door middel van een vlot, welke op de kant der Duitsers is geblindeerd (Fr. blinder: pantseren). Bij hevige storm geraakt dit vlot soms los en drijft weg naar de Duitse linie toe: dan kan u in het water springen, zoniet wordt u dood geschoten.
N° D is van weinig belang. Daar komt men in het overstroomd gebied naar de sector van Lo toe.

Zo verslijten wij hier ons schoon jong [leven] in alende (= ellende). Wij gaan voor vier dagen rust nemen te Alveringem. En tijdens mijn rust kom ik in contact met mijn vrienden van Landegem, Camiel Van Wassenhove, bij wie ik nu en dan al ben geweest. Ook kwam [hij] mij al eens bezoeken met Jozef Van de Casteele en Herman Michiels, daar ze alle drie deel uitmaakten van de 4e divisie. Zij hun drie waren van het 10e regiment en waren tesamen dikke vrienden.
Tijdens onze rust werd u ook al eens geroepen om een werkje te doen. Zo werden ik en mijn kameraad eens aangeduid om te gaan werken in het depot van onze divisie, aan de brug van Fortem, voor het lossen van levensmiddelen. Aan de ingang van het park stond een onderofficier met twee schildwachten om controle uit te voeren voor wat binnen en buiten ging. Wij waren daar aan het lossen toen almeteens een bak kaarsen opensprong. Een wachtmeester van de artillerie was daar voor de controle. Goed, zegt hij, terwijl de bak toch open is, neemt maar elk twee kaarsen mede, maar zegt het aan niemand. Ik en mijn kameraad tevreden stopten deze kaarsen in ons broekspijp om er mede buiten te geraken. Gedaan met werken en we zouden naar Alveringem terug bij ons regiment gaan.
Maar bij het uitgaan van het park werden wij tegengehouden door de onderofficier, die ons zegde, ik moet u beiden onderzoeken. Natuurlijk kwamen de kaarsen te voorschijn en wij beiden werden weggeleid, met twee soldaten, bajonet op kanon en in de bak gestopt aan de brug van Fortem. Een nacht en twee dagen lieten ze ons daar zitten zonder eten.
Maar als de tijd gekomen was om met ons compagnie op te trekken naar de vuurlinie lieten ze ons los.

Op voorpost over de IJzer

Laat in de nacht vertrokken wij op reserve naar St.-Jacobs-Kapelle, om daar vier dagen te verblijven en bij nacht te gaan werken naar Diksmuide. Na vier dagen terug post C. Toen wij om twee uur in de nacht daar toestuikten, moesten wij met een twintigtal mannen op voorpost over de IJzer. Ik was er ook bij. Eens met het vlot over werden wij verdeeld. Deze die wij aflosten, keerden met het vlot terug, maar toen de laatste mannen gingen vertrekken, lag voor mij een lijk. Ik zegde aan de laatste, een korporaal, dat hij een gesneuvelde achterliet. Ja, zegde hij, ik weet het, wij zullen morgen vroeg het lijk komen halen. Om vier uur in de morgen hebben ze het lijk komen weghalen. Het was dan nog een kennis van mij, Dhondt Florimond uit Drongen.
Deze post C was een gevoelige plaats. Het is immers van hier uit het vertrekpunt van de patrouilleurs die bij nacht de Duitsers gaan aanvallen. Soms keren ze terug met krijgsgevangenen maar ook kon het wel eens verkeerd aflopen. Als de Duitsers in hinderlaag lagen, dan kwam het tot bloedige botsingen en lieten ze doden en gekwetsten achter. Ook kwam het soms tot lijf-aan-lijf [gevechten] met dolken. Post C is gans de oorlog het toneel geweest van zware patrouillegevechten. Eens was een kameraad van mij, De Jonghe Paul, hij was van Kallo, ook mede getrokken op patrouille en kwam in een hinderlaag terecht. Hij keerde terug met een deel van zijn kin afgeschoten. En zo vertrokken er veel om nooit meer terug te komen. Hetzelfde gebeurde op de Duitse kant.

23 december 1915

Zo verliep het Diksmuide-Alveringem om en weer. Op 23-12-1916 komen wij terug op post C. Toen werd[en] ik en mijn kameraad Van den Bos, hij was van Deurne, aangeduid, om ons voor de Duitse linie in hinderlaag te leggen om de Duitse patrouille op te vangen. Daarom dienden wij door modder en water te kruipen zo dicht mogelijk [bij] de Duitse linie, om ons dan te verbergen in het riet. En dit voor twee dagen.

25 december 1915

Wij beiden lagen daar vlak in de noorderwind en sneeuwstormen met een temperatuur 10 tot 15 onder nul. Twee dagen en nachten hebben wij daar liggen knarsetanden van de koude en schrik. Als wij ons verroerden kon het onze dood betekenen. Tenslotte waren wij beiden nog tevreden dat wij niet in de eerste linie zijn moeten blijven, want de Duitsers vierden Kerstnacht met zware bombardementen. Alles werd op de eerste linie in gruis geschoten, natuurlijk met doden en gekwetsten. Zo is het nog onze redding geweest daar in de eerste linie niet te zijn geweest.
Naderhand worden wij om vier uur in de morgen nog eens aangevallen door een Duitse patrouille, maar voor hen was het een mislukking. Zij allen werden gedood met hun zeven. Deze lijken zijn daar blijven liggen tot ze opgevreten werden van de ratten. Want Diksmuide was het miljoenenkwartier van de ratten.
Ook tijdens de winter, als de wind uit het noorden waaide, was het zeer gevaarlijk. Dan maakten de Duitsers gebruik om stikgas te lossen. Dit gas werd gelost uit buizen welke op onze linie gericht waren.
Maar de grootste slachtoffers waren de ratten. Deze werden ziek en bliezen op en zochten hun schuilplaatsen onder de passerellen (Fr. passerelle: loopbrug) en lieten zich gemakkelijk vangen en langzaam stierven ze. Ja, zo is Diksmuide: ratten, luizen en tijdens de zomer ganse zwermen muggen en ander ongedierte. Verder onze gewone gang: rust, werken, reserve en tranchée.

Grote inspectie te Alveringem

30 december 1915

Eens te Alveringem grote inspectie: Koning Albert zou komen. En [we] werden bijeengebracht op een weide. Iedereen had zijn best gedaan om [er] zo proper mogelijk uit te zien. Toen kwam de Koning aan. Hier en daar ondervroeg hij een soldaat. Ik viel in zijn oog en hij kwam bij mij. Terwijl hij op mijn wangen streelde, zegde hij mij: "U bent nog zo bitter jong, je bent zeker vrijwilliger." Ik antwoordde van ja en ben 19 jaar. Vervolgens vroeg hij van waar ik was. Ik zegde hem van Landegem. "A ja, dat ken ik, daar loopt een kanaal door, ook de spoorlijn Gent-Brugge". Hij scheen dit goed te kennen.

Op reserve

De vier dagen zijn om en we gaan op reserve naar de "Ferme quatre pas à tonner", niet ver van St.-Jacobs-Kapelle. Van hier moesten wij bij nacht gaan werken naar Diksmuide.
Van uit het geniepark van Fortem liep een treintje, Decauvilleken tot Kaaskerke. Dit treintje werd getrokken door paarden tot Kaaskerke, maar aangezien dat ze met deze paarden geen weg meer konden in dat kogelgefluit, werd besloten de paarden maar te laten komen tot St.-Jacobs-Kapelle in plaats van tot Kaaskerke. Dus tijdens onze reserve dienden wij deze wagontjes door te duwen tot Kaaskerke. Daar aangekomen, moest men in alle richtingen het materiaal ter plaatse dragen, blootgesteld aan alle soorten gevaren. Want de Duitsers waren zeer goed op de hoogte wat er dan 's nachts gebeurde.
De tweede dag op het boerenhof doet [zich] daar een geval van voorgevoel voor. Soldaat Bervoets van Schaffen ontving een brief uit het bezette België. Bij het openen van deze brief vindt hij de foto's van zijn ouders en zusters erin.
Bij het zien weende hij van geluk en blijdschap, doch werd hij naderhand neerslachtig. 's Avonds werd het tijd om op te trekken naar St.-Jacobs-Kapelle toen hij almeteens weigerde te gaan werken. Hij verklaarde: ik ben neergedrukt door de brief welke ik ontving van mijn ouders, daarbij zeggende aan sergeant Horckmans: als ik mede ga, word ik dood geschoten.
Sergeant Horckmans trachtte hem te overhalen en zegt: u zal u toch niet voor de krijgsraad laten brengen. De jongen, ten einde raad, zegde: ik zal maar mede gaan om doodgeschoten te worden.
Wij vertrokken naar St.-Jacobs-Kapelle om vandaar de wagontjes voort te duwen, maar bij het binnenkomen van Kaaskerke komt daar een obus afgefloten en ontplofte juist op het wagontje welke hij voortduwde. De arme jongen verdween, in stukken gereten. Slechts enkele stukken vlees hebben ze nog teruggevonden.
Daar op het slagveld van Kaaskerke is gans zijn leven vernietigd. Na dit ongeval ging alles verder door met het materiaal, maar bij het minste lawaai kwam het geschut in werking.
Hier te Kaaskerke heeft gans de oorlog een locomotief gestaan van de spoorweg, in 1914 achtergelaten. Deze stond niet [ver] van de vuurlinie en heeft de zwaarste bombardementen doorstaan. Gedurende vier jaar zijn er miljoenen kogels op terechtgekomen. Het was de trots van Kaaskerke.

Naar post C

Vierde dag. Weg naar de gevreesde post C. Het was nu redelijk kalm en voor de eerste keer moest ik niet over de IJzer. Tijdens de nacht allen op post in de eerste gevechtstranchée. Ongeveer 500 m achter de eerste linie heeft daar een kapelletje gestaan. Dat was een reserveplaats bezet door de cavalerie. In de namiddag barst daar almeteens een bombardement los. Toen het ophield, was alles verdwenen en de bezetters werden allen gedood, 39 man, allen van de chasseurs te paard. Ook wij kregen wat van de brokkelingen en sergeant Horck-mans, met een soldaat bij zich, werden onder een instorting bedolven. Sergeant Horckmans kon men levend van onder het puin halen maar de andere jongen was reeds dood. Een lange spijker was dwars door zijn hoofd gedrongen. In het jaar 1918 is sergeant Horckmans aan zijn verwondingen overleden. Hij was van Gent. Hoe verder de oorlog, hoe slechter de toestand.

Juli 1916

In de maand juli 1916 verlaten wij plots Diksmuide om meer links op de schuiven. Wel onze lieve Heer, wij komen terecht in de Bayaux (= Boyau) de la mort, gezegd dodengang. Een geluk, wij zijn daar niet lang gebleven, slechts enkele dagen. Niettegenstaande dat er sprake was om daar lang te blijven. Deze plaats was bekend voor een zeer slecht punt, maar toch hebben wij daar geen verliezen gehad.

September 1916

Rond de maand september 1916 werden wij afgelost door een andere divisie en trokken op rust naar Izenberge, Leisele of Hondschoote.
En zo ligt Diksmuide en de "Bayaux de la Morte " (sic) achter de rug.

Commentaar en toelichtingen

Winter 1915-1916

Fortem

Fortem is een gehucht van de gemeente Alveringem en ligt aan het kanaal Veurne-Lo, ook Lovaart genoemd. Op de weg van Fortem naar St.-Jacobskapelle lag café "de Rabbelaere", op de huidige N 319.
Nergens lagen de Belgische en Duitse stellingen zo dicht bij elkaar als in de sector Diksmuide. Enkel de IJzer, die op sommige plaatsen maar 15 à 20 meter breed is, scheidde de strijdende partijen (Debaeke, 1998, 119).

“Mijnenwerpers” en gifgas

In 1915 gebruikten de Duitsers de gevreesde "Minenwerfer" die geschikt waren om een stelling met zandzakken (de zgn. "Vaderlanders") uiteen te laten spatten (Lampaert 1987, 68). In Duitsland had professor Haber, een scheikundige, proeven gedaan met traangas in granaten. Maar het resultaat was onbevredigend. Daarna ontstond het idee om gas in flessen te brengen en via buizen te laten ontsnappen. Uit proeven bleek dat chloorgas hiervoor het best geschikt was (Lampaert 1987, 68-70). Op 22 april 1915 om 17 uur lieten de Duitsers chloorgas (nog geen Yperiet) ontsnappen uit 5.730 stalen cilinders tussen Schreiboom (halfweg Langemark-Poelkapelle) en Steenstrate (Deseyne 1987, 24). Toen vanaf april 1917 de Duitsers zowat alle Belgische linies met chloorgas overvielen, maakte het Belgisch leger, dat tot dan geen chemische wapens had gebruikt, vermoedelijk vanaf november 1917 ook gebruik van gas.
Als voorbereiding op de Derde Slag bij Ieper werden in de nacht van 12 en 13 juli 1917 voor het eerst yperietobussen (zo genoemd naar de stad Ieper) afgeschoten op de Britse 55e divisie tussen Wieltje en Hooghe. De gasbeschietingen werden om de twee dagen herhaald. Yperiet of mosterdgas werd niet meer uit stalen flessen vrijgelaten maar als gasobussen afgevuurd met mortieren of veldkanonnen. Als de obus ontplofte, spatte de vloeistof in het rond. Op de huid vormden zich blaren en bij het inademen werden de longen aangetast. In militaire ogen was yperiet een sprong voorwaarts omdat het de vastgelopen fronten weer in beweging kon krijgen. Het vluchtige chloorgas van 1915 was heel snel geneutraliseerd door de ontwikkeling van goede gasmaskers. Mosterdgas had het militaire voordeel dat het langer dan één gasmasker meeging. Vandaar dat het yperiet zo massaal gebruikt werd in het laatste oorlogsjaar. Alleen al in Hansbeke zouden er tijdens het eindoffensief in oktober-november 1918 onder de burgerbevolking 27 dodelijke slachtoffers gevallen zijn (Deseyne 1987, 30 en 34; Falter 1997, 8-10).

De Minoterie (zie kaart)

Met de Minoterie of Bloemmolens hadden de Duitsers een geduchte vesting in handen. Deze stevige betonnen constructie bevond zich op nauwelijks 20 meter van de loopgraven op de oostzijde van de IJzer. De Belgische soldaten hadden een heilige schrik voor de Duitsers die onzichtbare schietgaten in de bloemmolens hadden en elke onvoorzichtige beweging afstraften. Met hun vast opgestelde granaatwerpers beschoten de Duitsers vanuit de Bloemmolens het voorste gedeelte van de Dodengang. Door aanhoudende Belgische artilleriebeschietingen bleef er van het gebouw uiteindelijk slechts een ruïne van beton en verwrongen staal over (Debaeke 1998, 127-128).


 

In de onderwatergezette vlakte tussen de IJzer en de spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide hadden zowel Belgen als Duitsers voorposten ingericht.
Bij de Dodengang liepen de twee linies in een brandpunt samen.
(Uit: S. Debaeke, Het drama van de Dodengang, Koksijde, 1998, p. 26)

Landegemse soldaten

Voor meer inlichtingen over de Landegemse medesoldaten van Pynaert verwijs ik naar mijn artikel in Mensen van Toen.[3]

Gevangenisstraf

Aangezien kaarsen voor de soldaten vaak de enige vorm van verlichting waren, hadden ze er veel (geld) voor over om ze in hun bezit te krijgen.
Diefstal was een niet ongebruikelijke vrijetijdsbesteding onder de soldaten. Het woord stelen kwam natuurlijk niet over hun lippen, hiervoor hadden ze hun eigen verbloemde taal. Soms stelden de boeren van Bachten de Kupe 's ochtens vast dat bepaalde koeien onverwachts weinig melk gaven…
Soldaten konden hun straf afkopen door een aftrek van hun soldij, bij zwaardere vergrijpen moesten ze kiezen tussen front of gevangenis. Achter het front liepen de piottenpakkers of gendarmen en wie tegen de lamp liep kon zoals Pynaert in het cachot terechtkomen. In Alveringem was deze gevangenis een houten barak bewaakt door soldaten. Na een vonnis van de krijgsraad werd men naar een van de Franse militaire gevangenissen gebracht zoals Fresnes, Auvours, Orléans. Andere gestraften moesten zware dienst doen in de tuchtcompagnies, zoals bomen vellen in het "Peleton Spécial Forestier" (Debaeke 1994, 99-102).

Op voorpost over de IJzer

Florimond Dhont

De naam van Florimond Dhont (en niet Dhondt) staat op het monument voor de gesneuvelden bij de kerk van Drongen, echter zonder overlijdensdatum.

Pynaert schrijft dat hij op 23 december 1916 terug ging naar post C. Dit is duidelijk een fout; uit de rest van zijn relaas kunnen we afleiden dat het zich in 1915 en niet in 1916 afspeelde.

Weersomstandigheden

Ook de weersomstandigheden kloppen niet met andere bronnen. In zijn brief van 24 december 1915 schrijft Renaat De Rudder: "Gansche dagen drijven sombere regenwolken door 't luchtwerk. Soms valt een motte fijne regen… of regent het bij stroomen (…) De grachten en beken overstroomen (…) (Duprez 1979, 91). In een ander dagboek uit Wulveringem lezen we: "25 december (1915) Zeer schoon weer. 27 december 's Morgens regen. 's Middags klare hemel, zon en hevige wind. 28 december Buitengewoon schoon weder. Helder en zonneschijn. 29 december Schoon helder en zonnig weer. 30 december Bijzonder schoon weer. 31 december Schoon weer maar niet veel zon" (Ureel 1984, 106-107). Vanaf 6 maart 1916 begon het te vriezen en te sneeuwen en op 23 maart was er sneeuw met tussenin regen (Christens 1987, 64). Brancardier Jos. Vols schrijft over kerstdag 1915 "'t Was pikdonker en 't regende: een droevige nacht" (Debaeke 1998, 70).
Later schrijft Pynaert in zijn dagboek nog iets over de strenge winters en vermeldt hij de winters van 1914-15, 1916-17 en 1917-18 en dat klopt wél met andere bronnen.

Grote inspectie te Alveringem

Blijkens zijn eigen dagboek was koning Albert op 30 december 1915 inderdaad in Alveringem (Schepens 1984b, 157).

Op reserver

In 1915 werd achter en in de loopgraven een Décauvillespoor aangelegd. Door middel van dit smalspoortraject waarop een soort mijnkarretjes reden, konden munitie en materiaal vervoerd worden (Christens 1987, 28).

Contacten met bezet België

In de eerste oorlogsmaanden was het contact met bezet België bijna volledig verbroken. Briefwisseling was het enige contactmiddel maar die verliep zeer moeilijk. In december 1914 werd in Le Havre een "Bureau de Correspondance Belge" opgericht. Onder de soldaten werden speciale briefkaarten verspreid. Wekelijks werden de kaarten met soldatenberichten opgehaald en aan het bureau overgemaakt dat zorgde voor verdere versturing. Op die manier kwamen brieven in Nederland en het geallieerde buitenland, maar bezet België was verboden gebied en talrijke familieleden daar bleven zonder nieuws van hun soldaten achter het front.
Vanaf 1915 werden in akkoord met Nederland brieven vanuit de zuidelijke provincies naar België gesmokkeld. Zo ontvingen veel soldaten pas in het voorjaar van 1915 nieuws van thuis. Meestal waren die brieven meegegeven met vluchtelingen naar het buitenland die ze vandaar uit verzonden. Het schrijven via tussenpersonen in Frankrijk of Nederland bleek de beste correspondentiemethode te zijn. Maar de correspondentiemogelijkheden werden ook beperkt door de Belgische censuur. Bovendien verscherpte vanaf oktober 1915 de Duitse controle op brievensmokkel (Christens 1987, 104-105).

Naar post C

Een boyau is een verbindingsgang tussen twee loopgraven. Na de IJzerslag van oktober 1914 zijn een deel van de linkeroever van de IJzer en enkele eilandjes in het overstroomde gebied in handen gebleven van de Duitsers. Op de linkeroever van de IJzer gebruikten de Duitsers de aldaar gelegen petroleumtanks als observatiepost. De Belgen groeven een gang richting petroleumtanks om die tanks ondergronds te bereiken en ze zo te kunnen vernietigen. Maar de Duitsers deden hetzelfde. Ze naderden elkaar tot op enkele meters en het kwam tot een pijnlijke botsing tussen beide troepen.
Daarop staakten de Belgen hun poging om de petroleumtanks te vernietigen. Deze loopgraaf werd heel vlug "dodengang" (boyau de la mort) genoemd omwille van de talrijke slachtoffers die er vielen (Jacobs 1988, 50-53).

 

Hoofdstuk 5 - Sector Pervijze, september 1916

Het is gedaan te Izenberge zo maar eten te krijgen zonder te werken. Ze hebben voor ons werk gevonden te Pervijze. Daar mag men vechten, schieten en bij nacht wat ronddrillen. Zo zijn we weggegaan over Alveringem, Eggewaartskapelle, Avekapelle. Hier blijft men twee dagen. Na de tijd verstreken, gaan we op reservelinie. Deze is op de ijzerweg van Nieuwpoort op Diksmuide, ook met daar achter de overstroming. Het kwam ons niet vreemd voor want het vertoonde veel gelijkenis met de sector Ramskapelle.
Langsheen de ijzerweg zijn veel soldatengraven, van tijdens de slag van de IJzer, oktober 1914. Hun graven versierd met een kepi of een kapstok die zo een kruis formeerde, ook met een geweer, bajonet of obus erop, enz. Al deze die hier rusten, zijn onbekend.
Ik moet er echter op terugkeren dat al die graven die men hier vindt met het opschrift "onbekend" een zekere slordigheid in het beleid moeten zijn. Ze konden deze lijken toch wel weggehaald hebben om op de militaire kerkhoven te laten rusten. Maar ja, dit zijn allen gesneuvelden als de slag in hevigheid woedde.
Achter de dijk, op het overstroomd gebied, ziet men in de verte de eilandjes liggen, juist zoals te Ramskapelle. Ook bij nacht gebeuren de aflossingen over loopplanken. Hier is het een zeer kalme sector. Pervijze is omringd van zware artillerie. Zelfs staan er kanons tot bijkan (= bijna) op de reservelinie, maar deze schieten niet veel om de goede reden dat de Duitsers zelf niet schieten.

Winter 1916-17

Maar nu komt deze vreselijke winter van 16 op 1917. De temperatuur zakt tot 20-30 graden onder zero. Als men op de voorposten toekomt, moeten wij ons op het ijs leggen en onmiddellijk vroren onze klederen aan het ijs.
Daar lagen wij nu allen te bibberen van de koude, 's nachts onder de blote hemel. Soms een dove slag van het ijs dat omhoog barstte. Bij nacht naderen wij zo dicht mogelijk de vijandelijke linie. Om het ijs open te kappen, moesten de mitrailleuzen in werking komen dan werden wij allen gedood. De Duitsers deden het niet, ook zij verlangden naar rust. Het was als een soort overeenkomst, zonder dat er iemand van afwist.
Ons eten welke wij bij ons droegen en de drinkbussen barstten stuk van de vorst. Velen werden hier weggedragen gans vervroren. Hier hebben wij twee vijanden: de Duitsers en de koude. Het was ook zeer gevaarlijk in slaap te vallen. Dit zou soms uw dood betekend hebben.

Half maart 1917

Wij hebben het hier zwaar te verduren. Nooit vuur, nooit warm eten. Half maart begon het te verbeteren. De vriesperiode had zeven weken geduurd. Het dorp Pervijze werd veel gebombardeerd maar het lag daar gans verlaten. Geen mens kwam het dorp binnen en de Duitsers verschoten hun poeder voor niets.
Onze rust brachten wij door te Avekapelle. Dit was in feite een reserveplaats voor Diksmuide. 's Nachts ging men soms werken naar Diksmuide.

Zomer 1917

Intussen was het zomer geworden, en nu en dan kwam men overdag soms aflossen van de tweede lijn. Alles was reeds gecamoufleerd.
Eens kwamen wij af uit reserve in de loop van de namiddag naar Avekapelle op de baan Pervijze-Veurne. Zo wat 1 km buiten het dorp Pervijze komt men aan een brug. Daar beneden deze brug staat een boerenhof dat bewoond werd door vader, moeder en twee dochters.
Zoals ieder burger achter het front trachtte wat te verdienen, hielden ze wat drankverkoop. De verkoop ging goed daar de twee dochters daar ronddraaiden. Deze hoeve [was] feitelijk de enige zo kort achter het front en gelegen in de omgeving alwaar de artillerie stond opgesteld. Ze werd dus veel bezocht door officieren en de soldaten van de artillerie.
Voetvolk dat heen en weer naar de tranchées trok, konden ze missen.
Op een namiddag kwam ons compagnie van Pervijze af. Enkele soldaten stapten daar binnen om een glas bier te drinken, maar dit werd hun geweigerd daar ze zeiden dat het een huis voor de officieren van de artillerie was.
Daar werd wat gediscussieerd tot wanneer de achterkeukendeur openging en wat officieren te voorschijn kwamen die de soldaten bevel gaven te verdwijnen. Ze trokken er van onder en riepen: wij zullen eens terugkomen om gans de inboedel kort en klein te slaan. Dit ook tot de officieren roepend met hun kanontjes. Verstikt van de dorst zijn ze op hun kantonnement binnen gekomen te Avekapelle. Dit alles is een doodgewone zaak. Misschien werd hen het bier geweigerd omdat ze meenden dat ze geen geld hadden.
Twee dagen nadien komt het militaire parket met gendarmen bij hun barak binnengestapt. Het parket, goed ingelicht, kwam daar wat soldaten onderhoren. Het waren juist deze soldaten die daar op het boerenhof binnengeweest waren.
Na het vertrek van het parket hoorden wij zeggen dat gans het gezin slachtoffer was geworden van eene vreselijke moordpartij. Wat er in feite daar is gebeurd, weten wij niet juist. Vandaar vielen de vermoedens op de dorstige soldaten van het 13e, onze compagnie. Lang heeft het parket onderzoek gedaan in het regiment, maar ik weet niet of er ooit klaarte is ingekomen. Misschien wel op de kant van de kanonniers.

Mei 1917

Rond de meimaand verlieten wij de sector Pervijze om ons naar de kanten van Ieper te begeven. Vertrek uit Avekapelle [over] Eggewaarskapelle, Alveringem, Hoogstade, Oost-Vleteren om tenslotte aan te komen te Woesten.
Voor ons is de sector Pervijze goed geweest. Geen verliezen geleden, of het zij door de strenge winter. Deze afschuwelijke winter zal een frontsoldaat nooit vergeten van het jaar 1916 op 1917.

Commentaar en toelichtingen

Soldatengraven

In het eerste oorlogsjaar werden de soldaten op nauwelijks enkele meters van de loopgraven begraven. Vaak werden de lijken bij gebrek aan tijd of wegens de te hoge waterstand gewoon boven de grond gelegd en met wat aarde bedekt.
Makkers of streekgenoten probeerden deze graven in stand te houden en versierden ze met bloemen, heiligenbeeldjes of stukjes obus. In de loop van 1915 probeerde men de doden beter te groeperen. In de gevaarlijke zones werden in de onmiddellijke omgeving van de hulpposten van de eerste lijn begraafposten geïnstalleerd. Brancardiers zorgden voor de kisting van de lijken en het delven van de graven. Ze verzamelden ook de identiteitsstukken van de gesneuvelde in een linnen zakje dat werd verzegeld. Meer en meer werden de lijken ook afgevoerd tot achter het front en daar met de nodige militaire eer begraven op de gemeentelijke kerkhoven. Intussen overleden ook meer soldaten achter het front na een evacuatie naar een fronthospitaal. Dan werden er grote militaire kerkhoven aangelegd in de buurt van ziekenhuizen, zoals Adinkerke, De Panne, Hoogstade en West-Vleteren (Christens 1987, 82-84).

Weersomstandigheden

Wanneer hij over het weer spreekt laat Pynaert zijn geheugen hem wel eens in de steek. Daarom vergelijk ik zijn getuigenissen met een paar andere eigentijdse getuigen.
"Zaterdag 20 januari 1917. Het vriest geweldig en het is bitter koud. We zijn zulke grote koude niet meer gewoon. Maandag 5 februari 1917. Nog altijd geen dooi in zicht. Zondag 18 februari 1917. Vandaag begint het te dooien. Wat een geluk, want de soldaten hebben onmenselijk geleden van de koude." (Wullepit s.d., 22-23). In een ander dagboek lezen we: "24 maart 1917. Fel gevroren. 3 april 1917. Slecht weer. Sneeuwbuien uit het Zuiden (…). Laag sneeuw van 2 cm. 11 april 1917. Felle koude. 12 tot 19 april 1917. Sneeuw en koude. 20 april 1917. Schoon weder - 's middag regen" (Ureel 1988, 165-166). Volgens een derde bron zag het weer er als volgt uit: "1917. Het vriesweer dat op 5 januari begint, blijft ononderbroken voortduren tot de 16e februari 1917. 21.2.1917 (…) Terwijl ik hier zit te schrijven, kan ik het niet houden van de koude aan handen en voeten. In maart en april bleef het uitermate koud (Ukkel telt voor de maand april elf dagen sneeuw). Eind april echter stijgt de temperatuur bruusk en er wordt mooi weer aangekondigd voor de komende dagen" (Christens 1987, 64).

 

Hoofdstuk 6 - Sector Boezinge mei 1917

 

Wij zijn nu terecht gekomen in de streek van Ieper. Ons regiment werd hier verdeeld in verscheidene half verwoeste dorpen: Woesten, Proven, Krombeke en Roesbrugge. Wij, onze compagnie in Woesten. Ja, Woesten heeft zijn naam eer aangedaan want alles ligt hier verwoest. Van hier uit zullen wij naar het Sas van Boezinge trekken, dwars door de stellingen der Engelse kanonnen. Want, hier is het nog al wat te zeggen. Er staan hier vijf [keer] meer kanonnen dan in Pervijze. En als deze in werking kwamen, dan daverden heel de omstreken van het geweld. Ik geloof dat wij hier het grootste geweld sedert het begin van de oorlog zullen krijgen. Zo dag en nacht dat hevig bombardement zonder ophouden. Er zijn hier ook vele Engelse, Canadese, Australische en Schotse troepen, en nog andere van de Engelse koloniën. Wij allen leven hier onder elkander en wisselen souveniers uit, iets wat de Engelsen zeer aantrekt.
Ook was voor hen de hoofdrol, en dit was om bij ons aan brood te geraken, want u moet weten dat de Engelsen bijkan nooit brood kregen. Nu anfin (sic), wij konden met hen goed over de baan. We gingen samen een pint gaan drinken, zij hadden geld en wij niet. In de streek was er weinig burgerij. Degenen die hier nog zijn, doen gouden zaken, met alle soorten winkelgerief te verkopen aan de soldaten.

De hel van Boezinge

Nu gaan we kennis gaan maken met de zo veel besproken sector Boezinge, gekend als zeer slecht.
Bij donker trekken wij op door het omgewoelde terrein, uiteengescheurd van de zware bombardementen. Stap voor stap naderen wij Boezinge onder geschut van alle soorten wapens. Toen wij een zekere afstand van de vuurlinie naderden, dienen wij vaderlandzakjes aan ons voeten te binden om geen lawaai te maken. Zo trekt men door de smalle modderpaden naar ons doel toe op vijf meters afstand van elkander. Hoe dichterbij, hoe meer lawaai van het afschieten van granaten, vuurpijlen en lichtpijlen. Men komt hier in het holst van de nacht op onze bestemming en lossen de andere soldaten af die één voor één wegtrekken, met de schrik op hun lijf. Toen het klaar was stelden wij vast dat het hier veel weg [had] van Diskmuide-brug.
Achter de dijk, totaal omgewoeld met oneindig veel gesneuvelden. De graven, bedekt met een weinig aarde, die nu en dan omgewoeld worden door de landbommen. Ook werd hier van weerskanten veel met handgranaten geworpen.
Als ge u goed bedenkt wat leven wij hebben, en zo van dag tot dag slechter, dan komt u tot de conclusie dat het leven voor ons geen waarde meer heeft. Soms zouden wij liever dood zijn. Het leven voor ons is een echte marteling. Voor ons is [er] geen uitkomst meer.

Voedselschaarste

Daarbij komt nu een periode van schaarste aan voedsel. Voor het eerst sedert de oorlog lijden wij honger. Geen vlees meer bijkan, geen brood. Ganse dagen haring met zwarte bonen. In onze rust gingen wij eten gaan zoeken bij de Engelsen, maar ook zij hadden geen. Zelfs zij ook kwamen op bezoek bij ons naar eten.
Op rust te Krombeke of Roesbrugge konden wij [ons] vermaken met deze vreemde soldaten. Ze zongen in de cafés en haalden alle soorten komieke truken uit. Zo amuseerden we ons nog wat tijdens onze repos. Dan zoals gewoonte terug naar de hel aan het Sas te Boezinge, en tijdens de aflossingen altijd gekwetsten van handgranaten, en na vier dagen eerste lijn, trekken we ons een weinig achterwaarts zo ongeveer 1 km. Hier liggen wij in reserve tussen de Engelse zware artillerie. Ja hier in het ronde van Ieper stonden geweldig veel kanonnen en deze schoten ook naar Diksmuide als het nodig was. Dag en nacht oorverdovend gebulder. Op een nacht liggen wij, mijn vriend Van den Bos en ik, op een klein vooruitgeschoven postje, zo een twintig meters voor de tranchée, totaal uitgehongerd. Om twaalf uur in de nacht brengen ze ons wat warm eten: zwarte bonen en een klein tikje vlees. Toen wij wilden beginnen met eten, komt daar almeteens een zwaar gerommel naar ons toe. Wij lieten ons eten vallen en vluchtten weg. Een tiental meters verder werden wij tegen de grond geslagen door de ontploffing van een obus. Deze viel juist op de plaats waar wij bezig waren met eten. Onze ransel, geweer en eten was de lucht ingeslingerd. Daar stonden wij beiden zonder eten en gans onze inboedel verloren. Dan heeft onze luitenant Poireau beroep gedaan op ieder soldaat elk een weinig eten af te staan. Ze deden het met plezier.
De volgende nacht werden we op dezelfde plaats verwittigd door onze officier dat wij vanaf 2 ½ uur onze dekplaats dienden te verlaten en in open lucht te blijven. Ook werd ons gezegd een stokje in onze mond te houden.

7 juni 1917

Maar om drie uur in de morgen op 7 juni 1917 doet zich op de rechterkant van ons een eigenaardig iets voor. Wij zien daar almeteens een bol vuur in de lucht vliegen. Een minuut later een oorverdovende slag met daaropvolgend een uitbarsting van kanonvuur en alle soorten vuurwerk. Wij vragen ons af wat er nog zal gebeuren. 's Anderendaags hoorden wij zeggen dat de berg van Wijtschate de lucht was ingevlogen door de Engelsen. De ontploffing werd gehoord tot in het diepste van Schotland.
Na een tijdje kwam verbetering voor het eten. Amerikanen stuurden brood en vlees naar het front. Het brood bestond uit maïsmeel en was smakelijk om eten. Het was zogezegd gelijk koekebrood. Vlees begon ook toe te komen. Hongerperiode was voorbij en zo ging het leven verder zijn gewone gang, heen en weder naar de tranchées.
Eens waren wij terug op dezelfde plaats van 7 juni toen daar een Engelse munitiedepot in de lucht vloog. De slag was zeer geweldig en er vielen vele doden bij de Engelsen.
Van daaruit trekken [we] naar de grote baan Ieper-Veurne, aan de "Lion Belge". Terwijl wij hier in repos zijn, komen er hier vele Franse regimenten toe, zelfs van uit Verdun. Dit om het Engels leger te komen versterken. Er werd veel gesproken over een nieuw wapen, en er is hier iets op komst in de streek van Ieper.

15 juli 1917

Alle dorpen waar zich nog burgers bevinden, tussen de baan Ieper-Veurne en het front, moeten ontruimd worden. Deze worden geëvacueerd naar Frankrijk.

Juli 1917

Tijdens de zomer, omstreeks juli 1917, worden wij door de Fransen afgelost. Onze 4e divisie zou Frankrijk binnentrekken op grote repos.
Na ons vertrek uit Boezinge zal deze sector het toneel worden van bloedige gevechten tussen Fransen en Engelse troepen tegen de Duitsers.
Maar dit zal eindigen met van weerskanten zware verliezen. De geallieerde legers zijn in de moddervlakte van Vlaanderen blijven steken.

Commentaar en toelichtingen

De financiële toestand van de Belgische soldaat.
Financieel zaten de Belgische soldaten er erg krap voor. Een soldaat 2e klasse ontving 2,50 fr. per week, even hoog als de vooroorlogse soldij. Pas vanaf juni 1916 werd via een systeem van frontstrepen een bijzondere frontvergoeding ingevoerd. Op die manier zagen de meeste soldaten hun soldij verhoogd met 10 tot 15 centiem per dag. Vanaf december 1917 kregen artilleristen en infanteristen voor iedere dag dienst in de loopgraven of bij de stukken een vergoeding van één frank. Door deze en andere maatregelen verhoogde de soldij tot 4,5 fr. per week. Het contrast met de Engelse soldaten was zeer groot. Zij domineerden met hun veel hogere soldij het uitgangsleven. De Belgische soldaat besteedde zijn soldij in de eerste plaats voor de aankoop van noodzakelijke aanvullingen bij het eten zoals beleg en smeersel. Maar ook andere spullen zoals schrijfpapier, kaarsen (als verlichting), tabak en schoensmeer kochten ze in de kantines of de soldatenwinkeltjes. In vele cafés werden de soldaten geweigerd wanneer ze niet voldoende solvabel bleken (Christens 1987, 94-95).
Mijn overgrootouders Francies Vandermeersch-Louise Vandromme en mijn grootouders René Debruyne-Lydie Vandermeersch die door de bombardementen hun huis en hun broodwinning in Reninge hadden verloren, vestigden zich in het naburige Oost-Vleteren op een tiental kilometers van het front en hielden er een winkel waar vooral de soldaten zich konden bevoorraden van eieren, boter, doosjes kaas, appelen en wijn. Mijn grootvader ging zelfs in Frankrijk vaten wijn kopen en trok hem op flessen voor zijn klanten. Zijn beroep van gareel- en schoenmaker bleef hij zo goed en zo kwaad het ging verder uitoefenen.

Deze kaart uit het Franstalige boek Ypres et les batailles d'Ypres 1914-18,
Michelin, Clermont-Ferrand, 1919, geeft ons een beeld van het front vóór het geallieerde offensief van 31 juli 1914

De hel van Boezinge (zie situatiekaart)

Na de Eerste Wereldoorlog werd het soldatenleed in de hel van Boezinge in een volkslied bezongen. Het lied werd in 1985 gezongen door Firmin Vanhaese-broeck, een oud-strijder 1914-18, die toen in het rustoord te Avelgem verbleef. De tekst werd door mijn vader Jozef Luyssaert opgetekend.

Hier op het Slagveld van Boezinge

Refrein:
Ons makkers nog zo jong
Veel uit het werkmansleven
In deze kille grond
Wat zou ons moeder beven
Zij heeft zoveel gedaan
om haar kinders groot te brengen
Hier op het slagveld van Boezinge
Ligt menig werkmanszoon.

1.
Vrienden komt luister naar deze woorden
En denkt bij dit schoon liedje na
Hoe wij naar deze oorden
Van Ieper naar Boezinge zijn gegaan
Wat hebben wij daar veel gelden
Langs die kleine rivier
Zo lang hebben wij daar gestreden
Zonder ruste, vrede of plezier
Nooit zal ik die plaatsen vergeten
Waar zo vele kruisjes staan.
 

2.
En waren die dagen vervlogen
Van rusten en 'n beetje plezier
En was het uur weer gekomen
Daar gingen wij weer per vier
Om dan in die droeve loopgrachten
Te lijden en veel af te zien
Daar liggen die lijken begraven
En moesten we er naar staan zien
Daar kwam een stem ons troosten
't Was 'n vriend die daar gevallen lag.

3.
En stonden wij daar te praten
Alzo met een groepje saam
Hoe wij ons huis moesten verlaten
En zo binnen moesten gaan
Terwijl een van ons stond te vertellen
Ontplofte daar een projectiel
Die weer een makker neervelde
Die voor ons voeten neerviel
Daar staan nu boven die aarde
Twee stokjes aan elkaar gedaan
Daaraan zaag men voortaan
Wie er daar was gevallen
't Was weerom 'n werkmanskind
Die geen groot kruis kon betalen
En dan hoorde men daarna
De vogeltjes zingen
Uw vriend rust nu in Boezinge
Waar velewerkmans rusten.

Voedselschaarste

Het voedselprobleem in het Belgisch leger.
Het kleine hoekje niet bezette België kon onmogelijk het Belgische frontleger van voedsel voorzien. De meeste levensmiddelen werden dan ook per spoor vanuit Noord-Frankrijk aangevoerd.
Wettelijk was het dagelijks rantsoen per soldaat als volgt vastgelegd: 700 gr brood, 400 gr vlees, 35 gr koffie, 5 gr cichorei, 20 gr suiker, 0,5 gr peper, 25 gr zout, 45 gr smout, margarine of spek, 25 gr witte bonen, erwten of deegwaren of 40 gr rijst, 20 gr tabak en 5 sigaretten. In werkelijkheid moest de soldaat zich vaak met minder of met ander voedsel tevreden stellen. Zo werden de bevoorradingsketens vaak gestoord en ieder jaar kampte de legeroverheid met grote voedseltekorten. In 1916 en 1917 waren vooral de aardappeltekorten zeer groot. In het voorjaar van 1916 werd de portie aardappelen verlaagd van 900 tot 600 gr en later naar 300 gr. De ontbrekende 300 gr werden vervangen door 100 gr witte bonen en 200 gr rijst. In 1917 werd de schaarste nog algemener. Rijst, conservenvlees en zwarte bonen werden in die periode de voornaamste componenten van het menu. In december 1917 werd gezouten haring bedeeld, maar die was zo slecht dat men in sommige kampen bij wijze van protest de haring op een draad reeg en als guirlandes voor de barakken hing.
Slechts een keer per dag of bij valavond werden de eenheden in de loopgraven bevoorraad door de rijdende veldkeuken. Maar tijdens beschietingen lieten de keukenpieten op zich wachten tot groot ongenoegen van de soldaat in de voorste linies. De bevoorrading naar de voorposten vormde een groot probleem. Soms werden de soldaten op wacht gestuurd met was koude en in vet gestolde aardappelen of met hun hele mondvoorraad en voorzien van alcoholvuurtjes om hun koffie en conserven op te warmen (Christens 1987, 44-49).

Op rust in Krombeke en Roesbrugge

In 1915 kwam Krombeke op de belangrijke aanvoerroute naar het front te liggen. Roesbrugge dat via Duinkerke in verbinding stond met Calais, was een belangrijk logistiek steunpunt en bediende over de weg Krombeke-Vleteren-Reninge de zuidelijke en meest actieve Belgische frontsector.
Trainingskampen, depots en hospitalen vulden de velden en weiden rondom Roesbrugge. Naast de Franse etappetroepen en -diensten herbergden Roesbrugge en omgeving ook een volledige Belgische legerdivisie (Depoorter 1987, 70-71).
Roesbrugge en omgeving hebben in de jaren 1914-18 nooit de volle hardheid van de oorlog aangevoeld, maar het gewone leven lag er toch overhoop. Franse, Engelse en Belgische troepen waren hier gekantonneerd en het hoofdkwartier van diverse eenheden was er gevestigd. Koning Albert en andere bevelhebbers van alle wapens en uit alle geallieerde landen kwamen hier op bezoek. Het wekt dan ook geen verbazing dat het dorp omwille van zijn vele vermakelijkheden voor de soldaten de naam "Petit Paris" kreeg (R.A.B. 1979, 11).

Hill 60 (zie kaart)

In januari 1916 werd door de Britten een nieuw aanvalsplan ontworpen om een uitval te wagen op het Ieperse front. Het was de bedoeling van generaal sir Herbert Plumer om de sikkelvormige frontlinie rond Ieper, die voortdurend in de flank werd beschoten, tot een grote boog uit te breiden. Als voorbereiding hierop was het nodig de hoger gelegen gebieden tussen Hill 60, Caterpillar, Mesen en Wijtschate die in Duitse handen waren, te veroveren. De Duitsers kenden het strategisch belang van deze heuvel en hadden hem met een netwerk van loopgraven, een ondoordringbaar web van prikkeldraadversperringen en talrijke anti-tankbatterijen beschermd. In de bossen stonden tientallen machinegeweren opgesteld en rond de verwoeste boerderijen installeerde men zwaar geschut. Om de Duitsers toch te kunnen verschalken, groeven de Britten op een diepte van 30 tot 40 meter mijngangen onder de heuvel. Op die manier werd er onder de Hill 60 53.500 pond explosieven en onder de Caterpillar 70.000 pond explosieven geplaatst (Lampaert 1987, 139-151).
Om 3.10 uur in de morgen van 7 juni 1917 werden de explosieven in de mijnen tot ontploffing gebracht. De schok werd tot in Londen gevoeld. Gedekt door het rookgordijn van frontvuur zegevierden de aanvallende Britse divisies snel over de in paniek geraakte voorste zones van de Duitse verdediging (Simkin 1992, 161-162).

Het Britse offensief van 7 juni 1917 op de hoogte van Mesen.
Met het Franse woord "Cote 60" wordt "Hill 60" bedoeld.
(Kaart uit: Ypres et les batailles d'Ypres. 1914-18, Michelin, Clermont-Ferrand, 1919, p. 21)

 

Kantonnement de "Lion Belge" in Oost-Vleteren

De "Lion Belge" is een wijk in Oost-Vleteren langs de weg Ieper-Veurne, genoemd naar een vroeger café. Hier lag een van de vele kantonnementen achter het front waar de soldaten op rust konden gaan. De "Lion Belge" beschikte over meer accommodatie dan de andere kantonnementen: een café, douches, voldoende medische hulp en in de barakken werd een toneelzaal ingericht. Het was een uitstekende plaats om op rust te gaan (Jacobs 1988, 69-75).

Evacuatie van de frontgemeenten

Op 3 juli 1917 gaven de Fransen aan de inwoners van Oost-Vleteren, Reninge en omliggende gemeenten tussen de weg Ieper-Veurne en het front het bevel om voor 15 juli 1917 hun dorp te verlaten aangezien een groot offensief werd voorbereid. De burgers moesten naar de Franse sector trekken. Op Belgisch grondgebied restten er maar twee gemeenten waar het veilig was: Roesbrugge en Beveren-IJzer. De eerste trein met vluchtelingen uit Oost-Vleteren naar Frankrijk vertrok op 15 juli 1917. Er waren nog maar tien families uit Oost-Vleteren mee. Op 23 juli 1917 werd een groot offensief ingezet van Diksmuide tot de Leie. Mijn overgrootouders Francies Vandermeersch-Louise Vandromme en mijn grootouders René Debruyne-Lydie Vandermeersch, die in Oost-Vleteren woonden, verlieten hun dorp en namen samen met nog een andere familie hun intrek in een nieuwgebouwd kippenhok in Roesbrugge. Pas op 30 oktober 1917 keerden ze terug naar hun dorp (Luyssaert 1993, 77-90).

 

Hoofdstuk 7 - Op grote repos in Frankrijk

Juli 1917

Onze 4e divisie verlaat het front van Boezinge en [we] trekken Frankrijk binnen. De voetmars gaat over Izenberge, Hondschoote, Bergues, Gravelines, Marck. Hier zullen wij drie weken verblijven. Na deze tijd verstreken, trekken wij verder over Calais naar Marquise en hier in de omstreken Marquise en Cap Gris-Nez. Na verscheidene weken alhier te zijn verbleven, terwijl de Fransen en de Engelsen een offensief hebben ingezet met vertrek uit Steenstrate en Boezinge en zo verder over Ieper. De Engelsen zijn buitengekomen met het nieuw wapen, namelijk de tanks. Het waren reuzetanks. Maar hier op de slagvelden van Vlaanderen verzonken ze in de modder. Nochtans werd er hier verschrikkelijk gevochten en de geallieerden slaagden erin enige kilometers vooruit te komen, maar dit stemde niet overeen met de zware verliezen. De legers verstikten in de modder. Het offensief was mislukt, het slagveld lag bezaaid met lijken en alle soorten materiaal, vliegtuigen, kanonnen, tanks. Dit alles verzonk in het moeras. De Fransen zegde: Het is daar veel slechter dan in Verdun. Terwijl we hier in de omgeving van de spoorweg Calais-Boulogne gekantonneerd zijn, zien we dag en nacht de Rode Kruis-treinen voorbijrijden, met duizenden gewonden komende uit de streek van Ieper. Engelse treinen zijn voor Boulogne om ingescheept te worden voor Engeland, de Franse voor Parijs en de Belgen richting Rouen.

Enkele woordjes over de Fransen

En terwijl we hier nu toch in Frankrijk zijn, wil ik enige woordjes zeggen over het Franse volk.
Wij Belgen zijn zo wat de troetelkinderen van het Franse volk. Overal werden wij goed ontvangen en zowat aanzien als helden. Dit sproot natuurlijk uit het moedig gedrag van zo een klein land tegen zulke overmacht te vechten. Daarbij zijn wij de helpers van hun volk en dit werd door de Fransen zeer gewaardeerd.
Ze voelden medelijden voor ons. In de eerste plaats omdat wij allen nog zo jong waren en ook omdat wij zonder contact waren met onze familie.
Op deze manier waren ze zeer bezorgd over de Belgen. Zo werden wij gans Frankrijk door op vriendelijke wijze ontvangen. In één woord: wij waren de hunnen. Meer dan vier jaar hebben ze voor ons gezorgd, om pakjes op te sturen voor de frontsoldaten. Ook zorgden ze voor ontspanning.

September 1917

De maand september 1917 wordt door het Franse leger de hulp ingeroepen op de 4e divisie. Spoedig vertrokken [we] vanuit Marquise te voet over Calais, Duinkerke om in Coudekerque-Branche enkele dagen te verblijven en ons volledig paraat te stellen. We liggen gekantonneerd in een boerenhof, juist voor het vliegveld, alwaar we ieder morgen de beroemde Franse vlieger Guynemer konden zien voorbij vliegen met zijn sportauto.
Het is ook van hier uit dat hij op 11 september 1917 vertrok voor een opdracht op de kanten van Ieper om nooit meer terug te komen. Juist de dag vooraleer hij is vertrokken, hebben wij naar hem gezwaaid.
Verscheidene soldaten, houder van een hond, dienden op een verzamelplaats aan de kerk van Coudekerque-Branche bijeen te komen met hun hond. Daar op een stuk braakliggende grond dienden al deze honden afgemaakt te worden. Deze werden gedood door granaten. De honden trachtten ze op te nemen en intussen ontplofte de granaat en zo verdwenen de honden in gekapt vlees.

15 september 1917

Op 15 september 1917 verlieten wij Coudekerque-Branche om de Franse troepen te gaan aflossen op het vrijgevochten Merkem.

Kaart uit: P.Simkins, De Eerste Wereldoorlog. Het Westfront, Lisse, 1992, p. 164

 

Commentaar en toelichtingen

De derde slag om Ieper (zie kaart)

Na de successen op de lijn Hill 60 - Mesen wilden de Britten zo spoedig mogelijk met de aanval doorgaan. De troepen werden vanaf Steenstrate tot aan de Leie opgesteld. De derde slag om Ieper kon beginnen. Op 31 juli precies om 3.30 uur breekt het gevecht los. De Britten veroverden Geluveld, Zonnebeke en Langemark. Op 11 november 1917 hebben de Britten als laatste dorp Passendale veroverd, maar ze moeten het vlug weer afstaan. De legerleiding had meer van dit offensief verwacht. Men had gehoopt reeds in de omgeving van Tielt te zijn, maar men is slechts enkele kilometer gevorderd en de verliezen waren zeer groot. Aan Engelse zijde werden ze geraamd op 240.000 doden en vermisten. Het Duitse leger verloor tussen half juli en half november 150.000 man. De derde slag om Ieper was voorbij, winst werd er niet geboekt (Lampaert 1987, 152-167).

Tanks

In de loop van 1917 namen zowel Fransen als Britten tanks in gebruik. Maar die voertuigen waren te log en te zwaar en bleven vaststeken in de modder van Vlaanderen (Simkins 1992, 151 en 167-169).

Gekwetsten

In de Belgische militaire hospitalen te De Panne, ("L'Océan"), Hoogstade ("Belgian Field Hospital") en Adinkerke ("Cabour") ondergingen de gewonden de nodige heelkundige ingrepen en eerste verzorgingen. Zodra ze aan de beterhand waren, werden ze met speciale evacuatietreinen naar één van de "dépots de convalescents" in Frankrijk gevoerd waar ze langzaam konden herstellen. In Frankrijk waren er ook gespecialiseerde diensten voor revalidatie, orthopedie en prothesen opgericht zoals in het "Hôpital Anglo-Belge" te Rouen (Christens 1987, 79).

Enkele woordjes over de Fransen

Om de groeiende moedeloosheid de kop in te drukken, bood de legeroverheid de soldaten vanaf 1915 de kans om op vakantie te gaan naar het buitenland, vooral naar Frankrijk. Ze moesten hun reis echter zelf betalen en vooraf een verblijfadres kunnen opgeven. Gelukkig waren er de oorlogsmeters of marraines. Deze vrouwen of zelfs zeer jonge meisjes waren vooral in het begin van de oorlog onbaatzuchtige, edelmoedige troostengelen uit Frankrijk, Amerika, Engeland en elders. Zij stuurden hun beschermeling aan het front pakjes met versnaperingen, schreven hem opbeurende brieven om de moed en het moreel hoog te houden. Achteraf bleek niet zelden dat de marraine inniger betrekkingen met haar oogappel beoogde (Debaeke 1994, 4-44).

Vliegenier Guynemer

Kapitein Georges Guynemer was tegen 1917 een volksheld geworden in Frankrijk. Hij had een zwak gestel, maar had na 660 vlieguren en meer dan 600 luchtgevechten 54 overwinningen op zijn naam staan. Van een patrouille op 11 september 1917 keerde hij niet terug en er is nooit een spoor van hem gevonden (Simkins 1992, 177).

Honden en katten aan het front

De soldaten namen loslopende honden en katten onder hun hoede en zeulden ze mee van en naar het front. Ze hielden zich uren bezig met het aanleren van kunstjes aan de dieren. Toen in september 1917 en in juli 1918 vanwege het gevaar van hondsdolheid het aantal dieren in het leger moest verminderen, kwam hierop dan ook veel protest (Christens 1987, 71).

 

Hoofdstuk 8 - Sector Merkem.
Einde september en begin oktober. De slag van Merkem.

 

Gedaan met de schone repos van drie maanden. Wij verlaten Coudekerque-Branche met tranen in de ogen want volgens wij ingelicht zijn, staat er voor ons wat te wachten. Over Hondschoote de grens over, en zo de richting grote baan Veurne-Ieper. Op de grote baan gekomen, komen ons veel Franse troepen tegemoet, en soms met Duitse krijgsgevangenen, onkenbaar van de modder en totaal uitgeput. Maar toch hebben ze de glimlach, bij het zien dat wij hen komen aflossen. Met het vallen van de avond komen wij toe in Oostvleteren, vermoeid als nooit. Een nacht verblijf te Oostvleteren om 's avonds op te trekken voor de slag van Merkem

Vóór de slag

Hoe is nu de toestand van een soldaat vóór de grote slag? Als men weet dat ge naar het front moet, en u zeker is dat u zal terechtkomen in zware gevechten, dan is de moraal der soldaten beneden het vriespunt. De meesten zeggen zeer weinig. Je loopt rechts en links rond met het hoofd vol gedachten zonder een woord te spreken, denkende wat zal er van mij geworden?
Je beziet elkander in de ogen alsof je wil zeggen "Is het soms niet het einde van ons leven, of zullen wij nog terugkeren of zullen wij omkomen op een gruwelijke wijze". Al deze visioenen vliegen door het hoofd tot wanneer het uur van vertrek is aangebroken.
Natuurlijk bij het vertrek hoort u in de verte het hevig kanongebulder en zonder een woord tot elkander te spreken komt u in beweging. Alle officieren en soldaten zien er aangedaan uit. Zo stapt men verder het vuur tegemoet. Tot wanneer men in de ontploffingen terechtkomt. Dan schiet iedereen uit zijn droom en moet voortaan zorgen voor uw eigen persoon. Hoe dichter, hoe meer geschut, tot wanneer u in het bereik komt van geweer en mitrailleuzevuur. Eens zo ver wordt het een oplettendheid elkander niet uit het oog te verliezen en inmiddels zijn deze droevige gedachten verdwenen en denkt ge allen aan een redding.
Je bent totaal ingenomen door de reuk van het ontplofte buskruit, en zo vecht men verder zonder schrik. Zelfs wordt u verstandig en krijgt ge het gevoel om uw leven te redden. Maar eens terug uit de slag loopt u verdwaald en dwaas van de inspanningen die ge hebt moeten doen.

De derde slag om Ieper

Vanuit Oostvleteren komen we hier toe aan Steenstrate, dus de Ieperlee. Het is van hier uit dat de Fransen in offensief zijn vertrokken. Eens over de Ieperlee komt men op het terrein welke de Fransen hebben veroverd.
Maar, wel onze lieve Heer, wij komen hier in de pap (= slijk) terecht. De ene soldaat achter de ander verzonk in de modder weg. En wij moesten nu nog 5 km afleggen, en het was pikdonker. Midderwijl bereikten wij ongeveer ons doel, maar onder de weg en in de omgeving van ons doel, lagen daar honderden Franse soldaten verzonken in de modder, tussen de doden en gekwetsten roepend om hulp, smekend "à boire, aidez-moi". Sommigen gans verzonken, anderen gedeeltelijk en wij konden hun geen hulp bieden.
Zelfs was het ons verboden hulp te bieden. Zo lagen ze daar hun dood af te wachten, tussen de honderd, misschien duizenden doden. En zo na vier dagen daar verbleven te hebben, keerden wij terug naar Westvleteren met onze overgeblevenen. Iedere burger of soldaat die ons uit de slag zag komen, begon te wenen. Wij geleken op geen mensen meer, maar wel op wrakken, en tijdens onze repos in Westvleteren kon men niet anders zien dat begravingen van hen die vielen op het slagveld.
Na vier dagen droevige rust kon men terug naar het verschrikkelijke. De ondervindingen hadden ons geleerd, nu zouden wij met tien man aan elkander gebonden worden. Als er een zonk kon de andere hem redden van de verdrinkingsdood.
Ik voeg er echter aan toe dat het van nu af gedaan is met de loopgravenoorlog. Alles zal nu beslist worden in open veld, en dit tot het einde van de oorlog. Om naar de voorposten te gaan, werden witte linten op de grond gelegd om niet de weg te verliezen. Eens vonden de Duitsers dat wit lint en leidden het af [naar] hun linie. Zo zijn er in krijgsgevangenschap geraakt zonder dat ze daar iets van afwisten. Ook van onze kant werd er getruckeerd.
Wij hebben de voorpost bereikt onder bombardementen. Na de nacht te hebben doorgebracht, zijn de Duitsers om negen uur in de morgen hevig begonnen met hun bombardementen. Het was niet meer uit te houden en zij die konden, vluchtten weg. Ik ook vluchtte naar rechts en kwam in een Duitse bunker terecht welke gedeeltelijk omgekeerd was. Dood van schrik ben ik daar binnengekropen, niet wetende of er Duitsers of Belgen in waren. Maar neen, het was een bunker tussen de Duitse linie en de onze, zogezegd niemandsland. Eens in de bunker binnen verspreidde zich een verpestende geur.
Een tijd nadien, toen ik wat bekomen was van de schrik, stelde ik vast dat er daar ik weet het niet hoeveel Duitse lijken in lagen, in ver gevorderde staat van ontbinding. Dit bombardement duurde immers maar verder en ik ben in de bunker gebleven tot 's anderendaags.
Dan ben ik eruit gekomen met de armen omhoog en liet mijn wapens achter. Ik wist niet of ik bij de Duitsers zou terechtkomen of wel bij de Belgen, maar gelukkig, ik kwam bij het 10de regiment terecht en viel dan nog in de armen van een jongen uit mijn gemeente, Camiel Van Wassenhove. Ik werd uitgeleverd bij mijn regiment te Westvleteren.
Na onderzoek kon ik mijn compagnie gaan vervoegen. Tijdens deze bombardementen werden er veel gedood, ook twee beste vrienden van mij: Bruwier uit Arlon en Noé Alfons uit Brugge.
Het is ook tijdens deze gevechten dat Renaat de Rudder van Landegem in deze omgeving sneuvelde.

 

De Duitse frontlijnen van 15 november 1914 tot 29 april 1918.
(Uit: A. Sercu, Van de oorlog hoor ik niets, Veurne, 1993, p. 50).

 

Naar Merkam

We gingen terug naar Merkem om daar op de modderpoelen te gaan zwerven, met hier en daar een bunker op zijn zijkant, gebombardeerd, vol met Duitse lijken. Het stonk geweldig hier op dat slagveld. En in de omgeving vele Franse vliegtuigen in de modder verzonken met de piloten er nog in. Honderden gesneuvelden zijn hier op het slagveld blijven liggen en naderhand nog menige malen de lucht ingeslingerd door de voortdurende ontploffingen.
Toen de laatste Fransen hier vertrokken, zegden ze dat het hier in Vlaanderen veel slechter was dan in Verdun. Ze zeiden: "Wij verlaten Vlaanderen in de hoop nooit meer te moeten terugkomen".
Gedurende de gevechten te Merkem was hier een eigenaardige voorpost, welke nog al diep doordrong in de Duitse linie. Hij had de vorm van een hoefijzer. Hier was een Frans vliegtuig omlaag geschoten welke met de kop in de modder stak, [en waarvan] de vleugels en de staart ver boven de grond uitstaken. Op deze manier was deze post overdag goed zichtbaar. Iedere avond werden daar een twintig of dertig soldaten heen[gestuurd], maar deze keerden nooit terug.
Elke nacht werd deze post overrompeld door de Duitsers en de soldaten werden gedood of krijgsgevangen genomen. Dan trokken ze terug om de volgende nacht hetzelfde te herhalen. Dit heeft zo een achttal dagen geduurd. Voor de Duitsers was dit zeer gemakkelijk, men kon immers toch niet schieten, want door de modder was de culache (Fr. culasse = stootbodem van een vuurmond) van het geweerslot geraakt.
Op een dag, terwijl ik op rust was te Westvleteren, werd ook ik aangeduid om 's avonds deze zo schrikwekkende post te gaan aandoen. Maar ik had nu eenmaal in mijn leven geluk. In de namiddag ontving ik mijn verlofbrief zodat ik in plaats van mijn dood in te gaan, voor tien dagen in verlof ging, en dit naar het zuiden van Frankrijk, namelijk naar Béziers (Dep. Hérault).
Toen ik terug uit verlof kwam, vernam ik dat mijn kameraden niet meer terug waren gekeerd. Men heeft er nooit iets meer van vernomen.
Karel Van Hove uit Drongen heeft op deze post hetzelfde lot ondergaan. Hij werd samen met tien andere krijgsgevangen genomen. De rest van de dertig werden allen gedood door de bajonet of granaten.
Uiteindelijk werd deze post vrijgegeven en bij nacht niet meer bezet. Ook de Duitsers lieten hem onbezet. Intussen kwam een felle winter in aantocht en het geweld luwde. Nog veel kanonvuur, maar het treffen van infanterie tegen elkander was zeer afgenomen.

Koude winter 1917-1918

Na de verwoede gevechten hebben wij nu af te rekenen met de verschrikkelijke koude. Hier in het open veld, zonder dekking, niets anders om ons te verbergen of toegevroren obusputten. Soms schoot u door de vervroren grond en kwam tot aan de heupen in de modder. Oppassen of u vroor in de modder vast. Wij hebben hier al wat beleefd. Nu gelukkig, er werd niet veel meer geschoten tijdens de vriesperiode, anders zouden de hard vervroren klompen op ons lichaam terechtkomen.
Al met eens was het wapenstilstand. Wij en de Duitsers liepen daar op de vervroren grond om ons te verwarmen. Het kwam zo ver dat de Duitsers bij ons kwamen en wij bij de Duitsers en souvenirs uitwisselden, maar dit is van korte duur geweest. De officieren troffen maatregelen.
Merkem was een wonderbaar slagveld. Het toonde veel gelijkenis met de maanoppervlakte, alleen dat er meer te vinden was dan op de maan. Men zou gezegd hebben dat het hier vier jaar aardbeving was geweest.
De verliezen die het 13de regiment hier heeft geleden, kan u vinden op het militaire kerkhof van Westvleteren. Dit is maar een gedeelte. Het grootste getal zijn op het slagveld achtergebleven, verdwenen of vermist.
Einde maart 1918 werden wij afgelost door de 3de divisie. En onze 4de divisie trekt voor korte rust naar de kanten van Woesten. We komen hier terug op de plaats van de tijd van Boezinge.

Commentaar en toelichtingen

De derde slag om Ieper (juli-november 1917)

In 1917 ontketenden de Britten een groot offensief in Vlaanderen, de derde Slag om Ieper genoemd. Het doel van de Britten was de spitse boog die het front maakt voor Ieper te verbreden om op die manier het gevaar van zijdelingse aanvallen te verminderen.
Na de geslaagde Britse dieptemijn-operatie die in juni 1917 was uitgevoerd onder de vijandelijke linies, volgde een harde strijd die einde juli begon met een aanval die zich uitstrekte van Diksmuide tot de Leie. In de loop van oktober 1917, tijdens de laatste fase van de Britse doorbraakpoging, werd een algemene aanval van Diksmuide tot Geluveld ontketend. De Kippe, een gehucht van Merken, werd door de Belgen veroverd en Merkem zelf door de Fransen. Merkem was vanaf 1915 voor de Duitsers een rustsector. Het enige zwakke punt in de zone was echter Drie Grachten omdat het lag op de grote verbindingsweg Roeselare-Staden-Westvleteren-Roesbrugge. Een geallieerde aanval was hier dus niet uitgesloten vandaar dat de voorpost Drie Grachten door de Duitsers grondig was versterkt. Toch slaagden de Fransen erin op 22 oktober Merkem te heroveren.
De derde Slag om Ieper eindigde op 6 november 1917 met de bezetting van Passendale. De vooruitgang was niet bijzonder groot. De boog voor Ieper was niet verbreed, hij was alleen verschoven in de richting van Passendale. Tijdens deze grootste artillerieconcentratie in de Britse geschiedenis werden 4,3 miljoen granaten, in het totaal 107.000 ton, afgevuurd. Voor een gemiddelde vooruitgang van 8 km hadden de Britten gedurende drie maand 240.000 man opgeofferd (doden en vermisten). Het Duitse 4de leger verloor tussen half juni en half november 150.000 manschappen (Schepens 1984a, 39; De Vos 1996, 130-132; Jacobs 1988, 82-87; Lampaert 1987, 166).

Camiel Van Wassenhove (°Landegem 24.12.1889 - †29.03.1937) was de zoon van Alfons, landbouwer op de Kleine Heirenthoek te Landegem en van Maria Clementina Van den Braembussche. Hij was soldaat bij het 10de Linieregiment en werd op 16.11.1909 opgeroepen. Op 01.08.1914 werd hij gemobiliseerd bij de compagnie Cyclisten.

In Westvleteren lag een van de vele militaire kerkhoven achter het front. Samen met 1.088 andere gesneuvelden werd hier o.m. Renaat De Rudder begraven. Renaat De Rudder werd op 17 december 1917 waarschijnlijk door een Belgische kogel dodelijk getroffen in de frontlijn te Merkem en volgens zijn overlijdensakte overleed hij in het "Belgian Field Hospital" te Hoogstade op 18 december 1917. Hij werd op 21 december na een lijkdienst in de kerk van Westvleteren aldaar op het militair kerkhof begraven. In 1920 vond de derde IJzerbedevaart naar de "Graven aan den Yser" plaats op het kerkhof van Westvleteren en werd er hulde gebracht aan Renaat De Rudder (Duprez 1979, 24 en 411). In 1932 werd het lichaam van De Rudder overgebracht naar de crypte van de IJzertoren te Diksmuide.

Koude winter 1917-1918

December 1917 was de koudste maand die men sedert 30 jaar had gekend. De soldaten vierden een witte kerstdag en op 15 januari vielen er overvloedige stortregens (Christens 1987, 64-65).

Er zijn in de literatuur enkele gevallen bekend van spontane wapenstilstanden zeker aan het Brits-Duitse en Frans-Duitse front. Vooral aan de vooravond van kerstmis legden simpele soldaten spontaan de wapens neer. Meestal waren het de katholieke soldaten uit Beieren die de verbroederingen uitlokten door kerstliederen te zingen en verlichte kerstbomen op de borstwering van de loopgraven te zetten. Hun tegenstanders reageerden met hun eigen liederen. Bordjes met "Niet schieten" werden opgestoken en feestwensen toegeroepen, tot de officieren hieraan een einde stelden. Trouwens het zijn de Duitsers die tijdens de Eerste Wereldoorlog de kerstboom bij ons hebben geïntroduceerd.
Het bekendste kerstgebeuren aan de IJzer had plaats aan de Hoge Brug in Diksmuide op kerstmis 1914. Op Duits initiatief werd daar een officieuze wapenstilstand gesloten. Soldaten van beide kanten zongen kerstliederen en een Duits officier overhandigde er aan zijn tegenstanders een remonstrans die door zijn soldaten in een Diksmuidse kolenkelder was gevonden (Durnez 1988, 85).
Ook op 1 oktober 1917 zagen Belgische soldaten in de Dodengang bij Diksmuide hoe vanuit de dichtste Duitse loopgraaf plots een rodekruisvlag opdook. De Duitsers vroegen of ze een van hun gesneuvelden bij de borstwering van de Belgische loopgraaf mochten weghalen om hem te kunnen begraven. De Belgische bevelhebber antwoordde dat hij de soldaat op Belgisch grondgebied zou laten begraven. De Duitse officier riep 'Mille fois merci et bonne chance' en trok zich in zijn loopgraaf terug (Debaeke 1998, 104-105).

 

Hoofdstuk 9 - Sector Langemark.


April 1918.

Wij zijn gekomen van Merkem en hier te Westvleteren zullen wij na twee dagen verblijf rechts opschuiven naar Woesten, om van hier uit de Engelsen te gaan aflossen.
Dus weeral meer naar Ieper toe. We geraken van het slechte niet meer af. Het is nu gelijk waar ge terechtkomt, het deugt nergens meer. Hoe verder de oorlog, hoe meer wapens, en dit betekent ook hoe gevaarlijker.

15 april 1918

Tegen [dat] het donker werd op 15 april 1918, vertrekken wij van Woesten weg, over een nieuwe weg die de Engelsen aangelegd hebben tijdens het offensief. We doortrekken hier de zone van de Engelse zware artillerie en ik kan u zeggen dat er hier bijkan zoveel kanonnen staan of er soldaten zijn. Tijdens de nacht komt men toe op de voorpost en [we] lossen de Engelsen af. Deze zeggen ons dat het hier zeer slecht is, want dat de Duitsers veel aanvallen doen, vooral van patrouilles tijdens de nacht.
Wij nemen hier een vooruitgeschoven post in, met 30 man en twee mitrailleuzen, met zeer veel munitie bij ons. Hier liggen wij op een hoogte vlak voor de statie van Langemark. Het is te zeggen, die eens de statie was geweest. Gewoonlijk als men een divisie aflost, trekken de kanonnen met de afgeloste divisie mede. Maar hier nu bleven de Engelse kanonnen ter plaatse en kwamen er nog veel bij. Ook hebben de Fransen hun artillerie hier niet weggetrokken. Eigenaardig genoeg, het geleek hier veel op de sector van Merkem. Het is immers maar een stap van hier. Toen men hier aankwam op de voorpost en ook tijdens de aflossing was het kalm. Maar het spreekwoord zegt: kalmte voor de storm.

Duitse offensieven in de lente van 1918

16 april 1918

Op 16 april 1918 werd het al met eens zo woelig. Ja, er hangt buskruit in de lucht. Er wordt medegedeeld dat wij op onze hoede moeten zijn, want dat het Duitse leger gereed staat om ieder ogenblik een geweldig offensief in te zetten. De bombardementen die hij uitvoert zijn niet zoals gewoonlijk, soms een ganse roffel van spervuur.
Alle wegen en kruispunten achter ons worden onder vuur genomen. Maar ook [wij] van onze kant met [de] Franse, Engelse en Belgische artillerie moeten niet onderdoen tegen de Duitsers. Integendeel, het werd een hevig trommelvuur.
Wij op onze voorpost kregen daarvan niet te lijden. Wij zaten te dicht bij de vijand. Maar toch op de duur zouden we te lijden hebben van de Engelse artillerie die te kort schoot. Zo kwamen wij in ons eigen artillerievuur terecht.
Na de verwoede bombardementen van 16 april 1918 bleef over het slagveld uren en uren een damp rook hangen, veroorzaakt door de ontploffingen.
Gedurende de nacht kwam het tot schermutselingen. Duitse patrouilles waren zeer bedrijvig, maar werden telkens door ons mitrailleuzevuur weggemaaid.
Het afschieten van vuur- en luchtpijlen op de Duitse kant betekende zeker wat. Op de rechterkant van ons, bij de Engelsen is het bijna niet uit te staan van het oorverdovend kanongebulder. Men zou zeggen dat gans de wereld uitbrandt.

17 april 1918

Toen brak de morgen aan van 17 april 1918. Onze luitenant Stroobants van Leuven komt ons verwittigen dat het Duitse offensief elk ogenblik kan losbreken. Daarom plaatste hij vier man een weinig rechts van de schuilplaats: 1e man ik dus, 2e man Baillieu, 3e man Naessens en de 4e een jongen van Leuven. Wij vieren verschansten ons achter een kleine berm, toen Baillieu van Gent almeteens zegde: "Wij liggen hier zo maar te zien naar het Engels kanonvuur, zonder dat wij goed zien wat er voor ons gebeurt". Meteen steekt hij zijn hoofd boven onze schuilplaats en op 5 meters afstand stond daar een Duitser met een revolver gereed om te schieten.
Baillieu riep "allert" en wij met ons vieren schieten terzelfder tijd ons geweer af op de Duitser. Hij viel ten gronde en rolde in een obusput vol water. Hij werd door vier kogels getroffen. Onze luitenant hoorde schermutselingen en kwam toegesprongen. Wij trokken hem uit het water en droegen hem aan de ingang van de schuilplaats van onze luitenant. Overal liep bloed uit zijn klederen en terwijl hij daar lag te sterven, vroeg soldaat Naessens van Zeebrugge of hij hem mocht doodslaan met het cros (Fr. crosse = kolf) van zijn geweer. "Neen" zegde de luitenant "het is niet nodig, hij zal ieder ogenblik gaan sterven". Een weinig nadien was hij dood. De papieren die bij hem werden gevonden, wezen uit dat hij Pheiffer noemde van Nürnberg.
Het lijk werd daar in een obusput geworpen. Misschien was hij tijdens de nacht tot bij onze post gekomen, om zijn slag af te wachten voor het afschieten van een fusee? Want de revolver die hij bij zich had was er een om fusees af te schieten.
Na deze schietpartij werden wij vieren verplaatst naar een soort gangetje welke uitgaf op de richting der statie van Langemark van waar het meeste gevaar te verwachten was. Baillieu was de eerste en wij drie volgden hem.
Na deze schietpartij werden wij vieren verplaatst naar een soort gangetje welke uitgaf op de richting der statie van Langemark van waar het meeste gevaar te verwachten was. Baillieu was de eerste en wij drie volgden hem.
Toen hij op het einde kwam, sprong daar almeteens een Duitser voor hem en Baillieu kreeg een hevige slag op zijn hoofd van de cros van 't geweer. Hij stuikte ten gronde. Wij drie zijn beginnen schieten op de Duitser. Een eind verder stuikte hij ten gronde, en wij hebben op hem geschoten tot hij misschien wel vijf keer dood was.
Het gebeurt juist om 8 uur 's morgens 17 april 1918. De Duitsers gaan tot de grote [aanval over]. Over gans de lijn van op de rechterkant alwaar de Engelsen front hebben tot ver voorbij Ieper is het een verschrikkelijk schouwspel van artillerievuur, ook op onze linkerkant, dus Merkem, alwaar de 3de divisie in stelling ligt.
Hier op onze post, die eerst werd aangevallen, met luitenant Stroobants, dertig man en twee mitrailleuzen, brengen wij de Duitsers zware verliezen toe want deze kwamen van uit de statie met ganse groepen recht naar onze post toe.
Ons dertig man hebben daar stand gehouden tot twee uur in de namiddag. Op onze post waren nog geen verliezen maar de Duitsers hebben daar honderden doden door ons geweer- en mitrailleuzevuur. In de namiddag werd het front op onze rechterkant ingebuikt en de Engelsen moeten door het geweld zich achteruittrekken. Op de linkerkant alwaar de 3de divisie aan de slag is, wordt er vreselijk gevochten. Deze houden stand.

Omsingeld door de Duitsers

Om twee uur in de namiddag zijn wij ingesloten daar de Engelsen achteruit worden geslagen.
Nu voor ons dertig man zal het een doodstrijd worden. We zitten hier zo goed als krijgsgevangen en toch zullen wij vechten tot der dood.
's Avonds om zes uur wordt er een tegenaanval gedaan door een ander bataillon van het 13e om ons te kunnen bevrijden. Dit mislukte. De avond viel in en wij hebben ons daar verdedigd op leven en dood, van de een obusput in de andere, niet wetende waar wij zouden terechtkomen, of waar wij ons bevonden. Het was een verschrikkelijk firmament van vuurwerk: alle soorten kleur, vuurpijlen, vlammenwerpers. Ten allen kanten werd er hulp gevraagd en geroepen. Het was een mengelmoes geworden. Gekwetsten lagen daar te kermen, zelfs op hun moeder te roepen. Deze aanval werd uitgevoerd door Duitse keurtroepen, allen bestaande uit vrijwilligers, studenten die goed gedrild waren en voor de eerste keer in het vuur werden geworpen.

18e april, achter ons. Op het slagveld veel gesneuvelden. Door de tegenaanvallen van het 13e en de Engelsen komt het front in rechte lijn en wij ingeslotenen werden vrijgevochten. Er werden veel krijgsgevangenen genomen. Ook van onze kant kwamen er veel in de handen van de vijand terecht.
Het groepje van ons dertig man zijn meest in krijgsgevangenschap terechtgekomen en gedood.

Door brandgas overvallen

19 april 1918

Volgende dag 19 april werd het wat kalmer maar de hevige bombardementen gingen verder en wij lagen daar verspreid in de obusputten en sprongen van de ene put in de andere. Ik sprong weg in een juist ontplofte obusput.
Een half uur daarna vielen de klederen van mijn lichaam en ik werd totaal verbrand van het brandgas. Ik sloeg gans geel uit en kwam voorlopig terecht in het hospitaal van Beveren-IJzer.
Hier in het hospitaal aangekomen, waar bijna geen plaats is. Het hospitaal lag bomvol gekwetsten en terwijl ik hier verblijf, doen de Duitsers op de kanten van Ieper en de Kemmelberg de ene aanval op de andere. Ze willen kost wat kost doorbreken. Hun verliezen zijn enorm.
De Franse troepen komen de Engelsen ter hulp om de doorbraak tegen te houden, maar bijna allen bleven op het slagveld achter. Ook op het Franse front van de Somme zijn de Duitsers doorgebroken tot Amiens. Ze rukken zelfs op tot tegen Parijs.
We beleefden kritieke ogenblikken maar toch zou er spoedig verandering komen. Het oprukkende Duitse leger is nu overal tegengehouden en zelfs op vele plaatsen teruggeslagen.
Intussen werd ik overgebracht naar het hospitaal van Gravelines. Na daar verzorgd te zijn geweest, werd ik vervoerd naar het hospitaal van Guemps, niet ver van Calais, een hospitaal voor verbranden van gas. Alle hospitalen zijn overbelast en van zodra u kan getransporteerd worden, werd u per Rode-Kruistrein weggevoerd diep in Frankrijk.
Zo kwam ik terecht in Bretagne, Hospitaal Longchamps St.-Lunaire, bij Dinard.
Op deze manier is de secteur van Langemark geëindigd met de bloedige verliezen welke wij, het 13e, aan de Duitsers hebben toegebracht.
De gesneuvelden zijn te vinden op het Duits militaire kerkhof te Langemark.
Zij allen die daar rusten, werden merendeels gedood tijdens de gevechten te Langemark door het 13e regiment.

De Duitse offensieven, maart-juli 1918.
(Uit: P. Simkins, De Eerste Wereldoorlog. Het westfront, Lisse, 1992, p. 189)

 

Commentaar en toelichtingen

Duitse offensieven in de lente van 1918

In maart 1918 moest Rusland in Brest-Litowsk de wapenstilstand tekenen met Duitsland. Het wegvallen van de Russische tegenstander betekende voor de Duitse generaal Ludendorff dat de oorlog nu tot één front beperkt bleef en hij zijn troepen kon samentrekken in het westen, waardoor hij over een numerieke meerderheid beschikte. De Duitsers pasten nu een nieuwe, mobiele strategie toe, die erin bestond het vijandelijk front door beperkte lokale aanvallen af te tasten om het zwakke punt te ontdekken en daar onmiddellijk toe te slaan.
Zij begonnen in het noorden met aanvallen op Reigersvliet (7 maart), Nieuwendamme, St.-Joris, Oud-Stuivekenskerke en Kaaskerke (18 maart), maar het Belgische leger slaagde erin deze aanvallen op te vangen en het verloren terrein te heroveren.
In de vroege ochtenduren van 21 maart 1918 begonnen de Duitsers met hun eerste offensief "Michael", de grootste artilleriebeschieting uit de Eerste Wereldoorlog. Op 25 maart konden de Duitsers de Somme oversteken en rukten ze door in de richting van Amiens.
Tijdens het tweede Duitse offensief onder de codenaam "Georgette" verschoof op 9 april de Duitse aanval meer in noordelijke richting; ze vielen nu aan van La Bassée tot Ieper en doorbraken het geallieerde front op het scharnier tussen de Portugese en Britse troepen, tussen Armentières en La Bassée. Op 11 april viel Armentières in Duitse handen. Ze trokken verderop in noordwestelijke en oostelijke richting en veroverden de hoogtelijn Wijtschate-Mesen en stonden op 12 april aan de voet van de Kemmelberg.
De Britten beslisten om zich terug te trekken van de verdedigingslijn tussen La Bassée en de kust. Ze ontruimden de Ypres Salient en de Belgen die met insluiting bedreigd werden, verlengden hun front tot Ieper en vonden aansluiting met het 2de Britse leger in de omgeving van Boezinge. Daar de Duitsers het plan hadden opgevat het Ieperse front in een schaarbeweging aan te vallen, was de beslissing om de troepen terug te trekken strategisch zeer belangrijk.
Op 17 april grepen de Duitsers weer eens terug naar hun geliefd manoeuvre: de tang- of schaarbeweging met de bedoeling Ieper in te sluiten door een dubbele aanval: in het noorden op De Kippe-Merkem en in het zuiden op de Kemmelberg. Einddoel van beide aanvallen was Poperinge. Bij Merkem brachten de Belgen de aanval tot staan, maar hun verliezen waren zeer groot: 155 doden, 354 gekwetsten en 449 vermisten. Hoeveel Belgen werden gevangengenomen is niet bekend. Aan Duitse zijde wordt het aantal doden geschat op 244 en 1.211 gekwetsten; de Belgen namen 789 Duitsers gevangen; het aantal vermisten kent men niet. De Belgen hadden het lastig, maar slaagden erin op 18 en 19 april de verloren stellingen weer in te nemen.
In het zuiden verliep de aanval gunstiger voor de Duitsers: zij veroverden de Kemmelberg (25 april) en Loker (29 april) en werden op de weg naar Westouter door de Franse troepen teruggedreven.
Langzamerhand werden de aanvallen schaarser en op de 30ste bloedde het Duitse lenteoffensief dood. Het front rond Ieper had voor de zoveelste keer stand gehouden (Jacobs 1988, 91-95; Lampaert 1987, 168-170; Schepens 1984a, 39-42 en De Vos 1997, 140).

Door brandgas overvallen

In de Eerste Wereldoorlog werden drie soorten gas gebruikt. Chloor en het krachtiger fosgeen tasten de longen aan, die met vloeistof gevuld raken, met als gevolg dat het slachtoffer stikt. Het in 1917 geïntroduceerde mosterdgas veroorzaakt ernstige brandwonden en blaren, zowel op de huid als inwendig, wat een folterende pijn en soms tijdelijke blindheid tot gevolg heeft Simkins 1994, 66-68). Wanneer Pynaert spreekt over brandgas, dan bedoelt hij het mosterdgas of Yperiet, zo genoemd naar de stad Ieper.

Tijdens de slag van Merkem op 16, 17 en 18 april kreeg het Militair Hospitaal van Beveren-IJzer 506 gewonden uit die veldslag. In de operatiezalen konden zeven teams geneesheren tegelijkertijd opereren. Vanaf 17 april rond 10 uur 's morgens werd er ononderbroken geopereerd, dag en nacht, tot 7 uur 's avonds van 18 april, dit was 31 uren aan een stuk. Gedurende die dagen werden er 230 operaties uitgevoerd, de meeste van zwaargewonden. De lichtgewonden werden naar de chirurgische kliniek "Porte de Gravelines" van Calais doorgestuurd. Van de 506 gewonden in het hospitaal van Beveren-IJzer zijn er 58 of 11% overleden (Lanszweert 1981, 20-21).

Buiten de dorpskom van Langemark ligt het Langemark of Deutscher Soldatenfriedhof. Op deze begraafplaats liggen in het totaal 44.061 doden. Vooraan liggen 24.917 soldaten, waarvan 7.977 onbekend zijn gebleven, in een gemeenschappelijk graf. Onder de eiken rusten 10.143 soldaten onder wie bijna 4.000 onbekenden. In het noordelijke, iets hoger gelegen deel, vonden 9.000 soldaten hun laatste rustplaats bij drie bunkers die eens een aftakking vormden van de Hindenburglinie Langemark-Geluveld. Dit deel van de begraafplaats wordt ook Studentenfriedhof genoemd, omdat hier 3.000 studentenvrijwilligers die in 1914 voor Langemark sneuvelden hun laatste rustplaats vonden (Van Maele 1994, 44-45).

 

Hoofdstuk 10 – Hospitaal St.-Lunaire bij Dinard, Bretange

Mei 1918

In de maand mei 1918 kom ik per Rode-Kruistrein toe te Dinard en van hier uit een 7-tal km verder naar St.-Lunaire, alwaar we terechtkomen in een luxe hotel, maar herschapen in hospitaal. Het is hier een schone streek, genoemd "Côte d'Emeraude". Het volk is zeer vriendelijk voor de gekwetste soldaten. Wij kregen veel bezoek van heren en dames die iets wilden doen voor de gekwetsten, ook om wat te vernemen over het frontleven.
Na een tijd konden we in de namiddag wandelen naar het strand, en ook wat in het dorp. Achter de kerk een militair Belgisch kerkhof van vele soldaten die gestorven waren ten gevolge van hun kwetsuren.
Ook op het strand een hotel-hospitaal. Daar werden de Russische gekwetsten verzorgd die van het front uit de streken van Verdun naar hier werden overgebracht.
Het uur van genezing is nabij en velen moeten het groot visite (sic) passeren om genezen verklaard te worden.

Ontslagen uit het hospitaal

Al diegenen genezen verklaard, konden 's anderendaags al vertrekken. We waren met redelijk veel en trokken te voet naar Dinard en werden in de trein gestopt voor het "Camp d'Auvours". Onder de weg stopte de trein voor twee uur in Rennes, hoofdstad van Bretagne. Iedereen mocht voor twee uur in de stad gaan wandelen. Bij het buitenkomen van de statie viel ik bij vier man, waaronder een lansier met een accordeon bij zich. Hij stelde ons voor naar het centrum te gaan. Hij zou accordeon spelen terwijl wij, ons vier, geld zouden ontvangen. Wij ontvingen veel geld en dachten niet meer aan de trein, ook niet meer om naar het station te gaan.

Hotel de Saint-Lunaire et de Longchamps in Saint-Lunaire (Bretagne),
omgevormd tot hospitaal.
(Familiearchief Jan Luyssaert)

“Deserteur”

Intussen was de trein vertrokken en wij gingen onze gang. Na veel geld te hebben ontvangen, gingen wij een bar binnen en vermaakten ons goed, en bleven we daar overnachten om 's anderendaags hetzelfde spel te doen. Nu dat wij eens geld hadden, profiteerden wij ervan om ons eens goed te vermaken. Maar op de derde dag werden wij ingerekend door de Franse gendarmen en deze voerden ons per trein naar Le Mans. Daar werden wij overgeleverd aan de Belgische Commandant [de] Place, die ons deed opsluiten in een Franse kazerne, gans verlaten. De gendarmen sloten ons in een cel in afwachting om voor de krijgsraad te verschijnen. Wij waren deserteurs verklaard.
Na drie dagen kregen wij noch drinken noch eten. Wij waren de hongerdood nabij. We riepen om hulp door het sleutelgat maar niemand hoorde ons. We stelden ons boven elkander om door een hoger venster te roepen dat uitgaf in de achtertuinen van woonhuizen. Maar niemand hoorde ons. Tot op een morgen, de vierde dag, omstreeks elf uur een Franse officier op de koer kwam wandelen, wij door het sleutelgat riepen om hulp en verduidelijkten hem wat er met ons was gebeurd.
Hij zou onmiddellijk de Commandant [de] Place gaan verwittigen. Een uur nadien zijn twee gendarmen gekomen en openden de deur. Wij zijn de kazerne uitgelopen en trokken een bakkerij recht over de kazerne binnen, kochten ons brood. De gendarmen zijn in de bakkerij bij ons gekomen en [wij] gingen vervolgens met hen mede bij de Commandant [de] Place. Hij verhoorde ons, maar als hij onze verklaringen gehoord had, zegde hij daar niet veel op. Vervolgens werden wij door de gendarmen naar het Camp van Auvours overgebracht[4]. Nooit hebben wij nog gehoord van dat deserteurschap. Het verblijf alhier was van korte duur.
We kregen nieuwe klederen en nieuwe wapens en men kon vertrekken naar Dieppe. Hier zouden wij gekazerneerd worden. Maar hier in deze kazerne moet er een opstand zijn geweest. Gans de kazerne was uitgebrand, dus geen plaats. We dienden verder te voet te gaan naar Criel s/M op 20 km van Dieppe. Hier gekomen, zouden wij oefeningen moeten doen om na enige dagen naar het front te vertrekken.

Op deze kaart kan de route goed worden gevolgd die Pynaert man om van St.-Lunaire naar Duinkerke te reizen.

 

Terug naar het front

Midden september 1918

Omstreeks half september verlaten wij Criel s/M om te voet naar Dieppe te gaan. In Dieppe de trein voor het front, over Rouen, Abbeville, Boulogne, Calais, Duinkerke. Tijdens onze reis naar het front werd het ons duidelijk dat er iets op komst was.
Van Boulogne af tot het front was er een troepenbeweging en in iedere statie marchandisetreinen (= goederentreinen) volgeladen om op het eerste alarm te vertrekken. Ook kon men onder de weg de eerste Amerikaanse troepen zien. Anfin het was een beweging van geallieerde troepen tussen Calais en Duinkerke, op een lengte van 40 km.
In ieder station zien we wegbruggen (= mobiele bruggen) op wagons; [op] iedere brug zien we in witte verf de namen van gemeenten in het bezet België alwaar deze bruggen moesten terechtkomen.
In Adinkerke zien wij oneindig veel Franse troepen en veel vreemde officieren van alle landen die aan onze zijde in oorlog zijn. Ons regiment, welke na de sector van Langemark alhier te Adinkerke en De Panne op rust was gekomen, vervoegde ik. Natuurlijk bij het elkander weerzien werd er een woordje gesproken over de slag van Langemark, de gekwetsten, doden en krijgsgevangenen en vermiste kameraden.
Ze zegden mij ook dat na mijn heengaan van Langemark de bombardementen geluwd waren, en dat ze terug werden afgelost door de Engelsen. Vervolgens werd er gesproken over wat we hier vaststelden met deze massale troepenmacht, met zo een geweld van kanonnen die voortdurend werden aangebracht. Het is vreemd, zelfs hier Amerikaanse troepen te zien.

Naar Alveringem

23 september 1918

Op 23 september vertrekken wij uit Adinkerke en De Panne naar het onbekende en stromen met de vreemde troepen mede, natuurlijk in de richting van het kanongebulder.
Zo trekken wij over Veurne naar Ieper toe. We begonnen al benauwd te worden: zouden wij nu weer naar de hel van Ieper moeten gaan? Op de baan kon men nauwelijks door. Kanonnen stonden daar bijna op elkander gestapeld met een enorme troepenmacht. Wat zal er gebeuren?
Gekomen aan het kruispunt Izenberge-Alveringem slaan wij links af naar Alveringem. Een zucht van verlichting voor ons: wij gaan niet naar Ieper toe.
In het dorp van Alveringem gekomen, alwaar onze mars ten einde was, worden wij verdeeld voor slaapgelegenheid in de korenschuren, voor zover er plaats was. Die geen plaats vond, moest maar buiten slapen. 's Anderendaags komt hier een regiment cavalerie toe, met gans een nieuwe bewapening. Zij die de ganse oorlog in Frankrijk verbleven, verschenen nu almeteens hier op het oorlogsveld.

26 september 1918

Toen kwam 26 september 1918. Wij werden door onze officieren verplicht al onze bezittingen in een vaderlandzakje te stoppen en af te geven met een naamkaartje aan gebonden. Dit om zo weinig mogelijk vracht bij ons te hebben. Deze zakjes werden daar op een weide geworpen en we zullen ze nooit meer terugzien.
Dan begon alles erdoor te komen. Officieren verzwegen nu niets meer. En de koning zou een rede richten tot het leger. Het zou over een geweldige aanval gaan met onze bondgenoten om de bevrijding van België. Wij allen hadden liever de korte pijn in plaats van zo een martelingsleven.

Commentaar en toelichtingen

“Deserteur”

Naarmate de oorlog langer duurde, daalde het moreel van de troepen en dat vertaalde zich door een stijgend aantal deserties in de verschillende legers. In het Belgische leger telde men in 1916 1.203 deserteurs, in 1917 waren ze gestegen tot 5.630 (waaronder meer dan 1.000 in de maand december) en in de eerste vijf maanden van 1918 waren er dat reeds 2.778. Latere cijfers ontbreken, maar het is geweten dat de regering zich in juni 1918 zorgen maakte over het toenemend aantal collectieve deserties naar de vijand (Schepens 1984, 174-175).

Terug naar het front

De Verenigde Staten verklaarden na het zoveelste incident met een Duitse onderzeeër op 6 april 1917 de oorlog aan Duitsland. De potentiële macht van de VS was zeer groot, maar op het ogenblik van de oorlogsverklaring telde het landleger slechts 100.000 manschappen. In november 1918 was het aantal opgelopen tot 2.000.000.

 

Hoofdstuk 11 – Vertrek uit Diksmuide op 28 september 1918 voor de bevrijding van België

De vooravond van het grote avontuur

Op de vooravond van het grote avontuur vertrekken wij om 10 uur uit Alveringem na onderricht van onze officieren: niets aanraken, alle wonderbare (= verdachte) voorwerpen laten liggen, geen water drinken, enz. in het veroverd gebied, bij het innemen van bunkers deze zuiveren door granaten te werpen. Wij zouden het ook gemakkelijk hebben, want de artillerie zou de weg voor ons vrijschieten.
Bij ons vertrek een beetje benauwd met het hoofd vol droevige gedachten, want wij zijn toch al zoveel tegengekomen op de vroegere slagvelden, en tot nu toe zijn wij nog in leven. Wat zal er nu van ons worden?

Diksmuide

Om twee uur 's nachts komen wij toe op de ons zo vroegere gekende post C te Diksmuide[5].
Het is redelijk kalm, maar het water valt met stromen op ons neer. Hier staan wij nu op de boorden van de IJzer, overladen met munitie en alle andere voorwerpen zo op elkander gestapeld. De genie is druk bezig bruggen gereed te maken om deze over de IJzer te werpen van zodra de artillerie in werking komt.

28 september 1918

Om drie uur in de morgen 28 september 1918 komt de artillerie in werking.
Duizende bulderende kanonnen zetten hun vernielingswerk in, in de bocht van Diksmuide en verder over gans het front. Duizende tonnen kruit vlogen de lucht in en ontploften met gevaarlijk gekraak en donderend geraas. In de vijandelijke lijnen vuur en vlam ten alle kanten: een vreselijke hel op de aarde, of was het soms het einde van de wereld?
En in die hel stonden wij soldaten op het sein te wachten om aan te vallen, met tien aan elkaar gebonden en met [het] geweer in onze vaste handen geklemd; de bajonet op het geweer en bereid om te doden. Geen pen is machtig genoeg om dit verschrikkelijk schouwspel te beschrijven.
Het duurde zo een paar uur maar het leek een eeuwigheid. Plots bij de eerste morgenschemering schoot een veelkleurige fusee de lucht in. Dit was het sein.
Boven het gedonder uit hoorden wij het bevel "En avant" en daar stormden wij achter een vuurgordijn, dwars door de overstroming op de eerste vijandelijke loopgraven.
Hier was alles verwoest en vernield, zowel de stellingen als [de] bezetter zelf. Bloed en verhakkelde lichamen overal, geen enkel levend wezen was hier nog te vinden. En verder stormden en strompelden en kropen wij, want gans het terrein was meermaals omgewoeld. Vloekend en tierend, wanneer wij in de prikkeldraad bleven hangen, en zwetend en hijgend wanneer wij ons uit de modder loswrongen.
En zo trokken wij immers vooruit ter verovering van ons aangewezen doel: Woumen en daarna Klerken en Zarren. Deze bloedige woestenij beschrijven is onbegonnen werk.

Eindoffensief 1918 - "Legergroep Vlaanderen".
(Uit: M. Jacobs, Naamstenen 1914-1918, Brugge, 1988, p. 96)

Woumen en Klerken

Te Woumen is er een kleine weerstand. Wij komen op een stukgeschoten boerderij, maar tot hier toe nog altijd in [de] gietende regen. Wij, dood van vermoeidheid, gingen ons wat gaan verbergen achter een haag. Magerman Louis van Welden bij Oudenaarde zette zich daar op een stoelke om wat uit te rusten, maar vloog de lucht in. Het stoelken was verbonden met een landmijn. Dit was onze eerste gesneuvelde. Er komen nu al krijgsgevangenen in onze handen. Tegen het donker wordt, komen [we] al toe te Klerken en is de opmars gedaan. Wij moeten ons hier voorlopig ingraven. Hier bood de vijand heftige weerstand.
De artillerie moest opnieuw voor ons de weg openmaken. Intussen verschenen de Rode-Kruissoldaten onversaagd op het slagveld. Ze drentelden het veld op en af om de vele gekwetsten te helpen en de talrijke gesneuvelden te begraven, met opengescheurde ogen en afgerukte armen en benen, onthoofde en gehalveerde rompen en daarbij nog onherkenbare stukken vlees.

Op naar Zarren

28-29 september 1918

Eenmaal ingegraven om onze nacht door te brengen van 28 op 29 september komt hier onder de morgen een zwerm Duitse vliegtuigen boven ons hoofd die bommen wierpen en ons mitrailleerden.
Nadat de vliegers weg zijn, trekken wij vooruit naar Zarren toe, maar almeteens botsten wij op een verwoede weerstand en worden we geweldig bestookt met brand- en vitriolbommen (= zoutzuur). De grond brandt onder uw voeten weg. Als u bespatterd wordt dan branden de klederen van uw lichaam weg. Nu komen wij in een verschrikkelijke weerstand terecht en roepen de hulp in van de artillerie. Deze kwam in werking maar niet voldoende daar het merendeel van de artillerie nog geen [weg] kon vinden door deze moerassen.

28 september 1918

Niettegenstaande onze zware verliezen nemen wij Zarren in en drongen verder door. Twee dagen hebben wij gevochten onder een vloed van regen zonder nog van de rest te spreken.
Hier tussen Zarren en Handzame zijn wij blijven steken, vlak voor de versterkte Hindenburglinie. De artillerie kon ons niet meer volgen. Men diende eerst wegen en bruggen aan te leggen. Met behulp van de genie en de krijgsgevangenen werden er wegen aangelegd. Wij kregen honger en men kon ons geen eten aanbrengen. Vermoeid en uitgeput blijven wij daar op het slagveld uitgestrekt liggen. 's Anderendaags werden wij afgelost door het 10de regiment. Bij het aflossen kreeg een kameraad een stukje ijzer, door ontploffing van een obus, in zijn hoofd. Het scheen niets te zijn. Wij brachten de jongen mee tot Klerken en bij zijn aankomst is hij gestorven. Het was toch zo een goede vriend van ons allen. Hij noemde Robert Bertrand en was van Parijs. 's Anderdaags hebben wij hem begraven in een achtertuin van een platgeschoten woning.
Bij de aflossing te Zarren ontmoette ik mijn beste vriend Camiel Van Wassenhove uit Landegem, zo maar te midden het slagveld.
Wij bleven hier te Klerken wat op rust maar 's nachts moesten wij werken, munitie aandragen naar de voorlinie, ook soms op patrouille gaan langsheen de ijzerweg (= spoorlijn) Zarren-Handzame. Dit laatste was een gevaarlijk werk in deze overstroming.
De dagen van stilstand zijn voorbij. De wegen en bruggen zijn klaargekomen. De kanonnen werden over de moerassen gebracht en wij kregen eten en drinken. Nu staan wij klaar voor de verovering van ons vaderland en nog meer misschien naar het einde van de oorlog. Het zal wel eens een dag worden van vreugde en overwinning.

Commentaar en toelichtingen

Vertrek uit Diksmuide op 28 september 1918 voor de bevrijding van België

Het Belgische leger werd in januari 1918 gereorganiseerd en bestond op het ogenblik van de bevrijdingsstormloop op 28 september 1918 uit volgende eenheden:
- 6 legerdivisies of 12 infanteriedivisies (ID);
- 1 divisie cavalerie (= 3 brigades);
- 1 brigade zware artillerie;
- legertroepen;
- hulptroepen.

Het leger telde 167.000 manschappen, 1.100 kanonnen en 100 vliegtuigen.
Het Belgische leger kon de aanvalsopdracht in Vlaanderen uiteraard niet alleen aan. Daarom werd de Legergroep Vlaanderen gevormd waarvan, naast het volledige Belgische leger, ook Britse, Franse en Amerikaanse divisies deel uitmaakten.
Het eerste doel van de bevrijdingstroepen was de hoogten van Klerken, Staden, Passendale en Zonnebeke te veroveren. Negen Belgische ID en een Franse ID, verdeeld in Groepering Noord, Centrum en Zuid, zouden op 28 september een aanval uitvoeren. Het aanvalsterrein was in een naakt maanlandschap veranderd, vol onder water gelopen granaattrechters, zonder bomen of struiken, zonder wegen. Het was een ontzettend moeilijk gevechtsterrein, waar men door het zuigende slijk van granaattrechter naar granaattrechter moest waden.

Tegenover deze Belgische aanvalstroepen stond een zwaar beschermde Duitse verdediging. Het westelijk front strekte zich uit van de Noordzee tot Armentières. Hier stonden 197 divisies opgesteld waarvan zes van de Noordzee tot Ieper. Het moreel van de Duitse soldaten stond echter op een zeer laag pitje, ze zijn moe, voelden zich door het thuisfront in de steek gelaten en kregen weinig te eten zodat ze zelfs aan het plunderen sloegen.

Het terrein zelf werd verdedigd door drie achter elkaar liggende stellingen, 4 à 5 km van elkaar gelegen. De eerste stelling had een diepte van 2,5 km en omvatte vier linies: de Frankenstellung, de dubbele Preussenstellung en de Bayernstellung. Het was in hoofdzaak een defensiezone, waarin het strategisch belangrijke Bos van Houthulst lag dat heel wat artilleriegeschut verborg. Vier km achter de Bayernstellung lag de Flandern II Stellung met twee linies. Tenslotte was er de Flandern I Stellung (d.i. de noordelijke uitloper van de Hindenburglinie), op 4 km van de Flandern II Stellung gelegen en waarvan de juiste ligging op 28 september door de geallieerden niet precies was gekend.

Het aanvalsplan zag er in grote trekken als volgt uit: de Duitse verbindingen met de kust moesten worden afgesneden, vandaar dat Brugge moest worden veroverd en de Duitsers verder oostwaarts gedreven worden. Aan de rechterkant moest naar de Leie opgerukt worden, vanuit Komen naar Gent, om de opmars naar Brugge te dekken en het hoofd te kunnen bieden aan de vijand die vanuit het zuiden zou kunnen oprukken.
Over een front van 12 km tussen het overstromingsgebied van de Blankaart en Ieper werden drie aanvalsgroepen in linie gebracht.
Aangezien Florimond Pynaert deel uitmaakte van de Groepering Noord zullen we in dit relaas onze aandacht hoofdzakelijk richten op de krijgshandelingen van die Groepering, die was samengesteld uit de 1e, 7de en 10de ID onder het bevel van luitenant-generaal Bernhein. De 10de ID bestond uit het 19de, 20e linieregiment en het 13de linieregiment waarvan Pynaert deel uitmaakte.

28 september 1918, eerste dag van het offensief.

Om 2.30 uur werd het vuur geopend door 1.104 Belgische, Franse en Britse artilleriestukken.
De Groepering Noord staat opgesteld tussen Mangelare en de Blankaartvijver. De verscheidene divisies hadden elk een specifieke opdracht. De 7de ID moest het Bos van Houthulst veroveren. Vanaf het begin van de aanval stond deze divisie onder een hevig bombardement vanuit het Bos van Houthulst. Toch gingen de groepen vlug vooruit tot het begeleidende artillerievuur stopte, dan ging de opmars veel trager.
De 1e ID moest de kam van Klerken innemen en daarna de Zarrenbeek. In het begin verliep alles vlot en het dorp van Houthulst werd al om 10 uur veroverd.
De opdracht van de 10de ID, d.i. het 13de, 19de en 20e linieregiment, was moeilijk en ingewikkeld. Van bij de start werden de troepen onder vuur genomen van op plaatsen die door de Belgische batterijen moeilijk konden geraakt worden. Vrijwel onmiddellijk ging een vijfde van de effectieven verloren. De hele divisie moest zich eerst door een nauwe strook tussen de overstroming van de Blankaartvijver en de noordgrens van de 1e ID wringen en zich dan waaiervormig ontplooien. Bovendien moesten ze de Steenbeek (Langemark) oversteken, wat niet overal even gemakkelijk ging. Woumen werd niet bereikt maar het kasteel De Blankaart werd wel ingenomen.
's Avonds was de weerstandstelling Flandern II Stellung hier en daar ingebeukt, het Bos van Houthulst bijna volledig gezuiverd van Duitse troepen en vijver van De Blankaart omsingeld. Het Belgisch leger had een vooruitgang van 8 km geboekt en vierduizend Duitse krijgsgevangenen genomen. De troepen bivakkeerden die nacht in de regen op de veroverde stellingen.

29 september 1918, tweede dag van het offensief.

Na een korte artillerievoorbereiding hervatten de troepen om 6 uur de aanval. De noordelijke groep had tot doel Klerken en Diksmuide in te nemen. Het 4de, 23e, en 24e linieregiment veroverden het Bos van Houthulst en drongen door tot de Zarrenbeek. De 1e ID bezette de beruchte kam van Klerken. De 10de en de 4de ID die tijdens de voorbije nacht een verbinding tot stand hadden gebracht, voerden rond Diksmuide een omsingelingsbeweging uit en maakten zich meester van Zarren en Esen. 's Middags viel Diksmuide in handen van het 18de linieregiment.

30 september 1918, derde dag van het offensief.

In het noorden slaagden de troepen van de 10de en de 4de ID er niet in de Krekelbeek over te steken. De 1e ID slaagde er wel in zich op de Zarrenbeek op te stellen. Op de avond van 30 september stonden de Belgische troepen net voor de beruchte Duitse Flandern I Stellung: Handzame, Hooglede, Roeselare, Sint-Eloois-Winkel. Daarna viel de aanval stil. De volledige doorbraak in het Duitse front werd niet gerealiseerd. Een nieuw plan moest uitgewerkt worden om de Duitsers van de kust af te snijden en oostwaarts te drijven. Pas op 14 oktober 1918 werd de Flandern I Stellung veroverd.

Duitse krijgsgevangenen werden in de dorpen achter het front ingezet om wegen aan te leggen of te reinigen. In het West-Vlaamse achterland waren er enkele grote doorvoerkampen voor Duitse krijgsgevangenen. Na ondervraging door inlichtingsofficieren werden de gevangenen doorgezonden naar interneringskampen in Frankrijk, Engeland en zelfs Canada (Depoorter 1987, 67-69; De Vos 1996, 152-154; Jacobs 1988, 97-110; Guldenboek 1934, LIX-LXIV).

 

De Landegemse oorlogsheld Florimond Pynaert was drager van veertien onderscheidingen;
1. Diploma van Hulde van het Dankbare Vaderland
2. Kruis van Officier in de Orde van Leopold II
3. Ridder van de Leopoldsorde met Zwaarden
4. Kruis van Ridder in de Leopoldsorde met Zwaarden
5. Ridder in de Kroonorrde met Zwaarden
6. Oorlogskruis met Palm
7. Medaille van de Strijder Oorlogsvrijwilliger
8. Herinneringsmedaille van de Oorlog
9. Zegemedaille van de Oorlog
10. Vuurkruis van de Oorlog
11. Herinneringsmedaille van zijne Majesteit Koning Albert I
12. Herinneringsmedaille van 's Lands Onafhankelijkheid-Eeuwfeest
13. Burgerlijk Ereteken 2de klas
14. Burgerlijk Ereteken 1e klas
(Verzameling Het Land van Nevele)

 

Hoofdstuk 12 - Zarren op 14 oktober 1918

Bevrijding van West-Vlaanderen

13 oktober 1918

Op de avond van 13 oktober 1918 werd onze compagnie bijeengeroepen op een stukgeschoten hoeve.
Onze commandant Roose uit Jette St.Pierre hield voor onze verdunde compagnie een toespraak en zegde: "Beste soldaten, wij hebben al veel geleden, maar ons lijden zal beloond worden met een grote overwinning. Morgen vroeg zullen wij samen de grootste aanval doen uit de geschiedenis. Met mij aan het hoofd zullen wij onze verdrukte volkeren bevrijden. Het zal hard worden. Velen onder ons zullen morgen tegen twaalf uur het droevig lot van de oorlog ondergaan. Nogmaals jongens, heb moed, wij staan voor een vreselijke strijd, maar het gaat hier om de bevrijding van onze broeders. De weerstand zal veel erger zijn dan de vorige aangezien de Duitsers een enorme versterking hebben kunnen aanbrengen en wij vlak voor ons de Hindenburgversterking hebben. Maar onze artillerie zal ervoor zorgen, daar kan u stellig op rekenen. Dus wees allen op uw hoede, uw commandant staat aan uw zijde. Hoe meer Duitsers er zijn, hoe meer er kunnen gedood worden."

14 oktober 1918

In het holst van de nacht kwamen wij aan op het gestelde uur, om drie uur in de morgen. Ik moet er ook nog bijzeggen dat sedert ons vertrek uit Diksmuide het nog altijd regende. Nu staan wij hier om drie uur in de morgen in de gietende regen op enkele meters afstand van de vijandelijke voorposten. Alles is per minuut uitgerekend, en wij kruipen op handen en voeten, dwars door [het] verwoeste veld in groepjes verdeeld naar de vijand toe. Almeteens werden wij door de vijand ontdekt en er barstte een geweldig mitrailleuzevuur op ons los.
De eerste slachtoffers sneuvelden al. Maar op dit ogenblik werden achter ons drie geweldige kanonschoten gelost en dat was het sein voor de geweldig kanonnade. Alles in onze omgeving ging in vlam en vuur op. Fusées werden afgeschoten met alle kleuren van de regenboog. Brandkogels doorkliefden de lucht. De Duitsers kwamen naar ons toegelopen, de armen de lucht in. Deze allen werden neergekogeld en weggemaaid door onze mitrailleuzen. Op zulke ogenblikken weet u zelf niet of u in de ontploffing staat ja of neen. Het lawaai is te geweldig. Het was een gekerm, gevloek en geween. De taferelen die zich afspelen, zijn niet te beschrijven. De Duitsers die niet in de bunkers verstopt zijn, worden allen gedood. Wij van onze kant kregen het ook zwaar te verduren en wel door onze eigen artillerie die te kort schoot en in onze rangen terechtkwam.
Het bombardement duurde tot 5 ½ uur. Dan werd het vuur verlengd en wij gingen tot de aanval over.
Wij gingen goed vooruit en sprongen over veel Duitse lijken die totaal uiteengereten lagen op het slagveld.
Wij komen hier aan de grensscheiding Zarren-Handzame plots terecht in de prikkeldraad. Deze was zeker wel 100 m breed daar achter de Hindenburgversterking. Hier zullen wij het zwaarste ogenblik van de oorlog beleven. Tijdens het doorknippen van de prikkeldraad werden velen weggemaaid door het mitrailleuzevuur. Naast mij sneuvelde luitenant Kretz uit Arlon. Zijn ordonnans Van der Linden Jan uit Brussel loopt hem ter hulp. Ook hij viel dood op het lijk van zijn officier. Naast mij op de rechterkant sneuvelde Berrevoet uit Brussel en nog zovele anderen.
Ik wrong mij door een greppel langswaar vuil water wegliep, terwijl ik op mijn rug lag om de prikkeldraad door te knippen. Eens door de prikkeldraad werd zeer snel de Hindenburglinie ingenomen. Wij waren razend van het zwaar verlies dat ze vanuit de bunkers op ons hadden toegebracht en wierpen granaten in de bunkers die volgepropt waren met Duitsers. Er begonnen veel krijgsgevangen in onze handen te vallen. Maar geen genade voor hen die ons afgeslacht hebben. Eens verder vielen veel krijgsgevangen in onze handen. Wij gingen hen voorbij, maar werden door hen almeteens in onze rug geschoten. Dit veroorzaakte een woede in onze rangen maar onze commandant zegde: "Dat zal niet meer gebeuren, we zullen ze effenaf neerschieten".
Om 13 uur zijn we doorgebroken tot achter het dorp van Handzame. Daar komt het water nog al redelijk breed. Spoedig trokken wij elkander door het water en kwamen terecht achter een berm terwijl de Duitsers van ver op ons mitrailleerden. Wij zaten daar wat verstopt achter deze berm en gingen langzaam vooruit met de commandant aan de kop. Onze commandant was een ware oorlogsheld. Tijdens al deze gevechten hebben wij al veel heldendaden gezien van hem. Nooit of nooit ging hij zich verduiken;
Bij ieder geval was hij aan het hoofd, niets ontsnapte hem. Zo kwamen wij een boerenhof binnen. In de hoek van de boerderij stond een bunker waar almeteens een Duitse officier uit de bunker verscheen met een handgranaat, gereed om naar ons te werpen. Ziende dat wij zo talrijk waren met onze commandant aan de kop, aarzelde hij deze granaat naar ons toe te werpen en wierp hem achter zich in zijn eigen volk. Deze ontploften daar binnen en er ontstond een geroep en getier, maar onze commandant was er als de kippen bij en gaf ons bevel daar granaten in te werpen tot wanneer geen levende ziel meer te horen was.
De bunker lag daar vol gekapt vlees.
Wij trokken verder en komen in contact met de lansiers. Zo werd Handzame ingenomen om 14 uur. De krijgsgevangenen die nu in onze handen terechtkomen, zijn niet meer degenen van vroeger. Ze zien er vuil en slordig uit. Ze werden gewaar dat het lied "Deutschland über alles" uitgezongen is. Men zou waarachtig medelijden hebben voor hen maar neen, ze hebben ons al te veel misdaan. We schoten ze nog liever dood.
Geen officier of soldaat zal hun barbaarsschap ooit vergeten. Ook daarbij staan ze op de rand van de afgrond en zullen verslagen worden. Ondertussen zijn wij langzaam terug in hevig gevecht terechtgekomen. Wij schuiven achter de Duitse lijken door. Ik ging mij verbergen achter een lijk en terwijl ik mij verstopte, deed ik zijn ransel open met het doel een scheermes te vinden. Maar al met eens komt een officier naast mij gekropen en richt zijn revolver op mijn hoofd, roepende in het Frans: "Wat doet u hier?". Ik trachtte hem duidelijk te maken dat ik naar een scheermes zocht. Neen, zegde hij, als u niet vooruitkruipt zal ik op u schieten.
Hij meende dat ik een truc gebruikte om mij van het gevecht te onttrekken. Dit gebeurde onder het vuur der mitrailleuzen. Een eind verder werd hij gedood door het mitrailleuzevuur. Zijn broeder, ook luitenant, liep hem ter hulp en vooraleer hij bij zijn broeder was, werd ook hij gedood.
De naam ben ik vergeten, maar beiden waren van Châtelineau. We konden niet verder van het geweldig mitrailleuzevuur en groeven ons in, maar werden nu onder vuur genomen met een soort kleine raketten die de Duitsers voor het eerst gebruikten. Achter ons stonden de lansiers gereed om in te grijpen wanneer de Duitsers de aftocht zouden blazen. Maar de Duitsers hadden dat paardespel ontdekt, daar zo dicht bij hen en begonnen erin te schieten met dit soort raketten. In enkele minuten werden de paarden gedood. Zo kregen wij eten, want wij sprongen op de dode paarden om vlees te hebben. Sommigen van ons eten rauw paardenvlees. Zo'n erge honger leden we.
Nadien werd de hulp ingeroepen van de lansiers om een charge te doen op deze mitrailleuzenesten. Met de paarden welke overgebleven waren van dit raketvuur deden zeven man vrijwillig een charge, maar werden met paarden en mannen allen gedood. Paarden kwamen hier nog niet te pas. Ziende dat de Duitsers langsom heviger werden, trokken ze met de overschot van [de] paarden terug. De paarden die daar ten grond gekwetst lagen, werden allen afgemaakt met kogels. Toen wij al goed ingegraven waren en de Duitsers nog steeds met raketten schoten, ontplofte een raket juist aan de put waar ik me had ingegraven. Ik was bedwelmd door de luchtverplaatsing. Wat er met mij verder is gebeurd, weet ik niet, maar in ieder geval ben ik tot mezelf gekomen in een grote tent welke diende als veldhospitaal en gelegen was aan de Hindenburglinie die wij hadden ingenomen in de loop van de voormiddag. Ik had geen letsel en kon terug mijn compagnie vervoegen.
Maar om terug bij mijn compagnie te komen, moest ik over het slagveld gaan. Hoeveel gesneuvelden ik daar zag liggen! Ook toen ik uit de tent weg ging was deze bomvol met gekwetsten en buiten de tent lagen de doden daar allen nevens elkander.
Ik ging verder over het slagveld en kom daar op een moment aan een soort versterking en daar rondom lagen zeer veel gesneuvelden, Duitsers en Belgen onder elkander. Ik vond daar een jongen tussen van Turnhout die Brabants noemde. In de loop van de dag had zijn broeder mij gezegd dat hij hem miste en deze zeer waarschijnlijk gedood was in de ronde van de Hindenburglinie. Al deze gesneuvelden waren van mijn regiment. Ik liep verder over het dorp van Handzame waar ik niets anders vond dan dode paarden met gesneuvelde lansiers. In ieder geval een verschrikkelijk slagveld. Mirakels gebeuren zelden. Om hier door te komen is het ook een echt mirakel geweest.
Ik liep verder zoeken naar mijn compagnie en volgde een kleine kalseide naar Wijnendale. Men was nog immer aan het schieten met deze kleine raketten en ik sprong daar een huisje binnen, wat een herberg scheen te zijn geweest.
Maar toen ik daar binnenkwam, lagen er op zijn minst vijftig lijken op elkander gestapeld. Het bloed vloeide de deur uit, het waren allen van het 13e. Ik ben seffens verder gegaan om mijn compagnie te vinden. Ik vond ze verdeeld liggen in een weide waar ze bezig waren met zich in te delven.
Sedert dat ik van het terrein verdwenen was, waren ze al wat verder geraakt, vlak voor het bos van Wijnendale.
Toen ik bij hun kwam, viel de avond in en wij groeven ons in voor een brede gracht. De gracht diende ons als bescherming. In de verte komt een donkere wolk over het slagveld aangedreven als teken van rouw voor hen die op het slagveld zijn achtergebleven. Gieren of roofvogels zullen niet komen om de lijken op te vreten want voor hen is het te gevaarlijk. Het kanongebulder schrikt hen af.
De ratten echter kijken niet om voor dat lawaai.
De nacht werd verder doorgebracht onder een stroom van water en [we] waren door vermoeidheid in slaap gevallen. In het holst van de nacht werden wij wakker geschud door het water en zijn verplicht weg te vluchten, wilden wij niet verdrinken. En zo eindigde de verschrikkelijke slag van Zarren en Handzame. Op het drapeau van het 13e regiment zal voor eeuwig de naam van deze twee gemeenten staan.

15 oktober 1918

Bij het klaar worden van de dag komen wij moeilijk in beweging. Stram en verstijfd en dwars doornat, bevende van de koude, trekken wij op naar Wijnendale. Het geschut is stilgevallen, ook de mitrailleuzen. Langs kanten en grachten zeer voorzichtig en langzaam vooruit.
Toen wij voor het bos van Wijnendale kwamen, komt daar plots een hooggeplaatste Duitse officier uit het bos, gevolgd door een twintigtal soldaten met de armen omhoog om zich over te geven.
De Duitse officier protesteerde hevig tegen onze commandant, waarom dat weet ik niet. Zij stonden oog in oog toen opeens onze commandant de Duitse officier neerschoot en ons bevel gaf ook de overigen neer te schieten.
Het was deze groep die ons daags voordien zo lang had tegengehouden met zijn mitrailleuzen en ons zulke bloedige verliezen had toegebracht.
Onze commandant zei: "Wij hebben hen hier niet gevraagd om ons volk te komen uitmoorden. daarom zullen wij alle middelen gebruiken om hen van ons vaderland weg te drijven of zo niet, hen ter plaatse uitroeien. En dit is de beste oplossing".
Na deze schermutselingen aan het bos van Wijnendale sloegen wij zeer spoedig rechts af, naar Kortemark toe, want in het bos konden zich nog mitrailleuzenesten bevinden. Deze groep kon zich overgeven om ons in een hinderlaag te lokken, daarom lieten wij meteens het bos links van ons liggen.
Wij schuwden het mitrailleuzevuur en sloegen rechts op naar Kortemark toe. Hier zijn wij blijven overnachten in Duitse barakken die ze onbeschadigd in hun aftocht achterlieten.
Voor het eerst hebben wij dekking (dekens) over nacht sedert ons vertrek uit Alveringem.
's Avonds is soldaat Brabants mij komen vragen of ik van zijn broeder afwist. Ik dierf het hem niet zeggen dat ik bij het lijk van zijn broeder had gestaan. Hij was boos op mij. Iets waarover ik veel spijt heb gehad. Ik moest het hem van de eerste keer gezegd hebben.

16 oktober 1918

Na een goede nacht te hebben doorgebracht, goed geslapen, zonder veel koude, vertrekken wij in de richting van Koekelare.
Het oorlogsveld is nu achter de rug. Een eind verder komen de eerste burgers tevoorschijn. Het was een zeer aandoenlijk iets die mensen daar van onder hun schuilplaats te zien springen. Ze liepen naar ons toe en weenden van vreugde en geluk. Zij ook hebben bange dagen beleefd en wachten ongeduldig op hun bevrijders.
In heb begin was dit een gevaarlijke zaak deze burgers rond u te hebben. Ze weigerden van ons weg te gaan en zochten bescherming bij de soldaten.
Nu dat wij volop in de burgerbevolking komen, draaide de zaak anders. Het Duitse leger was in volle aftocht en [we] zijn niet meer in contact met de vijand. In plaats van zorg te dragen voor de burgers, dragen deze nu zorg voor ons. Overal waar wij nu komen, worden wij ingelicht hoe lang dat de Duitsers weg waren en met hoeveel, welke richting, enz.
's Morgens om elf uur nemen wij Ichtegem in, onder een enorme vreugde der bevolking. Van daar trekken wij de grote baan Torhout-Oostende over en trekken dwars door de velden en grachten richting Ruddervoorde. Hier steken wij de grote baan Kortrijk-Brugge over en slaan rechts af naar Wingene.Het is nu twee dagen dat wij nog geen schot hebben gelost. We zijn ook nog niet beschoten. Maar zeer ver op de rechterkant is het kanonvuur geweldig. Wij komen tegen de avond toe in Wingene.
Almeteens hebben wij hier contact met de Duitsers en het gaat er geweldig aan toe. Ze laten alle kruiswegen in de lucht vliegen en bieden hardnekkige tegenstand aan een waterloop achter het dorp. Hier leden wij nog wat verliezen tijdens deze schermutselingen. [Omdat we] Niet verder meer kunnen, zijn wij vlak voor deze waterloop blijven vernachten.
Tijdens de nacht zijn de Duitsers ervanonder getrokken. Wij kenden hun trucs al goed: het is telkens tijdens de nacht dat ze op de vlucht slaan.
Onder de morgen, zonder contact met de vijand, trekken wij op tot Beernem en blijven we hier voorlopig in het gesticht rusten.
Hier komen ons andere troepen aflossen. Voor het eerst sedert ons vertrek uit Alveringem kunnen we eens rustig slapen en niet onder de blote hemel.
Twee dagen lang zien wij hier troepen en kanonnen voorbijtrekken richting Schipdonkse Vaart.

Verovering van het Schipdonkkanaal en de operatie Landegem

Na twee dagen goede rust komen wij terug in beweging en trekken over Maria-Aalter. Hier blijft men overnachten. 's Anderendaags vertrekt men naar Bellem en lossen wij de chasseurs af. Hier tussen Bellem en Hansbeke komen we terug in contact met de vijand. Het ziet er naar uit dat dit al een voorsmaakske zal zijn van de Schipdonkse Vaart. Intussen zijn de Franse troepen al doorgedrongen tot Deinze.
Hier tussen Bellem en Hansbeke groeven wij ons in achter een stromijt. Het was een bitter koude nacht. Onder de morgen kropen wij verder langsheen de grachten. Nauwelijks 50 m van ons komen dar zeven Duitsers. Onmiddellijk gaven ze zich over. Zij ook van de achterhoede hadden de nacht doorgebracht achter een stromijt.
Van nu af wordt er geweldig geschoten met stikgas. We zijn verplicht ons gasmasker op te zetten. Met het gasmasker op ons gezicht zijn wij deze dag slechts tot Hansbekedorp geraakt. Tijdens de nacht hadden wij het zwaar te verduren van de bombardementen. Op één nacht werd het dorp gedeeltelijk verwoest. Wij ook liepen van huis tot huis.
Onder de morgen, langsheen de spoorlijn, breken we door tot Landegem, vlak voor de vaart, onder beschietingen van stikgas. Mijn moraal was goed, daar ik van Landegem was en zeer overtuigd [was] direkt over de vaart te geraken. Maar, het was een teleurstelling. In plaats over de vaart te geraken, kwam ik in een bloedig gevecht en bombardement met stikgas terecht. Ik [was] persoonlijk van de voorpost, maar het was niet mogelijk de vaart te naderen.
We werden achteruit getrokken en gingen ons verschansen in het boerenhof van Standaert, wijk Heirenthoek. Nadat wij er verschanst zaten, werd het boerenhof in brand geschoten en brandde totaal uit. Vanuit de brandende woning zijn wij naar de achtertuin gevlucht en hebben ons daar ingegraven om de nacht door te brengen.
Het bombardement nam in hevigheid toe met stikgas. Tijdens de nacht [kwamen] geniesoldaten toe op een hoeve langs de overkant van de straat. Daar werden bruggen in gereedheid [gebracht] en alle soorten materiaal aangebracht om over de vaart te werpen. Bij ochtendnevel werden wij bijeengetrommeld om de bruggen over de vaart te gaan werpen met de geniesoldaten. Wij namen de bruggen op de schouders en trokken dwars door het veld, recht op de vaart af.
Maar helaas, we zijn nog geen driehonderd meters ver of we werden met bruggen en manschappen totaal uiteengerukt. Na deze mislukte poging kwam het bevel "Sauve qui peut" en de verzamelplaats was de gemeenteschool te Bellem. Ieder soldaat leed aan gasvergiftiging en moest voor de geneesheer verschijnen, die ons allen twee dagen rust toekende. Wij zijn niet talrijk meer. De meeste soldaten van ons hebben de dood gevonden in de veldslagen. Onze verliezen zijn zo groot geweest te Klerken, Zarren en Handzame en toch zouden wij de grote stoot geven om over de Schipdonkvaart te breken.
Hier ook vallen de laatste slachtoffers van het 13e regiment, toen op 1 november 1918 het grote aanval gegeven werd. Op die morgen werden wij verdeeld in groepjes met de genie en voor de derde maal zouden we trachten over de vaart te breken. De bruggen op de schouders en vertrokken voor de derde keer met een sterk gemoed, zeggende de derde keer goede keer. Recht op de vaart af. Er was nog kanon- en mitrailleuzevuur maar deze uitbarsting was niet meer zo erg als vroeger. Naarmate we de vaart naderden, verminderde het geschiet (sic). Wij dachten al: de Duitsers zullen ons laten komen tot aan de boord van de vaart en ons dan met volle geweld beschieten. Maar neen! Alles was doodstil en we wierpen de bruggen over de vaart in minder dan vijf minuten, zonder schieten en zonder verliezen. Het was gelukt. Wat later stond gans het 13e regiment over de vaart. Wij zijn dus over de vaart gebroken te Merendree, achter het kasteel van Kervijn de Merendree. Daar ik zelf van de gemeente was, werd ik door mijn commandant aangeduid om met een korporaal en zes man de patrouille door te zetten naar het dorp. Op deze manier kwam ik als eerste soldaat met mijn makkers het dorp Landegem binnen. Ik had mijn eigen dorp ingenomen. Het zag er triestig. Na twaalf dagen bombardement half verwoest, hier en daar wat doden en gekwetsten onder de burgers en op de overkant van de vaart veel gesneuvelde soldaten.
Na het dorp te hebben ingenomen zette onze patrouille verder door. Zo kwam ik aan mijn ouderlijke woning welke twee km achter het dorp lag.
Mijn ouderlijke woning die ik verlaten had in 1914, zag ik aan met wenende ogen, gans geplunderd en verlaten want mijn ouders en gans de burgerij waren weggevlucht richting Gent voor de bombardementen. Wij met onze zeven mannen stappen verder door tot aan de grensscheiding Landegem-Drongen. Daar hebben wij met ons zeven mannen nog op de achterhoede geschoten op de Duitse cavallerie. Toen werden wij afgelost door een andere divisie.
Daar aan de grensschending van Landegem-Drongen heb ik de laatste kogels verschoten van de oorlog 1914-1918. Wij hadden een vreselijke weg afgelegd vanuit Diksmuide tot Drongen.
Het regiment trok zich terug naar het dorp te Landegem. Hier hield onze commandant Roose, een ware oorlogsheld, een toespraak tot zijn overlevenden van de compagnie en zegde ons dat waarschijnlijk de oorlog zou zijn gedaan, want het doel vooropgesteld bij ons vertrek uit Diksmuide, is bereikt. Hij dankte ons allen voor onze grote heldenmoed. Inderdaad de oorlog was voor mij geëindigd op mijn eigen gemeente.
Wij bleven nog twee dagen op Landegem in rust. En toen de vluchtelingen stilaan terug naar huis toekwamen, vertrokken wij naar Ruiselede op rust in de gebouwen van [het] wederopvoeding[gesticht]. Inmiddels was ons leger doorgedrongen tot het kanaal Gent op Terneuzen op de rechterkant tot Zwijnaarde. Alzo werd Gent ingesloten.

11 november wapenstilstand

Maar op 9 november werden wij overladen met munitie. Gent moest kost wat kost ingenomen worden en wij stonden gereed om te vertrekken, toen almeteens een bericht kwam om niet te vertrekken, maar om in toestand van alarm te blijven.
Wij allen natuurlijk waren zeer tevreden en vroegen ons af wat dit wel zou mogen zijn. Het zal misschien uitgesteld zijn tot morgen. Neen, op 10 november bleven wij nog ter plaatse. Maar in de namiddag begon er iets door te schemeren. Officieren liepen goedgezind rond en konden hun geluk niet verzwijgen en zegden ons dat het wapenstilstand zou worden. Niet te geloven. Waarom schieten ze dan nog geweldig. Er is in de verte kanongebulder.
Maar wij liepen toch rond met deze wapenstilstand in ons hoofd. Zouden wij toch het geluk hebben deze vreselijke oorlog te overleven? Wij die dachten dat het voor ons ganse leven zou zijn.
In de avond begonnen wij feest te vieren. Het was gelijk een republiek geworden. Konden wij nu aan drank geraken, we zouden er een op drinken. Maar alles was uitgeput in België. Wij vierden feest onder elkander, zonder drank, tot laat in de nacht. Tenslotte zijn wij op ons stro gaan liggen en in slaap gevallen.
De morgen van 11 november 1918 werden wij gerust gelaten. Maar, in de verte was er nog altijd kanongebulder. Om 10 uur werden wij op de koer van het gesticht door onze officieren bijeengeroepen en deze deelden ons mede dat [het] om klokslag elf uur staakt het vuur zou worden. Geen enkele mag het gebouw verlaten want op 12 november zouden wij in de vroege morgen vertrekken.
Wij allen liepen daar ongeduldig rond klokslag 11 uur af te wachten. Elf uur kwam. De kanonnen vielen stil en hun droevig lied was uitgezongen.
Wij die vier jaar lang aan de rand van ons graf hebben gestaan, zijn op een wonderbare wijze aan de dood ontsnapt en komen als grote overwinnaars met ons geallieerden uit de bloedige oorlog 1914-1918.
Voor eeuwig in de geschiedenis zal de eer en de roem van het 13e regiment geboekt blijven met op zijn drapeau de namen van de veldslagen.

Commentaar en toelichtingen

Bevrijding van West-Vlaanderen

Op 14 oktober trok de Legergroep Vlaanderen opnieuw ten aanval en veroverde diezelfde dag nog de Flandern I Stellung (Zarren-Hoogstade-Handzame-Roeselare-Ledegem).
Op 15 oktober stortte het Duitse front in elkaar. De Legergroep Vlaanderen was 17 km ver gevorderd. Op 16 oktober verlieten de Duitsers de IJzer en de Belgische kust. De Belgen konden nu haast ongehinderd over de IJzer komen. De Duitsers poogden de Belgische opmars af te remmen met mitrailleurvuur en gasgranaten en weken op 21 oktober terug achter het Schipdonkkanaal.
Op 23 oktober konden de Duitsers de geallieerde opmars stoppen aan het Schipdonkkanaal en de Leie. De Legergroep Vlaanderen was buiten adem. Het bleef maar regenen… (De Vos 1996, 155-156; Schepens 1984, 52; Demeester 1985, 369).

Verovering van het Schipdonkkanaal en de operatie Landegem

De verovering van Landegem en Merendree was vooral het werk van de 9e en 10e Infanterie Divisie (9 ID, 10 ID).
Sedert 30 januari 1918 bestond de 9 ID uit de 1e en 4e Jagers te Voet en het 14e Linie. Ook de 10e Infanteriedivisie (10 ID), waarvan het 13e en 19e Linieregiment deel uitmaakten, nam deel aan deze gevechten (Guldenboek 1934, 215).
Aan de hand van de geschiedenis van de regimenten die streden in Landegem en Merendree probeer ik het relaas van Pynaert te toetsen aan de feiten. We mogen het Pynaert niet kwalijk nemen dat hij zich wel eens van dag vergist, in het heetst van de strijd heeft een soldaat andere zorgen dan zijn dagboek bij te houden en data te noteren.

Het 13e Artillerieregiment

De operatie Landegem werd voorbereid door het 13e Artillerie dat op 5 februari 1918 samengesteld werd uit nieuwgevormde groepen en uit andere groepen van verschillende afkomst (Guldenboek 1935, 67).
De batterij nam deel aan de achtervolging van de aftrekkende Duitsers. In de streek van Wingene werd op 18-19 oktober slag geleverd om de vijand te verdrijven die zich achter de Ringbeek verschanst had. De Duitsers weken, om tenslotte achter het Afleidingskanaal van de Leie, ook Schipdonkkanaal genoemd, een volgende weerstandslinie te betrekken.
De batterij reed rond de middag van 19 oktober 1918 langs het hospice van Maria-Aalter en nam stelling tussen Sterrewijk en Biesem (Aalter).
Op 20 oktober kreeg de batterij bevel zich ter beschikking te houden van het 1e Jagers te Voet. Om 4 uur werd het wekken geblazen en in een druilerige regen wachtte de kolonne tot 8 uur op het sein om te vertrekken. Uiteindelijk dokkerde de artillerie over de hobbelige straatkeien naar de bossen rond de Kranepoel (Aalter) om vandaaruit rond 17 uur naar de geschutsopstellingen te rijden even buiten Markette (Aalter).
De tegenstand van de Duitsers was niet verminderd, wel integendeel. Daardoor was er zelfs enige verwarring ontstaan en werden tegenstrijdige orders gegeven bij de Belgen. Zo had de commandant van de batterij rond 15 uur het bevel gekregen om stelling te nemen op Reibroek (Hansbeke), maar toen hij met de verkenners op weg ging om de plaats te onderzoeken, werd hij ter hoogte van Markette verwittigd door een infanterie-soldaat dat de vijand niet ver af was.
Op 21 oktober was de Duitse achterhoede eveneens geweken achter het Schipdonkkanaal, waar ze de overtocht belette.
De Belgische kanonniers namen stelling dichtbij de Leegstraat[6] voor het zicht gedekt door een haag. De schootsrichting van het basisstuk van de batterij werd geverifieerd door het afvuren van enkele schrapnels in de richting van de kerktoren van Landegem en kort daarop werd de torenspits afgeschoten.
Op 22 oktober kreeg de 9 ID opdracht om te trachten het kanaal te bereiken. Het 13e Artillerie moest het 14e Linie steunen. De aanval zou om 6u30 beginnen, maar wegens moeilijkheden werd de start verschoven. De manschappen en soldaten waren ondergebracht op een boerderij. De batterij bleef enkele dagen op die plaats en voerde talrijke beschietingen uit. Toen zij op haar beurt bestookt werd, ontplofte een 7,7 cm projectiel onder een stuk, waardoor het omkantelde en buiten dienst geraakte.
Op 28 oktober werd een stelling betrokken dichtbij het kruispunt van Veldeke (Nevele). Eén sectie voerde beschietingen uit op vraag van de infanterie.
De 9 ID zou opnieuw pogen over het kanaal te geraken. Op 30 oktober kreeg de groep Artillerie, in steun van een bataljon van het 4e Jagers, opdracht stelling te kiezen tussen de spoorweg Gent-Brugge, de Kozijnbeek (Hansbeke) en Ro (Hansbeke) om de infanterie bij te staan tijdens het overschrijden van het kanaal. In de morgen verkende de commandant van de batterij in het gezelschap van de majoor de nieuwe stelling. 's Namiddags werden de paaltjes geslagen op de plaatsen waar de stukken precies moesten komen en 's nachts bracht men er een dagvoorraad munitie naartoe, hoewel de vijand de hele zone hevig bestookte. Maar de artillerie zweeg, enerzijds om haar aanwezigheid niet te verraden, anderzijds omdat ze bezig was van stelling te veranderen.
Op 31 oktober vertrok de batterij rond 16 uur om haar stelling te betrekken daar de Duitsers tijdens de dag wat minder de streek hadden beschoten.
Op 1 november begon bij dageraad het voorbereidend vuur. De kapitein volgde angstvallig het verloop van de aanval. Toen kwam het bevel van de groep om de vuurkadans te verminderen en rond 9 uur werd het vuren gestaakt. De infanteristen die terugkwamen, verklaarden dat ze niet hadden kunnen oversteken omdat de passerellen niet waren aangekomen. De officier van de Genie die de operatie moest leiden, was gewond aan het hoofd en had tijdens de mars meer dan de helft van zijn mannen verloren zodat de rest niet meer bij het kanaal was geraakt.
De batterij Artillerie die sinds 28 september in het getouw was geweest, kreeg acht dagen rust in de streek (De Vos 1975, 164-170).

Het 1e en 4e regiment Jagers te Voet

Nadat ze hun kantonnement hadden verlaten in de nacht van 14 op 15 oktober 1918 gingen het 1e en 4e Jagers in reserve in de groep van generaal Michel; zij volgden de troepen en ruimden enkele weerstandsnesten van de vijand op.
Op 20 oktober losten de twee regimenten het 2e en 3e Linie af, het 1e Jagers in de buurt van Zande (Hansbeke) en het 4e bij Nevele. Tussen beide regimenten bevond zich het 14e Linieregiment.
Onder het geschut van Minen- en Granatenwerfer, overstelpt met gasgranaten en bestookt met het mitrailleurvuur in de flank vanuit Merendree, slaagde het 1e Jagers erin tussen 21 en 24 oktober de westelijke oever van het Schipdonkkanaal te zuiveren van Duitsers en ze naar de oostelijke oever te verdrijven. Het 1e Jagers vestigde voorposten op de weg langs de westelijke kanaaloever maar hun inspanningen overdag en 's nachts hadden de manschappen uitgeput.
Tussen 25 en 30 oktober werd de overtocht van het kanaal voorbereid. In de nacht van 24 op 25 oktober loste het regiment 4e Jagers zijn strijdmakkers van het 1e Jagers af voor Landegem.
Mortiergeschut, mitrailleurposten en observaties werden opgesteld. Passerellen en vlotbruggen werden in gereedheid gebracht en zo dicht mogelijk bij het kanaal aangevoerd. Achter de Jagers stelde de artillerie zich op en voerde versterking aan, munitie werd opgestapeld, de genietroepen maakten de bruggen klaar en luchtballons stegen op als observatiepost. Deze zone was een echte dodenzone en tussen 22 oktober en 26 oktober lieten verscheidene soldaten van het 1e en 4e Jagers bij Landegem het leven.
Op 31 oktober werd een algemene aanval uitgevoerd. Binnen de 9e Infanteriedivisie (9 ID) had het 4e Jagers de gevaarlijke opdracht om een bruggenhoofd tot stand te brengen in Landegem. Ondertussen zouden op de rechterflank de Fransen Nevele aanvallen.
Maar de poging om loopbruggen in het kanaal te gooien mislukte. Van zodra de dragers, gesteund door het 1e Jagers en de Genie naderden in een kaal en onbeschermd terrein, maaide een hels vuur de mannen neer en vernietigde het materieel. Een regen van kogels en granaten verpletterde de bataljons van het 4e Jagers.
In Nevele stieten de Fransen op dezelfde Duitse tegenstand, maar ten zuiden van Nevele bezweken de Duitsers onder de aanval en in de buurt van Deinze werd het Schipdonkkanaal door Frans-Belgische troepen overgestoken.
Op 1 november verbrandde de vijand totaal ontsteld zijn installaties, blies zijn opslagplaatsen op en begon zich terug te plooien wat echter door de Belgische vliegtuigen werd opgemerkt.
Het geschikte ogenblik afwachtend, wierp het 4e Jagers op 2 november 's morgens zijn Habert-zakken[7] in het Schipdonkkanaal, bouwde een geïmproviseerde brug en overschreed het kanaal op deze wankele constructie.
Het regiment kwam Landegem binnen dat nog rook naar kruit. De inwoners waren zo overstuur dat ze de Belgische soldaten in kaki niet herkenden en weigerden hun schuilkelders te verlaten. Landegemdorp was één grote puinhoop…
Op de avond van 2 november bevond het 4e Jagers zich al aan de Leie in Baarle (Drongen) en het 1e Jagers trok naar Sint-Martens-Leerne (V.F. 1935, 8-9; Vangansbeke 1984, 120).

Het 13e Linieregiment

Op 22 oktober kwam het 13e Linieregiment, waarvan Florimond Pynaert deel uitmaakte, aan in Aalter waar het lichtjes werd gebombardeerd en enkele dagen rust nam.
Op 30 oktober losten de manschappen het 20e Linie af aan het Schipdonkkanaal tussen de spoorwegbrug van de lijn Brugge-Gent en de wijk Overbroek in Merendree. Het eerste bataljon (I) bezette Hansbeke, het tweede (II) trok in eerste linie naar de kanaaloever en verdedigde deze oever, het derde (III) ging in reserve in het kasteel van Bellem. Overal werd dit regiment door de vijand bestookt met gasgranaten en artillerievuur. Dertien inwoners van Hansbeke stierven ten gevolge van deze aanvallen met gasgranaten.
Op 31 oktober bereikte het 13e Linie de westelijke oever van het kanaal voor Landegem, maar het kwam in een bloedig gevecht terecht en kon de kanaaloever niet bereiken. De troepen verschansten zich op de Heirenthoek in het Schaaphof van de familie Standaert. Deze hoeve werd in brand geschoten en de soldaten moesten zich ingraven in de tuin om er de nacht door te brengen.
Als gevolg van de Frans-Belgische operaties bij Deinze, waarbij de troepen erin slaagden het kanaal daar over te steken, werd de druk van de vijand verlicht in de sector Landegem-Merendree.
Op 2 november 's morgens stak het eerste bataljon het kanaal over, vestigde een bruggenhoofd en verenigde Overbroek[8] (de westelijke kanaaloever in Merendree) met Merendreedorp. Pynaert dateert deze aanval op 1 november, maar vergist zich. Het 13e Linieregiment werd door het 19e voorbijgestoken dat de leiding nam van de beweging richting Leie. Het 13e volgde in tweede linie en bereikte de avond van 2 november volgende plaatsen: het eerste bataljon (I) bereikte het station van Landegem; het derde (III) bataljon (waartoe Pynaert behoorde) trok naar de wijk "Driesch" (de huidige Poeldendries te Landegem) en vestigde er de Generale Staf; ook het tweede bataljon (II) stak het kanaal over en installeerde zich op de Landegemse wijk Wilde.

Verslag van pastoor Van Rechem over de krijgsgebeurtenissen in Merendree van 18 tot 24 oktober 1918[9]

Op vrijdag 18 oktober 1918 ging de Ortskommandant van Hansbeke om 8 uur 's morgens naar pastoor van Rechem van Merendree en gaf hem het bevel tot algemene evacuatie van de bevolking. De pastoor zelf kreeg de toestemming om in Merendree te blijven bij de zieken. Heel beleefd vroeg de Ortskommandant aan de pastoor om zijn best te doen opdat alles ordentelijk zou verlopen. In groep werd een groot gedeelte van de bevolking onder bewaking van gewapende Duitse soldaten weggeleid. Zij kregen verbod met iemand onderweg te spreken en gingen over Oostakker en Lokeren naar St.-Niklaas.[10]
Op 24 oktober kwam het bevel dat alle inwoners het dorp moesten verlaten. Tijdens een bombardement op 24 oktober wilden de Duitsers de kerktoren opblazen maar dit is niet gelukt. Op 26 oktober om 9 uur 's morgens kwam de laatste aanmaning. Indien iemand het zou wagen te blijven, zou de doodstraf volgen. Diezelfde 26 oktober om 10 uur 's avonds moest de pastoor op bevel van de Ortskommandant de pastorij verlaten. Hij kreeg drie wagens voor zeven zieken en zes andere personen. Zij werden naar Gent gestuurd waar ze om 0u30 aankwamen.
Ondanks deze veiligheidsmaatregelen vielen er toch vijf slachtoffers onder de burgerbevolking: Rachel De Vreese, 19 jaar en René Van Holsbeke, 20 jaar, werden gedood door vliegtuigbommen; Thérèse Praet, ongeveer 60 jaar, Triphon Bogaert, familievader, ongeveer 40 jaar en zijn dochtertje Clarisse Bogaert, 10 jaar werden gedood door het vuur dat in een kelder terechtkwam.
Tijdens het eindoffensief hadden de Duitsers in Merendree een groot aantal kanonnen opgesteld waarmee ze Hansbeke en Zomergem bestookten. Dit bombardement duurde van 20 oktober tot 2 november, maar op die dag waren het de Belgen die bombardeerden. Vroeg in de morgen van 2 november 1918 staken de Belgen het Schipdonkkanaal over en trokken naar Lovendegem en Drongen.
De Duitsers trokken zich daarna terug op Gent en vandaar bombardeerden ze Merendree, Zomergem en Hansbeke tot aan de wapenstilstand op 11 november.

Einde van de strijd

Op 3 november werd het 13e Linieregiment afgelost door troepen van de 4e Infanteriedivisie (4 ID) en het trok weer westwaarts over het kanaal. De Generale Staf en het tweede bataljon vestigden zich in Bellem, het eerste bataljon bewaakte de brug van Bellem en het derde bataljon verbleef tijdelijk op de Hansbeekse wijk Hamme.
Het 13e Linieregiment moest niet meer ingezet worden, trok op 7 november naar Ruiselede en nam er zijn intrek in het Rijksverbeteringsgesticht waar het de wapenstilstand van 11 november vernam (Masart 1984, 17-18; X 1935, 97-98).

Vervolg van Pynaert zijn relaas

In de volgende hoofdstukken verhaalt Pynaert hoe hij met zijn 13e Linieregiment de Rijn in Duitsland gaat bezetten. Ook voegt hij er nog enkele losse bedenkingen aan toe over zijn commandant Roose, voor wie hij een grote bewondering had, over het leven achter het front en hij eindigt zijn verhaal met enkele anekdoten. Ten slotte herhaalt hij enkele thema's uit zijn relaas in een apart hoofdstuk over de zware gevechten die hij heeft meegemaakt en over de strenge winters tijdens de oorlog. Op het einde van zijn relaas voegt hij een onvolledige lijst met de namen van zijn kameraden uit de oorlog.

Dank

Ik dank heel bijzonder de personeelsleden van het gemeentelijk archief te Nevele en van het museum van het leger te Brussel die me op vele manieren hebben geholpen bij de samenstelling van dit artikel.
 

Het vernielde Schaaphof van de familie Standaert op de Heirenthoek te Landegem in 1918.
(Verzameling mevr. A. Van de Velde-Standaert)

Loopbrug of passerelle over het Schipdonkkanaal te Landegem in 1918. De brug lag naar alle waarschijnlijkheid ongeveer op de plaats van de vernielde brug over het kanaal.
(Verzameling Het Land van Nevele)

De vernielde kerk van Landegem na de verovering van het dorp op 2 november 1918 door Belgische troepen. Voor de kerk is er nog beweging van Belgische soldaten.
(Verzameling Koninklijk Legermuseum - Brussel, nr. B1.266.1)

 

Passerelle over het Schipdonkkanaal te Merendree in 1918. De loopbrug lag ten noorden (dus richting Zomergem) van de zgn. Kalebrug. Op de achtergrond zien we de houten noodbrug. De foto werd gemaakt vanaf de westelijke oever met zicht op Merendree.
(Verzameling Koninklijk Legermuseum - Brussel, nr. B1.286.1)

 

De houten noodbrug over het Schipdonkkanaal te Merendree in 1918. De foto werd gemaakt vanaf de westelijke oever met zicht op Merendree.
(Verzameling Het Land van Nevele)


 

De puinen van het huis van bakker Camiel Scherpereel in het Hammeken te Merendree na de gevechten van oktober-november 1918.
(Verzameling Julien Scherpereel)

Tijdens de gevechten aan het Schipdonkkanaal in oktober-november 1918 werd de bakkerij vernield van Frans Bouckaert te Merendree. Op dezelfde plaats staat nu de bakkerij Alain Bouckaert, bij de zgn. Kalebrug in de Hansbekestraat 10 te Merendree.
(Verzameling Julien Scherpereel)

Vooruitgang van de Belgische troepen tijdens het bevrijdingsoffensief aan het Schipdonkkanaal te Landegem en Merendree. De 9 ID bestond uit het regiment 1e Jagers te Voet (1 Ch), 4e Jagers te Voet (4 Ch) en 14e Linie (14 Li).
(Kaart uit L.Vangansbeke, Les chasseurs à pied Belges dans la priemière guerre mondiale, Bruxelles, 1984-85)

Het einde van de gevechten aan het Schipdonkkanaal te Landegem en Merendree.
(Kaart uit A. Massart, Historique du 13e de Ligne 1918-1980 et des unités issues en 1939-1940, s.l., 1982, p. 352)

De bewegingen van het 1e en 4e Jagers te Voet in de herfst van 1918.
(Kaart uit V.F., De L'Yser à l'Escaut avec les 1er et 4e régiments de chasseurs à pied en automne 1918, (Extrait du Bulletin Belge des Sciences Militaires, Janvier 1935), Bruxelles, 1935)

De bewegingen van het 13e Linieregiment en het 13e Artillerie tijdens het eindoffensief aan het Schipdonkkanaal.
Verklaring van de afkortingen: 13A = 13e Artillerie; I/13 Li = 1e bataljon van het 13e Linieregiment.
(Verkleind fragment van de militaire kaart Aalter-Nevele, uitgave 2, IGNB 1982, M 834, blad 21/3-4, schaal 1:25.000)
 

[1] Over de Merendreese oud-strijders 1914-18 verschijnt in de loop van 1999 een artikel in Mensen van Toen.

[2] Meer informatie over de Landegemse oud-strijders vindt u in het artikel van J.Luyssaert, Landegemse soldaten, oud-strijders en burgerlijke slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog, in Mensen van Toen, jg. 8 (1998), afl. 2, blz. 25-48.

[3] J. LUYSSAERT, Landegemse soldaten, oud-strijders en burgerlijke slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog, in Mensen van Toen, jg. 8 (1998), p. 25-44.

[4] Zie J. LUYSSAERT, Oorlogsrelaas van Florimond Pynaert, de Landegemse vrijwilligers 1914-1918, in Het Land van Nevele, jg. 29 (1998), afl. 4, p. 336.

[5] Zie J. LUYSSAERT, Oorlogsrelaas van Florimond Pynaert, de Landegemse vrijwilliger 1914-1918 (II), in Het Land van Nevele, jg. 30 (1999), afl. 1, p. 55

[6] Ook Laagstraat genoemd, nu een deel van de Boerestraat in Hansbeke.

[7] Opblaasbare zakken om vlotten te maken.

[8] In de originele Franse tekst staat er "englobant Overpoucke et Meerendre" (Massart 1982, 17), maar dit is fout, aangezien Overpoeke net als Merendreedorp op de oostelijke kant van het Schipdonkkanaal ligt, dus op de door Duitsers bezette kant.

[9] Bisschoppelijk Archief Gent, Verslag van 24 juli 1919 door Rémi Van Rechem, pastoor van Merendree.

[10]Zie G. DE MUYNCK, Groot-Nevele in oude foto's, Eeklo, 2001, foto p. 76.

[11] Zie ook in Het Land van Nevele, 1996, afl. 4, p. 341-343, met foto.