SPOREN VAN TEMPELIERS IN HET LAND VAN NEVELE

door Stefaan De Groote

 

Sagen en legenden zijn fascinerend omdat ze soms een zweem van realiteit bevatten en worden doorverteld van generatie naar generatie. De laatste sagenvertellers zijn wellicht hoogbejaard, maar Vlaamse volkskundigen hebben de laatste decennia gelukkig reeds honderden dergelijke verhalen genoteerd.

Een groot aantal van deze verhalen gaan over de tempeliers, geheimzinnige historische ridderfiguren die even plots zijn verdwenen als ze ontstonden, maar wiens intrigerende schaduw eeuwenlang is blijven hangen. Het graafschap Vlaanderen is voor de tempeliers belangrijk geweest en vice versa.

Om die reden is het interessant om voor de dorpen van het Land van Nevele eens na te gaan welk materiaal beschikbaar is en wat de mensen hierover hadden te vertellen. We maken verder gebruik van een reeks naslagwerken over lokale geschiedenis en tempeliers in Vlaanderen, aangevuld met de sagen die Theo Penneman verzamelde, naast enkele specifieke toponiemen die in de streek voorkomen. Achteraan het artikel bevindt zich een overzicht van het geraadpleegde materiaal.

 

Geschiedenis van de tempeliers in kort bestek

 

Beschermer of plunderaar?

De tempeliersorde was een (geestelijke) ridderorde die in 1119 ontstond in de context van de kruistochten. In die periode was er een behoefte om de op de moslims veroverde gebieden te beschermen en vooral bedevaarders een veilige doortocht tegen rovers te bieden tot in Jeruzalem. Het initiatief werd genomen door de Franse ridder Hugues de Payns, samen met acht andere ridders, waaronder Godefroit de Sint Omaars uit het graafschap Vlaanderen. De geheimzinnigheid in verband met de tempelorde heeft o.a. te maken met de geheime riten, de strikte hiërachie en de grote rijkdommen. De naam tempelier komt van het tempelplein in Jeruzalem. De orde had op die plaats haar hoofdzetel.

Enerzijds volgde zij de regel van de cisterciënzerorde (armoede, kuisheid, gehoorzaamheid) maar anderzijds ging de orde zich na verloop van tijd zelf te buiten aan plunderingen. Zij werd dus van beschermer zelf rover. Die tegenstelling lijkt opvallend. Maar zij kregen wel uitdrukkelijk het recht van de paus om bij oorlogen en kruistochten buit te verwerven. Abt Bernard van Clervaux stelde bovendien dat de tempelridders bij deze strijd het recht hadden te doden, want door te doden werkten ze voor Christus.

De ridders met het rode kruis op het bovenkleed werden vooral ingezet in Palestina, waar ze in opdracht van de paus de bezette gebieden probeerden te verdedigen tegen de Saracenen onder leiding van oprukkende Saladin. Ook in het Westen werd men actief. Daar werden de middelen verzameld om de strijd tegen de moslims verder te zetten.

Bankiers

Na de nederlaag in het Midden-Oosten, verlieten ze Palestina en werd Parijs de enige hoofdzetel. Er kwam verder een grote vestiging in Cyprus, maar vooral in Frankrijk – en dus ook in Vlaanderen - was men prominent aanwezig. De orde ging zich sterk toeleggen op bankiersactiviteiten. Zij hadden trouwens het recht gekregen om goederen te verwerven en zelfs tienden (middeleeuwse taksen) te heffen.

De bevolking van de commanderijen bestond hoofdzakelijk uit de eigenlijke tempelridders die een militaire functie hadden, verder uit broeders die allerlei karweien opknapten en het land bewerkten en tenslotte uit priesters die instonden voor de erediensten. Aan het hoofd stond een commandeur, die de gemeenschap leidde.

Afgunst en afrekening

De militair-geestelijke ridderorde nam snel in macht en rijkdom toe. Overal, vooral in Frankrijk, werden tempelhuizen gebouwd. Door de bankactiviteiten (leningen) werd vooral de koning van Frankrijk één van de grote schuldenaars. De financiële middelen die van overal binnenstroomden, werden o.a. gebruikt om allerlei projecten in het Oosten te financieren. Het respect en de steun was groot maar ook de afgunst en haat namen toe. De Franse koning Filips De Schone, die hierbij overigens het fiat kreeg van de paus[1], besloot om de orde te vernietigen onder het mom van ketterij en onzedelijke gebruiken. Maar dat was een drogreden, want hij was er vooral op uit om een machtige concurrent te vernietigen, zijn schulden op die manier weg te zuiveren en hun vele bezittingen in beslag te nemen.[2]

In de nacht van vrijdag 13 oktober 1307 werden in Frankrijk honderden tempeliers aangehouden. Velen vonden de dood. Het was meteen het einde van de orde. In sommige afgelegen gebieden, bv. Schotland, slaagden zij erin zich enigszins te hergroeperen en nog een rol van betekenis te spelen.[3] Vermoedelijk lagen zij aan de basis van de vrijmetselarij, die in Schotland ontstond.

Er is een mythe ontstaan rond de schat van de tempeliers die uit de handen van de Franse koning zou zijn gebleven en ergens in veiligheid werd gebracht. Maar de fameuze schat is nooit gevonden. De orde werd in 1312 officieel opgeheven.

 

De tempeliers in het graafschap Vlaanderen

Over de tempeliers werden ontzaglijk veel studies gemaakt, waarin Vlaanderen tot in de jaren zeventig pas fragmentair aan bod kwam.[4] Dit hiaat werd grotendeels opgevuld door het doctoraat van Lieven Cumps, dat werd gepubliceerd als ‘Tempeliers in Vlaanderen” in 1976.[5] Ook archeologisch onderzoek bracht een aantal zaken aan het licht.

De tempel is in Vlaanderen belangrijk geweest. Het graafschap leverde maar liefst drie grootmeesters. De rest waren Fransen. Er ontstond een netwerk van tempelhoven. Heel wat edelen gaven bezittingen of heffingsrechten door aan de tempeliers. Zij steunden hiermee de kruistochten in het Midden-Oosten, maar er was wellicht eveneens ontzag en angst mee gemoeid. Ook de graven van Vlaanderen William Clito en Diederik en Filips Van Den Elzas schonken nogal wat bezittingen. Eén van de schenkers was trouwens een zekere Gilbert van Nevele (1180).[6]

Er was een strakke hiërarchie met verschillende functies. Voor Vlaanderen zijn de volgende commandeurs bekend: Boudewijn van Ledegem (1171) - Theobald van Veurne (1181-1182) - Bernardo Vulpis (1199-1200) - Heldebaldus (1205) - Soibert (1220-1228) - Willem van Lambesart (1230) - Jan... (1235-1236) - Jakob... (1241) - Walter van Villers (1250-1273) - Pieter uten Zak (1280-13..) en Gozwin van Brugge (1309).

Al deze commandeurs stonden onder het bevel van Franse praeceptores. Vanaf 1171 had Vlaanderen ook een eigen praeceptor. Aan de top van de orde stond de grootmeester die zetelde in Parijs.

Vlamingen die een grote rol hebben gespeeld binnen de Orde zijn: Godfried van St. Omaars (de reeds genoemde medestichter) - Hosto van St. Omaars (praktische leider van de Tempelorde in Vlaanderen en "magister in Anglia" of toezichter in het Westen) - Boudewijn van Gent (praeceptor van de Orde in Henegouwen) - Gerard van Ruddervoorde (grootmeester beter gekend onder de naam Gérard de Ridefort) - Simon van Veurne (schatbewaarder van de Tempel in Londen) en Bernard van Veurne (commandeur van Toulouse in Frankrijk).

Ook in Vlaanderen bestond de hoofdbestaansreden van de tempelorde in het verzamelen van geld om de krijgsverrichtingen in l'Outre Mer te kunnen financieren. Zij organiseerden concreet jaarmarkten waarop ze de opbrengsten van hun landerijen en van hun veestapel konden verkopen en waar ze tevens buitenlandse handelaars aantrokken die er ook hun goederen verkochten. Tal van Vlaamse graven waren de orde gunstig gezind en hebben er zelfs deel van uitgemaakt.

Door al die schenkingen ontstond een netwerk aan kommanderijen en tempelhoven, waar ondergeschikte hoeven en landerijen mee waren verbonden. De centra van de templiers in Vlaanderen bevonden zich o.a. in Arras, Douai, Ieper, Slype, Brugge, Ruiselede en Gent, telkens bestaande uit enkele tot tientallen ridders.[7] Volgens de auteur Michel Nuyttens waren er 16 dergelijke tempelhuizen en kommanderijen maar volgens Rogghé waren er nog meer.[8] Daarnaast waren er hoeven met een lagere status, zoals de naburige tempelhoeven in Lovendegem, Sint-Martens-Latem, Kanegem en wellicht ook in Vosselare.

Na het verdwijnen van de tempeliers in 1312 bleven allerlei verhalen verder leven en kregen zij geleidelijk aan een slechte naam als tovenaars, slechte geestelijke… Ook de uitdrukking ‘zuipen, drinken als een tempelier’ is niet echt positief.[9] Zij werden tot en met de vorige eeuw vooral door de volksmensen in verband gebracht met spoken, onderaardse gangen, schatten… Een typische verhaal (van ca. 1400) is dat van ‘ik kom van Kanegem en ik weet van niets’[10]. Hierbij wordt volgens de legende het mes waarmee de pastoor van Kanegem werd vermoord in de zak gestoken van een slapende nietsvermoedende Tieltse lakenkoopman. Ondanks diens ontkenningen (hij wist van niets) werd de man opgeknoopt. De eigenlijke moord op die Kanegemse pastoor wordt toegeschreven aan de tempeliers.

Het Goed ter Meersch in Vosselare was wellicht ooit een tempeliershoeve.

 

Sporen in het Land van Nevele en omgeving

 

De meeste sporen in het Land van Nevele houden rechtstreeks of onrechtstreeks verband met de tempelhuizen in Gent en Ruiselede.[11]

Het tempelhuis in Gent dat o.a. een kerk omvatte, was gevestigd op den briel. Het leidt ons naar het land van Nevele. Het Gentse tempelhuis had in 1181 grond gekregen tussen Oostburg en IJzendijke van de reeds vermelde Gilbert van Nevele. Daarnaast is er Zeger II, kastelein van Gent en Kortrijk, die de tempel bezittingen schenkt die zich o.a. in Kanegem situeren, dus vlakbij het Land van Nevele.[12] Mogelijk gaat het om het goed Viggezele in Kanegem. Cumps deelt mee dat een deel van de inkomsten van het Gentse tempelhuis van een domein uit Ruiselede en Nevele komen[13] terwijl Rogghé daarenboven Vosselare vermeld.[14]

Na het verdwijnen van de tempeliersorde wordt het huis in Gent overgenomen door de hospitaalridders. Het wordt toegevoegd aan het domein van Ruiselede dat ook al in handen was gekomen van de hospitaalridders.

In Ruiselede beschikten de tempeliers over de hoeven ‘Groot goed ter Vlaegt’ en ‘Klein goed ter Vlaegt’, die samen een belangrijke heerlijkheid vormden. De tempeliers hadden dit goed eveneens gekregen van Zeger II, kastelein van Gent en Kortrijk, die in 1200 zelf tempelier was geworden. Dit tempelhof situeerde zich tussen Ruiselede en Schuiferskapelle. Dit laatste domein werd volgens Cumps gefinancierd met een rente uit Vosselare[15]. Rogghé wijst dan weer op inkomsten van o.a. Kanegem en Landegem.

Heel wat mensen zouden tijdens interviews nog andere hoeven in de streek toeschrijven aan de tempeliers, maar het gaat hier over allerlei wonderlijke verhalen en sagen. Ook het verhaal van een verzonken kasteel of een onderaardse gang dook regelmatig op.

Dat de tempeliers tot voor kort de bevolking zeer sterk intrigeerden bewijzen de zondagswandelingen en schooluitstappen die vroeger werden georganiseerd naar de legendarische Oude Wal in Kanegem.

Tenzij anders vermeld, komen de gegevens van de mensen die in 1972 werden geïnterviewd door de volkskundige Theo Penneman. Er wordt telkens een uitspraak weergegeven, gevolgd door de naam van de zegspersoon.

Meigem

Tempelhoeve: “Ik heb gedacht dat erop Meigem ook een gestaan heeft, waar De Smul, mijn moeders thuis gewoond heeft”.

(Leon Peirens)

Nevele

Tempelken: een herberg in Nevele

Tempeliers motte: vóór 1884 hadden we hier een tempeliers motte of lustgoed. In 1884 werd er een kasteel op gebouwd De Kluysse genoemd, het verdween in 1958.[16]

Door oude mensen wordt verteld dat de Tempeliers of tempelridders zich terugtrokken in een grote hoeve en er een eenzaam maar godvruchtig leven leidden.[17]

Er is een café Het Tempelke op Nevele. Op weg naar Meigem.

(A. Van Den Berghe en Gaston Cocquyt)

“En in Nevele is er alleszins een caféke niet te groot tussen Nevele en Lotenhulle bijna, en dat cafeke heet het ‘Tempelke’. En ze zeggen dat er naar alle waarschijnlijkheid dus nog Tempeliers hier in de streek moeten geweest zijn. Ja, dat waren er die teruggekeerd zijn van het H. Land, ridders van Malta.”

(Antoinette De Meyer)

Er is een document bekend uit 1288 waarbij een zekere Adelise jaarlijks 15 pond toekent aan priester Arnulf Van Assche, van het tempelhuis te Gent. Deze 15 pond komen uit inkomsten van goederen die Adelise had en die ze aan de tempeliersorde had afgestaan. Bepaalde van die goederen liggen in Nevele. Adelise was een zuster die in Gent verbleef. Vrouwen waren toegelaten bij de orde, maar ze mochten niet onder één dak leven met de broeders uit die orde.

(Oud Ruysselede, oktober, 2004, blz. 151 en 152)

Landegem

Paul Rogghé ontdekte dat zich in Landegem een goed bevond, dat blijkbaar een bezit was van of inkomsten leverde aan het goed Ter Vlaagt in Ruiselede.

Lotenhulle

“Te Loo-ten-Hulle, volgens de overlevering, woonden vroeger Tempelheren. Zij hadden hunne omwalde motte en woning achter de kerk, ter welker plaatse op verscheidene tijdstippen zwaren fondamenten werden ontgraven”.

(De Potter en Broeckaert)[18]

Ook de geschiedkundige De Seyn schrijft: “De overlevering beweert, dat dicht bij de kerk Tempeliers hebben gewoond”. Hij baseerde zich vermoedelijk op voornoemd werk van De Potter en Broeckaert.

“Volgens dat ik vroeger vernomen heb, hebbende tempeliers hier in Lotenhulle de eerste kerk gebouwd. Met behulp van de inwoners hebben ze met veldstenen de kerk gebouw. En de eerste kerk moet van de 12de eeuw geweest zijn. Dat waren tempeliers die hier gekomen zijn, volgens dat ik horen zeggen heb. Ze hebben de veldstenen daar uitgedolven in een weide daar tegen café ‘De Congo’. Er is daar min of meer een laagte voor het kerkhof.”

(Georges Van Gele)

“Dat waren mannen die ook een beetje aan diktatuur deden en die alleen wilden de baas zijn. En die tempeliers dat waren een soort van pasters nietwaar. En die dan vroeger naar Rome gingen, de kruistochters. Het hof waar Aubin Boone woont. was een tempelhof.”

(Raymond De Craene)

“Tempeliers, dat was ginder op de hofstede van Aspeslag. Einde Lijkstraat.”

(Marinus Cortier)

“Mijn moeder heeft nog verteld over de tempeliers. Tempeliers dat waren gasten die zo een hofstee bouwen ten uitkanten, waar dan in 1800 ten tijde van de revolutie de pastoors zich gingen wegsteken. Op Lotenhulle de baan naar Deinze, waar dat nu de Bonen (?) wonen dat was ook een tempeliershof.”

(Victor Clincke)

“Dat waren een soort kasteelheren en er waren ook hoeven die tempelhoven heetten. Op Lotenhulle was er een waar dat Oktaaf Boone nu woont, nee Aubijn Boone. De hoeve was gelijk een gewone hoeve maar wel een hoog gebouw en zo. Er is water rond geweest, maar dat is nu gedempt.”

(Leonce Peirens)

“Vroeger heb ik horen vertellen dat er zich hier en dat moet op de oude weg zijn naar Varizele brug dat ze zeggen, dat was wat oudere mensen de oude heirbaan tussen Brugge Deinze noemen, een hoveke is waar vroeger tempeliers zouden gewoond hebben. De overlevering zegt dat en ik heb het nog ergens gelezen ook. Want onze kerk heeft eigenlijk een relikwie van ’t kruis en dat is een kerk waarvan het oudste deel uit de 13de eeuw is. Ze beweren dat die relikwie door de tempeliers zou meegebracht zijn uit het H. Land.”

(Antoinette De Meyer)

Poesele

“Nochtans beweert men in het dorp, dat er op de plaats, genaamd het Motje, in vroegeren tijde eene verblijfplaats der tempelheeren stond.”

(De Potter en Broeckaert)

Vosselare

Vooral in Vosselare zijn een beperkt aantal sporen, die verwijzen naar tempeliers. Dat heeft te maken met het ‘Goed ter Meersch’. Eén van de belangrijke heerlijkheden van Vosselare die bij De Potter en Broeckaert uitvoerig worden behandeld is precies dit goed. Zij beschrijven: “Men bemerkt dat er nog de oude ingangspoort en een deel der oorspronkelijke stallingen en muren van de XIIde eeuw zijn.[19] De overlevering wil, dat de tempeliers daar hunne verblijfplaats hadden, en dat na de afschaffing dier orde, in 1312, de familie Van der Meersch, van Nevele, er in het bezit van kwam. Wat die overlevering schijnt te bevestigen, is de aanwezigheid, in de nabijheid van dit goed, van landen genaamd het tempelhof en het tempelland, welke in 1650 aan de Commanderij van Malta, te Gent, toebehoorden.”

Even verder maken de auteurs echter minder voorbehoud i.v.m. de voornoemde overlevering. Ze schrijven immers: “Wij weten insgelijke dat, na de afschaffing der tempeliers, in 1312, enkele edellieden de uitgestrekte eigendommen, welke deze orde te Vosselare en omstreken bezat, onder elkaar verdeelden, en dat genoemde Jan van der Meersch, erfgenaam van de laatsten tempelridder diens naam, de voormalige verblijfplaats der orde in zijn bezit had en het kruis der tempelridders in zijn wapen voerde. Het is derhalve zo vermetel niet te vermoeden dat de kerk van Vosselare door de laatste tempeliers zal gebouwd geworden zijn, en aldus in godvruchtige werken de rijkdommen gebruikten, welke de Fransche koning Philip de Schoone dreigde binnen te palmen.”

Kerckhaert schrijft eveneens over dit goed in zijn werk over de Oost-Vlaamse hoeven. Hij benadrukt dat er nog steeds een ‘Groot goed ter Meersch’ en een ‘Klein goed ter Meersch’ bestaan. De splitsing gebeurde vermoedelijk in de 17de eeuw. De link naar tempeliers wordt gelegd in oude bronnen en toponiemen. Hij gaat daar echter niet verder op in, temeer daar de oudste bekende vermelding van een eigenaar dateert van 1442, toen de tempeliers al lang waren verdwenen.

In Vosselare wordt door de huidige ‘Tempeliersstraat’ aangegeven dat in die buurt mogelijk tempeliers hebben verbleven. De eigenlijke hoeve Goed ter Meersch bevindt zich in de naburige Poortakkerstraat nr. 1.

Een onderaardse gang verbindt de hoeve met de heerlijkheid van Nevele (nu ’t klooster). Deze mondt uit in de stal op de hoeve. In 1312 zou de familie van de Meersch van Nevele het na de tempeliers in bezit hebben. In de nabijheid van dit goed ter Meersh ligt er nog land, genaamd het Tempelhof en het Tempelland, welke in 1650 aan de commanderrij van Malta te Gent toebehoorde.[20]

“Dat er hier een hofstede is het Groot goed ter Meersch die dus vroeger toebehoord heeft aan de tempeliers. Het is het hof van Steenkiste, die is nu bewoond door de Ceuninck, t.t.z. nu door de schoonzoon Verschelden. En dat er daar altijd bestaan heeft een onderaardse gang maar dat er daar nooit bewijzen van gevonden zijn. Liep van het hof, waarschijnlijk onderbroken, naar het klooster die ook aan de heren van Nevele toebehoorde. En anderen vertellen dat die onderaardse gang hiernaar de kerk kwam.”

(Irène Blomme)

“Waar dat Steenkiste gewoond heeft te Vosselare is een tempelgoed geweest. De vroegere naam van de straat was Pastershoek. Nu is dat veranderd. Ik weet niet nu.”

(Karel De Wulf)

“Op Vosselare was ook een tempelgoed. Mijn vader heeft er als knecht gewerkt.”

(Maria Heyndrickx)

Diverse personen die door Theo Penneman werden ondervraagd, meenden dat een onderaardse gang is tussen het goed ter Meersch en: het kasteel van Nevele, het klooster van Nevele, het kerkhof van Vosselare, de kerk van Vosselare, het hof van Everaerts. Sommigen leggen de link met de tempeliers.

Vinkt

“Tempeliers: was dat niet op Vinkt, waar Standaert woont?”

(Adolf Van Hamme)

Zeveren

“Tempeliers: ik heb daar nog horen van klappen dat dat hier op Zeveren zou geweest zijn. En ik woon hier nu 77 jaar. (Waar?). De moerputten liggen daar”.

(Maurice Corijn)

 

Besluit

In het Land van Nevele zijn er weinig concrete sporen van de tempeliers. Hun aanwezigheid was van tijdelijke aard en is te lang geleden om veel bronnenmateriaal op te leveren. Toch zijn ze bijna zeker in de streek actief geweest. Mogelijk hadden de tempeliers een steunpunt in Lotenhulle, dat vrij dicht bij hun tempelhof in Ruiselede ligt. Wellicht was het Groot Goed ter Meersch in Vosselare gedurende een bepaalde tijd in handen geweest van de orde. De heemkundige kring van Nevele adviseerde dan ook terecht aan de gemeente Nevele om een naburige straat in Vosselare de naam van Tempeliersstraat te geven.

 

Geraadpleegde literatuur

K. Lanclus, Bouwen door de eeuwen heen, 12n1 , kanton Nevele, 1989

Marnik Braet, Tempeliershoeve ter Vlaegt en de Orde van Malta te Ruiselede (1200-1800), Oude Ruysselede, oktober, 2004

Lieven K. Cumps, De tempeliers in Vlaanderen, Uitgeverij Veys, Tielt, 1976

E. De Seyn, Geschied- en aardrijkskundig woordenboek der Belgische gemeenten, Brussel (herdruk in Turnhout door Brepols), 2 volumes

De Potter en Broeckaert, Poesele, arrondissement Gent, in de reeks ‘Geschiedenis van de gemeenten van de provincie Oost-Vlaanderen’, 32 delen, Gent, 1864-'70

De Potter en Broeckaert, Lotenhulle, arrondissement Gent, in de reeks ‘Geschiedenis van de gemeenten van de provincie Oost-Vlaanderen’, 32 delen, Gent, 1864-'70

De Potter en Broeckaert, Vosselare, arrondissement Gent, in de reeks ‘Geschiedenis van de gemeenten van de provincie Oost-Vlaanderen’, 32 delen, Gent, 1864-'70

Michel Gybels, Website ‘www.members.lycos.nl/amicitempli’

Jan Hosten, Website ‘www.tempeliers.be’

Noël Kerckhaert, Oude Oostvlaamse hoeven, Federatie voor Toerisme Oost-Vlaanderen, 1988

Michel Nuyttens, De tempeliers in Vlaanderen, Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 1974

Theo Penneman, Volksgeloof en volkssagen in het Land van Nevele (1840-1974), Het Land van Nevele, sept.-dec. 1977, jaargang VIII

Paul Rogghé, De orde van de tempelridders, Kultureel jaarboek 1972, Oost-Vlaanderen, tweede band

P.A.F. van Veen en Nicoline van der Sijs, Etymologisch woordenboek, Van Dale, Utrecht/Antwerpen, 1989

 

[i1Hij kreeg hiervoor steun van paus Clemens V die de orde officieel zou opheffen.

[2]De kruistochten tegen de Katharenh hadden eveneens tot doel om de immense rijkdommen in het Zuiden van Frankrijk in te palmen.

[3]Ook een aantal Vlaamse tempeliers sloegen op de vlucht in de richting van Schotland.

[4]Een aantal historici werken aan een groot naslagwerk over de tempeliers in Vlaanderen. De verschijning is gepland in 2005.

[5]Prof. dr. Lieven K. Cumps, De tempeliers in Vlaanderen, Uitgeverij Veys, Tielt, 1976.

[6]Paul Rogghé, De orde van de tempelridders, Kultureel jaarboek 1972, Oost-Vlaanderen, tweede band, blz. 29.

[7]Dit blijkt uit het cartularium nr. 64 bewaard in het RA in Bergen.

[8]Rogghé,o.c., blz. 112-1133.

[9]Grappig is dat in New York de Orde van de Goede Tempeliers werd gesticht, een genootschap van geheelonthouders.

[10]Er bestaat ook een variante op de uitspraak: “Hij komt van Lotenhulle en hij weet van niets”.

[11]Een belangrijke bron hierbij is de Cartulaire de la Commanderie du Temple, en Flandre, n° 64 (1128-1272) in het Rijksarchief in Bergen

[12]Rogghé, o.c.,blz. 109

[13]Cumps, blz. 99.

[14]Rogghé, o.c., blz. 110

[15]Cumps, blz. 100.

[16]Cumps, o.c., blz. 507 (getuigenis)

[17]Cumps, o.c., blz. 508 (getuigenis)

[18]Blz. 26

[19]De poort is verdwenen. De muren werden bekleed met een nieuwe laag bakstenen.

[20]Cumps, o.c., blz. 625 (getuigenis)