Sterke verhalen uit het Land van Nevele

door Albert Martens

 

In één van zijn ‘Zichemse Novellen’ verhaalt Ernest Claes met milde humor en ontroerende, diep-menselijke tragiek over Wannes Raps, de dolaard en wildstroper uit het Land van Scherpenheuvel, die ‘ieverans ut de Kempe’ kwam en ‘noeit ofte noeit gien voader of gien moeder’ heeft gehad.

Claes schrijft:
‘Wannes kon van die dingen vertellen waar bij een mens grauw werd van schrik.
Hij had eens vier nachten achtereen, terwijl hij op de konijnenloer lag, een doodskop over de weg zien rollen, elke keer op dezelfde plaats.
Daar was op een nacht eens een kat met hem meegelopen van Wolfsdonk naar Meulstee, hij had er met zijn poenjaar naar gekapt, ze geraakt, en twee dagen daarna kwam hij in een huis waarvan iedereen wist dat het wijf een heks was, en Wannes zag dat ze een lange snee over heur kaak had.
Hij had eens te middernacht, aan het begin van de Westelse dreef, een pater zien van het Smisbos afkomen, een paardehacht achter zich aanslepend, en toen Wannes de eerste woorden van zijn peerdenpaternoster uitsprak, had de helse verschijning een schreeuw gelaten dat de klokken van ’t Everbeurs klooster er van geluid hadden en het stoenk èn uur in ’t ronde noar solfer en pek’.

Zoals vroeger een ‘Cies Veeste’ in het Land van Nevele van dorp tot dorp zwierf, zal iedere streek wellicht haar eigen ‘Wannes Raps’ gekend hebben, naar wiens mysterieuze verhalen, op een lange winteravond rond de potstoof, met bange blikken of met innerlijke pret, velen hebben geluisterd.

Van de talrijke sterke verhalen uit het Land van Nevele die ongetwijfeld in de volksmond nog steeds levendig gehouden worden, tekenden F. De Potter en J. Broeckaert er enkele op in hun reeks ‘Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen’.[1]

Die verhalen getuigen van een zeker bijgeloof bij onze voorouders, van hun angst voor het onbekende en hun vrees voor het onverklaarbare. Mogelijk zijn ze ook ontstaan uit de fantasie van een eeuwige grappenmaker of uit het benevelde brein van een onverbeterlijke nachtridder. De meeste verschillen in grote lijnen maar weinig van de belevenissen van Wannes Raps. Enkele zijn eigen aan een bepaalde lokaliteit of situatie.

Het is zeer onwaarschijnlijk dat die verhalen zelfs ook maar de geringste historische waarde hebben, toch lijkt het me zinvol een korte bloemlezing van die sterke verhalen uit het Land van Nevele (in een meer eigentijdse spelling) samen te stellen. Zij kunnen m.i. in grote mate bijdragen tot een onderzoek naar het geestesleven van onze voorouders, wier fantasie en vertelkunst in alle geval nog niet afgestompt waren door de TV!

Sint-Martens-Leerne

Het wonderkalf

Op een zondagavond was een inwoner van de gemeente wat laat in een herberg gebleven. Bij het naar huis keren kwam hij aan de ‘Warande’ een groot kalf met zwarte en witte plekken tegen. Het dier had ogen in de kop die als twee vlammende vuurstralen schitterden. Telkens als het de poten verzette, gaf dit een zo geweldige slag dat de grond er van dreunde.
Men kan zich indenken hoe bevreesd de man was toen het kalf steeds dichter naderde. Toch verstoutte hij zich en wierp met zijn eigen stok naar het spook dat een wreed gehuil liet horen hoewel het niet geraakt was. Meer dood dan levend geraakte de man eindelijk thuis. Hij vond er zijn stok terug, gans met haar en bloed bevlekt en zijn eigen beste kalf uit de stal dood op de vloer.

Het spook van de Plattegracht

Een boer van het dorp had zich op driekoningenavond wat lang opgehouden met het kaartspel. Het was middernacht toen hij het ‘Uilken’ verliet en moederziel alleen naar huis trok. Toen hij aan de ‘Plattegracht’ kwam, hoorde hij almeteens een geweldig gedruis in de bomen en vreesde dat ze alle gingen ontwortelen. Een eindje verder ontstond er nogmaals een hevig geloei in de elskant. De dode takken werden tegen elkaar geslagen. De op de grond liggende bladeren werden in draaiwolken naar omhoog geslingerd, terwijl een groot zwart ding hem eensklaps voor het gezicht verscheen. Tevergeefs wilde de boer gaan lopen maar was als aan de grond vastgenageld. Het monster stond in een onheilspellende houding voor hem. Toen verwekte de man een akte van berouw en las het Sint-Jansevangelie en zie: het nachtgevaarte verkleinde en verdween stilaan uit het gezicht.

Merendree

De Sloder

Elke nacht, om twaalf uur, kwam in de hovingen van een grondeigenaar, nabij het dorp, een vreemd wezen uit de grond en doorkruiste de gemeente in alle richtingen; telkens vertoonde het zich in verschillende gedaanten. Nooit deed het iemand kwaad maar het vergezelde soms een eindje de laat op de baan zijnde personen om dan plotseling spoorloos te verdwijnen. De ene had het gezien als een soort rol, zonder kop, poten of staart, die steeds voortrolde. Een andere zag het als een tamelijk groot ding en bemerkte ogen als karbonkels; het sleepte een zware keten achter zich. Nog anderen zagen het als een klein hondje dat, naarmate het voortliep, steeds groter en groter werd tot het tweemaal zo groot was als een paard. Al wie te middernacht over de oude brug kwam, zou zeker het verschijnsel ontmoeten.
De dorpelingen hadden het spook de naam ‘Sloder’ gegeven; ze meenden dat op de plaats, waar de gedaante uit de grond steeg, geld verborgen lag en Sloder niet eerder rusten kon dan wanneer de schat ontdekt was.

Poeke

De hand Gods

In het begin van de elfde eeuw verkeerde de houten kapel van Poeke in een zeer vervallen staat. De inwoners besloten de kapel af te breken en op dezelfde plaats, die ongeveer in het midden van de gemeente lag, een stenen kerk te bouwen.
Reeds waren daar de bouwmaterialen samengebracht en opgestapeld. Op een ochtend vonden de metsers, die naar het werk kwamen, echter niets meer van hun gereedschap terug: stenen, mortelkuipen en stellingen en wat al meer waren verdwenen. Alles werd in een verafgelegen veld, nabij het kasteel, en op dezelfde wijze waarop het de dag tevoren geplaatst was, teruggevonden.
Het volk zag in deze wonderlijke gebeurtenis de hand Gods en men aarzelde niet de kerk op te richten op de akker waar de bouwstoffen waren neergezet. Het land waarop de houten kapel had gestaan, werd het Kerkveld geheten.

Hans van Poeke-weg

In het begin van de 14e eeuw, toen Vlaanderen onder het Franse juk het hoofd moest buigen, hield de Koning van Frankrijk een groot steekspel te Parijs. Onder de menigvuldige kampvechts die in het worstelperk waren gestreden, bevond zich een Engelse ridder; zonder eenmaal uit het zadel te zijn gelicht, had hij steeds al de Franse ridders buiten gevecht geslagen. De koning was zeer misnoegd omdat zijn beste ridders voor een vreemdeling, een Engelsman, moesten onderdoen. Wanhopig liet hij het tornooi voor vier dagen schorsen en zond in allerijl een bode naar Hans van Poeke, die op zijn kasteel te Poeke verbleef en om zijn kloekmoedigheid en schrandere overwinningen in ridderlijke steekspelen vermaard was. Bij zijn aankomst op het slot verzocht de bode, namens de koning, heer Hans te Parijs de Engelse kampvechter te gaan bestrijden.
Gevleid door dit verzoek zadelde Hans van Poeke zijn paard en reed naar Parijs. Te Bavikhove, een klein dorp aan de Leie nabij Kortrijk, besloot hij zijn weg te verkorten ten einde tijd te winnen; hij verliet de grote baan, die aldaar een grote bocht maakte, en snelde als een pijl dwars door velden en beemden van Bavikhove over Kuurne en Bissegem en bereikte spoedig de grote heirweg te Menen.
Weldra reed hij Parijs binnen en had nog nauwelijks de tijd om zich te kleden en te wapenen voor het intussen hernomen steekspel; na vele pogingen deed hij de Engelse kamper in het zand bijten. De koning was zeer verheugd en dankte herhaaldelijk de stoere overwinnaar. Hans van Poeke verhaalde aan de koning hoe hij zijn weg diende te verkorten, zoniet was hij te laat te Parijs aangekomen en had hij niet aan het gevecht kunnen deelnemen.
Om deze Vlaamse ridder koninklijk te belonen gaf de koning hem en zijn nakomelingen te toelating om vrij de rechte weg te berijden, die hij tussen Bavikhove en Menen had gevolgd. Sedertdien nemen niet alleen de bewoners van het kasteel, maar ook de inwoners van het dorp deze Hans van Poekeweg, wanneer zij zich naar Kortrijk, Menen of daaromtrent liggende dorpen verplaatsen.

Hansbeke

Spokerij op het neerhof

De pachter van het neerhof van het kasteel in de Veldstraat was aan de pastoor van Hansbeke ieder jaar een vet lam verschuldigd. Nadat de pachter eens verzuimd had zijn jaarlijkse schuld te vereffenen, begon het op het hof zodanig te spoken en ‘aardig te doen’, dat er niets goeds meer kon verricht worden. De oogst mislukte, de dieren stierven en geen enkele dienstbode dierf nog op het erf te verblijven. Het was duidelijk dat de boze geest hier de hand in had en de pachter om zijn verzuim werd gestraft. Tenslotte kwam men op het idee de boze geest in een vlasakker, die het verst van de hoeve verwijderd lag, te bezweren en opeens was het met de spokerij gedaan. Doch naar het schijnt nadert het kwaad ieder jaar een voet en zal aldus eenmaal op het hof terugkeren om er zijn kuren te herbeginnen.

[1] Verschenen te Gent bij C. Annoot-Braeckman.