VOLKSGELOOF EN VOLKSSAGEN IN HET LAND VAN NEVELE (1840-1974)

door T. Penneman

 

Bibliografie

 

G.P. BAERT, Armand Pauwels – De laatste Deinse romantieker, in: Bijdragen tot de Geschiedenis der Stad Deinze en van het Land aan Leie en Schelde, XIX (1952), blz. 129-135.

G.P. BAERT, Folklore in de Leiestreek, in: Bijdragen tot de Geschiedenis der Stad Deinze en van het Land aan Leie en Schelde, XXIII (1956), blz. 7-59.

E. BLANCQUAERT, Dialect-Atlas van Noord-Oost-Vlaanderen en Zeeuwsch-Vlaanderen, Antwerpen, (1933-1935), 284 blz.

R. CALLENS, Sagenonderzoek in het Zuidelijk Gedeelte van de Roede van Tielt en Izegem, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Leuven, 1968.

J. CORNELISSEN, Nederlandsche volkshumor op stad, dorp, land en volk (…), Deel I en Deel II, Antwerpen, (1926-1937), 300 en 332.

L.K. CUMPS, De Tempeliers in het Baljuwschap Vlaanderen, onuitgegeven doctorale dissertatie, Leuven, 1975.

A. DE COCK, Vlaamsche Sagen uit den Volksmond, Amsterdam, 1921, 230 blz.

P. DE KEYZER, Een vergeten Oostvlaamschen Folklorist Jules Huyttens (1823-1884), in: Oostvlaamsche Zanten XVII, (1942), blz. 55-78.

L. DE LEENHEER e.a., Natuurspiegel van Oost-Vlaanderen, Gent, z.e., 560 blz.

M. DE MEYER, Opstellen van het Koren in Vlaanderen, in: Oostvlaamsche Zanten XIII, (1938), blz. 210.

P. DE MONT, Sagen, in: Volkskunde I, (1888), blz. 15.

(P. DE MONT), Spotrijmen (Uit de verzameling van Pol de Mont), in: Volkskunde IV, (1891), blz. 84-88 en 261-282.

B. DE POORTERE, Geschiedkundige Kronijk, Vinkt, 1914, (handschrift).

F. DE POTTER & J. BROECKAERT, Geschiedenis van de Gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen: Bachte-Maria-Leerne, 71 blz., Hansbeke, 38 blz., Landegem, 19 blz., Loo-ten-hulle, 26 blz., Lovendegem, 66 blz., Meigem, 21 blz., Merendree, 32 blz., Nevele, 127 blz., Poeke, 34 blz., Poesele, 31 blz., Sint-Martens-Leerne, 15 blz., Vinkt, 27 blz., Vosselare, 53 blz., Zeveren, 19 blz. (Alle werken tussen 1864-1870).

E. DE SEYN, Geschied- en Aardrijkskundig Woordenboek der Belgische Gemeenten, Eerste en Tweede deel, Brussel, z.j.

E. EYLENBOSCH, Woordgeografische studies in verband met de taal van het landbouwbedrijf in West-Brabant en aangrenzend Oost-Vlaanderen, Werken uitgegeven door de Kon. Commissie voor Toponymie en Dialectologie (Vlaamse afdeling) nr. 10, Leuven, 1962 (= 1965), 335 blz.

A. GITTEE, Steden en dorpen tegen elkander, in: Volkskunde V (1892), blz. 127.

J. HUYTTENS, Etudes sur les moeurs, les superstitions et le language de nos ancêtres (Les Ménapiens), comparés avec les usages existant de nos jours dans la Flandre oreintale, in: Messagers des Sciences Hirtoriques ou Archives des Arts et de la Bibliographie de Belgique, Gent, (1860), blz. 100-118, 213-245, 303-339 en 413-439.

A. JANSSENS, (Sagen), in: Jaarboek (van de) Nationale Commissie voor Folklore, Vlaamse Afdeling IV (1953), blz. 52; VII (1954), blz. 22-30; VIII (1955), blz. 47, in: Jaarboek (van de) Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde, V (1957), blz. 28.

N. KERCKHAERT, e.a., Kroniek van Bachte-Maria-Leerne, Bachte-Maria-Leerne, 1975, 255 blz.

V. LOVELING, Het Paardewijden, in: Volkskunde VII (1984), blz. 77-84.

V. LOVELING, De Stalkaars, in: Volkskunde X (1897-1898), blz. 180-182.

V. LOVELING, Verleid worden, in: Volkskunde XIV (1901-1902), blz. 144-148.

V. LOVELING, (Sagen), in: A. De Cock, Vlaamsche Sagen uit den Volksmond, blz. 104-105, 188-208.

A. MARTENS, Legende en Wekelijkheid te Hansbeke, in: Berichtenblad van de Heemkundige kring Het Land van Nevele, IV (1973), blz. 119-126.

A. MARTENS, Sterke verhalen uit het Land van Nevele, in: Berichtenblad van de Heemkundige kring Het Land van Nevele, IV (1971), blz. 78-86.

R. MINNAERT, Virginie Loveling als Folkloriste, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Gent, 1941-1942, 139 blz.

N.N., Twee oude volksrijmen, in: Het Morgenrood, (1943), blz. 76.

N.N., Volkskunde-Atlas voor Nederland en Vlaams-België, Commentaar I en II, Antwerpen, 1959 en 1965, 75 en 220 blz.

N.N., Cijfers van de werkelijke bevolking, per gemeente op 31 december 1970, in: Belgisch Staatsblad, 2 september 1972.

E. PAUWELS, De volksgebruiken rond de verlovingsring en de trouwring in de Provincie Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Leuven, 1965.

T. PENNEMAN, Bekende Heksen en Tovenaars, Proeve van geïntegreerd sagenonderzoek in de arrondissementen Eeklo en Gent, (Veldwerk 1972), Sint-Niklaas, 1972, blz. 186, gestencild.

T. PENNEMAN, Een schriftelijke volkskundige enquête in het secundair onderwijs (1973-1974), in: De Souvereinen, Tijdschrift van de Heemkring van Lokeren en omgeving, V (1974), blz. 83-89.

T. PENNEMAN, Slokkeman, Slokkepier, Slokkebieze, Slokkebui, Sloekebaboe… Een onderzoek naar de volkskundige dynamiek, in: Volkskunde LXXIV (1973), blz. 341-360.

T. PENNEMAN, Volksleven in het Land van Nevele, in: Berichtenblad van de heemkundige kring Het Land van Nevele, VII, (1975à, blz. 243-252).

A. ROECK, De weerwolf in de Nederlandse Volkssage van de Negentiende en Twintigste eeuw, onuitgegeven doctorale dissertatie, Leuven, 1967.

P. ROGGHE, De orde van de Tempelridders en haar geschiedenis in het oude Graafschap Vlaanderen, in: Kultureel Jaarboek van de Provincie Oost-Vlaanderen, 1972, Tweede band, XXVIe jaar, Gent, 1973, 224 blz.

J. TAELDEMAN, Dialektwoorden en –wendingen uit het Land van Nevele, in: Berichtenblad van de heemkundige kring Het Land van Nevele, III (1972), blz. 106.

TEN BEUGEL, De verdoemde Eik – Historische novelle, in: Bijvoegsel bij het Morgenrood, XI (1929-1930), blz. 1-45.

H. VAN DEN ABEELE, Geschiedenis van Sint-Martens-Laathem aan Bosch en Leie, Leuven, 1909, 159 blz.

R.M. VAN DEN ABEELE, De “Vrijheid van Nevele”, Bijdrage tot de vroegste geschiedenis van het Land van Nevele, in: Bijdragen tot de Geschiedenis der Stad Deinze en van het Land aan Leie en Schelde, nr. 16, (1949), blz. 147-166.

R. VAN DER LINDEN, Het Bolspel in Vlaanderen, vroeger en nu, (Gent), 1966, 272 blz.

J. VAN ROMPAEY, Het Land en de Heren van Nevele in een notedop, in: Driemaandelijks Berichtenblad van de heemkundige kring Het Land van Nevele, VI (1975), blz. 133-150.

 

INLEIDING

Het is de droom der volkskundigen het grondgebied dat ze voor een bepaald onderwerp onderzoeken, ook volkskundig begrensd te weten. Het historische Land van Nevele vormde een administratieve eenheid in de kasselrij Oudburg van het graafschap Vlaanderen. Het werd, blijkens de bestaande literatuur grosso modo gevormd door de parochies Nevele, Lotenhulle, Vinkt, Meigem, Sint-Martens-Leerne, Bachte-Maria-Leerne, Vosselare en Zeveren. Voorts behoorden tot het Land van Nevele ook delen van het huidige Deinze, Deurle, Sint-Martens-Latem en Drongen. Het Land van Nevele kende een afzonderlijke schepenbank voor de vriheid Nevele, genaamd Nevele Binnen, en een schepenbank voor het omliggende platteland, Nevele Buiten. Naast deze twee schepenbanken vormde ook het Leenhof een element van eenheid en contact tusen de verschillende parochies. Het Land van Nevele kende oorspronkelijk een kasteel te Nevele, op de plaats waar nu de kerk en het klooster staan. Later kwam een tweede kasteel, waar nu het domein van Ooidonk is.[1]

Het huidige zogenaamde Land van Nevele is geconcretiseerd in het werkgebied van een gelijknamige heemkundige kring. Het omvat de gemeenten Bachte-Maria-Leerne, Hansbeke, Landegem, Lotenhulle, Meigem, Merendree, Nevele, Poeke, Poesele, Sint-Martens-Leerne, Vinkt, Vosselare en Zeveren (Deinze). We stellen dus vast dat Merendree, Hansbeke en Poeke niet tot het historische Land van Nevele behoorden. Het deelnemen van vertegenwoordigers uit al deze gemeenten aan de activiteiten van de kring wijst op een zeker erkennen van samenhorigheid. De fusieplannen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken waren voor het bestuur van de kring trouwens ook aanleiding om elke samenvoeging met gemeenten buiten genoemd werkgebied af te wijzen. Het stelde o.m. in een persmededeling dat met die andere gemeenten in het verleden en ook toen geen enkele vorm van samenwerking bestond. Dit standpunt beschouwden we ook voor deze volkskundige studie als een niet te verwaarlozen gegeven.

Natuurlandschappelijk behoren deze gemeenten grosso modo tot wat in de betreffende literatuur de uitlopers van het plateau van Tielt genoemd wordt. Het reliëf werd in dit gebied versneden door de afwatering van het Poekebeekstelsel, komende van het plateau van Tielt. Het gevolg is dat vanaf Lotenhulle in de richting Nevele het algemeen niveau beneden de 10 meter ligt.[2]

Al de door ons behandelde gemeenten hadden per einde 1967 een bevolkingsdichtheid van minder dan 210 inwoners per km², behalve Landegem dat hoorde bij de gemeenten met 210-299 inwoners per km².[3] In rangorde van aantal inwoners per 31 december 1970 hadden we: Nevele 2666, Landegem 2494, Lotenhulle 2170, Hansbeke 2003, Merendree 1652, Bachte-Maria-Leerne 1401, Vinkt 1379, Vosselare 1014. Minder dan duizend inwoners telden: Meigem 778, Zeveren 718, Poeke 644, Sint-Martens-Leerne 619 en Poesele 430 inwoners.[4] De bevolking van deze gemeenten was in overgrote mate werkzaam in de landbouw. Alleen in het oostelijk deel van dit gebeid was er sprake van een meldenswaard aantal (fabrieks)arbeiders.[5]

Blijkens de gegevens van de Dialect-Atlas zijn er in dit gebeid geen opvallende dialectgrenzen. Toch wijst J. Taeldeman i.v.m. het dialect op het feit dat het Land van Nevele taalkundig geen eenheid vormt, en schrijft: “Het hoeft dus geen verwondering te wekken als sommige (de meeste?!) van de behandelde woorden en uitdrukkingen ook wel buiten het Land van Nevele voorkomen of binnen het Land van Nevele, slechts in één of een paar dorpen gebruikt worden.”[6]

Binnen het Land van Nevele is ook nog een zekere groepering der parochies waar te nemen. De ligging speelt hier uiteraard de beslissende rol. Zo zegt met te Poeke: “Poeke en Lotenhulle zijn één.” Met Vinkt hadden deze twee parochies volgens één onzer zegspersonen geen contact. De inwoners van (het grotere) Aalter worden er als pochers beschouwd. De Leie vormde, volgens een andere zegspersoon een scheidingslijn tussen de bewoners van beide oevers.

Of dit huidige zogenaamde Land van Nevele dan ook volkskundig een zekere samenhang vertoont, kan slechts a posteriori vastgesteld worden.[7] Een relevant onderzoek van de verschillende facetten van het volksleven kan eventuele grenzen[8] vaststellen.

Wat de sagen betreft hebben we in de hiernavolgende studie met dit onderzoek slechts een aanvang gemaakt.

 

EERSTE HOOFSTUK

VOLKSSAGEN OPGETEKEND TUSSEN 1840 EN 1972[9]

 

1. Sagen opgenomen bij F. De Potter en J. Broeckaert (1864-1870)

In hun reeks monografieën over de ‘Geschiedenis van de Gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen’ namen F. De Potter en J. Broeckaert vaak ook sagen op die ze, zoals bekend is, door middel van vragenlijsten door correspondenten toegezonden kregen of die ze uit oudere tijdschriften of publicaties overnamen.

In hun monografieën over Bachte-Marie-Leerne, Landegem, Meigem, Nevele, Vinkt en Zeveren komen geen sagen voor. We laten de sagen voor de andere gemeenten hier in alfabetische orde volgen:

Hansbeke: Spokerij op het neerhof

(P1)[10]De pachter van het neerhof des kasteels in de Veldstraat was den pastoor van Hansbeke alle jaren een vet lam verschuldigd. Eens dat de pachter dit verzuimd had, begon het op ‘t hof zoodanig te spoken en aardig te doen dat er niets meer kon verricht worden dat goed was. De oogst mislujkte, de dieren stierven, en geen enkele dienstbode dorst nog op het hof verblijven. Het was zichtbaar, dat de booze geest hier aldus zijne rol speelde om den pachter over zijn verzuim te doen boeten. Ten langen leste kwam men op de gedachte den boozen geest in eenen vlasakker te bezweren, die het verst van de hoeve verwijderd lag, en opeens was het met de spokerij gedaan; doch men wil, dat het kwaad alle jaren eenen voet nadert, en alzoo eenmaal op het hof zal terugkeeren om er zijne kuren te herbeginnen.[11]

In een gestencild exemplaar van de ‘Geschiedenis van Hansbeke’ door De Potter en Broeckaert, bewerkt en aangevuld door Leon van Driessche, dat we te Hansbeke even mochten inzien, komt deze sage eveneens voor, maar de bewerker schreef erbij dat hij deze sage nooit in die vorm van iemand gehoord had.

Wel bestaat volgens hem een overlevering die door menig Hansbekenaar bekend is en als volgt luidt:

(P1a) Op een hof gelegen aan Filomena kapelle werd vroeger jaren een moord gepleegd op een jongedochter, Barbara van de Walle. De pastoor werd geroepen en deze verjoeg de duivel die de opstoker der moord was, naar het verst gelegen land der hoeve. Ook zoals in voorgaand verhaal nadert de boze geest alle jaren een peerdsvoet grootte dichter het hof om daar zijn toeren te spelen. Er werd ook een eeuwigdurend jaargetijde gefondeerd voor de zielerust van Barbara van de Walle.

De bewerker zegt ten slotte dat hij niet heeft kunnen vinden in hoever het voorval waarheid of legende is.[12]

Lotenhulle: Tempeliers

(P2) De auteurs vermelden de overlevering dat aldaar Tempelheeren gewoond hebben. Zij hadden er nun omwalde motte en woning achter de kerk, men zou er op verscheidene tijdstippen zware fondamenten ontgraven hebben.[13]

Merendree: Sloder[14]

(P3) Vroeger kwam elken nacht om twaalf ure, uit de hovingen van eenen grondeigenaar, omtrent het dorp een vreemd wezen uit den grond op, en doorkruiste de gemeente in alle richtingen, nu eens dezen dan gene gedaante aannemende. Nooit deed het iemand kwaad, maar het vergezelde soms een einde verre de laat op weg zijnde personen om plotseling spoorloos te verdwijnen. De een heeft het gezien als eene soort van rol zonder kop, pooten of staart, en zich immer voortrollende; de ander zag het tamelijk groot en bemerkte oogen als karbonkels: het sleepte, in deze gedaante, een zware keten achter zich. Anderen weer zagen er een klein hondje in, dat, naarmate het voortliep, al grooter en grooter werd, en eindelijk dubbel zo groot als een paard. Al wie te middernacht de oude brug overtrok, kon niet missen het verschijnsel te zien.

De dorpelingen hadden dit spook den naam van Sloder gegeven. Zij meenden dat op de plaats, waar Sloder uit den grond steeg, geld verborgen lag, en hij niet eerder rusten kon dan nadat de schat ontdekt was.

Thans heeft Sloder, die sedert lang niet meer verschijnt, veel van zijn gezag verloren.[15]

Poeke: De Hans van Poeke-weg

(P4) Ooit nam de kasteelheer van Poeke eens een bijweg door de velden om vlugger in Parijs te komen. Hij versloeg daar een beruchte kampvechter. Als beloning mochten Hans en zijn nakomelingen deze recht weg tussen Bavikhove en Menen volgen. Tot aan de Franse Omwenteling zou dit voorrecht bestaan hebben.[16]

Poeke: de kerk van Poeke

(P5) Bij de bouw van de kerk van Poeke werden de materialen steeds op wonderbare wijze verlegd naar de nabijheid van het kasteel. Aldaar werd de kerk dan ten slotte gebouwd. De plaats waar de oorspronkelijke kapel stond werd (rond 840?) nog Kerkveld genoemd.[17]

Poeke: Kaarters op Dartemeersch

(p6) Op Dertenmeersch waar volgens de auteurs Poeke, Vinkt, Aarsele en Kanegem samenkomen, kwamen de burgemeesters van die gemeenten “om der aardigheid wille”, wel eens bijeen “en speelden, ieder op den hoek zijner grens gezeten, met de kaart.”[18]

Poesele: De oorsprong van Poesele

(P7) In ‘t eerste van de wereld reed de prochiemaker, na Nevele gesticht te hebben, verder om Lootenhulle te vormen. Omtrent halfweg gekomen, viel er van zijne kar een groote kluit prochiestoffe. Het volk, dat er achter kwam, schupte den kluit open, en daaruit onstond Poesele.[19]

Poesele: Tempeliers

(P8) … nogtans beweert men in het dorp, dat er op de plaats, genaamd het Motje, in vroegere tijde eene verblijfplaats der Tempelheeren stond.[20]

Sint-Martens-Leerne: Het Wonderkalf

(P9) Een inwoner dezer gemeente was op eenen zondag wat laat in de herberg gebleven. In het naar huis keeren komt hij aen de Warande een groot kalf met zwarte en witte plekken te gemoet. Het dier had oogen in de kop, die als twee vlammende vuurstralen schitterden, en telkens dat het de pooten verzette, gaf het eenen zoo geweldigen slag dat de grond er van dreunde. Men kan denken in wat gesteltenis de man zich bevond, dewijl het kalf hem hoe langer zoo nader kwam. In eens maakte hij zich stout, en sloeg met zijnen stok naar het spook, dat, alhoewel ongeraakt, een wreed gehuil liet hooren. Meer dood dan levend geraakt de men eindelijk te huis, en wat vond hij aldaar? Zijn stok gansch met hair en bloed bevlekt, en het beste kalf uit den stal op den vloer!

Sint-Martens-Leerne het Spook van de Plattegracht

(P10) Een andere boer van het dorp had zich op Drie-Koningenavond wat lang opgehouden met het kaartspel. Het was middernacht toen hij het “Uilken” verliet, en moederziel alleen naar huis trok. Aan de Plattegracht gekomen, hoorde hij zulk een geweldig gedruis in de boomen, dat hij meende dat ze alle gingen ontwortelen. Een einde verder ontstond er nogmaals in den elskant een hevig geloei. De takken werden tegen elkander geslagen, de droge bladeren in draaiwolken naar omhoog geslingerd, terwijl een groot zwart ding eensklaps hem voor ‘t gezicht verscheen. Tevergeefs wilde de boer het op een loopen stellen: hij was als aan den grond vastgenageld, en zag het monster, in eene onheilspellende houding, voor zich staan. In dien toestand verwekte onze man eene akte van berouw, las het St.-Jansevangelie; en zie! het nachtgevaert verminderde en verdween allengs uit zijn gezicht.[21]

Vosselare: Merelinde

(P11) In de Merelinde zat een vrouwtje te spinnen. Deze linde had volgens de auteurs een omtrek van 12 meter en een kruis van 228 voet.[22]

Vosselare: Tempeliers op het Groot Goed ter Meersch

(P12) Men bemerkt er nog de oude ingangspoort en een deel der oorspronkelijke stallingen en muren van de XIIe eeuw. De overlevering wil, dat de Tempeliers aldaar hunne verblijfplaats hadden, en dat na de afschaffing dier orde, in 1312, de familie van der Meersch, van Nevele, er in het bezit van kwam. Wat die overlevering schijnt te bevestigen, is de aanwezigheid, in de nabijheid van dit goed, van landen genaamd het Tempelhof en het Tempelland, welke in 1650 aan de Commanderij van Malta, te Gent, toebehoorden.[23]

Even verder in hun studie maken de auteurs echter minder voorbehoud i.v.m. genoemde overlevering. Ze schrijven immers:

(P12a) Wij weten insgelijks dat, na de afschaffing der Tempeliers, in 1312, eenige edellieden de uitgestrekte eigendommen, welke deze orde te Vosselare en in de omstreken bezat, onder elkaar verdeelden, en dat genoemde Jan van der Meersch, erfgenaam van den laatsten Tempelridder diens naam, de voormalige verblijfplaats er orde in zijn bezit had en het kruis der tempelridders in zijn wapen voerde. Het is derhalve zo vermeldt niet te vermoeden dat de kerk van Vosselare door de laatste tempelheeren zal bebouwd geworden zijn, en dat deze aldus in godvruchtige werken de rijkdommen gebruikten, welke de Franse koning Philip den Schoone dreigde binnen te palmen.[24]

2. Sagen gepubliceerd door P. De Mont, V. Loveling en A. De Cock

P. De Mont: De Waterduivel te Nevele

(P13) Op een kwartuur gaans van de ‘plaats’ van het Oost-Vlaandersche dorp Nevele liggen de zogenaamde stein- of steenputten. Naar het zeggen van oude lieden bestond er daar voor vele eeuwen, een geest of waterduivel, die, telkens een voorbijganger in de nabijheid kwam, een grooten steen in het water smeet, en dan schielijk zelf in de diepte verdween.[25]

P. De Mont: De Zwarte Hond (Knesselare)

(P 14) Op zekeren avond keerden acht Aaltersche gaaischieters van de kermis van Nevele naar huis. Onder het vertellen van spookgeschiedenissen vervorderden zij hunnen weg. Een onder hen verzekerde dat het spookte aan het slijkkapelleken. Een grote zwarte hond met wijde rode ogen springt met zijn voorpoten op de schouders van een der schutters en volgt hem zo een kwartier lang. Het haar van de man was wit geworden. De hond werd ‘priesterazen (?) hond’ genoemd, en van toen af zegt men van iemand, die geen haar op het hoofd heeft: ‘hij is bereên van den priesterazenhond’.[26]

V. Loveling

De sagenelementen verwerkt in het letterkundig werk van Virginie Loveling vermelden we met veel voorbehoud. Tussen 1894 en 1903 verschenen van haar een aantal bijdragen in het tijdschrift Volkskunde. De graad der literaire bewerking en de exacte localisering der sagenelementen in sommige dezer bijdragen is niet meer te achterhalen. In een brief van 26 januari 1901 aan de volkskundige Alfons De Cock geeft V. Loveling een vrij duidelijk beeld van haar werkwijze met authentiek volksgoed: “Eenige dagen geleden was ik te Nevele op zoek naar oude liedekens, toen een vrouw uit het volk mij een vertelsel vertelde. Zij is volkomen ongeleerd, moet omstreeks 54 jaar oud wezen en heeft het in haar allereerste jeugd van oude wiedsters op de ‘stukken’ gehoord.” Ik schreef het onmiddellijk op in haar bijzijn, verwerkte het dan thuis, - en voegde er meer volksspreuken bij dan zij had gebruikt.[27]

In haar artikel over ‘Het Paardewijden’ uit 1894 vermeldt zij de reusachtige Merelinde nabij het kasteel te Vosselare en zegt erbij dat

(P11a) volgens de traditie eertijds een haveloos vrouwtje in deze linde woonde en er met haar spinnewiel zat.

Ze geeft helaas haar bron voor dit gegeven niet op. [28]

In 1897-1989 verschijnt haar verhaal over De Stalkaars. Het luidt als volgt:

(P15) Een koeier zag in de Kwa Broeken van een niet genoemde gemeente een stalkaars. Een boer aan wie hij daarover vertelt, zegt hem dat dit een zieltje uit het vagevuur was en dat hij het Sint-Jansevangelie had moeten bidden om het te verlossen.[29]

In haar bijdrage ‘Eene parel op het oog’ in de jaargang van 1900-1901 spreekt V. Loveling over het Kruis van Veronica:

(P16) Lang geleden zou daar een Veronica vermoord zijn door een ronselaar. Deze Veronica ‘keert’ daar ‘weer’.[30]

Verder laat V. Loveling in dezelfde bijdrage de hoofdfiguur spreken over de Bietebauw, de weerwolf en Osschaert die zich liet dragen.[31] In de jaargang 1901-1902 verschijnt Lovelings verhaal ‘Verleid worden’, dit is naar haar eigen woorden: door eene verwensching het pad bijster worden. Het verhaal werd in 1899 geschreven en is gesitueerd in een gemeente met de fictieve naam Vroden. Deze plaatsnaam komt volgens R. Minnaert in talrijke werken van V. Loveling voor. Loveling zou bij haar beschrijvingen steeds Nevele voor ogen gehad hebben.[32] Het is slechts na ons eigen onderzoek in het Land van Nevele dat we vaststellen dat een aantal motieven uit dit verhaal ook nu nog tot de plaatselijke volkssagenschat behoren. Hier volgen dan met het oog op latere vergelijking met onze eigen vaststellingen een indruk van het verhaal.

(P17) Een man, bijgenaamd, Pater De Blaere, omdat hij vroeger nog voor pastoor gestudeerd had en zijn kap over de haag had gesmeten, is met vier drinkebroers in de herberg ‘De Klokke’, vervolgens in ‘De Pezewever’ en eindelijk in ‘’t Vierweegsche’. Door met zijn stok een ronde in het zand te trekken, heeft hij hen onweerstaanbaar in deze laatste herberg gekregen. Ze wisten dat Pater De Blaere wat meer kon dan een andere en met het kwaad omging. In deze laatste herberg laat hij met behulp van een quinqet de schim van een dansende juffer verschijnen. Wanneer ze eindelijk in de maanlichte nacht naar huis gaan, zorgt Pater De Blaere ervoor dat een der drinkebroers die maar tweehonderd roeden van zijn huis was, niet thuisraakt. Hij komt dan voor een groot water dat ten slotte een boekweitveld in bloei blijt. Een groen wegeltje blijkt een gracht. Nu begint hij in te zien dat Pater De Blaere hem al deze poetsen bakt. Het is al morgen als hij aan mensen die reeds naar de markt van Vroden rijden, kan vragen waar de weg naar ‘t Vierweegse is. Hij staat echter vlak bij zijn hof en roept uit dat Pater De Blaere hem verleid heeft.[33]

Ook buiten het tijdschrift Volkskunde moet V. Loveling nog andere volkskundige gegevens in haar oeuvre verwerkt hebben. Zo vermeldt R. Minnaert een enigszins gecontamineerde uitleg over een ‘Tempelgoed’ in een van Lovelings romans.[34] Verdere gegeven i.v.m. sagen blijkt R. Minnaert niet gevonden te hebben in Lovelings oeuvre. Men dient er evenwel op te letten dat alleen wie reeds volledig vertrouwd is met de volkse motieven uit het Land van Nevele, bepaalde motieven in Lovelings werk als oorspronkelijk volks zal kunnen thuisbrengen. Een nieuw ondezoek van Lovelings werk is dus geboden.

Tenslotte moeten we nog de sagen door Loveling aan A. De Cock bezorgd voor diens werk ‘Vlaamsche Sagen uit een Volksmond’ vermelden.

Blijkens de lijst der medewerkers werd sage nr. 253 door haar geleverd.

(P18) De kerk van Vosselare is niet met mortel maar met roggebrood gemetseld.[35]

3. Sagen in het handschrift B. De Poortere (1914)

Op de pastorie te Vinkt berust thans een handschrift dat blijkbaar voor uitgave bestemd was. Het titelblad luidt: ‘Geschiedkundige Kronijk, door Basiel De Poortere, Vinkt 1914’. Het bevat een aantal volkssagen die we tot onze verbazing in dezelfde volgorde maar in lichtjes verschillende versie gepubliceerd vinden in de bijdrage van G.P. Baert over de folklorist Armand Pauwels (°Deinze 1878 - +Deinze 1952).[36] Baert schrijft de optekening van deze sagen toe aan Pauwels. Wie hier geplagieerd heeft konden we niet uitmaken.

We vatten hier in elk geval de sagen samen naar het handschrift[37]:

(P19) 1 De bruiloft van Lobinsmoortele[38]

Op een zaterdag van het jaar 1290 had de heer van Vinkt op zijn slot enige van zijn laten uitgenodigd om het huwelijk van zijn dienstmeid met een van zijn pachters te vieren. De bruilofsgasten keerden vrolijk terug en kwamen in Lobinsmoortele terecht en kwamen erom. Tot straf voor zijn overdaad in de drank moet de boever[39] ten eeuwigen dage elke zaterdagnacht van twaalf tot één uur uit zijn graf opstaan en met zijn zweep kletsen, zodat te Lobinsmoortele horen en zien vergaan.[40]

(P20) 2 De Priesterhage hond

In de winter van 1445 werd een meid door dieven vermoord. De Priesterhage werd verlaten en raakte in verval. De verlaten puinen werden het verblijf van de geest van de moordenaar. Ten eeuwigen dage moet hij er blijven ronddolen onder de gedaante van een grote hond, waarvan de ogen ‘s nachts gloeiden als bollantaarns. Het dier sprong met zijn voorpoten op de schouders van de persoon die er voorbijkwam en verplichtte hem te dragen tot aan de dorpel van zijn woning. Maar sedert het vullen der wallen en het afvoeren van de mote is de Priesterhage hond achterwege gebleven. Het was een opluchting voor de gemeente en in het bijzonder voor de reizigers naar de aanpalende gemeente Lotenhulle.[41]

(P21) 3 De Kat en de Rat

Op een hof op de wijk Nihul[42] was er spokerij. Er waren ook vervaarlijke dieren. De dieren in de stal werden woest. Als men ging kijken was er niets te zien. Het ergst was het echter in de keuken. Daar werd alles met veel gedruis verplaatst. Wanneer het kind ‘gebunseld’ werd, kwamen een rat en een kat door het gootgat. Ze aten aan de pap van het kind op de ‘panbak’. De vrouw verjoeg de dieren. Het kind at de pap, stierf na drie dagen. Men kwam dan in die woning bidden. Nadat het huis andere bewoners gekregen had, hield het spoken op.

(P22) 4 Eruit lijk Moorken uit zijn berd

Een man die tapper en timmerman was, werd door allerlei ongeluk overvallen. Het kwam zover dat hij geen timmerhout meer had. Hij verkocht zijn zoon aan de ‘wevers’ zonder dat de betrokkene dit wist. De zoon moest naar het slagveld vertrekken en sneuvelde. De vader beweende zijn euveldaad. Het geld dat de vader gekregen had, bracht hem geen geluk. Vandaar dat het te Vinkt een spreekwoord is geworden: ‘Hij is eruit gelijk Moorken uit zijn berd’.

(P23) 5 Boer en Tovenaar

In de Middeleeuwen hield een boer zich bezig met ‘necromancie’ of ‘zwarte kunst’. De paarden die op de Teiltse steenweg voorbijkwamen, geraakten al met eens bezweet, schuim vloog met vlokken van hen. Op die plaats had men voor de vracht van één paard, twee paarden nodig. Een ruiter had er altijd het een of ander ongeluk. Zo brak bijvoorbeeld een paard een poot met over een soort rollende boomstam te springen.[43] Alle avonden rolden zich boomstronken over de straten rond het goed dat die boer bewoonde. De geestelijkheid berispte de boer. Hij moest van de duivel afzien en zijn verdachte boeken afleveren. Maar de boer wilde daarvan niet horen. ‘t Spelletje duurde voort. Nu wendde de pastoor zich tot de bisschop. Die kwam zelf. Als zijn paarden kwamen aan de plaats waar nu het kruisbeeld is, konden ze al met eens geen stap meer verder. De bisschop stapte uit en bezwoer de duivel met zijn aanhang de streek te verlaten en naar de hel terug te keren. Een ogenblik daarna leverde de boer gedwee zijn boeken in. Als boete moest hij op bedevaart naar Halle. En op de plaats waar de paarden stil waren blijven staan, moest hij een Golgotha oprichten. Nu nog staat daar een kruisbeeld met de woorden: ‘Tot daar en niet verder!’.

(P24) 6 Het Giptenhuisje[44]

Na een reeks gegevens over de Gipten door De Poortere ontleend aan een artikel uit Rond den Heerd (1874-1875) volgt:

De mensen van Maxenhoek in Vinkt waren rond 1760 niet opgetogen met de Gipten, maar durfden zich niet tot de overheid wenden. De Gipten betrokken ook het ‘ovenbuur’ van Karel Martens dat bij hun verblijfplaats gelegen was. Op 25 juli 1778 werd bevel gegeven ze gevangen te nemen. Pas rond 1880 zijn de Gipten voor goed van Vinkt verjaagd. Wanneer de kelder en de oven van Karel Martens gereinigd werd, vond men er een ganse karrevracht henne- en kiekenpoten. Tot voor een vijftigtal jaren ging geen kind of vrouw voorbij het Giptenhuisje zonder een kruisteken te maken.

(P25) 7 Gipte Wanne

In 1780 rolden de Gipten te Vinkt hun matten op. Rond een oude versleten vrouw danst het volk en zong: ‘Mamère Wanne kan niet meer treden’. En nog luider, als ze neerviel: ‘Mamère Wanne kan niet meer treden, Mamère Wanne moet naar ‘t Jongland (?) gaan’. Men maakte in het bos een put en riep: ‘Kruip in, Wanne, ge zult naar ‘t Nieuwland gaan!’ Zij antwoordde: ‘Wanne kan zeker nog wel treden’. Men gaf haar dan een roggebrood onder de arm en een paar stuivers in de hand om de reis naar de andere wereld te ondernemen. Elk nam dan een graszode en wierp die in de put. Die werd dan goed toegetrappeld. Het bos waar dit gebeurde werd Giptenbos genoemd.

(P26) 8 Het mollepootje

Op een bepaalde boerderij viel de talisman van een vrouw onder de karn. De boerin van het hof kreeg dan geen boter meer. Ze moest de melk weer in de ‘dikkuip’ gieten. Maar met de karn weg te nemen, zag ze de talisman liggen. Het was een klein rood ‘borzeken’ en daarin zat een mollepootje. Ze smeet het in het vuur. De arme vrouw werd van het hof gesmeten. De volgende dag had de boerin weer boter en mochten er geen vreemdelingen meer in het schotelhuis als men karnde.

(P27) 9 De Grymkat

De Grymput ligt langs de grens Vinkt-Aarsele. Die watering was eertijds ten oosten begrensd door de Vennebos en de Rietbos, ten zuiden en ten westen door de Blauwbos. Ten noorden was hij begrensd door een partij land ‘De Achterste Vennen’ genaamd. In die driehoek van kapbossen spookte het in oude tijden geweldig. Te middernacht hief er een grote zwarte kater zulk een vervaarlijk gemiauw aan, dat de bewoners van het goed Ter Borcht erdoor uit hun slaap gewekt werden. Met later de bossen te rooien, hebben ook deze boze geesten de streek verlaten. Alleen treft men nu nog bijna altijd katten aan langs de oever van de watering. De Grymput is nu nog 1 à 30 ca groot en draagt het kadasternummer 444b.

(P28) 10 Een boer-slachter

Een boer deed zijn zwijn dood en ging op zoek naar het ruggebeen. Hij kon het niet vinden. Twee geburen boden aan het te zoeken. Ze vonden het en werden beloond met een borrel.[45]

(P29) 11 De Duitse schaper

In het begin van de XVIe eeuw was er een Duitse Schaper. Niemand naaide of waste voor hem en toch was hij altijd kraaknet gekleed. Allerlei praatjes deden dan ook de ronde. De knecht legde zich op de loer. Hij zag dat de Schaper op een ram klom en zei: ‘Over al en door al!’ En dan vloog hij door de lucht. De man die dat gezien had, mocht mee op voorwaarde dat hij zweeg. Veertien dagen later zei de Schaper tot de knecht: ‘Maak u klaar en ziet dat ge zwijgt’. De knecht ging slapen en sloop dan uit zijn bed om bij de Schaper te gaan. Ze vonden twee rammen. ‘Over al en door al!’. Ze vlogen naar Duitsland. Toen ze boven de Rijn kwamen sprong de Schaper er in één sprong over. De knecht, die dit zag, zei: ‘Wat duivel van een sprong!’ En al met eens was de bok van hem en weg. Hij moest nu terug naar Vinkt… te voet.[46]

 

4. Sagen opgetekend door A. Janssens

In de Jaarboeken van de Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde vinden we voor het Land van Nevele slechts bijdragen van de correspondent voor Nevele, Antoine Janssens, schrijnwerker en conservator van het museum ‘Rietgaverstede’. Voor de overige gemeenten vinden we niets. Ook in de Volkskunde-Atlas voor Nederland en Vlaams-België en de daarbij horende Commentaren komen de gegevens voor het Land van Nevele ook weer bijna uitsluitend van A. Janssens. Een gedeelte van de op de kaarten van deze atlas verwerkte gegevens zijn trouwens geput uit de in de Jaarboeken gepubliceerde sagen. De rest komt uit oudere literatuur of van andere medewerkers. De wetenschappelijke relevantie van volgens dit systeem getekende kaarten mag dan ook betwijfeld worden.

We laten de sagen opgetekend door A. Janssens hier volgen in de orde waarin ze in de Jaarboeken gepubliceerd werden:

(P30) 1 Verplaatsen van een grenssteen

Een landbouwer lag op zijn uiterste en kon niet sterven. Hij beval een van zijn kinderen om zijn gebuur te halen voor een gewichtig geval. Toen deze aan het sterfbed kwam, vertelde de stervende hem dat hij voor 15 jaar een ‘scheesteen’ (grenssteen) verzet had. De gebuur zei dat hij aan het geval niet moest denken, want nu staat hij op zijn plaats, sprak hij, ik ook heb hem over vele jaren verzet op uw land, dus nu staat hij weer juist. Waarop de stervende nog iets wilde zeggen, doch aanstonds stierf.[47]

(P31) 2 De Witte vrouw

Te Nevele op de wijk Neldeken (= drukfout voor Veldeken) is er een oude hoeve bewoond door F. De Keyzer. Aan de stalling is er een deur met twee boven elkaar draaiende delen. Voor 70 jaar kwam er des nachts om 12 uur een witte vrouw, stootte de bovendeur open en sloeg met een zweep op het onderdeel, de aanwezige paarden sloegen en stampten met hun hoeven.[48]

(P32) 3 De Varende Vrouw

Ik heb vernomen dat er vroeger, ruim 80 jaar geleden, langs de Biebuyckstraat een Karel De Smet woonde, een oude mulder. Deze kon ‘s avonds in een graskant zitten turen. Opeens riep hij: ik heb de varende vrouw gezien. Des anderendaags lag de oogst waar ze over gevaren was neer ter aarde. Nooit heeft iemand, buiten voorgenoemde, de varende vrouw gezien. Toch hebben deze personen het neergevelde koren gezien en dan altijd als er geen wind of storm geweest was.[49]

(P33) 4 Duivel-sagen

In de Zijstraat te Nevele leefde er voor 80 jaren een persoon, het Binderken genoemd. Een naam welke men hem gaf omdat hij oude aarden potten bond met banden. Deze persoon had omgang met de duivel. Hij heeft volgens oude verhalen het dochtertje van Louis van Hese met duivelshulp doen sterven. Op zekere dag viel deze man in het kanaal van Schipdonk en is nooit meer gevonden, zodat de inwoners verklaarden dat de duivel met de man naar de hel was.[50]

(P34) Op de wijk Peperhol woonden voor 60 jaar twee oude jonggezellen, Tuijten Schaver genoemd, die volgens de geburen met de duivel omgingen. Niemand dierf des avonds de hofstede naderen, omdat de duivel u op de rug sprong en u niet meer losliet voor het terug dag werd. Toen de oudste stierf hebben moedige mannen de duivel gevangen in een zwarte fles en ze in de ‘Pietpu’ (sic) op het Veldeken gegooid. Doch niemand dierf nadien in deze put nog vlasroten of baden.[51]

(P35) 5 Watergeesten

In de Linde- en Bosstraat ligt de Steenput. Daarin leefde een watergeest welke bizonder in de Bosstraat bedrijvig was. Dit viel des nachts en ‘s avonds nog veel voor kort na 7 uur in de winter. Alle late voorbijgangers werden door dit spook welke een klaar licht uitstraalde, verblind en zo in de steinput gelokt. Liepen de personen weg, dan werden zij achtervolgd door het licht dat hen van de baan wilde leiden. Daarom werd het kapelleken van de Steinputten hier geplaatst en het spook bleef weg. Dit werd medegemaakt door Charel Leyzele, welke bijna verdronk en op het laatste nippertje gered werd door een landbouwer en zijn knecht. Deze hadden van op hunne hoeve de werking van het spook gezien. In de volksmond noemde men deze watergeest de Bosstraatzonne.[52]

(P36) 6 Spookkatten

Op de wijk Malsem, woonden de echtelingen Claeijs. Ze hadden een klein kindje welk in een wieg lag onder een venster. Elke avond kwam een zwarte kat door het geutgat en sprong op de wieg. Het kindje was zo verschrikt dat het gedurig schreide en zeer mager werd. Het kreeg de ‘eirman’ (= armeman). Op een avond kwam een familielid aan wie het ganse geval werd verteld. Deze vroeg een temoot (sic?) kokend water. Toen nu de kat terug door het geutgat verscheen, goot de vrouw het kokend water op de kat welke huilend weg liep. Des morgens hoorden ze in de woning van hun gebuur de vrouw kermen van pijn. Toen men ging zien, bemerkte men dat ze gans verbrand was aan het hoofd en het lichaam, zodat deze vrouw welke als een heks bekend stond zich ook veranderde in een spookkat.[53]

In de Volkskunde-Atlas vinden we nog de vermelding van een dwaallicht of stalkaars te Nevele, Sint-Martens-Leerne, Vosselare en Zeveren op kaart 1. De vermelding van een kwelgeest die eenzame personen misleidde op Dwaallicht-kaart 2 en de onheilsfunctie, het bouwen van een kapel en het doen dwalen van het zgn. Dwaallicht te Nevele op kaart 3 zijn kennelijjk ontleend aan de interpretatie van A. Janssens’ sage over de ‘Bosstraatzonne’ (P35). We moeten er evenwel op wijzen dat de gegevens uit deze sage door de bewerkers van de Volkskunde-Atlas om systematische reden op de Stalkaars en Dwaallicht-kaarten gebracht werden, terwijl deze benamingen niet in de tekst van Janssens voorkomen.[54]

Verder is er op kaart 4 ‘Heksen onderkennen, tegenhouden vastzetten’ voor Nevele en Vinkt de vermelding van een paasnagel onder de stoel of de drempel. Op kaart 5 en 6 ‘De weerwolf’, d.i. een mens in de gedaante van een dier met een band of een riem om, hier: wolfsgordel genoemd. Blijkens kaart 6 wordt die weerwolf herkend door een pet te werpen en blijkens kaart 7 laat hij zich dragen.

Op kaart 10 ‘Wilde jacht-Barende vrouw-Hellewagen’, wordt voor Nevele de varende vrouw genoemd. Zij jaagt er oppers en schoven de hoogte in. Dit gebeurt wanneer er geen wind of storm was. Maar dit laatste blijkt dan weer te komen uit de ontleding van de sage (P32) medegedeeld door A. Janssens.[55]

Op kaart 18 ‘Kinderschrik’ wordt voor Nevele de algemene kinderschrikbenaming ‘Bietebauw’ opgegeven. De Osschaert-vermelding voor Nevele komt, zoals we reeds zagen, uit een literaire bron.[56] Als kinderschrik in het korenveld wordt op kaart 20 voor Nevele het ‘korenmanneke’ en het ‘korenventje’ vermeld. Het is volgens de correspondent een oud gebocheld mannetje of een oud ventje met een zak, een groene hoed en een ferme stok. De benaming werd gebruikt om de kinderen te weerhouden schade te doen aan koren of veldvruchten. Tevens maakt de correspondent melding van het ‘korenwijf’. Bij het pikken van de laatste schoof riep de pikker dat het korenwijf juist weggevlucht was. Voor Merendree is er de vermelding van het korenmanneke dat zich laat dragen tot hij zelf moe is.[57]

5. Overige Bijdragen

Volledigheidshalve willen we nog een paar losse gegevens i.v.m. sagen of elementen uit het volksgeloof in het Land van Nevele vermelden. Er is eerst een novelle over ‘De Verdoemde Eik’ in Ooidonk, Bachte-Maria-Leerne. Volgens deze novelle werden achttien rovers onder deze eik begraven.

(P37) ‘Zoo werd er verteld, dat in den nacht tusschen Allerheiligen en Allerzielendag een zwerm zwarte katten met gloeiende oogen en vergezeld van reusachtige vleermuizen, in de kruin van den verdoemden eik kwamen dansen, joelen en vechten, terwijl rond het graf der roovers ontelbare stalkeersen, kwamen drijven en huppelen. Wee hem, die het wagen dorst ernaar te wijzen, want dan kwamen die dwaalgeesten op den top van den vinger zitten en men kreeg ze er niet meer af dan na ze in ‘t wijwater te hebben gedoopt en driemaal een kruis te hebben geslagen. Dat akelig spoken rond den verdoemden eik hield op met middernacht; dan werden de takken van den eik gloeiend en brandend vielen de katten en vledermuizen neer; zij verdwenen met de stalkeersen in het graf der roovers, waaruit een vuurvlam in de hoogte sloeg en daarna schielijk uitdoofde.’

We kunnen hier slechts vaststellen dat de schrijver een aantal volkse motieven verwerkt heeft in een literair geheel. Of het hele verhaal als zodanig volks is, kunnen we niet meer uitmaken.[58]

R.M. Van den Abeele motiveert echter zijn verklaring dat ‘Het IJzerken Eikje’ een vervorming van ‘Het ijzeren hekje’ is.[59]

Ook in de doctorale dissertatie van A. Roeck ‘De weerwolf in de Nederlandse Volkssage van de Negentiende en Twintigste eeuw’, Leuven, 1967, komen weerwolfvermeldingen voor Nevele en Vosselare voor. Ze komen uit een schriftelijke enquête. De correspondent voor Nevele vermeldt zelfs de benamingen weerwolf, kludde, ossaart en wipper.[60]

Ten slotte nog de losse resultaten van een schriftelijke enquête van eind 1971, verzonden door het Instituut voor Volkskunde te Antwerpen. Met het oog op de aanvulling van de voor Oost-Vlaanderen reeds beschikbare gegevens over de ‘Watergeesten’ werd door T. Penneman een vragenlijst aan de correspondenten van genoemd Instituut gezonden. Gevraagd werd: zijn of waren op uw gemeente watergeesten bekend? Komen ze in sagen voor? Hoe zien ze eruit? Welke van de hierna genoemde namen van watergeesten is bij u bekend? Ondanks de aanmaning de lijst niet verder in te vullen bij een negatief antwoord op de eerste vraag, streepten veel correspondenten een bepaalde naam aan, ook al bleek bij latere controle ter plaatse dat die geest aldaar geen eigenlijke watergeest was. De gegevens van deze enquête achtten wij dan ook voor wetenschappelijke verwerking ontoereikend.[61] Ziehier dan met het nodige voorbehoud de resultaten van genoemde enquête voor de gemeenten van het Land van Nevele: Hansbeke: geen antwoord; Lotenhulle en Meigem telkens twee negatieve antwoorden; Poeke, Sint-Martens-Leerne, Vinkt en Zeveren telkens één negatief antwoord. De correspondent voor Bachte-Maria-Leerne schrijft dat hij de gemeente onvoldoende kent; de correspondent voor Landegem is geboren te Welle en vermeldt Slodder en Trasser. De correspondent voor Merendree vermeldt Slodder, als een man met een ketting die zich liet dragen. A. Janssens, correspondent voor Nevele, streept alf, duivel, Klodde en Ossaert aan. Hij schrijft erbij: de watergeest joeg de personen zo ver, dat ze buiten adem neervielen, om ze dan te kwetsen. Welke geest hij bedoelt is in de lijst niet duidelijk. Correspondent Blomme voor Vosselare schrijft: haakpuiken wordt gebruikt in die zin om kinderen schrik aan te jagen voor het water, misschien ook wel voor de dieren (puiten) die in het water vertoeven. Voor Lotenhulle vult een der correspondenten spontaan aan: korevent, bietebauw, amre, tenetellers, van de mare bereen. De betekenis van al deze uitdrukkingen geeft hij ons te raden. Het blijkt dus duidelijk dat met dergelijke resultaten geen wetenschappelijk werk mogelijk was.

6. Besluit

Uit het door ons samengebrachte materiaal blijkt dat de oude generatie der volkskundigen zich tevreden gesteld heeft met het losse zanten van sagen. Geografische samenhang in de gegevens werd niet gezien of niet betracht. Toch willen we hier het chronologisch soms ver uiteenliggend materiaal samenvatten, om het later te toetsen aan de resultaten van een samenhangend onderzoek in de jaren 1972-1974. Het is pas uit de resultaten van dit laatste onderzoek in de streek dat de representativiteit en de relatieve bekendheid van al deze oude(re) motieven voor de onderscheiden gemeenten van het Land van Nevele aan het licht zijn gekomen. Bovendien is het in verband met de gevolgde methode interessant er op te wijzen dat we ons direct onderzoek begonnen zijn zonder dat we van al deze gepubliceerde sagen weet hadden. Van een stelselmatig zoeken naar motieven uit de oudere literatuur was dus bij ons onderzoek geen sprake.

Voor Hansbeke onthouden we (P1) de toverij op het neerhof en het bezweren van het kwaad, dat ieder jaar nadert, voor Merendree Slodder, de plaaggeest rond de brug (P3), voor Poeke de Hans van Poeke-weg (P4), en de bouwsage over de kerk (P5), voor Poesele de ethymologische sage (P7) en de Templierstraditie (P8), voor Sint-Martens-Leerne het kwetsen van het kalf door naar een spookkalf te slaan (P9) en het stormspook van de Plattegracht (P10), voor Vosselare de magere gegevens over een vrouwtje in de Merelinde (P11) en de Tempeliers op het Groot Goed Ter Meersch (P12) en de bouw van de kerk door de Tempeliers (P12a). Verder is er een waterduivel aan de steenputten te Nevele (P13) en een Priesterazenhond in de streek tussen Aalter en Nevele (P14). Virginie Loveling verwerkte waarschijnlijke motieven uit het Land van Nevele in een verhaal over een stalkaars (P15), over het Veronicakruis (P16), over ‘pater’ De Blaere die de mensen deed dolen (P17). Zij leverde ook de sage over de bouw van de kerk van Vosselare (P18). Voor Vinkt noteren we twee sagen over weerkerende doden (P19 en P20), waarvan de laatste ook weer over een Priesterhagehond gaat. Verder nog een sage over een spookkat en een spookrat die de dood van een kind veroorzaken. Het gootgat speelt een duidelijke rol (P21), een sage over de bisschop die de macht van een boer-tovenaar breekt. De tovenaar betovert reizigers op een bepaald stuk weg (P23), twee sagen over Gipten te Vinkt (P24 en P25), een sage over een mollepootje dat het karnen belet (P26), een sage over spookkatten rond een bepaalde waterput (P27) en eindelijk nog voor Vinkt een klassieke Duitse Schaper-sage (P29).

Met de sagen opgetekend door A. Janssens en de losse gegevens uit de Volkskunde-Atlas en andere publicaties zijn we eigenlijk ineens veertig jaar verder. Voor Nevele noteert Janssens een sage over het verplaatsen van een grenssteen (P30), over een witte vrouw met een zweep (P31), over de varende vrouw (P32), over twee tovenaars en het kwaad in een fles (P34), over de watergeest, de Bosstraatzonne (P35) en tenslotte over een verbrande spookkat die een heks blijkt (P36).

Losse vermeldingen van volkskundige motieven zonder verhalend corpus zijn dwaallicht of stalkaars, paasnagel die toverheks tegenhoudt, de weerwolf, osschaert (?), de kinderschrik Bietebauw, korenmanneke en korenventje, haakpuiten en tenetellers. Eindelijk nog een aantal onzekere gegevens over een betoverde eik (P37 en P38).

Al deze gegevens worden in ons tweede hoofdstuk op hun juistheid en hun representativiteit getoetst.

 

TWEEDE HOOFSTUK

VOLKSSAGEN OPGETEKEND TUSSEN 1972-1974

Inleiding: Doorlichting van het direct sagenonderzoek

Tijdens de maanden februari tot mei 1972 verbleven we in elke gemeente van het Land van Nevele gemiddeld drie tot vier uur: Sint-Martens-Leerne en Bachte-Maria-Leerne (22/02/1972), Hansbeke (14/03/1972), Poeke en Lotenhulle (11/04/1972), Poesele en Nevele (12/04/1972), Merendree en Landegem (09/05/1972), Vosselare en Meigem (20/04/1972), Zeveren en Vinkt (17/05/1972). We stelden er aan alle zegspersonen (gemiddeld 12) de expliciete vraag naar de Tempeliers, de Roversbenden, de Watergeesten en/of de kinderschrik voor het water en eindelijk de algemene vraag naar ‘toverij’. Concrete vragen naar bepaalde motieven uit de geesten- of toverwereld kwamen pas nadat deze motieven door een aantal zegspersonen spontaan vermeld waren. De historische sagen, behalve die over onderaardse gangen werden door ons niet intensief opgespoord. Alle positieve en negatieve antwoorden werden integraal met de draagbare cassetterecorder geregistreerd. Onze resultaten tonen wel aan dat men mits vier uur intensieve en zeer doelgerichte arbeid een representatieve indruk van de sagenschat van een kleine gemeente kan krijgen.

Tijdens een voordracht voor de Heemkundige Kring te Vinkt (23/09/1973), een kort bezoek aan Merendree (29/03/1974) en een voordracht voor de dames van het CMBV te Nevele (05/02/1975) konden we een aantal onzer gegevens controleren en ook nieuwe sagen noteren.

We publiceren het sagenmateriaal volgens de indeling van het klassieke sagenregister. Binnen deze indeling volgen de gemeenten in een orde van oost naar west, met stroken van noord naar zuid. De alfabetische orde verstoort te veel de geografische samenhang der sagen. De volgorde van de Dialect-Atlas is voor volkskundige gegevens te verward. Voor zeer bekende motieven, zoals bepaalde kinderdemonen was een (ideale) rangschikking volgens de relatieve bekendheid van het gegeven per gemeente mogelijk.

De beste vragenlijst voor een bepaald gebied stelt men vanzelfspreken pas op… nadat het onderzoek volledig beëindigd is.[62] Bij ieder nieuw opduikend motief zou men theoretisch in de vorige gemeenten opnieuw de expliciete vraag naar dit motief moeten stellen. Maar deze taak moeten we aan onze opvolgers overlaten.

Wij willen er nog uitdrukkelijk op wijzen dat het vermelden van de vroeger gepubliceerde sagen geenszins impliceert dat we de door ons opgetekende sagen beschouwen als rechtstreeks (min of meer verminkte) versies van het gepubliceerd materiaal. Dit laatste is meestal ook maar de toevallig bij één zegspersoon opgetekende oude versie, zonder enige verwijzing naar de relatieve bekendheid van de versie bij het volk. Dit wordt wel eens uit het oog verloren door volkskundigen die de termen ‘contaminatie’ en ‘Zersagung’ al te gemakkelijk hanteren.

Tenslotte nog een woord over eventuele ‘vrolijke fantasten’ die ons bewust een verhaaltje zouden verzonnen en opgedist hebben. Daar we alleen de motieven die vaker voorkomen in onze conslusies betrekken, speelt hun ‘bijdrage’ geen al te grote rol. Bovendien maakten deze fantasten dan nog wel onbewust gebruik van elementen of motieven die ergens mondgemeen waren. Uit het absolute ‘ijle’ kan men zelfs niet fantaseren.

1. Uit de geestenwereld

A. Watergeesten

1. Een waterduivel te Leerne

Een waterduivel, dat hebben ze dikwijls gezegd. Ik heb de jongens nog schuw gemaakt. Er lag een wal aan mijn huis en ik heb de jongens nog schuw gemaakt van de waterduivels in die wal. (Hier in Leerne?) Ja. En ik heb ook nog eens een grote mens daarvan schuw gemaakt. Wij zaten te kaarten en wij hadden geklapt van die waterduivels. En als die ‘s avonds naar huis moest gaan, dufde hij niet alleen gaan. [Benaming kan ook uit Nazareth komen]. SML 1a[63]

2. Slodder te Merendree

Hier maakten ze de kinderen schuw van Slodder. (Wat was dat?) Als ge hier van Merendree naar Drongen gaat, eer dat ge in Drongen zijt, was er daar een buize over de baan, Meldambuize. En er waren oude mensen die ‘s nachts niet te voet naar Gent durfden gaan langs daar. Ze hadden Slodder moeten dragen en hij had op hun rug gezeten. Maar dat was superstitie van de mensen. Ik ben ik weet niet hoeveel keren naar Gent geweest en ik heb daar nooit iets gezien. ME 2

3. Slodder te Merendree

(Wat was Slodder voor u?) Dat was een buis tussen Merendree en Drongen. Hij sprong op hun rug en ze moesten hem dragen en ze zweetten zich dood. Daar zat het er altijd tegen. Maar dat was daar altijd ‘s nachts, nooit overdag. Dan gebeurde daar niets. Ze maakten de kinderen ook bang voor Slodder, maar niet voor het water. ME 3

4. Slodder te Merendree

Als ge naar Drongen ging, aan Meldambuize, moest ge voorbij Slodder. En we waren daar min of meer wat verlegen van. Slodder dat was een zeker wangedrocht, iets dat niet normaal was. (Was het geen hond met een keten?) Wel, een beest met een keten, dat hebben ze ook nog gezegd. Ze hebben ons daar verschillende fabels over verteld. (Was die Slodder altijd aan de buis, nooit ergens anders?) Neen, anders heb ik daar nooit over gehoord. ME 4a

5. Slodder te Merendree

(Hebt ge nog gehoord van Slodder?) De Slodder van de Meldam! Dat was een buitengewone mens, waar iedereen zich schuw van maakte. Maar dat was niet nodig vind ik. Hier op Merendree is er veel van besproken. (Sprong die op uw rug?) Dat heb ik ook nog horen vertellen. ME 5

6. Slodder te Merendree

(Hebt ge nooit van Slodder horen vertellen?) Dat was enen, waar ze de mensen schuw mee maakte. Die liep ‘s nachts in de donkere wegen. (Hebt ge nooit gehoord dat hij aan de Meldambuize liep?) Ja, wie was dat aan Meldambuize? Daar hadden veel mensen schrik van, dat op hun rug kroop en dat ze hem moesten dragen. Is ‘t niet juist? ME 8a

7. Slodder te Merendree

In Merendree was dat Slodderbuize. Slodder zat daar in het water.

8. Slodder te Merendree

(Slodder?) Slodder uit de Meldam. Wie naar Gent reed, moest daar passeren aan de Meldam. Daar lag een buize (begint te lachen). Er was hier eens enen en hij was getrouwd en hij moest naar Gent, ook vroeg in de ochtend. En als hij daar kwam, reed hij naar die wal… Dat was Slodder uit de Meldam. En dat was zo allemaal groen van de puien. En hij reed daar in, zonder dat hij zich kon tegenhouden. En hij reed naar huis met de velo. ‘t Kan misschien veertig jaar geleden zijn! En hij woonde in een schoon huis, want ‘t was genen armen duts. En hij moest langs die schone trappen met zijn natte kleren. En zijn vrouw kwam daar af en ze was kwaad en ze reclameerde: Gij lelijke beeste, zei ze. Hij kon zich niet meer tegenhouden, hij moest daarin. Dat heeft mijn vader me allemaal verteld. (Waar lag die buize?) Tegen Drongen daar. ME 11

9. Slodder te Merendree

Slodder van de Meldam, dat was op Hansbeke ook bekend. (Waar lag die buize?) Over de grens, tegen Drongen. HA 15

(9a) Ik heb wel Slodder gehoord, maar ik weet niet wat het is. Er is hier een studentenclub: de Rudder-Slodders. LA 1

(9b) Anekdote: Met een geitevel aan de Meldambuize

Aan de Meldambuize, tussen Drongen en Hansbeke, liep een boerenknecht met een soort getevel aan, om de mensen schrik aan te jagen. Hij sprong altijd op hun rug en liet zich dragen tot ze doodaf waren. Het is geëindigd met die mens te oud te worden. (Wie was het?) De naam ben ik vergeten. Maar dat is wreed lang bekend geweest. Dat is van de jaren 1895. LA 9

10 Spook onder brug te Poeke

En aan Poeke buis, aan het kasteel, zou een spook onder de brug gezeten hebben. (Hebt hij het ooit gezien?) Wij waren veel te bang. PK 6b

 

Besluit

1. Waterduivel (P13)

Bevatte een twijfelachtige waterduivel-vermelding. Ook wij hebben maar één waterduivel-sage in het Land van Nevele kunnen noteren, maar ook hier is de herkomst van de benaming niet zeker. Verder hebben wij ondanks onze expliciete vraag naar de watergeesten aan alle zegspersonen nooit de naam waterduivel in de streek kunnen noteren.

2 Slodder (P3)

Is een honderd jaar oude Slodder-sage. Behalve de Slodder-vermeldingen voor Merendree en Landegem uit onze schriftelijke enqûete, hebben we talrijke Sloddersagen te Merendree genoteerd. De sage is zeer plaatselijk. ME 1 sprak er niet over, ME 4b treedt het verhaal van haar man over Slodder bij, ME 6, die het gesprek met ME 5 bijwoont, verklaart uitdrukkelijk dat zij Slodder niet kent, omdat ze van Landegem is. ME 7a en 7b kennen Slodder niet. ME 12, dit is een toevallig groepje oude mannen, spraken (toevallig) niet over Slodder. Tien bewoners van Landegem werden expliciet naar Slodder gevraagd, maar antwoorden negatief.

Bij vergelijking van (P3) met de moderne sagen blijkt de buis of brug een constant element, ook de keten komt in de oude en een nieuwere sage voor. Het schat-sage-element uit (P3) ontbreekt in de moderne versies.

Rond het water doen zich occasioneel spookverschijnselen voor. Zie (P10), (P19), (P27), (P34) en (P35). Van eigenlijke watergeesten kan hier nauwelijk sprake zijn.

 

B. Aardgeesten (doen de mensen dolen)

11. Niet thuis geraken is ‘van de mare bereen zijn’

(Nooit gehoord van toverij op een hof?) Ik heb wel nog gehoord van iemand die naar huis kwam, dat hij niet thuisgeraakte, dat hij in een meers stond, dat hij voor een water stond, en dat hij niet thuis geraakte. En als ze dan een persoon tegenkwamen, waar dat ze tegen konden klappen, was dat gedaan. En dat noemde men ‘van de mare bereen zijn’. ME 2

12. Man werd ‘misleid’

Mijn nonkel Bruuntje is eens ‘misleid’. Hij dronk veel en hij stond eens in de Westhoek voor een grote wal en hij kon niet verder. Meer weet ik er niet over. LA 3

13 Man is ‘verdwaald’

Mijn broer is in Lotenhulle ook ‘verdwaald’ geweest. LA 7abc

14 ‘Van den alf verleed’

Dat heb ik nog gehoord ‘van den alf geleed’, maar nooit zelf tegengekomen. SML 2

15 ‘Van de moar bereen’ is niet thuis graken

‘Van de moar bereen’, dat was dat ze niet meer thuisgeraakten. CMBV

16 ‘Van de mare bereen’ is niet thuis geraken of angstig dromen

Ik heb nog gehoord dat ze niet thuis geraakten. Dat noemden ze ‘van de mare bereen’. Maar ook wel eens als ze een angstige droom hadden, dan waren ze ook ‘van de mare bereen’ geweest. MEI 1

17 Op de knieën gaan zitten, als ge de weg kwijt zijt

Ik heb dat zelf eens tegengekomen, als ik jong was. Mijn moeder gaf mij nadien de raad: zet u op uw knieën. Ik was toen niet zat. MEI 9

18 ‘Van den alven geleed’

(Kent jij de uitdrukking ‘van den alven geleed?) Ja. LO 15a

19 ‘Van de mare bereen’ of ‘van den alf geleed’

Maar wat ik tegengekomen ben, dat is ‘van de mare bereen’, zeiden ze. Ik ga bij een gebuur op een donderdagavond… [Vertelt dan een persoonlijke belevenis op De Pinte en besluit]… dat is ‘van den alf geleed’. Ik zal dat duizend keren juist gelijk vertellen [Herkomst formulering onzeker]. LO 16

20 ‘Van de mare bereen’ betekent hier meestal doelen, soms angstig dromen

(Wie van de aanwezigen kent de uitdrukking ‘van den alf geleed’?) [Niemand] (Of, ‘van de mare bereen’?) [Algemene instemming] (Wat was dat?) Onbekende persoon: De sessen. Persoon uit Vosselare: Niet weten waar ge uitkomt. Ge gaat ergens weg en ge moet terugkomen, omdat ge uw weg niet vindt. (Zegt men hier van de ‘mane’ of van de ‘mare’?) [Verscheidene aanwezigen:] ‘mare’. Jongen uit Vinkt: Wij zeggen de ‘mane’ en dat wil zeggen dat men niet weet van welke parochie men is. Man uit Meigem: In Meigem zeggen ze nog: ik was ‘van de mare bereen’, als ze een heel slechte nacht gehad hebben. Onderwijzer uit Meigem: ‘t Schijnt dat dat kon genezen worden met een marentak. Man uit Vosselare: Als dat al te dikwijls voorviel, dan kon men daarvoor gaan ‘dienen’ (= bedevaarten). (Heeft iemand gehoord dat men op de knieën moest gaan zitten, als men doolde?) [Niemand] Jongeman uit Lotenhulle: Als men last had van de ‘mare’ ‘s nachts, mocht men nooit zijn schoenen met de punt naar het bed zetten. Hk.Vg.

Besluit

In het Land van Nevele blijkt, na onze oppervlakkige verkenning van het terrein, vooral de uitdrukking ‘van de mare bereen’ gebruikt te worden om een raadselachtig dwalen uit de drukken. In veel mindere mate of bijna niet ‘van den alf geleed’. Maar ‘van de mare bereen’ betekent er ook nachtmerries hebben. Rond beide gegevens hebben we geen substantiële sagen kunnen noteren. Een uitgebreid statistisch onderzoek zal hier zeker meer klaarheid brengen.

Het ‘doen dolen’ is in het Land van Nevele echter ook een opvallende plagerij van heksen en vooral van tovenaars. Zie dus ook onze nrs. 119 en 158 en 194 tot 197, 199, 203-204, 214 en 220.

 

C. Vuurgeesten

21. Dwaallichtjes

(Onderaardse gangen?) Neen, ik heb wel van dwaallichtjes gehoord. LA 3

22. Stalkaars blijkt stroper

Ik heb nog gehoord dat er op Nevele Veldeken een stalkeirse was. Maar dat was mijn nonkel zijn lichtbak. Dat was een pensjager…

23. Stalkaars

(Bietebauw?) Bij ons noemden ze dat vroeger een stalkeers. Hk.Vg., Nevele

24. Stalkjeiskes

In een partijj koren waren ‘s avonds soms stalkjeiskes, dat ze zeggen. MEI 3ab

25. Stalkjeisen zijn uitgeholde rapen

(Toverij?) Neen, wel stalkjeisen. Dat waren uitgeholde rapen. MEI 4a

26. Stalkeirsen

(Watergeesten?) Ik heb alleen nog gehoord van koreventjes en stalkeirsen. MEI 7ab

27. Stalkjeise is weerkerende dode

(Toverij?) Ik heb wel gehoord van een stalkjeise. Dat was een raap die uitgesneden was. Dat was op Meigem. En daar was een oud vrouwken, die bijgelovig was en die meende dat dat waar was. Ida Keies [?]. En er was enen die zo bijgelovig niet was, een gebuur, Nieuwenhuis, niewaar, en die zegt: ‘Ik zal daar een keer een einde aan maken, aan dat spel’. En hij ging er met zijn geweer naartoe en hij schoot de talkjeis kapot. ‘t Was ermee gedaan. Maar zij was zodanig bijgelovig dat ze meende, dat het een dode was die weerkwam. (In welke jaren is dat gebeurd?) Dat moet rond de jaren dertig geweest zijn. Dat was de andere kant van de gemeente. MEI 18

28. Stalkjeis was weerkerende dode

[Sluit aan bij voorgaande sage] Ida had er zo’n schrik van, ze meende dat dat waar was, dat dat een dode was, die weerkwam. MEI 17

29. De stalkjeisen in Meigem

En dan van die stalkjeisen in Meigem. BML 11

30. Stalkjeisen naderen hof

Stalkjeisen die de mense zetten. En alle jaren ging dat ieverst een meter naderen naar hun hof. PS 2a

31. Stalkeirs

Mijn moeders vader sprak van een stalkeirs [te Zeveren]. LO 12

32. (Spook)lichten op het land

En op den duur stonden er lichten op het land [van Cocquyts bespookte hoeve]. PS 2

33. Vuur in de lucht

Mijn schoonmoeder [uit Hansbeke] durfde niet buitengaan, want ze had vuur in de lucht gezien. En ik zei: ‘Maar moeder, hoe is het toch mogelijk hoe kunt ge daar nu aan geloven’. HA 15a

Besluit

(P15) en (P37) zijn vermeldingen van staalkaarsen uit literaire bronnen. Uit de Volkskunde-Atlas noteerden we dwaallichten/stalkaarsen voor Nevele, Sint-Martens-Leerne, Vosselare en Zeveren. Als spookvuur is er alleen (P35). Ook nu is statistisch onderzoek naar de verhouding der bekendheid van dwaallicht en stalkaars gewenst. Stalkaars lijkt wel dominant.

We letten niettemin op de vurige, gloeiende ogen van een aantal spookdieren, zoals (P9), (P20), (P37) en onze nrs. 46a, 90, 123.

 

D. Luchtgeesten

34. De Vaar en de Vra speelt

(Varende Vra?) Ze zeggen dat nog: de vaar en de vra spilt [Misschien wel uit Sint-Martens-Latem] CMBV

35. De varende vra in het hooi

(Bjeirnevra?) De varende vra draaide zo rond dat hooi. (Kon men daar iets tegen doen?) Neen. (En het laatste vlas op een kruis?) Neen. MEI 19

36. Bomen slaan tegen mekaar

(Toverij?) O, daar heb ik veel van gehoord van mijn moeder in de Udegemstraat [?]. Als haar broer naar huis kwam, dat waren zo twee roten bomen. Die bomen konden zo tegen mekaar slaan, dat ge zou gezegd hebben: kijk, ze gaan mekaar kapot slaan. En daarachter was dat gedaan. VO 4

37. Muziek aan de molen te Meigem

En aan de molen (te Meigem) schoon muziek. PS 6

Besluit

Alleen (P32) vermeldt de ‘Varende Vrouw’. Ook wij hebben maar twee keer deze benaming kunnen noteren. Eén vermelding stamt niet eens zeker uit het Land van Nevele. Ondanks het feit dat we aan alle zegspersonen expliciet de vraag naar toverij gesteld hebben, spreekt dus maar één in dit verband over de ‘varende vrouw’. Tegen deze achtergrond krijgt het gegeven van A. Janssens in (P32) zijn ware verhouding in de sagenschat van het door ons onderzochte gebied.

 

E. Spookdieren[64]

38. Een spookkat aan Meldambuize

Aan Meldambuize is het ook nog niet zo heel lang geleden, dat er een kat op de mensen sprong. ME 3

39. Vader ontmoette spookkat te Sint-Martens-Leerne

Weet ge wat ik mijn vader nog horen vertellen heb, als hij te vrijen ging op Sint-Martens-Leerne, moest hij langs de Damstraat naar huis komen. En dan liep daar altijd zo een kat. Dat was wreed om zien, zei mijn vader. Maar omdat hij daar veel van hoorde, was hij niet schuw. Hij ging voort en hij liet dat gerust. BML 3

40. Vaars gekwetst door naar spookkat te slaan te Sint-Martens-Leerne

Maar daar was nog enen die daar langs kwam. Die gaf die kat een slag. En als hij thuis kwam, heb ik mijn vader horen vertellen, lag zijn schoonste kalfvaars haar bil af. Dat is waar gebeurd. Ik moest daar om lachen. Maar mijn vader zei: ‘Gij weet nog niets, gij zijt als kleine jongens nog veel te dom’. BML 3

41. Slaan naar niet te treffen spookkat brengt ongeluk

(Katten?) Er is wel gesproken over de zwarte katten. Een zwarte kat, daar mocht ge niet aankomen. Als die zwarte kat op het hof zat, mocht ge niet buitenkomen, of als ze daarnaar schopten, was dat daar altijd naast. Ze konden ze niet doden. En er waren er, die ernaar gestoken hadden met een riek. En ‘s anderdaags lag daar ergens een beest in de stal… Als ze daarnaar geschoten hadden, was er altijd een ongeluk gebeurd. Daar moesten ze afblijven. [Localisatie onzeker] MEI 21

42. Wonderdokter voorspelt dat men spookkat niet treffen kan te Meigem

In Meigem kwam er een kat door het geutgat. En die man zei: ‘Ik zal ernaar kappen’. Maar Bouckaert [de wonderdokter] zei: ‘Ge zult ze nooit hebben’. En hij had ze nooit. Mijn nonkel weet hier meer van. PS 5

43. Pastoor voorspelt dat man spookkat niet kan treffen

Vader had twee broers die paster waren. En er kwam alle avonden een kat op ‘t hof. En mijn vader zat alle avonden met zijn kapmes gereed. En het was al drie uur en één van de broers zei: ‘Ge zult ze niet hebben’. En die kat kwam en hij sloeg ernaar en hij had ze niet. PS 6

Besluit

Evenals (P9) stellen we het kwetsen van een spookdier waardoor een dier van de dader gekwetst wordt, vast. Evenzeer het niet kunnen treffen van een spookdier. Ook (P27) handelt over een spookkat.

 

44. De Priesteragehond te Vinkt

Mijn vader die vertelde van de Priesteragiemeers, dat er daar een hond op de mensen sprong, een Priesteragiehond. VI 6a

45. Stier gekwetst als man naar Priesteragehond te Vinkt slaat

De priesteragiehond dat was een hond die op de rug van de mensen die daar voorbijkwamen, sprong. De oude mensen durfden daar niet passeren. Die hond sprong op hun schouders. En er was een boer – ‘t is maar een vertelling – die naar die hond geslagen had. En als hij thuis kwam lag zijn schoonste stier de bil af. En ze zegde, dat als hij hem gerust gelaten had, dat er niets zou gebeurd zijn. Dat heb ik gehoord van mijn vader en mijn moeder. Die waren alle twee van Vinkt. Maar zijn vader lachte ermee en zei: ‘Ik heb honderden keren door die meers gelopen, ik heb nooit die priesteragiehond gezien.’ VI 6b

46. Spookhond komt door deurtje in schuurpoort te Vinkt

Op Vinkt, in den tijd van Ivo Claeys, toverde het op die hoeve. Ik geloof dat er daar een hond door het ‘rinket’ van de schuurdeur kwam. En dat ze op zolder windmeulenden en veel lawaai maakten. VI 7a

(46a) Anekdote: De hond in de Witte Dreve te Leerne

Mijn grootmoeder heeft veel verteld van in Leerne. Hebben ze u dat niet verteld van dien hond in de Witte Dreve die spookhond? Grootmoeder heeft mij dat verteld, maar dat was allemaal deugenieterij. Dat was een hond, zijn muile en zijn ogen waren gesulferd, zo sulfer dat in den donkeren glinstert. En dat waren twee deugenieten die dat gedaan hadden. Die gingen dan ‘s nachts stelen. De mensen durfden op straat niet meer komen.

 

Besluit

Slodder uit (P3) nam soms de gedaante van een hond aan. (P14) vertelt de ontmoeting met een Priesterazenhond op de weg Lotenhulle-Nevele. (P20) handelt over de Priesterhagehond te Vinkt. Telkens moet de hond gedragen worden. Onze zegspersonen ZE 1, ZE 7 en ZE 7a hebben nooit over deze Priesteragehond gehoord. VI9 heeft het woord wel gehoord, maar weet er verder niets over. MEI 19 heeft nooit over spookhonden of een hondekensbende gehoord. De aanwezigen op de Heemkundige Vergadering evenmin.

Het kwetsen van een dier door naar een spookdier te slaan werd ook in verband met de Priesteragehond gebracht.

 

47. Nachtelijke spookpaarden op straat te Hansbeke

Mijn schoonmoeder [uit Hansbeke] vertelde dat ze ‘s nachts paaren met ketens door de straten hoorden draven en dat die zoveel lawaai maakten, dat de mensen niet konden slapen. Maar er was geen een die durfde opstaan. Ze zegden dan: ‘Ze zijn bezig met toveren’. HA 15a

48. Spookpaarden en –ruiters in wal van het Hof van Keunings te Vosselare

En mannen die te paard recht naar dat hof van Keunings reden, recht naar die wal… En poefe… ze zagen ‘t water spetten… en ze waren verdwenen. NE 6

49. Spookpaarden rond het Hof van De Waele te Poesele

Dat was op Poesele, op het hof van De Waele, waar ge al over gesproken hebt, dat hof met dat paard [Zie ons nr. 75] En ‘t volk zat in huis en daar waren windmolens aan ‘t draaien op zolder. En als ze gingen gaan kijken, ‘t was niets. En paarden die daar voorbijliepen. En dan zijn ze bij de paters geweest ook. En de paters zijn gekomen. En dat is een wreed lastig werk. Ze deden dat niet graag. En zweten, zweten…

[Zuster van zegspersoon vult aan:]

Ik heb moeder dat ook dikwijls horen zeggen. En ze zetten dat op de ‘voorste’ [= verste] partije, lijk dat ge zegt. CMBV

50. Spookveulen op het Hof van Felix Van Vynckt te Nevele

Ons moeders thuis op Nevele, dat waren boeren. En dat paard moest veulenen. Emma weet daar ook nog van. Ik heb dat honderden keren horen vertellen van mijn moeder en Emma ook van haar moeder. En ze zaten daarbij ‘s nachts, niewaar. En als ze in de stal zaten, liep daar altijd een veulentje ‘al nijen [= al hinnikend]’. En ‘t mannenvolk moest buitengaan en gaan kijken rondom de stal. Dat was een stal die alleen stond. En ze zagen niets. En lijk dat ze in die stal waren, was dat veulen daar wederom om te ‘nijen’. Dat was op het hof van Felix Van Vynckt op Nevele. CMBV vrouw 80 j.

51. ‘Wit paard’ nader het Hof van Caluwaerts te Meigem

Mijn moeder was te voet met haar twee kinderen naar Meigem gegaan. En ze zei dat op dat Hof van Caluwaerts, moet dat zijn, dat er daar ook een paard, een wit paard zat en dat dat alle jaren een stap naderde [Zie ook ons nr. 98]. ZE 5

Besluit

In de gepubliceerde sagen was niets over eigenlijke spookpaarden te vinden. VO 1 en VO 2 hebben nooit gehoord over die paarden in de wal te Vosselare, alhoewel de moeder van VO 2 op dat hof opgevoed werd. VO 5 weet dat die ‘paarden’ een ‘legende’ zijn, die hij nog heeft gehoord.

52. De Witte Gete op de wijk De Katte te…

Mijn vader had nog horen zeggen, dat er hier in De Katte, ook een spook liep. Dat was een witte geete. Maar sedert dat de revolvers opgekomen zijn, zei vader, hebben we van geen spoken meer gehoord. MEI 19

53. Witte geetjes in de Udegemstraat te…

En dan van witte geetjes die daar (in de Udegemstraat) liepen te middernacht. En ae ne keer, die geetjes waren weg. Zo allemaal dwaze kloterij. VO 4b

54. Witte konijntjes te Vosselare

Tegen het Hof van Keunings was een meersje en dat heette ‘t Vijverken. En daar zijn veel mensen geweest die daar witte konijntjes pakten en die in hun kot staken. En ‘s anderendaags was er geen één meer te zien. NE 6

55. Witte konijntjes te Nevele (?)

En dan allemaal die witte konijntjes te Verbekens. NE 6

Besluit

Alleen aan MEI 19 hebben we de expliciete vraag naar spookkonijntjes gesteld. Het antwoord was negatief. Over de witte geitjes en de ‘oakpui’ handelen we bij de Kinderschrik (Bijlage I).

 

F. Bespookte huizen, hoeven, akkers en andere plaatsen

56. Het bespookt huis in Wilde (Landegem)

Op de wijk Wilde spookte het in een bepaald huis; Saelens in Wilde. En daar durfde niemand in gaan wonen. ‘t Heeft maanden lang leeg gestaan, als ik een jaar of 15-20 was. Ge weet er toch van, hé, André? [André bevestigt het]. Hk.Vg.

57. Het Spookhuis in Poeke

Hier in Poeke is nog een huisje dat bestempeld wordt als het Spookhuis. Dat is nu de Cijnsstraat (?). Dat was een klein, zeer laag huisje, bouwvallig. En iedereen noemde dat het Spookhuis. En omdat dat huis die naam had, hadden veel mensen daar schrik van en vooral jongere kinderen. Het was een aardeweg die de Knok afsnijdt naar de steenweg Aarsele-Vinkt. En veel jonge mensen en vooral kinderen durfden niet langs die weg gaan omwille van dat huisje. PK 4

58. Spokerij bij Bertjes te Merendree

Zij: Hier op Merendree bij Bertjes, dat de varkens op de muur kropen. Dat heeft Bertje zelf gezegd. Hij: Ze heetten Goethals. Bertjes was een bijlap [= bijnaam]. Zij: Ze zijn toch naar de paters gegaan en dan is er nog een kindje doodgegaan van de schrik. ME 5 en ME 6

59. Spokerij bij Goethals te Merendree

(Toverij?) [Eerste antwoord:] Ik weet dat niet juist, maar ik heb dat horen zeggen. Dat ze op de zolder liepen, juist lijk een bende soldaten, ‘s avonds. En dat ze gingen kijken en ze zagen niets. (Waar is dat gebeurd?) Het hof hier achter. Dat was voor dat ik hier woonde. Dat was dan Goethals. En stukken van vijf frank vielen door de zolder op de grond en ze pakten ernaar en er was niets. Allemaal nog gehoord van die mensen hier. Ik ben getrouwd met een dochter ervan, maar ze is al drie jaar dood, het mens. De paters zijn daar dan gekomen. En terwijl dat de paters daar waren, passeerde daar een vrouw. (Kent ge haar naam?) Neen. De pater heeft er gelezen. ME 7ab

60. Spokerij op het Hof van Bollaert te Landegem

Het Hof van Bollaert, waar de Wittes (?) gewoond hebben, ze hebben ook nog gezegd, dat het daar gespookt heeft. Hier op Poeldendries. (Wat gebeurde er?) Dat weet ik niet. LA 7abc

61. Spokerij op het hof in de Moerstraat te Sint-Martens-Leerne

(Spokerij?) Daar heb ik veel van gehoord. Dat moet hier in de Moerstraat ergens geweest zijn. Maar dat is van voor mijnen tijd. (Wat gebeurde er?) Dat was in den tijd dat de koeplaag bestond. Ze wilden daaruit besluiten dat dat voortkwam uit spokerij.

62. Spokerij op een hof te Bachte-Maria-Leerne

(Toverij?) Mijn moeder geloofde er zo vast aan. Die was van Bachte-Maria-Leerne. Ze zei dat ze daar waren aan het bakken en aan het kernen en alles aan het werken boven. En in heel de gebuurte wisten ze normaal in welk huis het was. En er kwamen acht, tien mensen samen. En als ze daar waren en de moment was daar, daar was daar niets te zien. Dat was in de streek van Bachte-Maria-Leerne veel. Raym. De Roo, °Massemen 1907 v. Wetteren, m. BML

63. Toverij in Bachte-Maria-Leerne

(Uw vader zou volgens Irma Dhondt geruïneerd zijn door de toverij?) Ja, dat zeiden ze. Dat is gebeurd op Bachte hier. BML 10

64. Spokerij op het Neerhof van het kasteel te Hansbeke

(Spokerij op Hansbeke?) Ja, dat hof ginder, waar dat nu boer Boone woont. Dat spookte daar altijd op die hofstede zegden ze. En ‘t schijnt de koeien daar soms… ‘s Nachts was dat daar een leven in die stal en ja, de beesten hingen met hun poten omhoog. Dat heb ik allemaal horen vertellen. En als ze karnden, dat sloeg altijd tegen. En dat was door een zekere vrouw, die zou dat veroorzaakt hebben. Wacht eens, hoe was haar naam? Er wordt hier nog alle jaren een mis voor gedaan. HA 14

65. Spokerij op het neerhof van het kasteel te Hansbeke

Op ‘t neerhof van ‘t kasteel van Hansbeke zou het gespookt hebben, zeiden ze toch. LO 16

66. Vrouw spookt op neerhof van kasteel te Hansbeke

Kijk, wat Van Vynckt (= HA 8) daar vertelt, waar dat Boone woont. (Vertel gij dat nu eens). Ik heb dat horen vertellen, dat er daar een vrouwmens op het vertrek [= WC] zat. Dat ze zeiden: ‘Het spookt hier!’ Dat was in den tijd zo. De mensen gaven daar geloof aan. Maar daar geef ik geen geloof aan. Aan niets! HA 9

67. Toverij op het hof van Konings te Vosselare

Ik heb mijn vader nog horen zeggen, dat ze naar de paardenstal gingen op dat hof. En dat ze met drieën zaten te kaarten. En dat ze hem vroegen om mee te doen voor de vierde man. En dat het venster door toverij opensloeg. De beesten waren los op dat hof. Maar ‘s morgens was er niets meer te zien. NE 6

68. Toverij op het hof van Vogelaers te Meigem

Ik heb dat nog horen vertellen van mijn moeder. Dat was op het hof waar Vogelaers dan woonde. En als ze een varken geslacht hadden, dat vlees werd slecht. En ‘t kwam zodanig ver, dat ze ‘s nachts altijd kettingen hoorden rammelen. En (?) Mijn moeder heeft mij dat verteld. Die had dat gehoord van haar vader of moeder. Dat is gebeurd op Meigem. (Zie verhaal van moeder, nr. 69). MEI 21

69. Toverij op het hof van Honoré De Vogelaere te Meigem

(Hebt gij nog geweten dat het toverde op Meigem?) Ik heb dat niet geweten. ‘t Is ook van mijn vader te horen zeggen. Daar was een boerenhof en die mens heette Honoré De Vogelaere. En daar spookte het ook. En ze gingen in de stal en dat mens zei: ‘ja, dat is toch wat, dat is toch wat!’ De paters zijn daar ook gekomen. En ze hebben daar gelezen en ze zweetten. En dan is het gedaan geweest. MEI 19

70. Toverij op het hof van de burgemeester te Meigem

VI 6a begint: Op Meigem is dat geweest, op dat hof van den burgemeester. VI 6b gaat verder: En ‘s nachts liepen daar de paarden los. En ze hoorden de hoefslagen van de paarden, al achter het plankier zo. En als ze gingen gaan kijken, de paarden stonden in de stal en ze stonden te zweten dat het van hen liep. Allez, ze hoorden dat zo. Was dat nu verbeelding? (Van wie hebt gij dat gehoord?) Van mijn ouders. [Vervolg zie nr. 97)VI 6a en VI 6b

71. Toverij op de hoeve van Smuls te Meigem

Op die hoeve van Smuls op Meigem, dat die paarden daar zo ‘s avonds… Dat was zo met ‘ipperluchten’, dat is dat de blaffeturen niet tot het einde kwamen. En ze hadden vier trekpaarden en die paarden stonden daar alle vier met hun poten en met hun koppen voor die ‘ipperluchten’. En ‘s morgens stonden ze wederom gebonden in de stal. LO 17

72. Kapel te Poesele omgebouwd tegen de toverij op een hof

(Toverij?) [Eerste antwoord:] Er is hier wel sprake van een kapel met een paard of zo iets. En dat ze een kapel op die paardepoten zouden gezet hebben. PS 1

73. Kapel tegen toverij op het hof van De Waele te Poesele

(Vertel mij nu eens van dat spook bij Cocquyt!) Dat was bij De Waele. En onder ‘t kapelleken hebben ze daar een paard gedolven! Dat was ook betoverd geweest. Dat was geen echte toverij, maar dat werd hun wijsgemaakt. (Leg mij eens uit wat dat da was.) Wel, dat was het kwaad dat op ‘t hof zat. En hoe dat dat paard doodging, dat weet ik niet. Er zijn er nog die een paard verliezen. En ik heb mijn vrouw horen vertellen, dat ze dat gedolven hebben aan het hekken aan de straat en een kapel gebouwd. PS 2 (PS 2b (°1943) beaamt)

74. Kapel tegen toverij te Poesele

Ze hebben hier op het hof een paard met de poten omhoog begraven onder het kapelleken. En dan was het gedaan met de toverij op het hof. PS 4

75. Kapel op paard gebouwd op hof van De Waele te Poesele

Dat was op dat hof van De Waele, waar ge al over gesproken hebt, dat hof met dat paard… [Vervolg zie nr. 49) CMBV

76. Kapel op paard tegen ongelukken te Poesele

[Na vraag naar dit gegeven:] Die mensen hebben wreed ongelukken gehad. En ze hebben dat paard begraven en ze hebben er een kapel op gezet om Gods zegen af te smeken. LO 17

77. Een kapelleken op de weg tussen Lotenhulle en Poesele

En weet ge wat ze nog vertellen, dat kunt ge heel zeker nagaan; dat moet waar zijn, hé moeder, een kapelleken op de weg tussen Lotenhullen en Poesele. En wat was dat, moeder, iets dat verbrand was… Ik ben dat nu toch vergeten. Ge moet daar eens achter vragen. LO 5b

(77a) (Historische uitleg op het hof zelf: )Het kapelleken staat er al 200 jaar. Joannes Franciscus De Wael is hier gboren in 1800. Het heeft altijd Hof ten Briele geheten. Het kapelleken is achteruit gezet als de baan gelegd is. O.-L.-Vrouw van Lourdes staat erin. Ze zeggen dat het op vier paardepoten staat, maar ik weet niet of het waar is. PS 5 en PS 6

78. Spokerij op het hof van Standaerts te Zeveren

Ik heb altijd horen vertellen van mijne vent van Standaerts en al. ‘t Spookte daar ook wreed, zeiden ze. (Waar was dat?) Op Zeveren, achter de baan. VI 9

79. Spokerij op het hof van Standaerts te Zeveren

Er is wel toverij geweest op het hof van Standaerts of Vertriest. VI 1b

80. Ingebeelde toverij op het hof van Vertriest (=Standaert) te Zeveren

(Toverij?) [Eerste antwoord:] Mijn schoonzuster heeft mij dat verteld. Dat is gebeurd op Zeveren. Ze ging hier gaan werken op een groot hof. (Toch niet dat van Vertriest zeker?) Ja, van Vertriest. (Daar heb ik al van gehoord). Ze heeft nog geweest dat ze daar sliep en dat ze zeiden: ‘Ge moet gaan slapen en ge moet op niets peinzen. Als ze van de nacht…, als ge wat hoort moet ge niet beginnen roepen’. En ‘s nachts was er toch wat, dat ze karnden en dat ze geen boter hadden. Dat ze daar zeep ingedaan hadden. En ‘s nachts dat ze de beesten losgelaten hadden en zo ‘t een en ‘t ander. Die mensen beeldden zich dat in zeker. En ze durfen niet opstaan en ze lieten gebeuren. (ZE 4 helpt: En ze sloegen klokslag twaalf op de tafel, zei meetjen). Ja, dat kan ik nu letterlijk niet meer zeggen. (ZE 4: En ‘s morgens waren ze altijd wat gepakt). Dat waren deugenieten. Ge kunt peinze dat dat geen toverij was. Dat waren gasten die kwamen en die mensen bang maakten. En ondertussen bestolen ze hen. En ze lieten de paters komen! (Van Tielt?) Misschien wel. En ik geloof dat ze daar in ‘t plankier een nagel stoken hebben. ZE 5

81. Betreden van stuk land te Hansbeke brengt ongeluk

Maar van Hansbeke heb ik toch gehoord van een familielid die daar woont, dat er daar een hoeve was met land rond en ‘s avonds durfden die mensen niet naar dat land gaan. Want als ze daarop gingen, dan gingen er ongelukken gebeuren. HK.Vg °Me 38 j.

82. Van de ‘Duzeroen’ te Leerne geraakt men niet ‘s avonds

Op Leerne, die partij land heette de ‘Duzeroen’. En als het avond was, dat ge daar niet mocht overgaan of dat ge er niet meer af geraakte, dat ge moest blijven lopen tot ‘s morgens.

83. ‘Het kwaad’ in een fles nadert het neerhof van het Kasteel te Hansbeke

(Spook of?) Ja, ja, mijn vrouw haren thuis, hier ‘t neerhof van ‘t kasteel, rechtover het oud gemeentehuis. En die mensen waren ongelukkig in hun stallen en ze waren dat naar de paters gaan zeggen. En die hadden gezegd: ‘Er woont iemand bij u, die ge beter niet zoudt hebben. En kunt ge dat niet gevonden hebben in braafheid en in goedheid van die mens weg te zenden?’ ‘Ba, ja, we zeggen dat we hem niet meer nodig hebben of ‘t een of ‘t ander.’ ‘Wel, doe dat ne keer!’ Maar dat beterde niet. Die paters kwamen zelf naar het hof. En ‘t kwaad heeft hij in een flesken… ‘Kijkt’, zegt hij, ‘dat moet nu op ‘t voorste hoeksken van uw land zitten.’ Of dat nu waar is of niet, ik weet het niet. Alle jaren gaat dat een meter het hof naderen. En op de moment dat dat kwaad in die fles, aan het hof komt, zal heel het hof verwoest worden. Maar wanneer dat dat gaat zijn, dat weet ik niet. Dat is gebeurd voor mijne leeftijd, als Kerckhove daar woonde. Dat kan 100 jaar geleden zijn. HA 8

84. ‘Het kwaad’ veel wagenwielen van het hof gelegd te Meigem

Verplaetse had slechte boeken (…). De koeien wilden niet in de stal, de ruin werd lijk zot (…) En dat is dan op mij gevallen. (Wat?) Dat kwaad. En de pater moest komen. En ze zeggen dat ze dat ver van daar konden leggen. Maar ge hoort daar nu niet meer van, niewaar. Dat moet het ‘kwaad’ geweest zijn. (Hebt gij nog gehoor da ze dat op het verste hoekje van het land zetten?) Dat was veel wagenwielen van ‘t hof dat ze dat konden leggen, zegden ze. (Hoeveel?) Dat weet ik niet meer. MEI 14

85. Het ‘kwaad’ zit op ‘t land en nadert de hofstede te Meigem

Ik heb dat nog horen vertellen van mijn moeder. Dat ze zeggen: ‘Het kwaad zit op ‘t land. En dat nadert alle jaren een stap. En als het aan de hofstede komt, dan zullen de paters het moeten komen aflezen. MEI 21

86. Het ‘kwaad’ moet op de verste hoek van het land te Zeveren

Ik heb dat horen vertellen. Het kwaad, ze moesten dat op de voorsten hoek van ‘t land…. ‘t Kwaad was dan weg. ZE 1

87. Het ‘kwaad’ weggevoerd op de palen van het hof te Vinkt

(Hebt ge nog iets anders gehoord over toverij?) Te Vinkt op een boerenhof heeft dat ook nog bestaan. Het kwaad werd weggevoerd op de palen van ‘t hof. En ze hadden zij hier land, hier een beetje verder. En als nu ‘s avonds de zon onder was, kregen ze nooit geen paarden in die hoek. MEI 9

88. ‘Geest’ in een fles nadert hof van Meirhage op Lotenhulle

(Hebt ge nog andere dingen van toverij gehoord?) Bij Meirhage op Lotenhulle, dat was een groot boerenhof. En altijd ‘s morgen als ze opstonden, was hun mestput allemaal bloed. En ze hter de paters gegaan. En er kwam eerst een pater en het zweet droop hem af. Hij kon er geen weg mee. Hoe dichter dat hij bij de hinneroest ([= kippenhok?] ging, hoe meer dat het zweet hem afdroop. Hij heeft het stilgelegd en ze zijn achter de tweede pater gegaan. En dan hebben ze de ‘geest’ kunnen pakken. Ze hebben hem in een fles gestoken en op ‘t voorste van ‘t land gedaan. En alle jaren nadert hij een voet, allez, een stap. (Waar is dat gebeurd?) Op Lotenhulle, op het hof van de vader van Maurice Meirhage. Dat heb ik horen zeggen van mijn moeder. (Niet in een boekje gelezen?) Neen. LO 2

89. ‘Geest’ nadert het hof van Verstraete te Nevele

(Hebt ge nog gehoord van toverij in de stallen?) In de Bosstraat van Nevele, in ‘t Pepelhol. Een knecht bij Verstraete woonde in ‘t Pepehol. En als hij afkwam van Hansbeke, zo in de voornacht, dat was niet uit te staan van de honden die blaften, de beesten die huilden. Allez, de paters zijn er moeten komen. En de paters hebben een ‘geest” op de verste partij van hun land… en alle honderd jaar komt dat maar iets vooruit, dat het op hun hof niet meer kan. En ‘t heeft gedaan geweest. En mijn vader heeft dat allemaal horen vertellen van een manneken waar dat hij nog bij gewerkt heeft. En dat was dat manneken die dat gehoord en gezien had. Er moest toch wel wat zijn, niewaar? Nu gaat dat niet meer… NE 7

90. ‘Geest’ nadert een hof te Hansbeke

(Toverij?) Ja, daar heb ik veel van gehoord. Van toverij, dat heb ik mijn vader horen vertellen. Hij was bij mijn peetje opgekweekt. En ‘s avonds, dat was dan de mode, als de beesten eten gehad hadden en ze waren gemolken, gingen ze eten. En als ze gegeten hadden gingen ze stro geven aan de beesten. En ze gaan naar de schuur en mijn peetje – ik heb ze niet gekend, hoor maar zijn vader heb ik nog gekend; zo een beer van een vent. Hij was niet te wegen met honderd kilo. En een die nergens bang van was. Dat was in de schuur en daar zat daar zo op de schuurvloer zo iets met gloeiende ogen en met een keten aan… Ik heb dat dikwijls horen vertellen. Hij stond daar naar te kijken. Zegt mijn vader: ‘Wat is dat?’ Een aankomeling zijn, een jonge kerel. Zegt hij: ‘Ik weet ik ook niet wat dat is. Maar’ zegt hij, ‘ik hier op mijn eigen hof daar bang van moeten zijn? Dat bestaat niet’. Hij gaat naar de houtmijt en hij pakt daar een knuppel. Maar hij had geen tijd van te kloppen. Hij springt naar de schuur en hij heeft hem achtervolgd tot de voorste ding van ‘t land. En daar is hij blijven zitten. ‘ja, ja, maar’, zegt hij, ‘ik ga niet achterkomen. Ik ga u hier laten zitten.’ Van Vynckt (HA 8) vertelde dat daar ook. En alle jaren, maakten ze de mensen wijs, een meter naderen, alle jaren een meter. (Die hond?) ‘t Was geen hond. Ze wisten zij dat niet. HA 9

91. ‘Geest wordt in kan, kruik of flees gestoken op ‘t verste land

Ik weet niet of dat op Hansbeke is of waar, maar ik heb horen zeggen in mijn jonge jaren, dat was zogezegd een ‘geest’. En die paters, dat was meest met lezen. In geval dat ze de ‘geest’ konden pakken staken ze hem op ‘t verste land. LA 10

92. ‘Spook’ in fles nadert het hof van Steenkiste te Vosselare

Ik heb horen zeggen dat de paters daar zijn komen lezen en dat ze dat spook op de veste hoek van de grond in een flesje gestoken hebben en dat hij alle jaren een stap nadert. En als het aan het hof van Steenkiste zal gekomen zijn, zal het hof ontploffen. NE 6

93. ‘Spook’ in fles nadert een hof te Meigem

(Spoken?) [Eerste antwoord:] Ge hadt hier een boerenhof, achter de pastorij en er werd gezegd dat het daar spookte. En de beesten in de stallen maakten lawaai. En als ze erbij kwamen, ‘t was niets. Ze verstonden er zich niet aan [gedeelte onverstaanbaar]… Hij moest dat spook teruglezen, maar dat spook - wat de mensen allemaal dachten – werd in een fles gestoken en het werd op het einde in de hofstede in de grond gestopt. En dat kwam alle jaren een voet nader. En al ‘t op ‘t hof ging komen, ging alles verbrijzeld worden. Maar tot den dag van vandaag nog niet. (Lacht). MEI 1

94. ‘Spook’ in fles op verste partij land te Landegem

Halt, er valt mij nog iets in. ‘t Is gebeurd op den hof waar ik gewoond heb op Landegem. [Volgt een heel verwarde beschrijving van de ligging.] Wel op dat hof is er ook gespookt geweest. En daar zijn de paters gekomen en ze hebben het spook gepakt en ze zijn op de voorste partij, dat was ‘t einden den Bora (???), dat was daar bos en wei… en daar hebben ze die fles gedolven. (Op Landegem?) Ja. (Had dat hof een naam?) Neen. (Zijn vrouw vult aan:) Welvaert op de wijk Wilde-Landegem, dat is datzelfde hof en daar was een zoon, een nietwaard en die heeft een boom op de spoorweg gelegd om de trein te doen ontsporen. (En op de hof zou het gespookt hebben?) Ja, maar dat is van voor mijn tijd. LA 10

95. ‘Spook’ in fles op ‘t verste van ‘t land te Poesele

Ik heb altijd gehoord dat ze daar [= hof van De Waele] met den enen een ‘spook’ zouden gepakt hebben, in een flesje getoken en op ‘t verste van ‘t land gedolven hebben. PS 2b

96. ‘Spook’ nadert het hof van Vlieghe te Poeke[65]

(Toverij?) [Eerste antwoord:] Ik heb horen zeggen dat op het hof van Vlieghe van Poeke een spook zat. En dat het alle jaren een voet naderde. (Wie heeft u dat verteld?) Dat weet ik niet meer. PK 8

97. ‘Toverij’ nadert het hof van Verplaetse te Meigem

(Paasnagel?) Zij: Ja met die toverij. De paters verlazen dat en staken dat op de voorste palen van ‘t land, zo ver. En dat naderde alle jaren een meter, zeiden ze. Hij: Dat is gebeurd op het hof waar de burgemeester gewoond heeft, bij een Verplaetse vroeger. ([Zie ook nr. 70] VI 6a en 6b

98. ‘Wit paard’ nadert het hof van Caluwaerts te Meigem

Mijn moeder was te voet met haar twee kinderen naar Meigem gegaan. En ze zei dat op dat hof van Caluwaerts, moet dat zijn, dat er daar ook een paard, een wit paard zat en dat dat alle jaren een stap naderde. (Dat paard?) Ja, ze wist waar dat was. Zij was op Meigem geboren. Eerst woonde er een Begyn, dan een Coster, dan een Vertriest; Vertriests dochter is getrouwd met een Standaert (…). Wel, we gingen naar de kermis en als we daar tegen dat groot boerenhof kwamen, zei ze: ‘Op dat boerenhof heeft het nog gespookt. En er zit hier ergens een paard dat alle jaren een stap nadert naar het hof’. (Dat was op Meigem?) Ja. ZE 5

99. Oorzaak van toverij op ‘t voorste van het land te Meigem.

(Toverij?) [Eerste antwoord:] Het hof van Vertriestes, van Begyntjes hof. Mijn moeder heeft daar gewerkt. En ze hadden koeien en ze karnden. En als ze gedaan hadden met karnen, ze hadden nooit geen boter. En de paters hebben daar moeten komen, zei mijn moeder. En ze hebben dat op ‘t voorste van ‘t land gestoken. En met de slag van twaalven begon dat altijd. Ik heb mijn moeder dat dikwijls horen zeggen. (Dochter: ik dacht dat ze het in het plankier gestoken hadden). Hij: Ze hebben het op ‘t voorste van ‘t land gestoken. ZE 6

100.Begraven lijk nadert het neerhof van het kasteel te Hansbeke

Er is een sage op Hansbeke, dat er op ‘t neerhof van ‘t kasteel een moord gebeurd is en dat die vrouw daar begraven ligt en dat het lijk elk jaar een meter dichter bij het hof komt. (Het lijk?) Ja, ja. Hk. Vg. onderw. 46 j.

101.Stalkaarsen naderen het hof van De Waele te Poesele

Stalkaarsen die de mensen zetten. En alle jaren ging dat ergens een meter naderen naar het hof. PS 2a

102.Glazen bol in onderaardse gang te Vosselare rolt verder

(Onderaardse gang te Vosselare?) In die gang lag er een glazen bol die altijd wat verging. Dat hebben ze ook gezegd. Hk. Vg. 42 j.

 

Besluit

Vooral de motieven van de sagen 83 en 102 vallen op in het Land van Nevele. Het motief is het ‘kwaad’ of een ‘geest’ of een ‘spook’ al dan niet in een fles gestopt en eventueel ergens ver van de hoeve begraven, nadert met regelmatige tussenpozen een bepaalde kleine afstand en vormt in de meeste gevallen een bedreiging van de hoeve, waarheen het zich beweegt. Het naderen van een ‘lijk’, ‘stalkaarsen’ en zelfs een ‘glazen bol’ zijn interessante contaminaties met dit motief.

Op onze expliciete vraag naar dit motief kregen we slechts een negatief antwoord van ZE 2. ZE 3 beaamt onze uitleg, evenals een dame van het CMBV (Zie nr. 49).

Ook in de gemeente die grenzen aan het Land van Nevele noteerden we sagen met deze motieven, met name te Bellem, over het hof van Boer Landuyt, Oostmeulen te Aalter. Eveneens over een bepaald hof te Bellem, over een Tempelgoed te Drongen in de Noordhoutstraat, over het ouderlijk huis van I. Ide te Wontergem, over het Poldergoed te De Pinte.

Het Land van Nevele blijkt dus wel het kerngebeid van dit motief. Wijzelf hebben het in de rest van Oost-Vlaanderen niet aangetroffen. Ook in andere Oost-Vlaamse sagenverzamelingen hebben we dit motief niet aangetroffen.

In West-Vlaamse verzamelingen komt het motief bijna nooit voor. Daar wordt het kwaad echter meetal naar de zee of naar de Rode Zee verbannen. Gedetailleerde opgave van onze bewijsplaatsen moet binnen het kader van deze studie achterwege blijven.

 

2. Uit de geestenwereld

 

A. Heksen

103.Moeder van L. Schapers te Merendree deed beesten sterven

Als ik in mijn kinderjaren was, woonde er hier op Merendree een wijveken, dat de naam had, dat het een toveres was. (Hoe heette ze?) De moeder van Louizeken Schapers, zeker. Ik durfde er niet passeren, als ze buiten was. Ik ben er nooit voorbijgegaan, ik ben er altijd voorbij gelopen. En dat boerenhof daarachter, daar gebeurde van alles. Beesten dood, 't gindse niet kunnen. Die mensen zijn ongelukkig geweest, dat het nergens op trok. ME 3

104.De moeder van Lieza Cornelis te Merendree was ook een toveres

Op Melderen [?], een wijk te Merendree, was er ook een sloor en die had ook de naam. (Hoe heette die?) De moeder van Lieza Cornelis. ME 3

105. De weduwe Cornelis te Merendree had de naam

In de Durmestraat woonde een, de weduwe Cornelis. Ze kon zij zeker niets doen, maar ze had zij de naam. ME 8a

106. De weduwe Cornelis te Merendree had de naam

(Kent gij hier vrouwen die de naam hadden?) De weduwe Cornelis zeker wel? (Voila, het vliegt eruit!) ME 4a

107.Andere vrouw te Merendree maakt kinderen ziek en doet karnen mislukken

En dan die andere, wacht eens... Soms kinderen die een ziekte kregen, waar dat ze binnen geweest was, dat ze dat op haar staken. (Hier op Merendree?) Ja, dat werd toch gezegd. Ongelukken enzovoort, slechte boter karnen. (Had ze boeken?) Ik denk het niet. ME 4a

108. Die van Parijzes op Durme (Merendree) liep 's nachts op straat

Weet ge, op Durme heeft er ook nog een de naam gehad. Die van Parijzes daar. Dat was ook zo een aardige. Die liep altijd 's avonds en 's nachts op straat. (Wat liep die daar te doen?) Wel ja, wat liep die daar te doen? ME 4a

109.De weduwe Cornelis te Merendree had misschien wel boeken

(Kent gij de weduwe Cornelis?) Ge weet het al, hoor ik. (Tussenkomst van zijn vrouw: zie nr. 110) (Had ze boeken?) Neen, ik heb er wel van horen klappen dat ze peinsden dat ze boeken had. Maar ik durf niet zeggen dat het waar is. Die weduwe is dood, al lang hoor! ME 5

110.De weduwe Cornelis te Merendree deed koeien sterven

En de koeien gingen dood en ze pakte die kalvers. En dat is gemeend geweest, want de paters zijn op 't hof geweest. ME 6

111. De weduwe Cornelis te Merendree gaf haar boeken aan haar dochter

(Hebt gij nog gehoord van toverij hier?) Ja, veel. Maar ik doe er toch geen kwaad mee, hé? (Neen, neen, ik zal het u zelf zeggen, er waren er hier twee...) De weduwe Cornelis, die had een heel slechte naam. En die boeken, zeggen ze, die heeft ze gegeven aan haar dochter, die nu nog leeft. En die boeken heeft de pastoor meegenomen. [Vervolg zie nr. 112]. ME 9

112. De weduwe Cornelis te Merendree deed konijnen sterven

(Hebt ge nog andere gevallen over haar gehoord?) Ja, maar zo kleine gevallen. Dat ze konijnen wilde kopen en dat ze daaraan kwam. En dat die 's anderdaags dood lagen. Of dat nu echt gebeurd is of niet, ik weet niet. [Vervolg, zie nr. 113]. ME 9

113. De weduwe Cornelis te Merendree doet beesten loslopen

Die oude, zeggen ze, die heeft nog bij een boer, hoe het ging, weet ik niet, dat de beesten losliepen. Dat ze bang waren, dat ze naar de paters gingen en zo meer [Vervolg zie nr. 114]. ME 9

114.Uzeken Schapers te Merendree toverde ook

(Maar er was hier toch nog een andere?) Ja, Uzeken Schapers, die heeft ook de naam gehad. (Hebt gij die nog gekend?) Ja, als kind. Mijn moeder was wreed arm, maar wreed vrijgevig. En Uzeken was zo een wijveken, dat daar alleen zat, een weduwe. En die kweekte twee, drie kleine kinderen, om een boterhammeken te verdienen. En dan droeg mijn moeder al eens eten naar Uzeken. Ze deed daar melk naartoe. (En?) Ze zeiden dat zij toverde. (Hebben ze nooit gezegd op welke manier?) Neen. ME 9

115.De weduwe Cornelis te Merendree belet karnen door in boek te lezen

Lieza Cornelis haar moeder, dat was een toveres. Ze zouden daar eens een boek uitgehaald hebben, een boek die ge niet mocht lezen. En dat ze geen boter kregen. En ze was bezig met een boek te lezen. En pater Kamiel had daar dat dan gezegd. ME 12

116.De weduwe Cornelis te Merendree beticht van dood van een paard

Er ging een paard dood en ze staken het op die oude van Cornelis op (wijknaam niet verstaan). Ze zeiden altijd: ‘Als die dood gaat, de jenever zal afslaan’. ME 12

117.Macht van de weduwe Cornelis door de paters met broodjes gebroken

(Hoe maakte ze u als kind bang?!)… en van de toveressen. (Van de weduwe Cornelis?) Ja. (Hebt ge er nog bepaalde toeren over gehoord?) Dat de paters kwamen en dan was het gedaan. Ze gaven een broodje of ‘t een of ‘t ander. ME 10

118. Toverheks aan het Schapershof te Landegem/Merendree?

(Kent gij de weduwe Cornelis of Uze Schapers?) Neen. Ik denk dat het op Landegem was, dat die woonde. Dat is juist aan ‘t Schapershof. En daar woonde een oud wijveken. En daar waren we ook altijd bang van. Ze zeiden ook dat het een toverheks was. Ja, ja, daar in Merendree, daar recht op ‘t Schapershof van Stampaerts. Maar hoe ze heette, weet ik niet. (Dat was dus op Landegem?) Op Landegem. Dat was een oude wijveken. Of zij een man gehad heeft, weet ik niet. We gingen naar Meetjes van Merendree naar Landegem om melk. En als we daar moesten passeren aan dat huizeken… MEI 17

119.Heks uit Sleidinge doet man dolen te Merendree

In Sleidinge was ook een toveres. En mijn vader moest daar ‘s nachts passeren. En hij zag dat vrouwmens komen en mijn vader leek daar toch zo een beetje naar. En zij keek naar hem en ze ging voort en ze deed niets. Maar als mijn vader aan zijn hof kwam, waar dat zijn zuster nu woont, mijn vader liep op ‘t hof en hij liep altijd maar rond. Hij liep altijd maar rond zijn hof. (Is dat gebeurd op Sleidinge?) Neen, hier als hij thuiskwam, op Merendree. Hij kwam van Sleidinge en ginder liep dat vrouwmens. Dat liep daar alle nachten. (Kent ge haar naam?) Ik weet dat maar van mijn vader. Ik weet niet of hij er gekend heeft. ME 11

120.Heks tovert misschien muizen te Landegem

En ze hebben hier ook gezegd dat ze op een doening allemaal muizen hadden en ratten. Ook misschien van een toveres. LA 7abc

121.Heksen maken kinderen ziek met verbrande nagels van een lijk

(Hebt gij nog gehoord dat ze de kinderen ziek maakten?) Ik heb dat nog van mijn grootmoeder gehoord. (Van waar was die?) Van Leerne. Maar dat was allemaal superstitie. Dat ze de nagels van een lijk afknipten en verbrandden en dat ze dat dan in de melk van de kinderen strooiden. [Vervolg, zie nr. 122] VO 6

122.Heksen beletten karnen met verbrand haar van lijk

Of dat ze het haar van een lijk afsneden en verbrandden en in de karn strooiden en dat ze geen boter meer hadden. ‘t Was al toverij! VO 6

123.Biene De Ceuninck, (echtgenote De Weirdt) te Bachte-Maria-Leerne doodt paard

(Toverij?) Er is een geweest op Leerne, ik weet dat goed. Sebilie De Ceuninck heette ze. En dat was de vrouw van een Fien De Weirdt. Die had de naam van toveres. En ‘t was zo een heel aardige van doening en ze liep altijd zo met een mannevolksvest aan. En ik weet goed van die. Die kon alles. Wij, op ‘t hof, als ik klein was nog, mijn vader kocht een keer een zeug met zes viggens. En ja, dat paar had geen wijwater gehad als hij voortreed. En ginder, waar dat hij die zeug oplaadde, die viggens, ze gaven dat ginder wijwater. En die, die Biene De Ceuninck, dat ik daar zei, was daar op ‘t land, op ‘t hof. En ze kwam daar ook naar kijken en die was daar ook rond. En als dat dan met mijn oudste broer ‘s avonds naar de paardestal ging en ‘t lag met een veulen, dat paard, hij verschoot ervan, die ogen dat waren juist vuurkogels. Dat was wreed om zien. En hij ging mijn vader gaan halen. Dat was de schuld van haar. Ja, dat kon zij allemaal. [Vervolg, zie nr. 124] BML 3

124.Biene De Ceuninck te Bachte-Marie-Leerne doodt kinderen

En waar dat er zo vrouwen waren die een kind gekocht hadden, dan wist ze daar met alle truken binnen te geraken. Wel, en ‘s anderendaags dat was dood en dat was weg. Dat was dood dat kind. Ja, maar ze kenden haar al goed, hoor. De deuren waren allemaal gesloten als er een hoorde: ‘Biene komt daar af!’ BML 3

125.Biene De Weirdt doet graanmolen en karn draaien te Leerne-Leiekant

Ik was ginder een keer op de Leiekant hier op Leerne. Ze woonde zij daartegen die. En die vent, heb ik vader horen goed vertellen, dikwijls, die vent trouwde daar en woonde daar. En als het nacht was, als ze in bed waren, ze hoorden zij daar soms ‘meulenen’ in huis, zo met een graanmolen en alles zo. Ze hoorde zij daar karnen, ze hoorden zij daar alles doen. En dat ze de zolder opvlogen en als ze gingen gaan kijken, ze hoorden of ze zagen niets. En als ze weerom in hun bed waren, dat was weerom hetzelfde. Ik heb mijn vader dat dikwijls horen vertellen. En dan naar de paters gegaan… BML 3

126.Biene De Weirdt te Bachte-Maria-Leerns. Ze zegden altijd: Biene De Weirdt. (Hoe was haar echte naam?) Siebina heette ze. Mensen niet gerust laten. En op hun rug en op hun hoofd kloppen. Ik heb daar nooit veel met in alliantie geweest. BML 2

127.Bruun De Weirdt zijn vrouw te Bachte-Maria-Leerne betovert dekens

Er was een vrouw en die was ziek en die heette Virginie Volckaert. En ze kwam weer uit haar bed. Ze deden die dekens in de leie en ze haalden die dekens daar zes weken nadien uit en daar was nog niets aan. Dat was iets dat een mirakel was. Dat heb ik mijn moeder dikwijls horen vertellen. (Door wie kwam dat?) Ze wilden altijd hebben dat dat van Bruun de Weirdt zijn vrouw kwam. BML 4

128.Biene De Weirdt te Bachte-Maria-Leerne doet kind wenen en bedaart het

Ge moet dat maar eens vragen aan Jef, van zijn broerken dat betoverd was, als ze daarmee naar den doop gingen. En als ze ermee naar de doop gingen, kwamen ze Biene tegen, die toveres. En ze was zo wreed geneigd van aan de kinders te komen. ‘Hé, dat is een school kindje!’ Ziet ge het. En ze had dat ook gedaan. En dat kind begon te schreeuwen en ze komen daarmee thuis en geen handen aan… en huilen en tieren dat dat kind doet. En dat waren die vroedvrouwen met die, die dat kind droeg. En ze komen thuis en Gust, Jozef zijn vader, Gust zegt: ‘Waar hebt ge met dat kind geweest? Zijt ge misschien Biene tegengekomen?’ ‘Ah ja, en ze heeft ernaar gekeken’, zeiden ze. En hij schiet hem daar naartoe. En ik weet niet wat hij daar gezegd heeft, nietwaar. En ‘Ga maar naar huis’, heeft ze gezegd. En dat kind was kalm. ‘t Was gedaan. Hij is er naartoe geweest. (Wie heeft dat kind terug kalm gemaakt?) Al met een keer, zij, zij! Zonder erbij te zien dan. [Vervolg, zie nr. 129] BML 6

129. Sabiene De Weirdt te Bachte-Maria-Leerne gaat niet op stoel met gewijde palmtak zitten

(Hebt ge nog van die stoten gehoord?) Ja. Waar dat Dobbelaers nu wonen, die mensen woonden daar en ze hoorden dat ook altijd zeggen en zeggen. En ze kwam daar veel. – ‘Nu wil ik toch wel eens weten of zij wel iets kan?’ En de stoelen stonden allemaal rond de tafel en: ‘Wij gaan onder één van die stoelen een gewijde palmtak steken’. En ze zetten die stoel waar dat ze altijd zat. En ze komt daar binnen, dat ze om melk kwam en ze zette haar op die stoel niet. Ze zette haar daar nevens. En dan hebben ze gezegd: ‘Ze kan wel wat!’ (Was het niet met een paasnagel?) Ik weet het niet. [Vervolg, zie nr. 130] BML 6

130.Kind betoverd door iets op te rapen van Biene De Weirdt te Bachte-Maria-Leerne

(Hebt ge dan niet gehoord dat ze de kinderen den ‘aa man’ kon geven of de beesten ziek maken, of met spelden?) Ja, dat heb ik ook nog gehoord. En ze smeet zo veel dingen langs de grond. Want mijn meter die woonde daar niet ver van. Die had twaalf kinders en ze verbood altijd haar kinders dat ze niets mochten oprapen van de grond. Maar een kind dat verbieden! Er raapte een wat op en het was ook betoverd. (Hoe heette die toveres?) Zij heette Sabiene en haar dochter heette Marie. Die Marie heb ik nog gekend. Maar haar dochter heb ik nog zien staan aan het hekken. En dat was juist ook een toverheks! BML 6

131.Biene De Weirdt te Bachte-Maria-Leerne was een toveres

(Waren er hier toveressen in de streek?) Hier heeft een toveres gezeten, Biene De Weirdt. Dat is een toveres geweest, heb ik mijn vader dikwijls horen zeggen. Maar ja, van horen zeggen… Maar ik kan daar geen uitleg over geven. Zij heette Van Lare. BML 5

132.Kinderen hadden schrik van Biene De Weirdt te Bachte-Maria-Leerne

(Hebt gij nog over toverij gehoord?) Dat was een in de gebuurte. En al de kinders in de gebuurte waren daar benauwd van. Dat ze zeiden, dat was een toveres. En dat was pertang geen waar, waarschijnlijk. En alle kinders, als ze naar school gingen, deden ze een omweg. (Was dat Biene?) Ja, Sabiene De Weirdt. (Wat deed ze?) Ah, jongen, dat was een rare. Ze woonde in ons huis en wij waren daar zo benauwd van. En als wij naar school gingen en we zagen haar gaan: ‘O, Sabien is daar! Sabien is daar!’ En we deden altijd een andere weg. Ze kwam hier een keer en ze zei tegen mijn vader: ‘Ja maar, de kinderen zijn altijd bang van mij. Waarbij komt dat, dat ze bang waren?’ En ze trapte zo altijd met haar voeten. Dat was zeker een ziekte, peins ik. [Vervolg, zie nr. 133] BML 7b

133.Biene De Weirdt oorzaak van lichaamsgebrek bij jongetje

En Lieza Kloede, zij had zo een jongetje met een arm af. En ze zei dat dat Sabiene was die hen behekst had. Ze zeiden dat, maar dat was niet waar. BML 7b

134.Sabien De Weirdt te Bachte-Maria-Leerne kan ‘het’ beter dan haar man

(Hebt gij nog van Sabien De Weirdt gehoord?) Wel, Door De Weirdt, ze zegden altijd dat hij dat kon. Maar zijn vrouw kon het beter, zegden ze. SML 1a

135.Sabien De Weirdt te Bachte-Maria-Leerne zag er heksachtig uit

(Hebt gij nog gehoord van Door De Weirdt?) Dat was heel zeker zijn moeder, peins ik. Ik heb mijn ouders nog horen klappen van Sabien De Weirdt, dat dat ook zo een was. Die een beetje geheimzinnig was, een beetje heksachtig. Door De Weirdt was een barbier. BML 8

136.Kinderen werden bang gemaakt van Sabien De Weirdt te Bachte-Maria-Leerne

(Hebt gij nog gehoord van Door De Weirdt?) Door niet; zijn moeder wel, zeiden ze. (Welke toeren vertelden ze zo?) Neen, als wij kleine jongens waren, maakte ze ons bang: ‘Pas op, want de toveresse is daar!’ En dat was de moeder van Door De Weirdt, van Isidoor De Weirdt. SML 2

137.Kinderen werden bang gemaakt van Sabien De Weirdt te Bachte-Maria-Leerne

(Hebt gij nog gehoord over toverij?) Als er een aardig oud wijveken was op Bachte-Maria-Leerne, ‘t waren al toveressen. Maar dat was geen waar. (Hebt gij nog gehoord dat ze daar de karn niet konden afkrijgen?) Biene De Weirdt had de naam. Pol De Weirdt dat was haar man, haar zoon. (Waren de kinderen er bang van?) Ah ja, omdat de oude mensen altijd maar zeiden, dat het een toveres was. BML 10

138.Biene De Weirdt uit Bachte-Maria-Leerne doet katten op het huis lopen

(Toverij?) Weet ge waar dat bestaan heeft? Op Bachte-Maria-Leerne. En dat was op de Oude (?) Weg en dat was de vrouw van Bruno De Weirdt. Hij was een barbier en zijn broer was ook een barbier. Zij had de naam van toveres te zijn. Zij heette Marie Van Lare. Biene De Weirdt, zeiden ze altijd, maar ze heette eigenlijk Van Lare. Zij woonde in de Leiekant. Als ge van Leerne naar Bachte gaat. (Kent ge nog van die toeren?) Katten op het huis lopen enzovoort, dat was Sabien De Weirdt. [Vervolg, zie nr. 139] BML 12

139.Biene De Weirdt uit Bachte-Maria-Leerne doet lichten branden

En lichten die brandden, dat was Sabien De Weirdt. [Vervolg, zie nr. 140) BML 12

140.Biene De Weirdt uit Bachte-Maria-Leerne doet paard omkeren

Ik ga nog eens iets vertellen van Sabiene De Weirdt. En dat was dokter Callewaert, die moest komen naar de zieken, daar in de wijk. En als hij halfweg was, ‘t paard keerde weerom. Dat was Sabien, dat ze zegden, dat zij dat tegengehouden had. BML 12

141.Die van Schapers van Hansbeke kon kindjes betoveren

Ze kon toveren, wat ze waren er allemaal bang van, voor hun kleine kindjes, die van Schapers van Hansbeke. Dat bestond vroeger. De mensen hechtten daar toch geloof aan. (Hebt ge dat gehoord of hebt ge dat geweten?) Geweten, ik word dit jaar negenenzestig. (Had die boeken of had die weduwe Cornelis boeken?) Neen. (Waren er nog andere op Hansbeke?) Ik weet niet, jongen. HA 15

142.Die van Schapers van Hansbeke maakte het kind van Jules Lootens ziek

Uze Schapers haar zuster woonde op Hansbeke. En die passeerde alle dagen voorbij ons. Dat weet ik nog goed. Ze had soms maar één kous aan. We waren er bang van en ze keerde zich dan om. En Jules Lootens hier, die nu dood is, had een kindje. En ‘t was vendutie bij Mietje van Loke (?) waar ik nevens woonde. En dat wijf liep daar ook. En Jules zie: ‘ik zal lachen!’ En zij zei: ‘Ge zult niet blijven lachten!’ En ik heb dan horen vertellen dat dat kind ziek geworden is. En dat kind schreeuwde hele nachten. Ze moesten dat aan het plafond steken. En ‘t was betoverd door gindse Schapers. Maar die heette geen Uze. Dat was ook een toveres. ME 11

143.Schapers van Hansbeke was geen heks

(Kent gij vrouwen met de naam? Uze Schapers bijvoorbeeld?) Ja… er zijn er verscheidene die zo heetten, nietwaar. (Er was een Schapers op Hansbeke en een op Merendree, hebben ze mij gezegd. En ze hadden alle twee de naam.) Daar was geen gedacht van. Die van Hansbeke, dat waren deftige mensen, natuurlijk arme mensen. Die mens wachtte schapen. (Kent gij dan de weduwe Cornelis op Merendree niet?) Ik ben van daar niet. Die schaper van Hansbeke, dat was een Zutter. Mijn vrouw heet ook Zutter. Mijn vrouw is een afstammeling daarvan. (Van wie?) Van die schaper, dat ge wilt zeggen. Maar dat was een wreed harde werker. Ze zegden daar veel Schapers tegen, omdat die schapen wachtten in dien tijd. Dat is nu uitgestorven. HA 12

144.Roste Fannie te Hansbeke kon de kinderen betoveren

Roste Fannie in Hansbeke! ‘t Was een toverheks, zegden ze. We mochten er niet binnengaan of we mochten omtrent haar huis niet gaan, want we werden behekst of betoverd, zegden ze. LA 1 (?)

145.Tielde Roets uit Hansbeke belette het karnen

(Toverij?) Hier heeft eens een toveres gewoond. De mensen zegden het. De ene moest karnen en hij had geen boter. En de andere moest karnen en hij had dat niet. HA 1

146.Tielde Roets uit Hansbeke belet een zeug biggen te werpen

En een zeug die niet vigde. [Vervolg, zie nr. 147] LO 1

147.Tielde Roets uit Hansbeke komt niet meer als men ‘hoger sloeg’

Aan toverij gaf ik niet veel geloof, maar ik was toch bang van Tielde. Ik moest mijn eerste kind hebben en ze zegden… (Haar man onderbreekt: ze woonde achter ons) en ze zegde, als ze op uw schouder sloegen, dat ge moest op hun hoofd slaan. En ze zit naast mij… (Hoe heette ze?) Tielde Roets, Mathilde Roets… En ze zegt: ‘Ja, ja, Irma’ zegt ze, [de vertelster slaat me op de schouder]. Ik zeg: ‘Ja Tielde, ge zijt er niet’. En ik sloeg hoger. En Tielde ging voort. En ze heeft niet meer geweest. En in ‘t eerst dat we getrouwd waren, en wij woonden ginder, ze kwam… (Waar was dat?) Op Reybroek (?). En in ‘t eert dat we getrouwd waren, er was een winkel juist aan ons, een kruidenierswinkel. En ze kwam altijd naar mij achter een doosken ‘stekken’ [= lucifers]. Maar als ik haar zag komen, vermaakte [= sloot] ik mijn deur. De winkel was recht over ons en ze kon zij daar achter stekken gaan, nietwaar. ‘t Was omdat ik hoorde zeggen dat het een toveres was. LO 1

148. Tielde Roets uit Hansbeke voorspelt met boeken aantal en dood van biggen

(Toverij?) Ze heeft nog in mijn gebuurte gewoond. Ze heette Roets. Daar was een vrouwmens… en dat deed ze in de boeken. ‘De zeug gaat viggen en ze zal twaalf viggens hebben. En ze zullen alle twaalf dood zijn.’ En ze waren dood. [Vervolg, zie nr. 149] HA 7

149.Tielde Roets uit Hansbeke voorspelt kantelen van kar

En een boer komt er met twee vaarzen gereden, schoon geladen. En ze zegt: ‘Boerke, ge gaat niet thuis geraken’. En de kar keerde om. [Vervolg, zie nr. 150] HA 7

150.Tielde Roets uit Hansbeke belet het karnen

En dan daarachter, was daar een boerke die daar woonde, die alle dagen karnde. En ze ging daar veel, maar die mens kon geen boter meer karnen. (Wat heeft hij dan gedaan?) Naar de paters gegaan. (Waar?) Dat weet ik niet. Dat is dan gedaan geweest. [Vervolg, zie nr. 151] HA 7

151.Tielde Roets uit Hansbeke kon de kinderen ziek maken

(Maakte ze de kinderen ook ziek?) Dat deed ze ook, dat ze zegden. (Was ze lelijk?) Ja, getrouwd en kinderen. Ze mocht van de mensen niet omtrent de jongens komen. Dat was rond 1900. Ze had een dochter en drie zonen. Een zoon had een bult. HA 7

Tielde Roets uit Hansbeke als toveres aangezien

(Tielde Roets?) Tielde Roets, dat was algemeen gekend, dat die wat meer kon of een ander. De toveresse, zegden ze daartegen. Of het nu waar was of niet, dat weet ik niet. HA 8

153. Tielde Roets uit Hansbeke kon kinderen ziek maken en doen sterven

(Hebt gij nog gehoord van vrouwen die de kinderen ziek maakten?) Roets, ja, hier van Reybroek. Dat ze bij de kinders ging die in de wieg lagen… en ze waren betoverd. Ze aten niet meer of ze gingen kapot. Of als ze opgroeiden, ‘t waren geen mensen niet meer. Dat is van mijnen tijd ook. (Wat deden ze ertegen?) Naar de paters gaan. Van Vynckt [= vorige verteller] vertelt het daar ook. Maar ze moest bij niemand meer gaan, hoor. (Hebt gij ze nog gekend?) Ja, ik heb ze gekend, Tielde! HA 9

154.Tielde Roets uit Hansbeke belette het karnen

(Toverij?) Wij hadden zelfs een gebuur en die had de naam van toveres. (Hoe heette die?) Mathilde De Zuttere. (En haar bijnaam was?) Tielde… (Zijn vrouw helpt: Roets). (Daar heb ik al veel over horen vertellen). Mijn vader, dat ging daar niet goed mee. Ze had nogal een felle bek om te komméren. En ik ga u zeggen, hoe dat dat gekomen is. Mijn moeder moest haar zesde kind kopen en zij had haar gepresenteerd voor ‘achterwoarster’ [= hulp na de bevalling]. En zij had zich gepresenteerd, maar mijn moeder moest daar niet van weten. Dat was zo maar een gemeen vrouwmens. En ze had achter de vroegere ‘achterwaorstere’ gaan kwaad klappen, en zo zijn ze in twist gevallen. En ze had de naam van toveres. ‘O, ze kan zij niets’, zei mijn vader, ‘of met haar muile toveren’. De mensen gaven daar lijk geen geloof aan. De bijgelovigen geloofden dat. (Hebt gij nooit echte toverij van haar horen vertellen?) Wel ja, er was bij ons een gebuur. Hij kon geen boter karnen. Maar, ‘t was in ‘t eerste van ‘t loof. De melk is dan sterk en die karn ging niet af. En zij had zij daar toch geweest en ze meenden zij, dat zij dat betoverd had. [Vervolg, zie nr. 155] HA 11

155.Tielde Roets uit Hansbeke geeft kind ‘dan aaë man’

(Hebt gij nooit gehoord dat ze de kinderen ziek maakte?) En een andere gebuur had een kind, die zo den ‘aaë man’ had. En ze had zij daar ook geweest. Daar waren daar mensen die dat geloofden. Maar ik heb dat nooit niet geloofd. En mijn vader geloofde dat ook niet. (…)

(Hebt gij het nog geweten dat ze de paters haalden?) Maar ja, jongen, bij die Tielde Roets ook. Er waren er dan ook die de paters haalden. Waar dat dat kind ziek was haalden zij ook de paters. HA 11

156. Tielde Roets uit Hansbeke ‘s nachts altijd op straat

(Hebt gij nog gehoord van vrouwen die de kinderen ziek maakten?) Ja, bij ons is dat geweest. Ik had een zuster. Dat is gebeurd. En daar woonde een vrouw, zo ver niet van ons, driehonderd meters, in Hansbeke. Die heette Tielde Roets. Hare vent heette Roets en die vent had een baard. En dat wijf, die toveres, ze zegden daar Tielde Toveresse tegen. Die liep ook altijd ‘s nachts zo op straat. Kon zij nu toveren? Kon zij het niet? Ze had altijd een snuitdoek op haar hoofd. Mijn zuster kwam eens ‘s ochtends in het schotelhuis en met het licht aan te steken zag ze dat vrouwmens haar wegtrekken [van voor het venster]. En ze had daar zodanig van verschoten, dat ze daar niet goed van was. [Vervolg, zie nr. 157] LO 16

157.Tielde Roets uit Hansbeke maakt kind ziek met spelden

En als er dan een klein kind was geboren, wilde ze daar altijd bij zijn. Bij zo verre dat er daar een vrouwmens was aan onzent, en daar waren ook veel kleine kinders, alle jaren één. En die daar in huis kwam stelde die vrouw zich daar voor, dat ze daar niet aan kon. En ze zei, ik heb dat ook niet gezien, allemaal horen zeggen, dan werden de jongens, als ze klein waren in een bussel gestoken. En dat waren doeken en ze staken dat toe met spelden. En die jongens schreeuwden altijd en dat zat vol spelden, zegden ze. Maar kon zij dat nu? Ik weet dat niet. Ik gaf daar toch niet veel geloof aan. [Vervolg, zie nr. 158] LO 16

158.Tielde Roets uit Hansbeke doet Jules De Wulf dolen

Die Tielde Roets die liep altijd langs de straat ‘s nachts. Maar nu, een zekere Jules De Wulf verkeerde met een meisken, Polieneken Ingels, nevens ons. En dat waren twee hoven en ze paalden aan mekaar. En als die vent dan te negen of ten tienen naar huis ging – toen vrijden ze zo lang niet of nu. Hij gaat van dat hof, al de binnenstukken naar zijn huis. En hij woonde in de Veldstraat, en zij in.. op Reybroek, wel een half uur gescheiden, maar hij kon zo, al binnenwegen naar huis gaan door ‘t land. Dat heb ik hem horen zeggen, hij is dat tegengekomen. En hij komt die Tielde tegen, die Tielde, lang gekleed met een snuitdoek op haar kop en hij zegt goenavond. En zij zegt niet. Maar hij kende ze. En weet ge hoe lang hij daar gelopen heeft eer dat hij geweten heeft waar dat hij was? Tot dat het klaar was. [Vervolg, zie nr. 159] LO 16

159.Tielde Roets uit Hansbeke maakt haar man ‘s nachts bang met eksters

(Hebt gij nog van die toeren gehoord van Tielde?) Neen, maar ik weet wel, als ze een kaaksmete [= oorvijg] kreeg, lijk dat ze nog kreeg, dat ze zo toverachtig niet meer was. ‘t Was een deugeniet. En als ge deugeniet zijt, kunt ge alle mensen wat aandoen. (…) Hare vent woonde bij een boer, hij kwam naar huis slapen. Hij werkte daar met de paarden. En ‘t was een visser. En op dat hof, misschien wel dat hof dat ge daar zegt, dat neerhof van Hansbeke, lag er een grote vijver rond. En ‘t is in de zomer en ‘t is zo een donderachtig weer. Dat heb ik hem meer of een keer horen zeggen. Hij kwam veel naar onzent. En ‘t is zo tussen elf en half twaalf ‘s nachts, en hij is bezig met vissen op paling. En als het dondert komt de paling boven (…). ‘En al met ne keer’, zegt hij, ‘een ekster’. Ge kent dat toch een ekster? (Ja, ja!) Twee, drie, vier, vijf, zes. Ik ben d’r tien, twintig, dertig, niet meer weten hoeveel eksters! En hij maakte hem bang en hij ging naar huis. Hij heeft nooit niet meer gaan vissen. En hij wilde ook hebben dat dat zijn wijf geweest had, die hem dat lapte. LO 16

160.Heks te Hansbeke maakt de kinderen ziek

(Hebt gij nog gehoord dat vrouwen de kinderen ziek maakten?) Ah, boddomme ja, daar heb ik van eigen van gehoord. Niet gezien, maar van gehoord. Ze gingen daarvoor bij de paters. En dat was een vrouwmens die dat deed; die altijd erop uit was, als er een vrouwmens een kindje gekocht had, van daar naartoe te gaan. (Hoe was haar naam?) Dat week ik niet meer. Het was op Hansbeke. En ze hadden al eens bij de paters geweest. ‘Ge moogt dat vrouwmens niet laten touceren aan uw kind’. Zo, die vrouw maakte dat dat kindje weg was. Als ze kwam: ‘Mag ik een keer uw kindje zien?’ – ‘Ja, ge moogt het een keer zien van verre, maar ge moogt het al gelijk op uw arm niet pakken.’ Dat was waar, ze pakte het op haar arm niet. En die kinders, het was meer of één kind, heeft nooit of nooit niet meer gezond geweest. [Vervolg, zie nr. 161] HA 8

161. Macht van heks te Hansbeke gebroken door middernachtelijke stilzwijgende ontmoeting

En ze gingen wederom bij de paters en dat gezegd. En die kinders stierven. En die die niet stierven, dutsen, ziekelijk opgekweekt. Zegt hij: ‘Kijkt’, zegt hij tegen die vrouw, ‘ten twaalven van de nacht, moet ge uit uw bed. En ge gaat rond uw hof en ge gaat die vrouw tegenkomen. Maar ge moogt er niet tegen spreken, ge moet voortgaan’. En of dat was door die paters daarvoor te lezen of wat ze daarmee gedaan hebben, het was gedaan. De kinders die ze nog gehad heeft zijn gezond en niet meer ziek geworden. Ja, dat is gebeurd op Hansbeke. HA 8

Te Nevele was ook een tovereksen

(Deden de heksen het soms niet met spelden?) Ja, in de navel. Wie was hier het tovereksen? NE 5

163.Heks uit het Armenhuis te Nevele maakt kindje ziek en doet het schreien

Ik kweekte een kind van mijn zuster. Hij is nu schoolmeester. En ik had dikwijls daar geen goed gedacht van, van een wijveken dat daar niet ver van ons woonde. We mochten daar nogal veel om ons karnemelk en alles gaan. En ‘t was in ‘t klooster te Nevele hier, in ‘t oud gebouw, in ‘t Armenhuis. Het is hier gestorven. En ging ons een keer komen bezoeken. Wij woonden toen te Nevele [wijk niet verstaan]. En ze kwam. En alle keren, dat kindje werd ziek en dat kindje kreeg fleuris. En de dokter zei: ‘Ge gaat dat kindje niet kunnen opkweken’. O, en ik zou er mijn dood van gehaald hebben, nietwaar. En dat mens, alle keren wist ze iets. ‘t Was sterfelijk. Ze waren daar al voor gaan ‘dienen’ en alle keren, ik hoorde lijk dat ze aan de deur was, dat kind begon te schreien. En ik zeg tegen mijn moeder: ‘Gods toch, dat is toch aardig, ik ga d’r op waken’. En dat kindje lag altijd zo met zijn hoofdeken te doen. En ik zat erbij de schreien lijk een klein kind. Ik had er compassie mee. Een poosken nadien, dat kind begon weer te schreien. Ik stillekens naar mijn deur en ik trok mijn deur open. En ze was aan mijn deur. Ik zeg: ‘Ge moogt in mijn huis niet komen; dat kind is bang van u.’ ‘Ah ja maar, ik zie dat gaarne.’ Ik zeg: ‘Ge moogt in huis hier niet meer komen.’ [Dan zeer verward vervolg van het verhaal] NE 7

164.Torte Jeie (?) te Nevele/Vosselare kon niet op haar knieën zitten

(Toveressen die kinderen ziek maakten?) Ja, Torte Jeie. Ik heb er nog bij gewied als ik een jong meisje was van twaalf-dertien jaar. En ze kon nooit op haar knieën zitten. Als wij wiedden, zaten wij op ons knieën voor de krabben, maar zij niet. [Vervolg, zie nr. 165] NE 6’

165.Torte Jeie maakt jongetje ziek te Vosselare

Mijn nonkel Miele had een jongen, ze woonden op Vosselare plaats. En dat jongetje werd betoverd, dat ze zeggen, door Torte Jeie. En dat jongetje werd zo mager, zo mager. [Vervolg, zie nr. 166] NE 6’

166.Pater geeft goede raad en een paasnagel om onder stoel van Torte Jeie te steken

En mijn nonkel ging daarmee naar de paters. En mijn nonkel Miel die zei dat. En zegt de pater: ‘Hebt ge zo niemand die in uw huis komt, waar dat ge présomptie [= kwaad vermoeden] op hebt?’ Ik heb het goed gekend en goed geweten. Op Vosselare, die huizen staan daar nog. En ons Mieleken deed dat allemaal, wat de pater gezegd had. Zegt hij: ‘Ik zal u hier wat geven.’ Dat was een paasnagel, als ge dat kent. ‘Als ze in uw huis komt’, zegt hij, ‘steekt dat onder haar stoel. Ze zal sebiet weten waar dat ‘t paard gestald staat.’ En dat jongetje is dan toch genezen. Hij woont op Mariakerke. Of hij nog leeft, weet ik niet. NE 6’

167. Leernse heks belet kind uit Vosselare te groeien

(Werden er hier soms kinderen ziek gemaakt?) Er was een mens van Leerne, die daarvoor aanzien werd. Die had een van De Smijters hier ook betoverd, zegden ze. (Wat kreeg die?) Die wilde niet groeien. En dat vrouwmens had ze betoverd. Ik weet hoe ze heette, maar ik mag dat niet zeggen. (Ze leeft niet meer?) Neen, want ik heb ze nooit gekend. Dat vrouwmens was van Leerne, maar dat is hier gebeurd op Vosselare. VO 4a

168.Toveressen maken vee ziek en zetten het omgekeerd in stallen te Meigem

(Hebt ge hier in Vosselare nog gehoord van de plaag in de stallen?) Ze zeiden dat de toveressen dat konden in den tijd. Maar dat is hier niet gebeurd. Ik heb daar nog van horen klappen van mijn moeder, dat dat te Meigem gebeurd is. (Wat?) Dat ze daar de beesten omgekeerd zetten, waar ze met hun voorste moesten staan… En dat de paters daar dan kwamen. VO 3

169.Heks doet kind wenen te Meigem. Medaille uit Ekkergem helpt

Maar hier op Meigem was er een die rondging met spelden en zo. En ze had bij dat kindje geweest en ze had dat aangeraakt. En dan, zei mijn moeder, zei ze: ‘Ik heb zo veel dorst; geef mij een beetje koffie.’ En als die binnen was, deed dat kind niets als schreeuwen. En dat kind, zei moeder, heeft altijd geschreeuwd en geschreeuwd. En haar moeder zei: ‘Ge moet naar Eggergem gaan ‘dienen’’. Ze zijn gaan ‘dienen’. Ze komen terug. Mijn moeders broer was hier koster. Die had ook meegeweest. En ze kregen daar een medaille en die moesten ze met een lintje dat kindje aandoen. Na de negen dagen schreeuwde dat kind niet meer. Maar op een zekere keer had ze dat niet meer. Maar dat lintje was niet open. Dat was van zijnen hals. En mijn moeder heeft het al afgezocht. Ze heeft niets meer gevonden. (Heeft uw zuster er nog nadeel van gehad?) Neen, neen, ze is nu 74 jaar. (Waren er hier geen andere toveressen?) Neen. MEI 19

170.Manse Boevers maakt kind ziek te Meigem

En mijn vader en mijn moeder kwamen van Deinze en ze kwamen daar door een hof. Dat was hun gebuur. Ze woonden daar zo ver van. En daar lag daar een kind in de wieg. En Manse Boevers heette ze, dat was maar een raar vrouwmens ook. En ze zat zij doeken te drogen boven ‘t vuur. En mijn oudste zuster, die thuis was met dat klein, begon dan te schreeuwen. En als ze thuis kwam, mijn vader zei: ‘Wat dat gij gedaan hebt.’ En ‘t schreeuwde en ‘t heeft geschreeuwd totdat het dood was. (Zijn ze niet naar de paters gegaan?) Neen. [Is zeer verwarde tekst. We geven de naam ter verdere opsporing] PS 6

171.Vrouw in zwarte mantel tovert gouden geld op ‘t Spoel te Poesele

Ik wachtte op ‘t Spoel mijn tante Romanie’s koeien. Ik vond daar een keer een goudstukje van tien frank. Daar liep zo een wegeltje naar Nevele. En ze klapten daar van toveren. En dat was een vrouw die daar zat met een mantel. Vroeger waren dat zo van die zwarte mantels, waar dat de vrouwen mee naar de mis gingen. En daar was altijd geld te vinden, zo de Kouter naar Nevele. (Hebt gij zelf dat meegemaakt?) Ja, en mijn tante heeft gezegd: ‘Jongetje, ik ga u een half frank geven voor dat centje, voor dat half centje.’ En dat zou getoverd geld geweest zijn. MEI 6

172.Moeder had geen schrik van een zogenaamde heks te Zeveren

En dat was het armste schaapken dat er was. En de mensen waren daar bang van. En mijn moeder ging daar eten dragen, en ze zei tegen de mensen: ‘Ik zou veel banger zijn van u dan van dat vrouwmens’. ZE 1

(172a) Tielde Schelpe van Zeveren

Tielde Schelpe was twee meter lang en de mensen zeiden dat dat een toveres was. Het was een verarmoed wijf. ZE 3

173.Amelietje Van Meenen te Zeveren kon toveren

Amelietje van Meenen, ze kon toveren, zegden ze. Ze liep met een kapelientje aan. De jongens waren er bang van. ZE 6

174.Heks verandert zichzelf in muis op het hof van Vertriest te Zeveren

Dat heb ik mijn moeder nog eens horen vertellen, dat er daar op het hof van Vertriestes in Zeveren, ‘s avonds eens een kwam. En ze waren bezig hun paternoster te lezen. Toen was dat de gewoonte van de paternoster te lezen. En dat wijveken kwam aan de deur. ‘En had ik mijn paternoster niet in de hand gehad, ik was betoverd’. En er liep een muizeken langs het geutgat buiten. Die die voor de deur stond, veranderde in een muizeken en liep langs het geutgat buiten. (Welke stiel had uw moeder?) Dat was een boerin. VI 6b

175.Kledde Van Hoecke voorspelt de dood van een kind te Lotenhulle

Mijn moeder moest spellewerken. En alle jaren een kind. Dat was in den tijd zo. Maar daar waren goede en slechte bij. Er zijn er drie dood. En van dat eerste dat dood is, dat weet ik nog goed. Het was al drie jaar oud. Daar was daar een vrouw in de gebuurte en zij kwam daar zo op een zekere keer in huis. Maar mijn vader was thuisgebleven. Hij moest ‘s maandagsmiddags naar de koolputten. Omdat dat kind ging sterven, was hij thuisgebleven. Ze zegt: ‘Ah, Stant, zijt ge niet gaan werken?’ – ‘Neen ik’ – ‘O’, zegt ze, ‘ge moet daar niet voor thuisblijven, ‘t zal nog niet sterven.’ En daarmee zeiden ze, dat is zeker een toveres. Wel en het stierf niet. En het heeft daar nog lang gelegen, weer goed komen, weer ziek worden, weer doodgaan. En op een zekere ochtend moesten wij naar school en ze komt weer, dat zelfde vrouwmens voor vader, om aal te gaan voeren, omdat hare vent dat niet meer kon. ‘Ja maar’, zegt vader, ‘ge ziet toch dat ik niet kan; ge ziet toch dat ik dat kind…’. ‘Ja, maar’, zegt ze, ‘’t zal niet lang meer leven. ‘t Is bezig met doodgaan’. – ‘Ah, ge zijt gij zo zeker’, zegt vader tegen haar. ‘t Was bezig met doodgaan. En als wij een einde achter de straat waren, we werden wij weergeroepen. ‘t Was dood. En ze had zij de naam van een toveres. (Waar is dat gebeurd?) Op Lotenhulle. (Hoe heette die vrouw?) Kledde Van Hoecke, zeiden ze daartegen. [Vervolg, zie nr. 176] NE 2

176.Het was gevaarlijk voor zwangere vrouwen van leurende heksen niet te kopen

Dat was dikwijls van rondgaanders, van wijven, een soort heksen. Ze liepen met een pak in hun handen of op hun rug, of met een mand aan hun arm. En als ze bij een vrouw kwamen die in positie was en dat vrouwmens wilde er niet van kopen, ze hadden het tegen. Ja maar, dat is gebeurd. Ik weet ervan. Weet ge wie? Irma Potjes [?], ze is ook dood, nietwaar. En de mensen gingen er dan mee naar de paters. (Naar welke?) Naar de augustijnen. Ge zoudt zeggen, ‘t bestaat niet, maar toen bestond dat toch. NE 2

177. Oud wijveken te Lotenhulle maakt kindje doodziek met naalden in een wassen popken

Mijn moeder vertelde altijd dat ze in de Zeswoonste op Lotenhulle vreemde kwezels woonden en die hadden een kindeken. En binst dat ze naar de mis waren, vroegen ze een oud wijveken om daarbij thuis te wachten, voor alle zekerheid. Maar alle keren als ze thuiskwamen, hun kindeken was om te sterven. Ze zijn dan om de paters gegaan. En de paters zeiden dat ze een oogsken in ‘t zeil moesten houden, dat het niet te ver kwam. Maar binst dat zij naar de mis waren, pakte zij een wassen popken en ze stak altijd wat naalden in dat popken. En dat was op dat kindeken. En het zeer dat daarvan voortkwam was voor dat kindeken. [Vervolg, zie nr. 178] LO 2

178.Pater lokt door belezing heks naar plaats der misdaad. Men mag er niet spreken

Ze zijn dan om de paters gegaan. En de paters hebben dat komen aflezen. En ze zeggen tegen die kwezels: ‘Ze zal hier komen, binst dat ik bezig ben en ge moogt er niets tegen zeggen’. En binst dat de pater bezig was met lezen kwam ze binnen. En dat was dat oud wijveken die ze altijd vroegen om bij hun kindeken te blijven, binst dat ze naar de kerk waren. (Hoe is het geëindigd?) Dat weet ik niet. LO 2

179.Verbrande katten blijken heksen (te Lotenhulle?)

Maar van die katten die door het geutgat kwamen, dat weet ge toch nog wel, moeder. Vier katten na mekaar. En er was een vrouw en die zag die katten binnenkomen. En ze sdjakte er kokend water op. En ‘s anderendaags waren er vier vrouwen uit de gebuurte verbrand. (Hier op Lotenhulle?) Dat was een oude vrouw, die ons dat vertelde, als we kind waren. LO 3b

180. Maria De Pestel te Lotenhulle, kreeg oogziekte, omdat haar vader geld aanvaardde van vreemde vrouwen

(Toverij?) Wel, meneer, ik was een jaar of veertien oud en ik ging daar altijd in de gebuurte bij mensen met kleine kinderen. En er lag een heel klein kindeken in de wieg. Hoe oud zou dat kindeken geweest zijn? Wel, zo een jaar een half of zo iets. En daar kwamen twee vrouwen binnen in die café. Dat was een café. De koopmans die van de statie van Bellem kwamen, die kwamen daar hun glazeken drinken. En ik was dan bij die kinders in de keuken, nietwaar. En daar kwamen daar twee vrouwen binnen en daar bleef een man aan de deur staan. En die vrouwen vroegen aan de cafébaas achter kluitjes waar dat er zilver in was, 5 centiemen en 10 centiemen; ze zouden dat graag gehad hebben. En die cafébaas zei dat hij dat niet deed. En dan [dronken ze] een ‘dzjoerken’, ge hebt daar misschien nog wel van gehoord vroeger: een dsjoerken dat was een half pintje. En ze betaalden dat. Maar die baas die moest nooit geen geld aanvaard hebben. Had hij dat geld niet aanvaard, konden ze niets doen. Maar met dat te aanvaarden, dat kindeken in de keuken begint te schreeuwen. En ze drumden zij zo dien baas weg, om in de keuken te gaan. En ze waren zij natuurlijk bij dat kindeken geweest: maar wij hadden ze van eigen weggedrumd, omdat wij zagen dat het geen goeie waren. En van als die vrouwen wegwaren, is dat kindeken beginnen schreeuwen zonder ophouden. En het lag met zijn hoofdeken zo over hun schouder, dat het helemaal daarnaar gegroeid was op einige dagen. En het kon naar geen licht of niets niet meer zien, meneer. Ik peins wel dat dat meisken nog leeft, dat ze in Poesele woont. Ze heet Maria De Pestel en haar moeder noemde Louise Van Quickenborne. En haar vader heette Constant De Pestel. [Vervolg, zie nr. 181] LO 15a

181.Pater voorspelt ontmoeting met twee heksen en verbiedt er tegen te spreken

En mijn moeder was daar ook om naar dat kindeken te gaan kijken. ‘Dat ik moest in uw plaats zijn’, zegt ze, ‘dat kindeken voor mij is betoverd. En ik zou d’r mee naar Tielt naar de paters gaan’. En ze hebben dat kindeken opgepakt, want moeder heeft het zelf nog gedragen, naar Tielt, te voet, met dat kindeken zo op de schouder. De paters zegden sebiet dat het ‘het kwaad’ was. En dan zijn ze naar huis gekomen. ‘Maar’, zeggen de paters, ‘ge gaat diezelfde vrouwen tegenkomen, ge moogt er hoegenaamd niet tegen spreken, want ze zullen klappen tegen u en ze zullen trachten van te klappen en van u te overhalen, maar ge moogt er niets tegen zeggen. Ge moet ze passeren en gebaren dat ge ze niet ziet’. En ze hebben dat gedaan en dat kindeken is van dan af beginnen beteren. Maar het is nooit zo toch… (Hebben ze er paasnagels gekregen?) Ja, ze moesten dat in ‘t kindeken zijn schapulier steken. LO 15a

182.Leurster uit Handzame bezorgt meisje uit de Tweewoonst pijn. Paters lezen het af

Mijn tante heb ik regelmatig horen vertellen van de toverij die gebeurde in de Tweewoonste. Dat was tussen Poeke en Vinkt. En daar werden mensen bezeten van een bepaalde boze geest, in de gedaante van een leurster die van Handzame kwam. En dat meisje heeft verschrikkelijke pijnen afgestaan. Dat heeft zo verschillende dagen geduurd tot op een zeker ogenblik de paters van Tielt gekomen zijn. En ze hebben dat afgelezen, volgens het gezegde. Dat geval van de Tweewoonste hebben mijn tanten nog beleefd. VI 7a

183.Kinders te Poeke liepen achter Wieze, de toveres

Er was op Poeke ook een toveres die de naam had. Ze heette Wieze. En de kinders liepen erachter.

184.Kind ziek na bezoek van toveres te Poeke of Lotenhulle

Ik weet er niet van. Mijn moeder heeft dat dikwijls verteld. Ik kan niet meer zeggen dat wij in Poeke woonden. Ik peins dat het in Lotenhulle was, maar ik weet het niet zeker. En mijn moeder zat te spellewerken en er zat nog iemand te spellewerken bij moeder. En daar komt een vrouw bij ons binnen en ze zegt: ‘Leonie, komt een keer hier. Heb ik hier gisteren geen bolleken lint vergeten liggen?’ Moeder gaat er weer bij en madam trekt aan moeders rok dat ze moet blijven. ‘Uit mijn huis’, zegt ze, ‘ik heb hier geweest’. Ze gaat voort en dat kind, ‘t was een maand of acht, begint me te schreeuwen, te schreeuwen, zegt mijn moeder, allez dat het wreed was. En dat vlees werd van hem getrokken. ‘t Wilde niet meer zwijgen. [Vervolg, zie nr. 228] PK 8

185.Mede Coddens (uit Poeke?) zou kunnen toveren hebben

Mede Coddens zou kunnen toveren hebben. Veel mensen waren er bang van. Het was een kwezel. PK 6ab

186.Kinderen behekst te Lotenhulle

(Toverij?) Bij Heylebosch, en ze hadden daar twee kinderen. En ze zijn om de paters gegaan. (Welke?) Van Tielt. En daar is een pater gekomen. En ‘t was dan toch gedaan met die hekserij. Dat was hier in onze wijk. Die mensen zijn al dood. LO 10 en 11

Besluit

In het vroeger opgetekende materiaal vonden we slechts twee sagen over een heks, resp. een die het karnen belette (P 26) en en die als kat vermomd verbrand werd (P 36).

Van de 242 sagen die we over toverij en spoken noteerden handelen 83 over heksen, dit wil zeggen één derde. Deze verhouding blijkt ook in andere sagenverzamelingen gewoon.

Merendree kent vooral een vrouw bijgenaamd Schapers en een zekere vrouw Cornelis. Bachte-Maria-Leerne kent vooral een vrouw De Weirdt. Hansbeke kent een vrouw Schapers en een vrouw Roets (De Zutter). Misschien gaat het hier wel om dezelfde persoon.

In de andere gemeenten worden occasioneel wel bepaalde vrouwen met de naam genoemd, maar geen enkele heeft (nog) wijdere bekendheid.

De sagen i.v.m. Dorothée uit Baarle-Drongen hebben we niet in onze verzameling opgenomen.

De negatieve antwoorden naar het al dan niet kennen van (bepaalde) vrouwen verdacht van toverij, zijn gezien het delicate onderwerp, slechts zeer relatief relevant. De weigering op deze vraag positief te antwoorden kan men licht begrijpen.

De meest opvallende themata in de heksensagen zijn:

- plagen, ziek maken of doden van kinderen: 25 sagen;

- plagen, ziek maken of doden van vee: 9 sagen;

- betoveren van de kar: 6 sagen

- de heks wordt haar macht ontnomen: 5 sagen;

- de heks heeft toverboeken: 4 sagen;

- de heks voorspelt: 3 sagen;

- de heks verandert zich in een dier: 3 sagen.

We kunnen hier wat alle motieven betreft niet in detail treden. Wel willen we wijzen op een paar niet te verwaarlozen gegevens. Zo is er onder meer het betoveren door ‘envoutement’, dit is het prikken met spelden in een toverpopje. Dat een heks geld tovert is ook een elders bekend motief. Bij een ontmoeting met een heks moet men vooral zwijgen en ook geen geld van haar aannemen.

Maar al deze gegevens kunnen pas tenvolle tot hun recht komen door vergelijking van de verspreiding ervan in andere streken.

 

B. Aardgeesten (doen de mensen dolen)

187.Tovenaar Verbeek uit Landegem zette kat op schouders van de mensen

Een zekere Verbeek zette een zwarte kat op de mensen hun schouders. En als hij niet wilde, ging ze er niet af. LA 4

188. Man had schrik van slag op schouder gegeven door Door De Weirdt uit Bachte-Maria-Leerne

En Door komt uit de kerk en dien oude velorijder [Volgt dan een hele uitleg over welke renner hij bedoelt.] komt er ook uit en Door zegt: ‘Hoe is ‘t?’ En ondertussen slaat hij hem op de schouder. ‘Oe, gij godverd… Wel pas op…’ – ‘Wel, ‘t is niets, ‘t is niets’, zei hij. Zo, was hij niet bang geweest, hij zou dat niet gezegd hebben, nietwaar. [Vervolg, zie nr. 189] SML 1a

189. Door De Weirdt uit Bachte-Maria-Leerne leert zijn dochter ‘wolftanden’ in de haver toveren

Door ging een keer wandelen met zijn dochter. En ze komen daar langs de baan aan een partij haver. – Ge hebt dat ook nog horen zeggen, misschien, in haver, dat er daar wolftanden in komen. – Ze zegt: ‘Ik ga eens kijken of gij dat ook kunt, dat ze zeggen.’ En ook zo dat ze zegden dat dat altijd verviel… (Van vader op dochter?) Ah ja, of van moeder op dochter. Ze zei: ‘Ik heb dat altijd horen zeggen, dat er waren die dat konden’, zei ze, ‘dat ze dat vastpakken dat dat al zwart was’, zei ze. – ‘Ah, ge moet daar zo wreed niet over klappen’. En zij pakte een [niet verstaan] en ‘t was al zwart dat ze had. Heb ik altijd horen zeggen, hoor [Vervolg, zie nr. 190]. SML 1a

190.Door De Weirdt uit Bachte-Maria-Leerne stoorde de pastoor in zijn preek

En dien Door, hij zat op een zondag in de mis, in een café. Er staat een nieuw huis nu. (Vrouw komt tussen: dat was te Cesars, en ‘t was binst de hoogmis). en de pastoor staat te preken en die Cesar zegt tegen hem: ‘De paster is bezig met preken.’ – ‘Ja maar, als ik wil, hij zal niet lang preken’, zei hij. ‘t Moet zijn dat hij iets kon, nietwaar. SML 1a

191.Leurder had macht over koeien te Bachte-Maria-Leerne

Mijn schoonmoeder die woonde hier op dat groot hof. En ze waren daar met twaalf kinders. En op een dag, op een voormiddag kwam zo ook een manneken met een kasse… (Met schoensmeer en nestelingen…) Ja, en hij had de naam dat hij kon toveren. En ze wisten dat. Zo mijn schoonmoeder haar moeder die kocht daar niet van, omdat ze daar bang van waren. ‘En’, zegt hij, ‘als ge niets koopt bij mij… Ge ziet daar uw stal staan en daar is daar een deur aan, met zo een deurken in. Wel, dat deurken staat open, hé. Als ge niet koopt bij mij, gaat daar een koe voorkomen, een kop van een koe.’ En ze wilde niet kopen. Ze keken en die koe stond daar met haar kop door. En ze gingen dan melken en ze konden geen koe melken. Ze schopten en ze sloegen en ze deden, ze konden niets doen. En ze zijn er dan al gelijk achtergegaan, zeker. Dat was te voet. Ze gaan van ‘t een naar ‘t ander, nietwaar. En hij heeft dat dan ook weggepakt. Ze hebben daar voorzeker van gekocht. Dat heb ik mijn schoonmoeder veel horen vertellen. Ze was erbij. Ze woonde daar op dat hof. [Vervolg, zie nr. 192] BML 6

192. Zoon van Bouckaerdeken uit Waregem las zich bijna dood in de boeken van zijn vader

(Weerkerende doden?) Neen, maar ik heb mijn vader veel horen vertellen van Boeckaerdeken van Waregem. (Dat was een veearts, hé?) Ja, als er iets was met hun beesten, gingen ze achter Boeckaerdeken. En Bouckaerdeken leesde dat af. In mijn thuis zijn ze ook nog geweest, omdat er een kalf niet wilde drinken of zo. En ze moesten daar om gaan. En Bouckaerdeken zat een keer in de kerk. En hij zat naast iemand, ja, mijn schoonvader heeft dat gezegd wie, en zei hij: ‘Ik moet naar huis, want mijn zoon is bezig met zich dood te lezen.’ En hij werd dat gewaar. ‘Ik moet naar huis, want mijn zoon is bezig met zich dood te lezen’. Dat is waar. BML 6

193.Afgewezen bedelaar wreekt zich te Bachte-Maria-Leerne

Mijn oudste broer was op Leerne geboren. En daar woonde een boer, Colle, heette hij. Een zagerij. En hij gaat naar huis en hij komt een vent tegen, achter hun dreef om naar het hof te gaan. Zegt die vent tegen hem: ‘Ik ben daar bij die boerin geweest achter een boterham en ik heb er geen gekregen. Doet haar de complimenten dat het haar wel zal spijten’. –‘O, kust mijn kloten’, zegt hij, ‘ ze moet het maar weten’. En ‘s anderdaags ‘s ochtends lagen er drie beesten dood. En ze hebben ook moeten naar Gent gaan om de paters, om ‘het kwaad’ weg te doen. En die pater moest alleen in de stal. En als hij eruit kwam, ‘t zweet druppelde van hem. En ‘’t kwaad’ was ook weg. MEI 9

194.Ze konden u ‘verleen’

En van die toverij, dat ze u konden ‘verleen’, dat ze een hele nacht altijd rond moesten lopen en dat ge u nooit bekende. Dat ge dikwijls voor water en voor alles kwam en dat ge nooit wist waar ge waart. En een hele nacht rondlopen tot ‘s ochtends. (Hoe noemden ze dat?) [Geen antwoord].

BML 3

195.Iemand doet man uit Bachte-Maria-Leerne dolen op de Vrijdagmarkt te Gent

(Toverij?) Daar geloof ik niet aan. Maar ik heb mijn vader nog horen zeggen, dat is zo waar als dat wij hier samen staan, mijn vader ging alle weken naar de Vrijdagmarkt met boter en eieren. Hij wist goed de weg in Gent. Maar op de Vrijdagmarkt had er hem iemand aangesproken. Mijn vader zou daarvoor niet gelogen hebben. En als mijn vader voortging, ging hij altijd rond. Hij geraakte van de Vrijdagmarkt niet, totdat hij tegen een andere mens gesproken had. Ik denk dat ze mij dat niet zouden kunnen lappen. BML 8

196.‘Pater’ De Loof maakt dat spotter niet thuis geraakt te Bachte-Maria-Leerne

En van Pater De Loof, enen die pater geweest had en hij had zijn kappe over de haag gesmeten en hij zat zo in een compagnie en ze lachten zo een beetje met hem. Zegt hij: ‘Wel, ‘t is goed. Ik zal eens maken dat ge vanavond niet te gauw thuis zijt’. En die kon dat ook, schijnt het. (Waar is dat gebeurd?) Ik denk dat het in Bachte moet geweest zijn. Ik heb mijn vader daar dikwijls horen van klappen. BML 8

197.Goochelaar maakt dat spotter niet thuis geraakt te Hansbeke

(Toverij?) Maar dat heeft toch bestaan. En ik heb dat meegemaakt, dat ze u konden ‘verleen’ Dat heb ik hier op Hansbeke meegemaakt. Want er was daar enen, die kwam om zijn brood te verdienen allerlei soorten truken doen. En een zekere Jan Van Oteghem die lachte met die mens. En die mens zei: ‘Mijnheer, ik zou daar niet mee lachen. Ik doe dat om de mensen te amuseren en ook om een cent te verdienen’. Maar hij lachte er nog mee. ‘Mijnheer’, zegt hij, ‘gij zijt nog niet thuis van den avond’. En inderdaad, ‘t is waar gebeurd, hij is gegaan en gegaan, dat het zweet hem afdrupte. En hij is ‘s anderendaags ten drieën maar thuis gekomen. Of hij wat meer kon dan een ander, dat weet ik niet. ‘t Schijnt van ja. HA 8

198. Pater De Loof voorspelt dat kader van muur zal vallen te Nevele (?)

Pater De Loof… Bij mijn moeder hing daar een beeldken aan de muur. En Pater De Loof kwam daar binnen. En ‘t hing er al, gauw, jaren en jaren. En Pater De loof zei: ‘Dat gaat daar afvallen’. Nondedjuu, wat raadt ge, dat viel daar af. Dat viel daaraf binst dat hij in huis was. Zonder ieverst aan te komen. (Hebt gij hem nog gekend?) Neen [Vervolg, zie nr. 199] NE 5

199.Pater De Loof maakt dat iemand niet van weide geraakt

Dat hij iets kon, hoor. En ik heb nog gehoord van een die op een wei rondliep en hij geraakte er niet meer af. Hij geraakte er niet meer af. Hij liep altijd rond. En hij was bijna doodgelopen. Dat was ook van Pater De Loof. (Was dat een van Nevele?) Jongen, dat weet ik niet. (Andere man: die vent klapt van over tachtig, negentig jaar!) NE 5

200. Vent maakt dat iemand wonderbaarlijk vlug thuis is

(Verleed?) Vader werkte bij die vent als hij al getrouwd was. En die vent was in Tielt en dat was ver. Ze moesten allemaal te voet gaan in die jaren. ‘t Was geen dink…En die vent, die ook in die café was, waar dat ze waren, die zei dat: ‘Zo verre van huis nog?’ En hij moest te voet naar Nevele komen van Tielt. En die vent zei: ‘Ik zal meegaan. En op een uurtje zijt ge thuis. Maar ge moogt niet omkijken’, zei hij. Hij mocht niet omkijken. En hij kwam thuis en hij was dwars door nat van het zweet. Ik heb mijn vader dat dikwijls horen vertellen. Dat is gebeurd. NE 7

201.Pater kwam bezweringen doen te Nevele, maar veroorzaakte ongelukken

Ik heb thuis een foto van een pater die hier op Nevele bezweringen kwam doen. En er zijn bepaalde ongelukken die aan hem toegeschreven zijn. Zijn naam ken ik niet. Ik vraag me af of het geen Mesure was. Die familie leeft hier nog en daar heb ik die foto van gekregen. CMBV, de heer D’Hooge

202.Paterke Mortier uit Nevele verplaatste zich wonderbaarlijk vlug

Bij mijnen baas moet ge zijn. Die weet nog veel te vertellen van dien ouden tijd, van Paterken Mortier, in den tijd. En die had een winkel. En mijnen baas zei: ‘Dat is toch een aardig ventje. Ik kom met mijn auto gereden, daar aan ‘t kerkhof’. En hij komt weer naar huis en hij staat ginder al. Hoe is dat nu toch mogelijk. Dat versta ik niet. (Kon die zich zo vlug verplaatsen?) Ja, dat heeft hij al dikwijls verteld. [Vervolg, zie nr. 203] CMBV, vrouw uit Nevele

203. Paterke Mortier doet man dolen rond Stemputten te Nevele

En van Paterke Mortier. Er was enen ginder aan de Stemputten, die ginder niet weggeraakte. En die vent ging altijd maar rond. En zweten, en zweten. ‘Maar hoe is dat nu toch mogelijk’, zegt hij ‘dat ik niet thuisgeraak?’. En hij kwam iemand tegen en hij zegt: ‘Ik loop nu al heel de nacht rond en ik geraak noch achter- noch vooruit. Ik zweet mij bijna dood.’ ‘Kijkt’, zegt die vent, ‘daar moet ge gaan’. En hij was hij voort. (Wie kwam dat tegen?) Dat weet ik niet. Mijn baas heeft dat verteld. (Waar woonde Paterke Mortier?) Hij had pater geleerd. De mensen waren er lijk bang van, van dat ventje. (Waar woonde hij?) Juist neven het huis waar Buysse-Loveling gewoond hebben, juist daarneven. Nu is het een coiffeur. Kijk, want Liezebet[66] zegt daar ook: We moesten daar altijd achter kaas gaan en wij waren zo bang van dat ventje. [lacht] CMBV, vrouw uit Nevele

204Paterke Mortier uit Nevele ‘bereed van de maore’

Als we klein waren, wij moesten altijd naar Paterke Mortier om kaas gaan. Als wij zeventien jaar waren, waren wij nog kind, meneer. Pakt nu over een jaar of vijfentwintig, als wij daar achter kaas moesten gaan: ‘Is ‘t naar Mortier dat we moeten gaan?’ ‘Ja’, zei ma. En wij waren zo bang van naar het paterken te gaan, omdat wij altijd hoorden dat dat zo een aardig ventje was. Hij bereed hij altijd van de moare. (Wat gebeurde er dan?) Ons schoonbroer zei, en we lachten met hem, hij zei dat hij van de moare bereen was door dat ventje. En hij kwam van Deinze met zijn velo, langs de vaart. En dat lag wreed slecht en hij moest altijd in die plassen rijden. Hij kon er niet uitrijden. En hij zegt: ‘Wat is dat nu?’ En als hij aan Verbiestes was, moest hij weerkeren. En als hij daar was, zegt die pater, zegt dat ventje tegen hem: ‘Ge gaat naar huis gaan, maar ge gaat achter een halve kilo tabak gaan naar René Bollaert’. ‘Naar René Bollaert?’ ‘Ja, ge gaat erachter gaan en ge gaat hem oproepen, want ge gaat naar huis niet kunnen gaan.’ En hij ging voort en hij riep René Bollaert op. ‘Ja maar’, zegt René, ‘te nacht!’ ‘Ja maar, ge moet naar beneden komen. Ik moet die tabak hebben, want ik ga in mijn huis niet geraken. Ik ben altijd weg’, zegt hij. ‘Ik weet niet hoe dat dat gaat met mij’. En René heeft hem een halve kilo tabak gegeven. En hij is naar huis gegaan. En ik sliep daar, omdat ons huis gebombardeerd was en ik stond op en ik zeg: ‘Wat ligt er hier allemaal?’ En dat was allemaal zijn dink… helegans bemodderd. En hij zei dat. Maar ik zei: ‘Ge waart gij zeker een beetje zat?’, want hij dronk gaarne een pint. ‘Ik ben niet zat geweest’, zei hij, ‘ik ben naar René Bollaert geweest, achter die tabak.’ En effectief, die tabak lag daar. Dat is in 1941 gebeurd, met mijn schoonbroer. Het paterke leefde dan nog. (Was dat een vrijgezel?) Ja. Hij heeft koster geweest in Vosselare. En hij liep altijd met zijnen boek, al Men had schrik voor Pater De Loof uit Vosselare

(Toverij?) Een pater die zijn kap over de haag gesmeten had, een zekere… heb ik mijn vader altijd horen zeggen. Pater De Loof. En daar waren ze bang van. (Woonde die op Vosselare?) Ja, ja. Ze zeiden dat hij zo wat kon, ge weet wel. (Waren er ook zo vrouwen op Vosselare?) Neen. Ik weet nog waar hij woonde. Dat huis staat ginder nog op Vosselare.

206. Schaapherder doet meid die met hem spotte om vergiffenis vragen op de halve deur

De schaper zei als de meid met hem lachte: ‘Kijk, eer dat het vazzeleven ochtend is, komt ge scherrelespies (?) op mijn halve deur zitten van mijn Verplaetse uit Meigem had boeken

(Vrij verward) En ge kunt wel peinze, mijn moeder was ook jong, nietwaar, dien tijd. Daar was een vent, die daar nevens woonde, een Verplaetse. En die Verplaetse wilde met mijn moeder misschien doen, nietwaar, trouwen of wat, of met haar zuster, mijn tante. Maar ze moet daarvan niet weten. En dat was een echte deugniet. De pasters gingen er naartoe. Maar er durfde geen één in huis gaan. [Vervolg, zie nr. 208] MEI 14

208. Jongen stoort pastoor van Zeveren in zijn preek door het lezen van de boeken van een tovenaar

En er was hier dan een jongen in mijn gebuurte, een Verschelde. En die Verschelde viel daarbij. En die Verschelde las die boeken, die hij [= Verplaetse] had, en prutserij en knul [?]. En die jongen is ook slecht geworden. Hij heeft te Zeveren de pastoor gestoord in de preekstoel [Vervolg, zie nr. 209]. MEI 14

209.Verplaetse toverde in stal met boeken en vertrekt naar Amerika

Verplaetse had slechte boeken. (…) De koeien wilden niet in de stal, de ruin werd lijk zot. (…) En dat is dan op mij gevallen. (Wat?) Dat kwaad. (Op uzelf?) Ja. En die pater zei tegen ons, eer dat hij vertrok: ‘Die vent is naar Amerika getrokken, die Verplaetse. Hij is ginder ook ongelukkig’. Ja, hij had boeken. (…) Hij moet daar met boeken gezeten hebben. [Vervolg, zie nr. 210] MEI 14

210.Barbier tovert zichzelf met boeken te lezen over de vaart, maar kan niet terug

(Kleindochter van de verteller zegt: En wat heeft meetje daar een keer verteld, van die vent die een boek zat te lezen en dat hij over de vaart zat?) Ah ja, daar weet ik ook van. Dat was onze barbier, hoe heette hij? Weet ge waar dat hij woonde, waar dat nu Emaat [?] Janssens woont. En ook zo een geleerde. Hij las in zijn boeken en hij zat achter de vaart en hij geraakte niet meer thuis. En als hij gestorven is, wilde er niemand aan. En die boeken hebben op straat gelegen. En ze hebben dat opgeraapt ook. [Vervolg, zie nr. 211] MEI 14

211. Blankaert had de boeken van zijn nonkel die in Vosselare mis deed

(Zeer verward?) En dan Blankaert. Hij zat te spelen op ‘t dak met zijn accordeon. Hij had de boeken van zijn nonkel die in Vosselare mis deed. MEI 14

212.Leurder betovert zwangere vrouw te Meigem

Ik heb een vrouwmens gekend op Meigem en ze had een kind. En er kwam alle jaren een ventje. ‘’t Boasken van alle jaren’ heette dat ventje. (En die kwam leuren…) … zo met wat boen, naalde, enz. En Lieza was in verwachting. ‘O, zulke mensen zie ik gaarne’ zei hij en hij klopte op haar schouders. Ja en in drie, vier maand geraakte ze uit haar bed niet. [Vervolg, zie nr. 213] PS 6

213. Bouckaert uit Waregem voorspelt ontmoeting met leurder-tovenaar en geneest behekste zwangere vrouw

En ze gingen er naartoe, met tweeën, naar Bouckaert van Waregem. Hebt ge daar nog van gehoord. ‘Als ge naar huis gaat’, zei hij, ‘zal er u een manneken tegenkomen.’ ‘t Zal juist Bruuntje Van Maele zijn. Ziet dat ge er niet tegen spreekt’. Of dat allemaal waar is, weet ik niet. Ik heb dat allemaal horen zeggen. Dat heeft mijn moeder altijd gezegd. En als ze thuiskwamen, is hun moeder opgestaan. PS 6

214.Emiel (?) Vereecken uit Meigem kon maken dat ge niet thuisgeraakte

Ik heb een mens gekend, ook van mijn jaren nog, Emiel (?) Vereecken van Meigem. Hij zat in Frankrijk. En als hij afkwam en als hij wilde, ge geraakte naar huis niet. PS 6

215.Poeste uit Meigem was niet betrouwbaar op boerenhoven

Er is een zonderlinge figuur geweest in Meigem. Poeste. Er bestaat zelfs een foto van. (Was dat een tovenaar?) Hij werd toch aanzien als een zonderling en niet betrouwbaar op boerenhoven ook, omwille van ziekten… Hij is vermoord geworden. MEI 21

216. Twee die voor priester of pater geleerd hadden, doen ratten en muizen rond boerenhof lopen te Poesele (?)

Ik heb mijn moeder nog eens horen vertellen, dat waren er twee die geleerd hadden, ook voor priester of pater. En als zij op hun voute kropen, binst dat die mensen zaten te eten, ‘t was een boerenhof, dat was wreed van de ratten, de muizen die rondom hun dinge liepen. En dat waren zij die dat konden, die dat deden. Dat heb ik mijn moeder horen vertellen. (En van waar was uw moeder?) Van Poesele. Nu ja, ze vertelde dat tegen ons…. Of dat eigenlijk gebeurd was? We waren maar kinderen. NE 7

217. Een die voor pastoor geleerd had, laat zijn spottende broer als straf dansen te Zeveren

Vroeger jaren, dat hebt ge misschien ook nog gehoord, meneer, die studeerden voor geestelijken, voor paster, leerden eerst hun kwaad en dan hun goed. Maar nu leren ze eerst hun goed en dan hun kwaad. En daar te Zeveren woonde daar ook een huishouden en ‘t had daar ook een geleerd. En hij had de kap over de haag gesmeten. En zijn broers lachten met hem, dat hij niets kon. En ze hadden zitten eten aan tafel en zijn broer, de ene ging naar de paardenstal voor een paard in te spannen. En als hij aan de deur kwam, hij begon te dansen. En zijn broer stond aan de deur van het huis en stond erop te kijken. ‘Scheid er maar uit’, zei hij ‘van dansen! Ge kunt nu nog een keer zeggen, dat ik niets kan’. (Hoe heette die?) Dat is ook van voor mijn tijd, meneer. Ik heb dat horen vertellen. MEI

218.Geen boter bij Leman te Lotenhulle door water te geven aan een priester

Leman heetten ze. En er was een priester die achter een beetje water ging vragen. En de mensen hadden ongelukken, ‘t een achter ‘t ander. Ik heb die naam van die priester vergeten. En ze gingen achter raad vragen. Waar dat weet ik niet. Ze zeggen: ‘Als hij nog ne keer komt, ge moogt hem geen water of genen drank meer geven. ‘t Is hij die u dat aanzet’. En een beetje nadien, hij kwam weer, bezweet en hij had dorst. Hij kwam om een beetje water. Ze gaven hem water. Ze hadden weerom ongeluk. Lijk dat ge zegt, niet kunnen karnen of niets, nietwaar. Weerom achter raad gegaan. Zeggen ze: ‘Ge hebt weerom water gegeven?’ ‘Ja’, zeggen ze. ‘Ge moogt dat niet meer doen, ge zult ervan bevrijd zijn’. En dan de derde keer, hij kwam weer. En ze gaven hem geen water meer en hij vertrok hij zo. En die ongelukken bleven achter dan. (Waar is dat gebeurd?) Bij de kinderen Leman, op Lotenhulle. Dat heb ik horen vertellen. LO 17

219. De leurder, Pater Van Damme, betoverde de beesten te Lotenhulle

(Hebt gij nog gehoord van toverij in de stallen?) Ons beesten waren waarschijnlijk ook betoverd. En ‘t was daarvoor dat vader naar Gent bij de Augustijnen gingen, achter broodjes, nietwaar, en alle dagen moest ge dat… (Dat was op Lotenhulle?) Op Lotenhulle, ja, op de kouter. (Hebt ge daar nog bepaalde vrouwen geweten die daar de naam hadden?) Op Lotenhulle, neen. (Hebt ge nog gehoord van Pater De Loof?) Pater De Loof, wacht ne keer… (Die iets kon?) Pater De Loof niet. ‘t Was Pater Van Damme, die kon iets. En die moet heel zeker onze beesten betoverd hebben, Pater Van Damme. Want we hadden altijd het een ongeluk op het ander. (Waar woonde die Pater Van Damme?) In Gent en hij kwam rond met een kasken op zijn rug, en er zat daar van… zo een kasken die… zo die grootte was. En dat was met een riem over hem, nietwaar. Hij verkocht hij zo van alles. (En die noemden ze Pater Van Damme?) Pater Van Damme. (Maar dat was geen pater?) Neen, maar vroeger, volgens dat het scheen, heeft hij ons toch wijsgemaakt, dat hij nog geleerd had voor pater. En die noemde Pater Van Damme. LO 15a

220.Man doet mensen dolen te Poeke

Dat heb ik nog gehoord hier op Poeke, dat ze in een staminee zaten te kaarten. En dat er enen lijk een duivelken (of duiveken) in zijn zak had. En dat die mensen dan naar huis gingen en dat ze hun weg niet meer vonden. En dat ze heel de nacht gingen en gingen en nog altijd maar gingen en dat ze niet thuis geraakten. En dat ze aan hun huis stonden. (Dat was van den alf geleid?) Dat weet ik niet. PK 2

221.Boer is tovenaar op eigen hof te Poeke en ziet zichzelf in waterput

Op het hof, waar nu Hooft op sterven ligt, maar op dat hof was ‘t altijd tegenslag, heb ik mijn vader altijd horen zeggen. En daar heeft dan ook een komen lezen, een pater. En hij zegt: ‘Kijk’, tegen die man, ‘kijk, er is hier een waterput; komt en kijkt, ge zult den tovenaar zien’. Hij keek en hij zag zijn eigen. Dat was tegenslag door hemzelf. Ik weet het niet. (Van wie hebt ge dat nog gehoord?) Van mijn vader. (Dat is gebeurd op Poeke?) Ja. PK 2

Besluit

In het vroeger opgetekende materiaal hebben we ten eerste het gegeven van de pater die zijn kap over de haag geworpen heeft en de mensen kan doen dolen (P16); vervolgens vonden we een sage over een boer-tovenaar met boeken (P23); dan een sage over een Duitse Schaper, dit is een schaapherder die kan toveren en door de lucht vliegen (P29), en ten slotte een sage over een man die tovert met de hulp van de duivel (P33).

Zelf noteerden we 32 tovenaarssagen, tegenover 83 heksensagen. Deze verhouding is ook voor andere streken normaal, alhoewel voor het Land van Nevele de verhouding der tovenaarssagen aan de hoge kant ligt.

Het thema van de tovenaar die ooit nog voor priester of pater gestudeerd heeft noteerden we zeven keer. Twee maal wordt een priester of pater zelf als tovenaar genoemd. Over de namen bestaat geen eenstemmigheid.

De hoofdbezigheid van de tovenaars uit het Land van Nevele blijkt het doen dolen. We vonden zes sagen met dit motief. Zeer verwant zijn nog eens twee sagen waarin de tovenaar zorgt voor vlug thuisraken.

Ook het lezen in een toverboek valt wel op, hoewel het slechts één zegspersoon is die voor verscheidene toverboeksagen verantwoordelijk is.

Echt boosaardig zoals de heksen zijn de tovenaars slechts hoogst uitzonderlijk. Hun activiteiten bestaan meer in plagerijen.

De schaapherder, met name de Duitse schaper is geen autochtoon motief in het Land van Nevele. Slechts sporadisch wordt aan een schaapherder toverkracht toegekend. De Dutise Schaper moeten we meer westelijk zoeken. VO 5 vermeldt de vlucht van de Duitse Schaper naar Duitsland, maar zijn gegeven komt uit de omstreken van Waregem.

De zogenaamde toverij bij Van de Sompele te Lotenhulle gaan we hier voorbij. Het gaat volgens onze zegspersonen (LO 3b, LO 4, LO 6b en LO 13) over de zoon van een Bertha Van de Sompel die gebaarde dat hij ziek was en een spookachtig geluid maakte met een koffiemolen. Dit zou gebeurd zijn voor de Tweede Wereldoorlog en een grote volkstoeloop veroorzaakt hebben. De bedoeling zou geweest zijn een centje bij te verdienen.

 

C. Waarzeggers, kwakzalvers en hypnotiseurs[68]

222.Waarzeggen met het draaiend mes te Sint-Martens-Leerne

Die van Nevele waar dat die bende (Van Hoe en Verstuyft) gepakt is, die zat in den oorlog. En ze zeiden dat Van Nevele dood was. En er waren hier mensen die zeiden dat ze dat konden weten of Van Nevele dood was of niet. En de meid van de pastoor, zij ging dat proberen. (Vrouw onderbreekt: met een mesken!) Dat was met een mes (Hij haalt een mes uit de lade van de tafel en laat het mes op tafel draaien). Kijk, zo… Zo dat pastoorke is ‘s avonds thuisgekomen, nietwaar. ‘Ah’, zegt ze, ‘nu weet ik dat Van Nevele nog leeft’. ‘Hoe’, zegt hij, ‘dat Van Nevele nog leeft? Ge hebt hem gezien’. ‘Neen’, zegt ze, ‘maar we hebben dat een keer gedaan’. (Vrouw onderbreekt weer: dat was met een dink te lezen… wacht een keer…) (Het Sint-Jansevangelie toch niet, zeker?) Ja, ja. (Vrouw: ‘Hebt gij dat gedaan’, zegt hij, ‘ge moogt dat niet doen’). ‘Ja, maar, ge zoudt dat beter niet doen’, zei hij. (Vrouw: ‘Ik kan die stoel doen draaien op ene pikkel, maar ik zal dat niet doen’, zei hij. Maar voor die Van Nevele daar was daar al een dienst voor geweest, dat hij dood was. Weet ge waar dat hij zat, als er een dienst voor gedaan is? Op Mariakerke, daar bij familie. SML 1a en 1b

223.Bouckaerdeken belas het vee

(Spontaan:) Maar ik heb mijn vader veel horen vertellen van Bouckaerdeken van Waregem. (Dat was een veearts, hé?), Ja, als er iets was met hun beesten gingen ze achter Bouckaerdeken en Bouckaerdeken leesde dat af. In mijnen thuis hebben ze dat ook nog geweten, dat er een kalf niet wilde drinken of zo en ze moesten daar om gaan. BML 6

224.Bruun Duchateau, kwakzalver te Nevele

Bruun Setouw was een kwakzalver die iets kon. Voor de fijt was dat een prima kerel. Hij heette Bruun Duchateau. Mijn klein broerken had een breuksken dat de dokter niet kon genezen. Maar hij lei er iets op en mijn broer is er nooit niet meer van geopereerd geweest. NE 5

225. Pinne Voorde kon iemand dwingen te komen

Ik heb Pinne Voorde nog gekend. Hij had de naam dat hij zijn vader vermoord had. Pinne Voorde die zorgde ervoor dat de vrouw van Liebaert terug naar het cafeetje ‘De Bolzak’ (?) kwam. Dat cafeetje is nu afgebroken. Ik heb het nog geweten, tussen Poeke en Ruiselede. Het is Ruiselede al. Den baas van die vrouw kwam achter zijn vrouw en die Pinne Voorde zei: ‘’t Is niets, binnen tien minuten is ze hier weer’. En inderdaad, tien minuten later was ze weer in ‘t café. Hij kon iemand dwingen te komen. Dat was een soort hypnotiseur. PK 5b

226.Pinne Voorde doet witte ratten langs de muur lopen

Pinne Voorde was een mulder. Hij zei ook eens: ‘Mag ik eens ratten langs de muren doen lopen?’ En het waren witte ratten en ze hebben moeten naar pastoor Van den Abeele van Lotenhulle gaan. PK 5b

227.Vrouw voorspelt toekomst met kaarten

Maar ik ga u ne keer binst dat we daarvan bezig zijn eens iets vertellen. In mijn straat, in de Hammestraat, en dat was daar een zekere De Groote en dat vrouwmens lei de kaarten. ‘Zie’, zei ze, ‘mijne vent is met twee vette zwijns naar de markt en ze zullen goed verkocht worden, maar hij zal met geen geld thuiskomen’. En dat was inderdaad waar. Dat is gebeurd. HA 8

Besluit

Alleen Bouckaerdeken en van Waregem is hier het vermelden echt waard, daar hij deel uitmaakt van een West-Vlaamse familie die als kwakzalvers beroemd zijn geworden. Zo noteerde lic. Roger Callens in zijn sagenverzameling sagen over deze Bouckaerten te Ooigem, Wakken, Sint-Baafs-Vijve en Wielsbeke.

Onnodig te zeggen dat de stap van genezer of kwakzalver naar wonderdokter of tovenaar wel eens gezet werd. Dit konden we ook reeds in het Land van Nevele noteren.

Ook in andere aan West-Vlaanderen grenzende gebieden van Oost-Vlaanderen konden we heel wat sagen over een of andere Bouckaert noteren.

Te Vosselare blijkt ook een zeker Tieldeken sterk geweest te zijn in het genezen van zilt. Aldaar is ook sprake van nog een andere vrouw en van een man die eveneens genezers waren. Sagen hebben we hierover echter niet kunnen noteren.

 

D. Macht van Geestelijkheid en (godsdienstige) afweerpraktijken[69]

228. Spookverschijnselen n.a.v. rivaliteit tussen de pastoor van Lotenhulle en ‘doker’ Bouckaert

[Vervolg van sage nr. 184] En mijn moeder gaat naar Pastoor Veroudemeulen (?) naar Lotenhulle en ze zegt dat tegen de pastoor. En de pastoor zegt: ‘Ik zal er sebiet gaan zijn met mijn boeken’. Maar in tussentijd had mijn vader een ander order gehad van iemand om naar den dokter Bouckaert te gaan naar Eeklo. En de pastoor komt binnen en hij gaat bij dat kind en hij leest. Hij kan hij niet voort. Hij leest nog een keer, hij kan niet voort. Hij zegt: ‘Gij luistert gij naar mij niet. Ge gaat ieverst elders naartoe ofwel zijt ge bezig mij [niet verstaan]. Ge moogt niet liegen’, zegt de pastoor, ‘want ik kan niets meer doen’. ‘Ja’, zegt mijn moeder, ‘we gaan naar dokter Bouckaert eens gaan’. Hij zegt: ‘Ik doe mijn boeken toe en doe er de rest mee!’.

Mijn moeder en mijn vader gaan met dat kind naar dokter Bouckaert naar Eeklo, te voet in haar armen en schreeuwen, schreeuwen, er was geen doen aan. ‘t Leek geen kind meer. Dokter Bouckaert zei: ‘Zet u. Leest die gebeden mee die ik lees. En ‘s avonds op klokslag 7 uur leest ge dat gebed dat ik u meegeef. En al dat ge tegenkomt gerust laten’. Ja, als ze een eindeken gegaan waren, ‘t toverde pilaren. Vaders haar kwam recht, zei hij. En dat kind schreeuwde altijd maar voort. (Pilaren?) Ja, ik weet ook niet wat dat was. Een eindeken voorder, allemaal water. Hij kon niet meer voort. Mijn vader was weer weg als hij een kruis gemaakt had. Een eindeke voorder, waar dat er geen wei was, paarden achter hem. Altijd maar voortgaan. Altijd maar voorder. ‘t Koren schoot uit de grond. ‘t Was op de blote kassei, hé! Zijn haar kwam recht. En als hij thuiskwam, hij was lijk geen mens meer.

En als het rond de zevenen was, ze pakten dat gebed en ‘t sloeg zeven en ze lazen dat gebed. ‘t Viel stil. En dat kind is dan nog vier jaar geworden en ‘t is al met een keer gestorven. Dat heeft mijn moeder heel haar leven verteld. Ze heeft dat dikwijls verteld, als ze zat de spellewerken, altijd verteld. (Heeft ze anders nog iets verteld?) Neen. PK 8

(228a) Om hulp naar paters om boter te kunnen karnen

Er waren oude mensen die op Wilde daar woonden, boerenmensen. En dat bestond veel vroeger dat de mensen aan het karnen gingen en dat was verloren gekarnd. Ze kregen geen boter. De honden gingen aan het bassen. En ze zeiden: ‘Daar moet daar weer iemand zijn. De hond bast en we krijgen geen boter. Daar moet toch iets zijn’. En dan zeiden ze: ‘’t Is een beetje toverij! We zullen naar Gent naar de paters moeten gaan om te lezen’. Ik heb dat gehoord van de ouders van Pierken Van der Steene, waar dat wij in den Eersten Oorlog gevlucht geweest zijn. Dat met dat karnen dat was op de wijk Wilde, Musschaverstraat, op de scheiding van Drongen, Halewijn. LA 5

229. Pater voorspelt dood van twee kinderen

Twee broerkens van mijn schoonvader veranderden niet. Ze hadden een tweeling. Ze verzwaarden niet. Ik weet niet hoe ze dat heetten. (Den aa man?) Ja, ja. En mijn grootvader ging naar Gent bij de paters en die zei dat: ‘Ga naar huis’, zei hij, ‘en nog dezen avond zullen ze alle twee gestorven zijn’. En mijn grootvader kwam naar huis en tegen dat het avond was, waren ze alle twee gestorven. BML 6

230.Kalveren gere door broodjes van de paters

Hoe dat nu gegaan is, weet ik niet, maar ik ga een keer een toer vertellen dat mijn vader persoonlijk aangegaan is. Wij hadden, ik woonde op het grootste boerenhof en daar waren altijd dertien, veertien koeien. Dat was dan veel buiten. Nu hebben ze allemaal veel meer als dat ze moeten hebben. En drie jaar achtereen konden wij geen één kalveken in ‘t leven houden. Meer dan tien dagen oud konden ze niet worden. En dat was verloren ze in een kot te steken, in zwijnskoten te steken, want we peinsden dat is een ziekte, waar dat er nooit van leven geen koebeest of geen kalveken ingezeten had. Inderdaad, daar was daar een timmerman hier in het oud gemeentehuis, Sies De Puydt heette hij, en die zei, ja, hij kwam altijd om melk en zegt hij: ‘Mag ik eens een kalveken opkweken?’ ‘O ja, Sies, met veel plezier!’ Allez, als er een koe kalfde, wij gingen om hem om een beetje te helpen als het nodig was. En met zijn kruiwagen, waar dat misschien van leven ook nog nooit geen een kalveken opgelegen had, kwam hij ernaartoe. ‘Ik ga dat kalveken meedoen, zulle; boerken, en ‘t zal wel een kalveken zijn. ‘t Zal wel blijven leven’. ‘’t Is zoveel te beter’, zegt mijn vader, ‘en ge moogt om melk komen, alle dagen om zijn melk’. Als het de dag nadien was, hij kwam niet. ‘Sies, ge hebt gelijk niet om melk geweest?’ ‘Neen, jongen, dat kalveken was niet goed, maar ik heb het een beetje te overvoerd heb. Dat kan zijn’. ‘’t Zal dat niet zijn’, zegt vader. ‘s Anderendaags ‘t lag dood. ‘Ja, nu weet ik niet wat erop moet gevonden worden’, zegt Sies. ‘En ik ook niet’, zegt vader. Vader sloeg hem niet sluns (?), hij ging naar de paters naar Gent. En hij vertelde dat. ‘Awel’, zegt hij, ‘’t is nu drie jaar’, zegt hij, ‘lag er weerom eentje met zijn poten van hem en ik moet er niet aan twijfelen’, zegt hij, ‘als ik thuiskom zal dat kalveken dood zijn’. ‘Mijnheer’, zegt hij, ‘keer weer naar huis, ik kan u niet helpen. Dat kalveken leefde eer dat ge voortkwam en ‘t leeft nog’, zegt hij, ‘en ge moet een goed betrouwen hebben en ‘t zal blijven leven’. ‘’t Is zoveel te beter’, zegt vader, ‘maar ik zal het eerst moeten zien’. ‘Kijk’, zegt hij, ‘ge hebt hier een broodje en’ zegt hij ‘ge doet er alle dagen een klein meuzelingsken van in zijn melk. En negen dagen lang moet er iemand van de familie naar de mis gaan’. Een novene. Zo gezeid, zo gedaan. En ge gaat mij nu geloven of niet, meneer, ik weet niet of ge me gaat geloven, ‘t jaar nadien hadden we dertien kalvers en alle dertien en ‘t stierf geen één. Ik weet niet waarbij dat gekomen is. Of dat een toverij was of ‘t kwaad dat ze ons aangezet hebben. Allez, ‘t is gebeurd, ‘t is gebeurd op ons hof. HA 8

 

ME 2 of ME 3

Is zelf ‘de lesten tijd’ nog om broodjes geweest voor de beesten.

ME 4a en 4b

Kregen van Pater Kamiel en nog een andere pater een klein broodje. De boeren schilderden volgens hen ook kruisen op te stallen. De broodjes haalde men bij de paters, dat was Nicolaas van Tolentijn. Het is nu wat uitgestorven.

ME 8a en 8b

Vermelden dat men paasnagels onder het hekken stak tegen het kwaad. De paters kwamen rond met hun broodjes. De dochter [°1937] heeft het ook nog geweten.

ME 9 Weet dat paasnagels in de paaskaars zitten en er uit zien als de nagels in de hoefijzers van de paarden. Ze dienden zogezegd om alle kwaad van u weg te houden. De paasnagel werd in de zak gedragen.

ME 10 De paters kwamen en dan was het gedaan. Ze gaven een broodje of ‘t een of ‘t ander.

LA 3 Heeft nog een paasnagel gekregen uit ‘t een of ‘t ander kloosterken. Het diende om de mensen niet over den drempel te kunnen of tegen ziekten. Niet tegen de nagelgaten, dat zij weet. Als een heks u sloeg moest ge hoger slaan.

LA 4 De kozijn van Omer Van de Velde op Merendree kon zijn karn niet afkrijgen en had geen melk. Hij is naar Gent naar de paters gegaan.

LA 5 Weet niet meer van broodjes en paasnagels.

LA 7abc Als een toveres u sloeg moest ge weerslaan of wijwater smijten of een kruisken maken. Of hoger slaan op het hoofd ook. Een paasnagel werd onder de deur gestoken om het kwaad buiten te blijven. Wij hebben veel moeilijkheden gehad en hij moet zeggen dat van als die paasnagel daaronder zat, dat het buitengebleven is. Hij gelooft daaraan. Ze hebben de nagel gekregen van de passionisten.

LA 7abc Moeder zei dat katten op de haag den duivel was. Dat was misschien wel op Landegem. Er zijn nog mensen geweest die naar de paters gegaan zijn om die duivel, die geest weg te hebben. En sinds dat het Evangelie opgekomen is, hebben de duivels geen macht meer.

SML 2 Ik heb gehoord dat in mijn vrouw haren thuis [Waar?] de beesten losliepen ‘s nachts en dan zijn ze naar de paters in Gent geweest.

BML 2 Een toveres lapte het u als ge er iets aan gaf. Ze kwam zij iets vragen of lenen. Er waren veel mensen in den tijd die zo een paasnagel van de paaskaars onder de deur staken. ‘t Schijnt dat ze dan niet binnen konden.

BML 3 We hebben dat dikwijls gehad als ze daar liep die (Biene) en we zijn dikwijls naar de paters geweest naar Gent. Ik weet niet meer of dat in de Zwartezustersstraat of daar was. En ik weet nog goed dat mijn vader ging en dat de paters bij ons geweest zijn op ‘t hof. En dat ze een paasnagel gaven en ge moest die aan ‘t hekken stekken.

BML 3 [Vervolg van nr. 125] Als de paters gekomen waren was het veel gestild en gebeterd. Mijn vader heeft gezegd dat het veel gedaan is geweest met het sint-Jansevangelie op te komen.

BML 3 Als een toveres achter wat kwam moest ge daar wat wijwater indoen. Dan konden ze u niets doen, als ge er wijwater of zout ingedaan hebt.

BML 3 Ik heb mijn vader nog horen zeggen dat ze karnden en herkarnden en dat ze geen boter kregen. Ze gingen naar de paters en mijn vader kreeg kleine broodjes en ze moesten daar alle dagen een beetje van indoen en ze moesten daar zelf lezen.

BML 3 Als er een paasnagel onder de stoel zat moest ze [= toveres] ook weg. Ze kon dan niets meer doen.

BML 3 Ge moest alles gerust laten en als ge wijwater gepakt hebt ‘s ochtends moest ge niet bang zijn. Mijn vader was daar goed van op de hoogte.

BML 7b Bij ongeluk in de stallen gingen ze bij de paters augustijnen. En als ze dan – nu doen ze dat nog – als ze koeien hadden die moeten kalven, dan gaan ze naar het H. Graf naar Gent. En ze offeren zo een koetje, een zwijntje of een kalveken. Wij hebben dat ook nog gedaan. Dat was toch goed, hoor, meneer!

BML 9 Ik weet wel dat de mensen naar de augustijnen gingen in Gent. Ze kregen daar iets in was dat ze onder hun dorpel moesten steken. En wie over die dorpel kwam, was dus zijn macht kwijt.

BML 9 Maar dat broodje! Mijn vrouw heeft ook nog een broodje gekregen in den tijd dat wij ons eerste kind hebben gekocht. Ze ging ook naar de paters en ze kreeg zo een rond bolleken brood mee. En ze werd daar belezen. Want ze was in de kliniek bij de Zusters van Liefde en ze moest bij die paters haar kerkgang doen in ‘t jaar 1941.

BML 11 Ik heb kinders geweten waarvoor ze naar de paters moesten gaan in Gent. Men ging veel naar de augustijnen en naar Tielt naar de Bruine Paters. (Paasnagels?) Dat werd veel gedaan bij mensen die de kinders kwaad aandeden en al die toverij. Dan geraakten die niet binnen. Dat is hier in den environ overal.

HA 8 Ja van de toverij, mijn grootmoeder zaliger, die heeft daar veel van verteld. En die mensen waren bijgelovig. En dan zeiden de oude mensen van tijd: als ‘t Sint-Jansevangelie gekomen is, dat dat niet meer bestond. Maar dat dat toch wel bestaan heeft en dat heb ik meegemaakt dat is dat ze u konden ‘verleen’…

HA 8 Ze gingen dan veel bij de paters, omdat ze zeiden, de pater kan dat overlezen. En dat heeft gezegd geweest dat ‘t geestelijk, als ‘t nood was, de wind kon verdraaien en dat geloofden de mensen dan ook. In geval van brand, kon hij lezen dat de wind verkeerde, maakten ze ons wijs. De rijke mensen zegden tegen de priesters: houdt gij ze dom, ik zal ze kort houden. (Paasnagels?) Dat heb ik nog gehoord.

HA 12 (Broodjes?) Daar heb ik nog van gehoord. Bezoeker: dat bestaat nog. Er zijn er nog die naar Gent naar de paters gaan daarachter. Dat bestaat op alle gemeenten nog. HA 12: ze gingen daar om naar de augustijnen, zeker? Hier bestaat dat niet meer.

NE 1 Paasnagels dat gebruikten ze voor bescherming tegen ziekten. (Hebt gij die nog in uw stallen?) Ja, ja.

NE 2 Paasnagels dat staken ze onder de deur voor geen toverij binnen te kunnen.

NE 5/6 Paasnagels dat staken ze onder de stoel. Dan kon ze niets meer doen. En onder de drempel.

CMBV Als ze geen boter kregen, dat was toverij. En dan gingen ze naar de paters en dan kreegt ge broodjes. (Naar de augustijnen?) Mijn vader heeft er dikwijls om geweest.

VO 6 Paasnagels dat werd gebruikt voor de mensen voor van alles te beschermen. Ik heb ook nog een paasnagel. Ik heb maar een paasnagel omdat ons kinders misdiender geweest hebben, niet uit superstitie. (Onder de drempel?) Nooit gehoord.

MEI 1 (Paasnagel?) Ja er zit een paasnagel onder mijn deur. Mijn vader was koster in den tijd. Dat is meer uit devotie dat ik dat daaronder gestoken heb, dat is bescherming.

MEI 6 Van paasnagels heb ik nog gehoord als kind.

MEI 10 Met paasnagels kon er niets gebeuren;

MEI 18 (Pastoor wind keren?) Daar geven ze op deze gemeente geen geloof aan.

MEI 19 De paasnagels dat kwam van de paters van Brugge.

PS 4 Mijn moeders zuster had een paasnagel onder haar hoofdkussen.

ZE 4/5 Op het hof van Vertriest in Zeveren (…) Dat waren deugenieten, ge kunt peinzen dat dat geen toveren was. Dat waren gasten die kwamen en die de mensen bang maakten en ondertussen betalen ze ze. En ze lieten de paters komen. (Van Tielt?) Misschien wel en ik geloof dat ze daar in ‘t plankier een nagel gestoken hebben.

ZE 7 Paasnagels dat kregen ze van de paters waar dat er toverij was.

LO 9 (Toverij?) Ik geloof dat niet. Moeder [°Aalter] geloofde wel dat de kinders konden betoverd worden. Ze gingen daarvoor dienen naar Tielt bij de paters. Zij heeft nog de knecht van mijn vader naar de paters gezonden.

LO 11 (Paasnagel?) De oude mensen, als er zo wat scheelde. (Waartegen?) Zeker voor den donder tegen te houden, donder en bliksem?

LO 17 Op Lotenhulle balsemden ze het lijnzaad. Niet al het lijnzaad, alleen een beetje. En als dat gebalsemd was dan mengelden ze het in heel de zak. (Hoe?) Ze deden dat met wijwater en een soort olie en een palmtaksken, dunkt mij. (Wie?) Moeder deed dat. Ik weet nog, meneer, ik was zeker een jaar of twaalf, dertien oud, als ik moeder dat zien doen heb. Maar ge mocht daar feitelijk niet bij. Want ik stak een keer de deur open en moeder zei: ‘Wat doet gij hier? Allez, jongejte, ge moet buitengaan’, zei ze.

VI 6ab Dat heeft mijn moeder ook nog verteld, als ze zo de melk bestelde dat ze u ook konden betoveren. En als ze klopten op uw schouder, dat ge hoger moest kloppen.

PK 2 (Paasnagels?) Ik zal u enen tonen! [Brengt mij een paasnagel in een kadertje.] En vroeger waren er mensen die beweerden dat ze toverij hadden en als ge dat boven de deur had hangen dan konden ze niet binnen. (Waar hebt ge die gehaald?) Ik heb die gekregen van bejaarde kennissen die hier in Poeke nog gewoond hebben. (Waarom?) Wel ik peinsde: kan ‘t geen goed, ‘t kan geen kwaad. Er komen hier ook soms ongewenste mensen in huis en ik mag er aan geloven of niet sedert dat hij hier hangt is die persoon hier niet meer in huis geweest. Ik geef er geen geloof aan en toch moet ik zeggen, bewaar ik hem.

PK 4 Ik verzorg het onderhoud van de kerk. En ik word ook nog, nu minder, maar over een jaar of tien was dat permanent, regelmatig, dat men vroeg: ‘Kunt ge me niet een paasnagel bezorgen; kunt ge me niet een paar paasnagels bezorgen?’ Men wilde hebben, dat als men een paasnagel in huis had, dat dan dat huis zou gevrijwaard blijven van ongelukken. Bejaarde mensen hebben mij nog bij het laatste Paasfeest gevraagd: ‘Kunt ge mij geen paasnagel, minstens één nog bezorgen?’ Ik heb er nog in voorraad, om dat ik weet dat ge de mensen daar soms een plezier kunt mee doen.

Hk. Vg. In het kapelletje van den Oostbroek in Nevele lagen paasnagels.

Hk. Vg. (E.H. Pastoor te Vinkt:) Al twee mensen zijn bij mij om paasnagels geweest om bij het bouwen van een nieuw huis onder de dorpel te leggen. Het dient om geluk aan te brengen en het kwaad te weren.

Hk. Vg. (Kleermaker, °Nevele, 42 j.) In het kapelleken van Oostbroek liggen volledig allemaal die diertjes. Dat is toch ook een vorm van…

Besluit

Het mislukken van het karnen wordt een aantal keren toegeschreven aan het werpen van een kluitje zwarte zeep in de karn (BML 11) of wat zeep in de kuip (MEI 19), of in de melk (LO 12). Zie ook ons nr. 80 (ZE 5).

ZE 1 vertelt nog een anekdote over de zogenaamde toverij op het hof van de burgemeester te Meigem: ‘Pater Kamieleken moest daar het kwaad gaan wegelezen’. Er was zo een dreef naartoe met al weerskanten een rij eiken. En ze waren die eiken aan het uitdoen. Maar als Kamieleken terugkwam, viel hij in die boomputten… van zattigheid. En ‘t kwaad was weg!’

Slechts een twintigtal van de ondervraagden die voor de rest wel thuis bleken in toverijaangelegenheden moesten negatief antwoorden op de vraag naar de paasnagel.

Ook de broodjes tegen de toverij blijken bij expliciete vraag ernaar nog vrij goed bekend.

Naar afweerpraktijken als ‘hoger slaan’ werd niet systematisch gevraagd.

 

E. Weerwolf en Osgaart

232. De weerwolven was iets van moeten gedragen worden

(Weerwolven?) Dat was ook iets van moeten gedragen worden. ME 8b

233. Ze zegden te Merendree dat de scheepstrekker Luus, de weerwolf was

(Weerwolf?) Daar heb ik veel van horen spreken. En de persoon die er de naam van had, heb ik gekend. Dat was een schipper. Luus, heette hij. Ze zegden dat hij ginder aan ‘De Tempel’ op de mensen sprong en zich liet dragen. Of dat waar was, weet ik niet. Maar ‘t was toch een rare. Hij was een scheepstrekker en een vuilaard bovendien. Ze zegden dat hij de weerwolf was en dat hij zich liet dragen. ME 9

234. De weerwolf liep achter de vaart te Merendree

(Weerwolf?) Hij liep daar achter de vaart ergens. En als hij iemand tegenkwam, sprong hij op hem en hij moest hem dragen. (Was dat geen scheepstrekker?) Ik denk het wel. Wie ‘s avonds aan ‘De Tempel’ passeerde moest hem dragen. Luus, noemden ze hem. ME 11

235. De weerwolf liep rond te Bachte-Maria-Leerne

(Ossort met zijn vel die op de rug sprong?) Neen. (En de weerwolf?) Dat heb ik dikwijls gehoord van mijn vader. Dat liep daar en daar waren ze bang van. Maar ik heb dat nooit gezien. BML 3

236. Er was iets van een ‘berevel’ en een oude schaper

Ge moet dat aan Jules Vervennet eens vragen of dat hij dat niet weet van dat ‘berevel’ en van hun oude schaper. [Betrokkene is BML 7a. Hij weet echter van niets.] BML 6

237.Osgaort waren mensen met een vel, die ge moest dragen te Meigem

(Heeft uw vader nog van spoken verteld?) O, van spoken en van Osgaort, wat weet ik allemaal. (Wat was Osgaort?) Dat waren mensen die verkleed waren met een soort vel. En als die mensen bijvoorbeeld ‘s avonds naar huis gingen, dan sprongen die mannen op de mensen hun rug en ze moesten die dragen. (Hier op Astene?) Neen, mijn vader was van Meigem. Daar heeft die dat nog gehoord. BML 11

238. Een knecht op het hof van Richard De Smul te Zeveren had een bjeirevel

(Toverij?) (Eerste antwoord) Ja, ik heb daar ook nog van horen klappen. Daar op Zeveren, daar op dat hof. ‘’t Bjeirevel’, zegden ze in den tijd. Dat was ook een complot. En daar woonde een knecht op dat boerenhof en die had dat bjeirevel. Maar dat zat weg. En ze hadden dat graag weg gehad. En ze voerden die knecht ver weg en ze haalden zijn bjeirevel uit een holle tronk. En ze staken het in den oven om het te verbranden. En op dezelfde minuut dat zijn bjeirevel aan ‘t verbranden was, stond hij bij hen. Dat is gebeurd op Richard De Smul zijn hof te Zeveren. Ik heb mijn vader dat horen vertellen. Wie daar dan woonde, weet ik niet. MEI 9

239. Knecht op een boerenhof te Lotenhulle had een vel en was een bjeirewulf

En de bjeirewulven, hebt ge daar nog van gehoord? Een bjeirewulf, dat was enen die een vel heeft van een beer. En die lopen ‘s nachs van elf tot één uur om op de mensen hun rug te springen en zich te laten dragen. En als die uren gepasseerd zijn, dan zijn ze daar van af. Ik heb mijn vader nog horen zeggen, dat de mensen toen vertelden dat die hun vel aan den duivel verkocht hadden. En mijn vader vertelde, als hij een klein jongetje was, woonde er in Lotenhulle een bij een boer. En ze wisten dat vel zitten. Dat zat in een uitgerotte tronk. En de paters hadden de raad gegeven, die knecht weg te zenden met de paarden, ergens heel ver. En als ze dachen dat hij ginder was, maakten ze hun oven, waarin ze brood bakten, heet en ze smeten dat vel daarin. En als hij thuiskwam, was dat vel verbarnd. En hij was gelukkig, want nu was hij daar vanaf. LO 16

240. Weerwolf was iemand die op rug sprong met zijn poten te Poeke

(Weerwolf?) Dat er iemand naar huis moest gaan en dat er zo iemand van achter op zijn rug sprong. En die poten stonden daar zo in. Dat heb ik horen vertellen van Zuster Margriet. Die was van Poeke. PK 3

241. ‘s Avonds moest men een man, als een hond met kettingen, dragen te Poeke

En dan, als er ‘s avonds een boer durfde naar huis komen, werd hij aangevallen en hij kreeg een man op zich, zo zwaar als iets. En als hij aan zijn hof kwam, verdween dat. (Hoe noemden ze dat?) Ze zegden dat dat een hond was met zware kettingen. Ze hoorden zo een ketting meesleuren. PK 10

Besluit

De naam Osschaert troffen we slechts één keer aan in een vehaal van V. Loveling. Dit gegeven werd in de Volkskundeatlas o.i. onvoldoende gemotiveerd te Nevele gelokaliseerd. Wel mogen we gelet op onze eigen resultaten aannemen, dat Loveling deze benaming wel in het Land van Nevele kan gehoord hebben.

Vier zegspersonen voor Merendree kennen de weerwolf niet. Te Landegem hebben we nooit expliciet naar de weerwolf gevraagd. HA 14 kent het woord weerwolf, maar weet er verder niets over. NE 10 reageert op onze vraag naar toverij onmiddellijk met de uitroep ‘de bjeirewulven’, maar weet er niets over te vertellen. MEI 18 en MEI 19 kennen de weerwolf uit de boeken. ZE 1, ZE 3, ZE 6 en ZE 7 kennen het woord wel maar weten verder niets. LO 3ab kennen geen Ossaart noch weerwolf. LO 10 weet dat ze te Petegem-Deinze over de weerwolf spreken, maar weet niets voor Lotenhulle. Geen één der aanwezigen op de Hk. Vg weet iets over een weerwolf of het verbranden van een vel.

Voor de weerwolf als kinderschrik verwijzen we naar onze Bijlage I.

Alles samen blijkt het motief slechts sporadisch bekend. Typisch is wel de bijnaam van een bepaalde persoon te Merendree. Dit verschijnsel doet zich zoals we ook voor andere spookfiguren konden vaststellen voor aan de rand van het verspreidingsgebied.[70] In West-Vlaanderen blijkt het weerwolf-motief ook zo goed als totaal onbekend.[71]

 

3. Duivelssagen (zie ook nrs. P1a, P33, P34 en nr. 239

 

242.Op een kruispunt bij de Stamputten te Nevele kon men de duivel aanroepen

Om den duivel te aanroepen, dat die kwam bij u, moest ge ‘s nachts om twaalf uur… Ge moest het eerst twaalf uur horen slaan op de toren en dan moet ge op de plaats staan en dat was aan de Stamputten te Nevele. En dat was zo op een kruispunt. Neven dat kruispunt lag er gelijk een moeras en daar moest ge staan. En ik geloof dat het barrevoets was of op uw kousen. En ge moest helemaal alleen zijn, er mocht daar niemand bijzijn. En dan moest ge roepen: Lucifer of Duivel, ik ben hier, ik heb u nodig. En dan verscheen hij. Ik heb dat gehoord van mijn vader en van mijn peetjen. Dat was daar ook een straffe in, voor al zulke verhalen te vertellen. Ik ga niet zeggen dat mijn vader dat nog geloofde. Maar mijn peetje die geloofde dat nog.

Besluit

De duivel speelt in de door ons opgetekende volkssagen zo goed al geen rol.

Ook in de gepubliceerde sagen speelt de duivel, indien hij in de opgetekende versies werkelijk origineel is, slechts een secundaire rol.

Verder systematisch onderzoek is hier echter wenselijk. In Vosselare is er volgens één onze zegspersonen een toponiem Duivelsnest.

 

4. Historische en etymologische Sagen

 

A. Kerken, kapellen en kruisen

243.Iemand verwenst en doodgevallen aan een kapelleken te Nevele

Ik ben niet zeker, maar daar is ergens een kapelleken op Nevele en daar zou ergens iemand verwenst en doodgevallen zijn. ZE 5

244.Kapel op paardepoten te Poesele

Ik heb wel gehoord van een kapel die ze gezet hebben op vier poten van een paard. (Zie ook onze nrs. 72 – 77a). …

245.Iets dat verbrand was rond een kapelleken te Poesele

En weet ge wat ze nog vertelden en dat kunt ge heel zeker nagaan. Dat moet waar zijn, hé moeder, een kapelleken tussen Lotenhullen en Poesele. En wat was dat? Iets dat verbrand was. Ge moet daar eens achter vragen. LO 5

De Tempeliers hebben de eerste kerk te Lotenhulle gebouwd

Volgens dat ik vroeger vernomen heb, hebben de Tempeliers hier in Lotenhulle de eerste kerk gebouwd. Met behulp van de inwoners hebben ze met veldstenen de kerk gebouwd. En de eerste kerk moet van de XIIe eeuw zijn. Dat waren Tempeliers die hier gekomen zijn, volgens dat ik horen zeggen heb. Ze hebben de veldstenen daar uitgedolven in een weide daar tegen (café) ‘De Congo’. Dat is daar min of meer een laagte, voor het kerkhof. (Is hier nog een Tempeliers-hof?) Neen, dat heb ik nooit geweten. LO 7b

247.Veronica’s Kruis te Lotenhulle

In de Franse Revolutie werd de meid van de pastoor van Bellem in Lotenhulle door de Fransen vermoord, terwijl ze de gewijde vaten wegstak in de bossen van Bellem. Ze hebben daar ter herdenking een kruis opgericht op het grondgebied van Lotenhulle. ‘Veronica’s Kruis’ in de Malsen (?) (wijk?) te Lotenhulle.[72] LO 14

248. De plaats waar de kerk van Poeke moest komen

Dat was een oude kerk die moest afgebroken worden. En er moest een nieuwe komen in ‘t midden van ‘t dorp. En alle nachten werd er getoverd, werd alles gebracht naar deze kant. Maar dat waren de kasteelheren die wilden dat de nieuwe kerk hier terug stond. En alle nachten werd dat met kruiwagens weg en weer gevoerd. En dat was dus toverij, dat de nieuwe kerk hier moest blijven staan en niet in de kom van de gemeente. En de oude kerk is in 1841 herbouwd. PK 2

249.Geest van rijke boer verschijnt op kerkhof te Poeke

Er was daar een rijke boer gestorven en hij had schromelijk veel graan. Hij had dat beloofd aan de arme mensen, dat ze dat moesten uitgeven. En dat werd niet uitgedeeld en hij kwam altijd terug. Hij kwam altijd terug. En de pastoor en den dokter van ’t dorp en den baron in den tijd, die zijn te samen naar ‘t kerkhof gekomen. Ze hebben gevraagd aan die geest wat dat hij wilde, wat dat er scheelde. Hij zei: ‘Dat graan moet aan d’arme mensen gedeeld worden’. En de pastoor stak zijn hand uit met een neusdoek en de geest pakte hem en hij brandde zijn hand op die neusdoek. Allez, ik heb mijn ma niet anders horen vertellen. (Dat is gebeurd in Poeke?) Ja.[73] PK 10

 

B. Tempelgoed en dergelijke

250.Het Hof van Steenkiste te Vosselare is een Tempelgoed geweest

Waar dat Steenkiste gewoond heeft, te Vosselare is een tempelgoed geweest. De vroegere naam van de straat is Pastershoek geweest. VO 3

251. Het Hof van Steenkiste te Vosselare was misschien bewoond door Tempeliers

Dat hof van Steenkiste, daar kunnen Tempeliers gewoond hebben, maar daar is niemand die dat weet. (Wat waren Tempeliers?) Daarvoor zoudt ge ‘De Verborgenheden des Volks’ van Eugène Sue moeten lezen. Ik heb ze, de vijf boekdelen. Maar dat hof van Steenkiste was wel van de Kerk van Vosselare. Het Klein Goed ter Meersch en het Groot Goed ter Meersch is eigendom van de Kerk vn Vosselare geweest. De kerk is een van de oudste en rijkste kerken van de streek geweest. (…) Ge moet ‘De Geschiedenis van Nevele’ van Cyriel Buysse lezen, dat staat daarin beschreven van dat hof van Steenkiste.[74] VO 5

252. Op Zeveren zouden Tempeliers gewoond hebben

(Tempeliers?) Daar heb ik nog van horen klappen dat dat hier op Zeveren zou geweest zijn. En ik woon hier nu 77 jaar. (Waar?) De Moerputten liggen daar… ZE 1

253. Het hof van Aubin Boone te Lotenhulle was een Tempelhof

(Tempeliers?) Dat waren mannen die ook een beetje aan dictatuur deden en die alleen wilden den baas zijn. En die Tempeliers, dat waren voor zoveel een soort pasters, nietwaar. Dat was in de tijden dat ze naar Rome gingen… (Ge bedoelt de Kruistochten?) De Kruistochters. (Is hier op Lotenhul LO 4

254.Op het Hof waar Aspeslagh woonde, in de Lijkstraat te Lotenhulle waren Tempeliers

(Tempeliers?) Dat was ginder op de hofstede van Aspeslagh. Nu zijn dat andere mensen. Op het einde van de Lijkstraat. (Wat waren Tempeliers?) Dat weet ik niet. LO 9

255. Op de oude weg naar Varizele-brug te Lotenhulle zouden Tempeliers gewoond hebben

(Tempeliers?) Ik heb vroeger horen vertellen, dat op de oude weg naar Varizele-brug, dat is de oude heerbaan tussen Brugge en Deinze, een hoveken is, en de overlevering zegt – ik heb dat nog ergens gelezen – dat daar vroeger Tempeliers zouden gewoond hebben. LO 13

256.Het hof waar Aubin Boone woont te Lotenhulle was een Tempelgoed

(Tempeliers?) Dat waren een soort kasteelheren. En er waren hoeven die Tempelhoeven heetten ook. (Waar?) Op Lotenhulle, het hof waar Aubin Boone woont. (Hoe zag die hoeve eruit?) De hoeve was gelijk een gewone hoeve, maar wel een hoog gebouw. (Was er water rond?) Er heeft rond geweest, maar dat is nu gedempt. LO 17

257. Het hof van De Smul op Meigem was ook een tempelhoeve

(Nog tempelhoeven?) Ik heb gedacht dat er op Meigem ook een gestaan heeft, waar De Smul, mijn moeders thuis gewoond heeft. LO 17

258. Het hof van Standaert te Vinkt was misschien een Tempeliersgoed

(Tempeliers?) Was dat niet op Vinkt, waar Standaert woont? VI 2

 

C. Onderaardse gangen

259. Onderaardse gang vanuit kasteel te Merendree naar de meersen

(Bomloze put? Klokkeput? Onderaardse gang?) Onderaardse gangen zouden er hier in Merendree moeten zijn. Van dat kasteel naar de meersen. (Waarvoor zouden die gediend hebben?) Dat moet een kasteel zijn uit het Spaans tijdvak. ME 4a

260.Onderaardse gangen aan de kerk te Sint-Martens-Leerne

(Gangen?) De grafmaker heeft mij gezegd dat er een onderaardse gang zou moeten liggen van de kerk hier naar dat huis daar neven. En ‘t moet zo zijn, want daar is daar een plaatsje, waar ze hoegenaamd niets anders hebben dan stenen. Ze kunnen daar geen lijken leggen. SML 1a en 1b

261. Onderaardse gang van het kasteel van Ooidonk, onder de Leie, naar de Kortrijkse Steenweg

Mijn zoon heeft meersen, in de Leiemeersen, juist achter het kasteel. Ik zag daar zo ijzeren balken liggen. Maar op een zondag liepen daar kinderen en ze hieven dat op en dat waren allemaal onderaardse gangen. Dat is van ‘t Kint de Roodenbeke zijn kasteel. Dat is van over lang dat die onderaardse gangen daar liggen. (Waar liepen die naartoe?) Al onder de Leie en dat komt ginder op de Kortrijkse Steenweg uit. SML 4

262. Baron ‘t Kint de Roodenbeke heeft zelf de onderaardse gangen gezien

In mijn kasteel zijn onderaardse gangen. Ik heb ze gedeeltelijk zelf gezien. Mijn vader zei dat er drie waren. Een van het kasteel naar een toren, een onder de vijver en een derde gang van het kasteel naar de ijskelder. Die gangen dienden om uit het kasteel te lopen. Het waren gangen met gewelven.

263.Onderaardse gang vanuit het kasteel van Ooidonk

(Gangen?) Van het kasteel, tegen de kerk, komt uit in de meersen. (Hoe lang?) Zeshonderd meter. (Waarvoor hebben die gediend?) Dat weet ik niet. Dat was van de Leenroerigheid, zeiden ze. BML 2

264.Onderaardse gangen bestonden

(Gangen?) Die zich ergens inschoten en die elders ver ginder dan boven kwamen. Dat werd gegraven onder de grond, heb ik mijn vader nog horen zeggen. Maar ik heb het niet gezien, noch weet ik het. BML 3

265.Onderaardse gang van het Rattenkasteel te Hansbeke naar Nevele toe

(Gangen?) Ik geloof dat niet. ‘t Rattenkasteel te Hansbeke hebt ge daar nog van gehoord? (Neen). Dat was een huis van de Graaf van Boezjie (sic)[75]. En dat was zo een ouderwets historisch huis, en daar zouden een soort grote mannen gewoond hebben, vroeger jaren. En ze zeggen dat er daar een onderaardse gang zou gelegen hebben naar Nevele toe. Maar dat heeft nooit enen gezien. (Kent gij de Tempeliers?) Neen. HA 14

266. Onderaardse gang vanuit het klooster te Nevele naar het kasteel te Landegem

(Gangen?) De onderaardse gangen zijn te Nevele in ‘t klooster. Maar ze zijn toegezet tot aan de vaart. Ik heb mijn moeder dat met honderden keren horen zeggen. En in mijn kleine jaren ben ik er nog eens in mogen gaan met een nonneken. En dat was zo met ketens omhoog achter trapkens en dan diep naar beneden. En daar stonden grote pilaren. (Naar waar liep die?) Van daar naar het kasteel van Landegem. Maar die is toegezet met de vaart te delven van Deinze naar hier. LO 2

267.Onderaardse gang van het kasteel van Nevele naar het kasteel van Landegem

(Gangen?) Er was een onderaardse gang van het kasteel van Nevele naar het kasteel van Landegem. Ze hebben nog geprobeerd hem te vinden. LO 15b

268. Onderaardse gang onder de kerk te Nevele naar de Schipdonkse vaart

(Gangen?) Vroeger zou er een gelopen hebben onder de kerk naar de Schipdonkse vaart, maar ik ben er niet zeker van. NE 4

269. Onderaardse gang van het klooster te Nevele naar het hof van Steenkiste te Vosselare

(Gangen?) Van ‘t klooster van Nevele onder de vaart, naar het hof van Steenkiste. Dat heet nu Keuningshof. NE 5

270.Er bestaat geen onderaardse gang te Nevele

(Gangen?) Dat bestaat niet. We hebben hier (= Nevele) de helft van het klooster opgegraven, maar die bestaat niet. Als hij wel bestaat, dan had men in de Slag van 1381 het kasteel niet volledig kunnen uitmoorden. Dan waren ze al lang gevlucht. NE 12

271.Ze zijn in Nevele in de onderaardse gang geweest

Maar in de gang van Nevele zijn ze geweest. Achter het klooster, achter de café van den IJzer. Dat zijn Arnouws die er in geweest zijn. Die werden dan gebruikt als teerputten. Ze zijn niet verder gegaan. Ze zijn volledig met gewelven gemaakt en ze liepen naar de gebouwen van De Ketelaer, waar nu het klooster is. (Liep die niet onder de vaart?) Neen. Hk. Vg., kleermaker

272.Onder onze paardenstallen (te Nevele) liggen muren van de onderaardse gang

(Gangen?) Wij wonen op de markt. En in den oorlog van 1914 hebben we in de paardenstallen een put gemaakt. En daar vonden we muren die zo dik zijn. En dat moet van die onderaardse gang zijn. En ze hebben er ook een lijk gevonden en een steen met allerlei inscripties. Dat is nu een grafsteen op het oud kerkhof. Dat is het oud hof van Minkes. CMBV, ex-voorzitter

273. Mijn broer is nog in de onderaardse gang in Nevele klooster geweest

Die onderaardse gang bestaat hier nog in Nevele klooster. Mijn broer is er nog in geweest. En daar in de Langemunt bestond er een patersklooster. En volgens dat het schijnt, ging die gang van het patersklooster tot hier bij de nonnekens. (Hoe ver is uw broer daar in geweest?) Maar vier meter, omdat ze bevangen werden. Maar hier in onze hof op de markt, hebben ze een grote boom moeten uitdoen, omdat we moesten bijbouwen. En die stond op de gewelven van die gang. (Waarom hebben ze dan nooit eens door die gewelven gekapt?) Neen, maar meneer Vleminckx beweert, dat die doorliep tot zeker aan de vaart. En met de vaart te graven is dat onderbroken geweest. En dat zou nog moeten uitmonden hier in ‘t klooster. En die ingang bestaat in de Langemunt, op den hof waar wij nog gewoond hebben. Daar zijn er in gegaan, meneer Vleminckx en mijn oudste broer. CMBV, mevr. Dias

274. Er is een onderaardse gang in Vosselare aan de kerk

(Gangen?) Ja, ja in Vosselare moet er ergens nog enen liggen. Hij zou moeten lopen langs de kassei ginder. Ze hebben er over tijd nog achter gezocht. Hij zou nog ver moeten liggen volgens dat ze klappen, aan de kerk. LA 2b

275.Onderaardse gang van hof van Keunings te Vosselare naar de kerk

Op Vosselare ligt daar een steen op dat boerenhof. Dat is een eiland. Dat is rondom met een wal, maar dat is allemaal gevuld. Maar daar lag een grote steen en naar het schijnt gingen ze er daar in. En dat liep naar Vosselare kerk. Ik heb veel horen vertellen van mijn vader, dat er daar mannen kwamen gereden te paard in de wallen. En ge zag schoon dat water spetten. (Hebt gij nog gehoord van een Tempelgoed op Vosselare?) Dat was op ‘t hof van Keunings. Ik ben daar nog koewachter geweest. Wel, als ge daar stampte, dat bommelde nog zo. (Dat het daaronder hol was?) Ja. NE 6

276. Onderaardse gang van de Tempelheren op het hof van Steenkiste te Vosselare naar het hof van Everaerts

(Gangen?) Ik heb nog wel gehoord van onderaardse gangen en wel van de Tempeliers. En daar moet op Vosselare zelfs een onderaardse gang bestaan hebben op dat oud hof van Steenkiste. En die onderaardse gang zou moeten gelopen hebben naar het hof van Everaerts. Maar ik weet niet of die boeren daar nog allemaal wonen. (Is dat hof van Everaert nog op Vosselare?) Ja, maar dat hof van Steenkiste, daar moet nu een De Coninck wonen. Ik heb mij toch altijd afgevraagd: wat zou dat toch eigenlijk geweest hebben die Tempeliers. Achteraf heb ik wel over die Ridderorde gehoord; maar ik heb mij toch afgevraagd: hoe is dat daar gekomen? (Noemden ze dat hof op Vosselare een Tempeliershof?) Ja, ze noemden dat Tempelheren. (Weet ge daar nog iets over?) Spijtig genoeg niet. NE 11

277. Onderaardse gang van de ijskelder op het Klein Goed ter Meersch te Vosselare naar de kerk

(Gangen?) In de vijver van het Klein Goed ter Meersch was er een ijskelder. En men beweerde dat er van daar uit een onderaardse gang was (lacht) naar de kerk. Maar ik heb hem nooit gezien. VO 1

278. Onderaardse gang van hof van de Tempeliers te Vossealare naar de kerk of het klooster te Nevele

Ik heb horen vertellen dat er hier een hofstede is, het Groot Goed ter Meersch, dat vroeger toebehoord heeft aan de Tempeliers. Het is nu het hof van Steenkiste. Nu is het bewoond door De Coninck, ‘t is te zeggen, nu door de schoonzoon Verschelden. En dat er daar altijd een onderaardse gang bestaan heeft, maar dat er daar nooit bewijzen van gevonden zijn. Die liep van het hof, waarschijnlijk onderbroken, naar het klooster te Nevele, dat ook aan de heren van Nevele toebehoorde. En anderen vertellen dat die onderaardse gang hier naar de kerk kwam. (Liep hij dan onder de Schipdonkse vaart of was hij daar onderbroken?) Ik denk onderbroken. (Hebt gij nooit gehoord van paarden in die wal?) Neen, dat heb ik nooit horen vertellen. Maar ik heb van mijn familieleden gehoord, als ze daar gingen zwemmen, dat er daar een harde plaats was. En ze veronderstelden dat dat toegedaan was. VO 2

279. Er bestonden wel onderaardse gangen, maar die van Vosselare is een mythe

(Gangen in Vosselare?) Dat is een mythe. En van die mote ging er al onder de wal een gang tot in de paardenstal. En als er gevaar was, ging die heer in die gang en zijn paard stond opgezadeld. Hij ging er op en hij was weg in ‘t vrije veld. Ze hadden toen nog geen geweren, het was met een boog. (Wat is een mote?) Een mote was een laagte. Alle moten zijn laag. Een mote, dat was waar in den tijd de paalwoningen gestaan hebben. De gracht was er rond en de mote was ‘t eilandje dat er in was. Ze hadden op die moment daar een paalwoning gezet, kwestie van beesten en rovers. Kervyn hier, daar heeft ook een mote geweest, Ze is ook weg. Er is ook nog een mote waar mijn aangetrouwde zoon op woont, Geiregat. De wal is ook toe, maar de mote bestaat nog. Er is ook een mote te Nevele waar Mieleke Van Nevel woont. Ginder hebben de Cackaers gewoond en dat waren protestanten. VO 5b

280. Onderaardse gang van het hof van Steenkiste naar het kasteel of de kerk van Nevele

Er is op het hof van Steenkiste een gang die liep naar het kasteel van Nevele of de kerk van Nevele. (Onder de vaart dus?) Onder ’t kanaal, maar die is maar van 1830. Vroeger was dat de Kale. Mijn vader en mijn grootvader hebben van die gang gesproken. (Geloofden zij dat?) Als sage. Want op ’t hof van Steenkiste lag er een blauwe steen, waar de gang begon. En die kon er niet afgetrokken worden met drie of vier paarden. En toen zegden ze al: Waarom probeerden ze dan niet met vijf paarden? Dus trokken ze het in ’t belachelijk. En in die gang lag er een glazen bol, die altijd een beetje verging. Dat hebben ze ook gezegd. Die verging alle dagen een stap. Hk. Vg., kleermaker

281.Onderaardse gang van het kerkhof van Vosselare naar het hof van Steenkiste

De vroegere kerk van Vosselare is opgeblazen in 1940. Aan de voorkant, links aan de straat, stond zo een gevangeniskotje. En opzij, de ingang van het kerkhof, lag er een grote blauwe steen, voor zover ik mij herinneren kan, een halve meter breed en een meter lang. In het midden was daar een gaatje in. En ons werd gezegd dat van daaruit de onderaardse gang vertrok naar de hoeve van Steenkiste. Dat is het Groot Goed ter Meersch. En toen probeerden wij met een strootje in dat gaatje te laten vallen. Nu vraag ik mij nog steeds af: Wat deed die steen met dat gaatje daar? Hat was geen riolering, het lag te hoog om een waterput te zijn. Ik weet het niet. Hk. Vg., vertegenw., VO

282Onderaardse gang van het hof van Steenkiste naar de kerk van Vosselare

(Zijn er hier onderaardse gangen in Meigem?) Hier niet, maar wel in Vosselare op het hof van Steenkiste. Daar lag een grote steen. Die gang liep naar de kerk. MEI 9

283. Onderaardse gang verbond de kerk en de vroegere pastorie van Meigem

(Gangen?) De vroegere pastorij die heeft nogal ver van de kerk gelegen. En er zijn er die beweren, dat er een onderaardse verbinding was tussen de pastorij en de kerk. Maar dat is zeker een afstand van een kilometer. MEI 4a

284.Onderaardse gang van de oude pastorie naar de kerk van Meigem

(Gangen?) Ik heb nog gehoord dat er een liep van de oude pastorij naar de kerk. MEI 5

285. In de oude pastorie te Meigem was een onderaardse gang

(Gangen?) De oude pastorij. Toen de katholieken vervolgd werden, was het daar mis. Ze hebben die kelder opgevuld. Maar in de onderaardse gang zijn ze niet durven gaan, omdat hij ingevallen is. En een mens zou versmachten. MEI 13a

286. Onderaardse gang van Meigem naar Nevele

(Gangen?) Er ligt hier nog enen. Ik ben daar van den oorlog nog in geweest. Hij loopt naar Nevele. MEI 14

287.Onderaardse gang van de oude pastorie naar de kerk te Meigem

(Gangen?) Ja, hier van de oude pastorij naar de kerk. (Van welke tijd is die gang?) Van den tijd dat de priesters vervolgd werden. Daar is nog een kapel. Dat is nu de slaapkamer. MEI 19

288.Onderaardse gang te Meigem

(Gangen?) De vroegere pastorij staat op een kilometer van de kerk. Wij hebben dat een jaar geleden onderzocht met een kameraad. En die zei: Kijk, daar begint de onderaardse gang. En hij is erin gekropen. En dat was onder die kapel. En dat was een kelderken en ge kon niet zien of daar nu een muur ingemetst was of zo. MEI 21

289.Gang op hof van Van Nevele te Zeveren

In Zeveren is ook een gang op het hof van Van Nevele. Hk. Vg.

290Onderaardse gang van het kasteel van Poeke naar Parijs!

(Gangen?) Ik heb nog gehoord dat die liep naar Parijs, maar dat is niet waar. Die zou lopen van het kasteel naar Parijs. (Was dat geen weg naar Parijs?) Dat weet ik niet. PK 1a

291.Onderaardse gang van het kasteel van Poeke naar de kerk en de Hoogpoort

(Gangen?) Dat heb ik nog gehoord. Die loopt van het kasteel naar de Hoogpoort en naar de kerk. Van ‘t kasteel naar de kerk en van daar tot aan de Hoogpoorte te Lotenhulle. (Wat is de Hoogpoorte?) Dat is het einde van het park. PK 2

292. Onderaardse gang van het kasteel te Poeke tot waar de kerk nu staat

(Gangen?) Van het kasteel dat destijds een burcht was en die zou moeten uitgekomen zijn op wat wij nu de achterkant van de kerk noemen. In rechte lijn zou dat misschien een 300-tal meter zijn. De strijd van Filips de Goede is hier uitgevochten in Poeke. En het schijnt dat die onderaardse gang toen nog dienst gedaan heeft en dat een groot deel van de bewoners kunnen ontsnappen heeft, maar de laatste niet meer en dat die anderen allemaal opgeknoopt zijn. PK 4

293.Onderaardse gang op domein Gerolfswal te Merendree

Op Gerolfswal was ook een onderaardse gang, maar ik weet niet dat hij naar Gent liep. Ik geloof wel. Dat was daar dan de H. Gerulfus in Merendree en daar werd dan verteld dat hij van Drongen naar Merendree ging door die gang. (Andere man komt tussen: Dat was te paard!) Hk. Vg

Besluit

Het motief van de kapel op paardepoten blijkt voor vroegere optekenaars niet te noteren waard geacht te zijn. Wij noteerden het gegeven in de sagen 72 tot 77a, 244 en 245.

De Tempeliers vonden we vermeld in de sagen (P8) voor Poesele en (P12) voor Vosselare. Zelf noteerden we sagen i.v.m. Tempeliers over de kerk te Vosselare (246), over het hof van Steenkiste (250, 251), over Tempeliers te Zeveren (252), over een paar hoven te Lotenhulle (253, 254, 255, 256), en ten slotte over een hof te Zeveren (257) en een te Vinkt (258). De Tempeliers worden nog vernoemd in verband met een onderaardse gang op een hof te Vosselare (275, 276, 278). Voor meer gegevens over de verspreiding van dit motief in Vlaanderen verwijzen we naar de doctorale dissertatie van L. Cumps, De Tempeliers in het baljuwschap Vlaanderen, Leuven, 1975. We kregen van deze auteur geen toestemming tot inzage van zijn studie.

De onderaardse gangen komen niet voor in de gepubliceerde sagen. Wij noteerden ze in de sagen 259 tot 293. Ze ‘liggen’ vooral te Nevele, Vosselare, Meigem en… Ooidonk. Vijfentwintig maal kregen we een negatief antwoord op onze expliciete vraag naar deze gangen, vooral dan te Hansbeke, Meigem en Lotenhulle.

 

D. Varia

294. De bomloze (= bodemloze) put te Vinderhoute en de bomloze put in de omgeving van Bachte-Maria-Leerne

(Bodemloze put?) Ja, daar weet ik heel goed van. Die lag alginder ieverst zie. Dat was een bomloze put. Ik heb er mijn vader dikwijls horen van klappen. (Wat gebeurde daar?) Ah ha, niemand durfde daarin of daar omtrent gaan. En in Vinderhoute of aldaar, heb ik nog gehoord van een bomloze put die daar ook was. En dat ze met een koord, machtig van lengte, om te weten hoe diep, geen bodem vonden. O, een machtig lange koord en ze deden daar een steen aan en ze lieten die daarin. Allemaal verloren. Genen bodem. (Was daar een kerk of iets in verzonken?) Neen. (Of een klok?) Neen. (Een spook?) Neen. BML 11

295.Klokken in Vosselareput te Bachte-Maria-Leerne

Ik heb mijn vader nog horen zeggen, dat die Vosselare-put genommeerd is, omdat, ik weet niet in welke oorlog, ten tijde van een oorlog, dat de klokken van Vosselare daar in die put zouden gesmeten zijn. En daardoor is dat Vosselare-put geheten. BML 11

296. Klokken tijdens Franse revolutie in Vosselare-put

Er is wel de Vosselare-put op Bachte-Maria-Leerne. De klokken van Vosselare zijn daar in de Franse revolutie ingesmeten. Dat is een klokput. VO 2

297. Het Zevenbundel te Vosselare

Er is op Vosselare wel een stuk land dat het ‘Zevenbundel’ heet. Dat is verkocht voor zeven bundels graan. SML 3

298.De cholera te Nevele

Als de cholera in Nevele was schoten er maar enkele mensen over. Alle mensen van Nevele konden voor de eerste pilaren zitten. Van de communiebank naar de eerste pilaar. VO 6

299.Geen weer te Meigem

Te Meigem gaat er hier een spreekwoord dat er hier bij ons te Meigem een keer geen weer geweest heeft. En weet ge van waar dat kwam? Er gaat hier een processie van ‘t Heilig Bloed. Maar ‘t was eigenlijjk die processie niet. ‘t Was zo overtrokken weer en er vielen zo wat druppels in de eerste mis. Dat was te half zeven. En om negen uur was er een hoogmis. En hij komt op zijn preekstoel en hij zegt: ‘De processie gaat niet uit als het geen weer is’. Hij moest zegge: als het geen gunstig weer is. En de processie ging niet uit. ‘t Regende nog meer. En vandaar is dat dan gekomen dat er te Meigem een dag geen weer geweest heeft. En dat is altijd blijven meegaan. (Hebt gij dat nog gehoord van uw vader?) Ja. (Was uw grootvader ook van de streek?) Ja, ja, mijn grootvader heeft altijd te Meigem gewoond. MEI 18

300.Poesele vrij!

Dat is nog gezegd geweest, dat Poesele vrij was. Een vluchteling die moest ieverst vluchten voor en ze geraakten te Poesele, ze waren vrij. MEI 9

301. De weg van Poeke naar Parijs

Ik heb gehoord van mijn vader dat Meneer van Poeke een straat heeft mogen trekken van Poeke naar Parijs. PK 2

302.Zwart goed

Waar dat Vermeeses nu wonen dat was ook ‘Zwart Goed’. Dat is allemaal eigendom geweest van de della Failles. De della Failles waren de grootste Zwart-Goed-bezitters van het Oost-Vlaanderen. Die reden van Ursel naar Gent op hun eigendom. Napoleon heeft alle kerkgoed en kloostergoed verkocht.Waar dat nu ‘t Kint de Rodenbeke woont, dat is verkocht geweest voor 80.000 frank. VO 5b

303.Mantels kapot gesneden te Landegem

Vroeger droegen de mensen van die kapmantels. Mijn moeder heeft dat ook nog gedragen. En het gebeurde zo dikwijls dat in het uitkomen van de kerk, dat die mantels kapot gesneden waren, met een mes of een schaar. En er kwam natuurlijk opstand. Bij zo verre dat de paters preekten en ze zegden dat dat moest uitscheiden van dat kapotsnijden, want als ze ‘t niet wilden, dat ze zouden beginnen ze met naam en toenaam op de preekstoel te noemen. En het heeft dan een tijdje gedaan geweest. Maar dan is het weer begonnen. En toen zegden ze: ‘Spookt het hier?’ LA 5

304. Mantels kapot gesneden te Landegem

Ik heb nog horen zeggen in die eerste kerk. Ze hadden toen allemaal een lange mantel aan. En dat ze ze stuk sneden. En dat de pastoor in zijn preekstoel kwam en zei dat ze moesten uitscheiden, want dat hij ze ging noemen. En dat zou moeten van Brugge of ergens gekomen zijn. Maar hoe die mensen heetten, weet ik niet. broer van LA 7abc

 

ALGEMEEN BESLUIT

 

De typische kenmerken van het geheel aan zogenaamde volkssagen van een bepaald vooraf omschreven geografisch gebied kunnen uiteraard maar tot uiting komen door intensieve vergelijking met de resultaten van onderzoeken voor de aangrenzende gebieden die een enigszins vergelijkbare methode volgden. Deze vergelijking kan binnen de opzet van deze studie geen plaats vinden.

Behalve de kinderschrik: het korenventje of korenmanneken, het motief van het langzaam naderen van het kwaad naar een hofstede, motief dat kennelijk ook meer westwaarts bekend blijkt en het motief van de ex-priester-tovenaar, is er echt geen ander motief dat de verschillende gemeenten van het zogenaamde Land van Nevele, althans op dit gebied als collectieve volkskundige eenheid onderscheid ten opzichte van de aangrenzende gebieden.

Daar de sagengrenzen o.i. slechts lijnen zijn die de relatieve bekendheid van een bepaald motief ten opzichte van andere gebieden afbakenen, spreekt het vanzelf dat geen enkel motief, hoe weinig bekend het ook mag zijn, aan de aandacht van de onderzoeker mag ontgaan.

Voor de onderzoeker die de provincies West- en Oost-Vlaanderen ook op sagengebied kent, valt een met de huidige dichtheid van het onderzoek slechts vaag geografisch te omschrijven West-Vlaamse motieveninvloed op.

Het spreekt vanzelf dat wij met het horen van slechts 200 lukraak en in ijltempo ondervraagde personen, waarvan er wel een twintigtal negatief antwoordden op al onze vragen, slechts een begin gemaakt hebben met het definitieve sagenonderzoek.

Of het feit dat wij als vreemde beroepsverzamelaar de streek op sagen onderzocht hebben een voor- of een nadeel was, zal slechts kunnen aangetoond worden door de resultaten van een gelijkaardig onderzoek gedaan door een autochtoon.

Wanneer deze studie daartoe de aanzet mag worden, dan voelen wij onze inspanningen ruimschoots beloond.

Wij willen ons slechts roemen op het feit dat wij de goede bewonders van het Land van Nevele hiermede dan toch een eerste sagenboek bezorgd hebben.

 

BIJLAGE I: Kinderdemonen in het Land van Nevele

 

Het was oorspronkelijk niet onze bedoeling een volledige lijst van de kinderspoken in het Land van Nevele aan te leggen. Bij ons veldwerk stelden we aan alle zegspersonen wel expliciet de vraag: hoe maakte men u als kind bang van het water? Zoals men in de lijst der zegspersonen kan zien was 80 procent der zegspersonen meer dan 60 jaar.

De spontaanheid van de antwoorden op onze suggestie van een eventuele waterdemon, is een garantie voor de authenticiteit van de andere door de zegspersonen gegeven kinderdemonen.

Een nieuwe enquête met de vraag naar water-, nacht-, koren- en andere kinderdemonen zal de verhouding van de nu bereikte resultaten wel niet grondig wijzigen.[76]

Voor Merendree noteerden we Slodder als algemene kinderschrik evenals de weerwolf. Telkens slechts één maal.

Voor Landegem één maal de grote oakpui en voor Sint-Martens-Leerne eveneens één maal de oakpui. Eén waterduivelvermelding te Sint-Martens-Leerne lijkt niet volledig autochtoon. Eén oakpui echter wel.

In Bachte-Maria-Leerne noteerden we één maal de buurloeden als waterschrik. Voor Nevele hebben we één onzekere bjeirewolf en twee maal de bietebauw, telkens als algemene kinderschrik. Voorts hebben we negen vermeldingen van het korenmanneken, vier vermeldingen van het korenventje en één vermelding van de korenpeet.

Te Meigem één korenmanneken en 15 korenventjes!

Te Poesele twee korenmannekens en één korenventje.

Te Zeveren één bietbauw; te Lotenhulle twee korenventjes en de bietebauw. Vinkt gaf één korenventje en één bjeir in het water die waarschijnlijk uit Deinze komt!

Poeke vermeldde ten slotte twee maal een korenventje.

In de gemeenten rond het Land van Nevele met name: Bellem, Deinze, Petegem, Aalter, Wontergem, Grammene, Gottem, Machelen, Drongen en Ursel noteerden we één korenmanneken; één korenventje te Aalter, verder één korenventje te Grammene en één korenmanneken en één korenventje te Drongen.

Het Land van Nevele vormt dus duidelijk een afgerond gebied van de korenschrik, met het korenmanneken, meer oostelijk en het korenventje meer westelijk.

 

BIJLAGE II: Eerste antwoord op de vraag naar toverij

 

Te Merendree spraken vijf personen eerst over Slodder, drie over de toverij op het hof van Goethals, twee eerst over de weduwe Cornelis, twee over Uze Schapers.

Te Landegem twee vermeldingen van de toverij op de wijk Wilde en drie vermeldingen van een betoverde karn op verschillende plaatsen.

Te Sint-Martens-Leerne en Bachte-Maria-Leerne samen haalt Biene De Weirdt een record met zeven vermeldingen.

Te Hansbeke spreekt men drie maal over Tielde Roets.

Te Nevele haalt geen enkel thema de bovenhand. Hetzelfde geldt voor Vosselare en Meigem.

Te Poesele hebben zes personen het eerst over de kapel op paardepoten.

Te Zeveren eerst twee vermeldingen van de toverij op het hof van Vertriest.

Lotenhulle, Vinkt en Poeke onderscheiden zich niet door een opvallend thema.

 

BIJLAGE III: Lijst der zegspersonen en personalia

 

(met voorbehoud van de spelling van de familienamen, die genoteerd werden op het gehoor)

 

MERENDREE

Zegspersonen ondervraagd op 9 mei 1972

ME 1 Gelaude Maurice, fietsenmaker, °Merendree 1904, vader: Aalter, moeder: Aalter

ME 2 Dobbelare Oscar, postbode, °Merendree 1891, vader: Merendree, moeder: Merendree

ME 3 De Clercq Gust, °Merendree 1887, vader: Merendree, moeder: Evergem

ME 4a Waelput Jules, kuiper, °Merendree 1899, vader: Merendree, moeder: Nevele

ME 4b Verhaege Juliana, vrouw van voorgaande, °Zomergem 1905, vader: Zomergem, moeder: Knesselare

ME 5 De Clercq Aimé, °Merendree 1895, vader: Merendree, moeder: Merendree

ME 6 Romont Madeleine, vrouw van voorgaande, °Landegem 1897, vader: Landegem, moeder: St.-Martens-Leerne

ME 7a Danckaert Leon, landbouwer, °Vosselare 1894, vader: Nevele, moeder: Leerne, woont sinds 1919 te Merendree

ME 7b dochter van voorgaande, °1937

ME 8a Schatteman Cyriel, slachter, °Vosselare 1895, vader: Nevele, moeder: Vosselare, woont sinds 1907 te Merendree

ME 8b dochter van voorgaande, °1937

Zegspersonen ondervraagd op 29 maart 1974

ME 9 Van de Woestijne Martha, boerendochter, °Merendree, 76 j., vader: Sleidinge, moeder: Lovendegem

ME 10 man, barbier, °Merendree, 79 j., vader: Merendree, moeder: Merendree

ME 11 Van de Woestijne Leonie, boerendochter, °Merendree 69 j., zuster van ME 9

ME 12 twaalf mannen op ouderlingennamiddag, w.o. nogmaals ME 4a

Zegspersonen op Heemkundige Vergadering van 23 september 1973

Vrouw, °Merendree, 38 j., vader: Merendree, moeder: Merendree

 

LANDEGEM

Zegspersonen ondervraagd op 9 mei 1972

LA 1 de heer Cocquyt, onderwijzer, °Landegem 1923, vader: Landegem, moeder: Landegem

LA 2a Van de Walle Ernest, °Vosselare 1902, vader: Vosselare, moeder: Zomergem

LA 2b Leonce…, °Landegem, 83 j., vader: Landegem, moeder: Landegem

LA 3 Van Landuyt Anna, °Landegem 1900, vader: Aalter, moeder: Landegem

LA 4 De Schrijver Richard, schilder, °Landegem 1906, vader: Sint-Martens-Leerne, moeder: Landegem

LA 5 Huys Madeleine, °Lotenhulle 1897, vader: Poeke, moeder: Gent

LA 6 Mestdach Domien, spoorwegarbeider, °Landegem 1883, vader: Landegem, moeder: Drongen

LA 7 Broer en gezusters Naert, landbouwers, °Merendree en Landegem, vader: Merendree, moeder: Drongen

LA 8 Schatteman Martha, °Vosselare 1894, vader: Nevele, moeder: Nevele, langst in Landegem gewoond

Ondervraagd op 14 maart 1972

LA 9 De Meyer Maurice, besteller bij spoorwegen, °Landegem 1902, vader: Nevele, moeder: Baarle (Drongen

Ondervraagd op 18 mei 1972

LA 10 Boetens Emiel, veldwachter, °Drongen 1900, vader: Drongen, moeder: Drongen

Heemkundige Vergadering op 23 september 1973

Man uit Landegem, voornaam André.

Nogmaals Meester Cocquyt

 

SINT-MARTENS-LEERNE

Ondervraagd op 22 februari 1972

SML 1a Rogge Theofiel, arbeider, °Nazareth 1890, vader: Nazareth, moeder: Nazareth, woont reeds 56 jaar te Sint-Martens-Leerne

SML 1b Vrouw van voorgaande, °Nazareth 1897

SML 2 De Wulf Fons, landbouwer, °Latem 1895, vader: Latem, moeder: Latem, woont sinds 1899 te Sint-Martens-Leerne

SML 3 Vertriest Valentiene, °Astene 1898, vader: Astene, moeder: Kruishoutem, woont sinds 1907 te Sint-Martens-Leerne

SML 4 Cocquyt Remi, °Baarle 1893, vader: Lochristi, moeder: Locrhisti, woont sinds 1927 te Sint-Martens-Leerne

 

BACHTE-MARIA-LEERNE

Ondervraagd op 22 februari 1972

BML 1 Vander Meerschaut Alida, dochter van gemeentesecretaris, °BML 1880, vader: BML, moeder: Knesselare

BML 2 Pieters Theo, postbode, °BML 1890, vader: Meigem/BML, moeder: Maria-Leerne

BML 3 Moeykens Jules, boerenzoon, °BML 87 j., vader: BML, moeder: BML

BML 4 Dhaene Cyriel, hovenier, °BLM 1914, vader: BML, moeder: Deurle

BML 5 Corijn Jef, hovenier, °BML 1909, vader: BML, moeder: BML

BML 6 Van Hee Godelieve, huisvrouw, °BML 1921, vader: BML, moeder: Machelen

BML 7a Vervennet Jules, landbouwer, °Vinkt 1897, vader: Vinkt, moeder: Vinkt, ouders sinds 1880 te BML

BML 7b d’Hulster Clara, vrouw van voorgaande, °Aalter 1900, vader: Aalter, moeder: Aalter, woont sinds haar huwelijk te BML

BML 8 Mortier Leonce, °Baarle 1903, vader: Bachte, moeder: Leerne, woont sinds 1960 te SML

Ondervraagd op 20 april 1972

BML 9 Van den Berge A., onderwijzer, °BML 1904, vader: Nevele, moeder: Nevele, woont sinds 1947 te Vosselare, vroeger te BML

Ondervraagd op 3 mei 1972

BML 10 De Waele Basiel, °BML 1897, vader: Bachte, moeder: Nazareth, woont thans te Astene

BML 11 Van Meenen Leonce, °BML 1889, vader: Meigem, moeder: Machelen, woont thans te Astene

BML 12 Speybroeck Leon, °BML 1891, vader:-, moeder-, woont thans te Astene

 

HANSBEKE

Ondervraagd op 14 maart 1972

HA 1 Langeraerts Evarist, klompenmaker, °Hansbeke 1892, vader: Hansbeke, moeder: Hansbeke

HA 2 Dhanens Petrus, landbouwer, °Drongen,1892, vader: Drongen, moeder: Drongen, woont sinds 1898 te Hansbeke

HA 3 Van Coppenolle, huisvrouw, °Zomergem 1919, vader: Adegem, moeder: Adegem, woont sinds 1917 te Hansbeke, woonde ook te Merendree

HA 4 Van Breuseghem, huisvrouw-winkelierster, °Hansbeke 1896, vader: Hansbeke, moeder: Hansbeke

HA 5 Van de Voorde Leonie, °Hansbeke 1907, vader: Hansbeke, moeder: Hansbeke

HA 6 Corijn Julies, kleermaker, °Nevele 1909, vader: Nevele, moeder: Hansbeke, woont sinds 1913 te Hansbeke

HA 7 De Witte Emiel, arbeider, °Hansbeke 1891, vader: Hansbeke, moeder: Hansbeke

HA 8 Van Vynckt René, landbouwer, °Hansbeke 1892, vader: Hansbeke, moeder: Ruiselede

HA 9 Laroy Emiel, landbouwer, °Kortrijk, vader: Hansbeke, moeder: Hansbeke, woont sinds 1906 te Hansbeke, vroeger te Nevele

HA 10 Debaets Raymond, °1896, vader: Sint-Joris-ten-Distel, moeder: SJtD, woonde in Lovendegem, Knesselare, Merendree, grens Hansbeke

HA 11 De Jaegher Charles, °Hansbeke 1892, vader: Hansbeke, moeder: Aalter

HA 12 Claeys Emilie, vrouw van voorgaande, °Hansbeke 1887, vader: Bellem, moeder: Hansbeke

HA 13 Man, (op Heemkundige vergadering van 23/09/1973) °Landegem 46 j., vader: West-Vlaanderen, moeder: Gent

Ondervraagd op 29 maart 1974

HA 14 Goorman Michel, tuinier, °Hansbeke 69 j., vader: Hansbeke, moeder: Hansbeke

HA 15 vrouw, °Hansbeke, vader: Bellem

HA 15a vrouw uit Drongen

Ondervraagd op 18 mei 1972

HA 15b Boetens Emiel, veldwachter, °Drongen 1900, vader: Drongen, moeder: Drongen, woont te Afsnee

Heemkundige vergadering op 23 september 1973

Vrouw, °Merendree, 38 j., vader: Merendree, moeder: Merendree, vernam iets van familielid uit Hansbeke

Vergadering CMBV op 5 februari 1975

Vrouw, °Hansbeke, vader: Ursel

 

NEVELE

Ondervraagd op 14 februari 1972

NE 1 De Vliegher Remi, landbouwer, °Nevele 1904, vader: Aalter, moeder: Sleidinge

NE 2 De Nobele, huisvrouw, °Lotenhulle 1904

NE 2b De Nobele Michel, °Nevele 1896, vader: Nevele, moeder: Nevele

NE 2c De Nobele Astrid, dochter van de twee voorgaanden, °Nevele 1935

NE 3a Dhondt Basiel, metselaar, °Nevele 1899, vader: Hansbeke, moeder: Nevele

NE 3b zoon van de voorgaande, °Nevele 1938

NE 4 De Coster Marie, °Nevele 1898, vader: Landegem, moeder: Poeke

NE 5 Hanebalck August, cichoreibrander, °Nevele 1900, vader: Nevele, moeder: Nevele

NE 6 Coen Kamiel, landbouwknecht, °Vosselare 1894, woont reeds 74 jaar te Nevele

NE 6’ De Vos Marie, °Nevele 1885, vader: Nevele, moeder: Nevele

NE 7 Slok Maria, °Nevele 1881, vader: Nevele, moeder: Nevele

NE 8 De Vos Rachel, °Nevele 1895, vader: Nevele, moeder: Nevele

Ondervraagd op 8 mei 1972

NE 9 Zilversmit Marie, °Nevele 1886, vader: Nevele, moeder: Nevele, woonde te Wondelgem, Nevele en Merendree

Ondervraagd op 3 mei 1972

NE 10 Coppens, man, °Nevele 1909, vader: Nevele, moeder: Nevele, woont te Deurle

Ondervraagd op 21 augustus 1972

NE 11 landbouwer, °Nevele 45 j., vader: Knesselare, moeder: Zomergem, woonde te Nevele, Baarle en sinds 1961 te Sint-Blasius-Boekel

(Telefonisch) ondervraagd op 4 juni 1974

NE 12 Janssens A., schrijnwerker, °Nevele 52 j., vader: Nevele, moeder: Nevele

Heemkundige vergadering op 23 september 1973

Man, arbeider, °Nevele 67 j., vader: Nevele, moeder: Nevele

Man, kleermaker, °Nevele 42 j., vader: Nevele, moeder: Nevele

Vergadering van het CMBV te Nevele op 5 februari 1975

de heer Dhooge, °Nevele

Voorzitster, °Stekene

vrouw, °Nevele 80 j.

mevr. Dias

vrouw, °Nevele, zuster van 80-jarige

mevr. Hanssens, °Sint-Martens-Latem 70 j.

mevr. Hanssens, °Sint-Martens-Latem, zuster van voorgaande, wonen sinds 1919 te Nevele

Liezebet (?), (twijfelachtige identificatie)

 

VOSSELARE

Ondervraagd op 20 april 1972

VO 1 Verpoest Roger, gemeentesecretaris, °Vosselare 1915, vader: Vosselare, moeder: Vosselare

VO 2 Blomme Irene, onderwijzeres, °Vosselare 1914, vader: Ruiselede, moeder: Ruiselede

VO 3 De Wulf Karel, °Vosselare 1896, vader: Vosselare, moeder: Nevele/Meigem

VO 4a Dierick Julia, °Kruishoutem 1899, vader: Kruishoutem, moeder: Kruishoutem, woont sinds 1935 te Vosselare

VO 4b dochter van voorgaande

VO 5 Everaert Astère, landbouwer, °Astene 1929, vader: Poesele, moeder: Waregem

VO 5b Everaert Felix, landbouwer, °Poesele 1895, vader: Nevele, moeder: Lotenhulle

VO 6 Schelpe Ida, °Vosselare 1900, vader: Nevele, moeder: Nevele

VO 7 Claeys Cyriel, °Nevele 1897, vader: Knesselare, moeder: Hansbeke

VO 8a Salens René, landbouwer, °Vosselare 1905, vader: Vosselare, moeder: Poesele

VO 8b vrouw van voorgaande, °Ursel 1905, vader: Vosselare, moeder: Landegem

VO 9 Verplaetse Margareta, moeder van gemeentesecretaris, °Vosselare 1893, vader: Vosselare, moeder: Vosselare

Ondervraagd op 9 mei 1972

VO 10 Bodry Jules, °Baarle 1881, vader: Gent, moeder: West-Vlaanderen, woont te Landegem

Ondervraagd op 22 februari 1972

VO 11 mevr. De Baere, landbouwster, °Vosselare, woont te Sint-Martens-Leerne

Heemkundige Vergadering op 23 september 1973

man, handelsvertegenwoordiger, °Vosselare 48 j., vader: Vosselare, moeder: Vosselare

 

MEIGEM

Ondervraagd op 20 april 1972

MEI 1 Van der Eecken, gemeentesecretaris, °Vinkt 1913, vader: Lovendegem, moeder: Meigem, woont sinds 1950 te Meigem

MEI 2 De Raedt Cyriel, arbeider, °Meigem 1901, vader: Frankrijk, moeder: Meigem

MEI 3a V an Wasenhove Aline, °Nevele 1904, vader: Meigem, moeder: Hansbeke

MEI 3b Van Wassenhove Clara, °Nevele 1914, zuster van voorgaande, wonen sinds 1906 te Meigem

MEI 4a Bauwens, onderwijzer, °Hansbeke 1922, vader: Hansbeke, moeder: Hansbeke, woont sinds 1948 te Meigem

MEI 4b Moelaert Adelin, onderwijzer, °Aalter 1936, vader Aalter, moeder: Aalter, woont sinds 1957 te Meigem

MEI 5 Van Aal Octaaf, schilder, °Meigem 1896, vader: Vinkt, moeder: Landegem

MEI 6 Mortier Cyriel, was o.m. kerkbaljuw, °Poesele 1898

MEi 7a Cocquyt Gaston, landbouwer, °Meigem 1901, vader: Pittem, moeder: Meigem

MEI 7b vrouw van voorgaande, °Wakken

MEI 8 Janssens Clara, °Zeveren 1893, vader: Deinze, moeder: Vinkt, woont sinds 1901 te Meigem

MEI 9 Dhanens Ivo, °Meigem 89 j., vader: Meigem, moeder: Meigem

MEI 10 Heurs Irma, °Meigem 71 j., vader: Meigem, moeder: Meigem

MEI 11a Vertriest Alma, °Meigem 80 j., vader: Meigem, moeder: Meigem

MEI 11b Van Wambeke Elza, °Kruishoutem 1927, woont te Meigem

MEI 12 man, landbouwer, °Meigem 1923

MEI 13a man, °Meigem 1931

MEI 13b vrouw, °Meigem 1948

MEI 13c vrouw, °Meigem 1937

MEI 14 De Vogelaere Oscar, landbouwer, °Meigem 1888, vader: Meigem, moeder: Kruishoutem

MEI 15 Van de Genste Oscar, °Zeveren 1909, vader: Vinkt, moeder: Ruiselede, woont sinds 1919 te Meigem

MEI 16a vrouw, °Ruiselede 1886, vader: Ruiselede, moeder: Ruiselede, woont sinds 1926 te Meigem

MEI 16b Vlaminck Zulma, °Vinkt 1897, woont sinds 1936 te Meigem

MEI 16c man, zoon van voorgaande, °Meigem 1939

Ondervraagd op 29 maart 1974

MEI 17 Vrouw, °Meigem 72 j., vader: Vosselare, moeder: Vosselare, woont ook te Merendree en Kanegem

MEI 18 Man, landbouwer, °Meigem 66 j., vader: Meigem, moeder: Meigem

MEI 19 Schuylaert Margriet, °Meigem 75 j., vader: Meigem, moeder: Lovendegem

Ondervraagd op 12 april 1974

MEI 20 Depestel Richard, °Meigem 1891, vader: Meigem, moeder: Meigem, woonde ook in Amerika, Machelen en nu te Nevele

Heemkundige vergadering op 23 september 1973

MEI 21 Van Braeckel Bertrant, chauffeur, °Meigem 40 j., vader: Nazareth, moeder: Meigem

 

POESELE

Ondervraagd op 12 april 1972

PS 1 Verstuyft Alice, herbergierster, °Poesele 1903, vader: Poesele

PS 2a Ranson Gust, landbouwer, °Sint-Laureins 1890, vader: Sint-Laureins, moeder: Sint-Laureins, woont sinds 1924 te Poesele

PS 2b Man, landbouwer, °Poesele 25 j.

PS 2c Vrouw, landbouwster, °Poesele 25 j.

PS 3 Depestel Maria, °Lotenhulle 1901, vader: Vosselare, moeder: Poesele, woont sinds 1905 te Poesele

PS 4 Cocquyt Cyriel, landbouwer, °Meigem

PS 5 De Waele Maria, landbouwster, °Meigem Hof ten Briele

PS 6 Cocquyt Emiel, landbouwer, °Meigem 1891, vader: Meigem, moeder: Meigem, woont sinds 1905 te Poesele

 

ZEVEREN

Ondervraagd op 17 mei 1972

ZE 1 Corijn, landbouwer, °Astene 1888, vader: Astene, moeder: Astene, woont sinds 1895 te Zeveren

ZE 2 Wambeke Maurice, onderwijzer, °Ruiselede 1893, vader: Ruiselede, moeder: Ruiselede

ZE 3 Verwilst Arthur, °Hansbeke 1895, vader: Zeveren, moeder: Zeveren, woonde te Hansbeke, Ruiselede en Zeveren

ZE 4 Heyerick Gerarda, huisvrouw, °Zeveren 1928, vader: Zeveren, moeder: Nevele

ZE 5 Cneuvels Leonie, °Nevele 1901, vader: Nevele, moeder: Meigem/Nevele

ZE 6 Heyerick Gentiel, metselaar, °Zeveren 1897, vader: Zeveren, moeder: Deinze/Zeveren

ZE 7 De Roo Remi, °Vinkt 1891, vader: Zeveren, moeder: Zeveren, woont reeds 72 jaar te Zeveren

 

LOTENHULLE

Ondervraagd op 11 april 1972

LO 1 Van Laken Irma, °Lotenhulle 1896, vader: Aalter, moeder: Bellem, woont nu te Hansbeke

LO 2 Van Loke Margriet, °Lotenhulle 1908, vader: Aalter, moeder: Nevele, woonde te Lotenhulle, Merendree en Hansbeke

LO 3a Buysse Gaspart, gemeentesecretaris, °Lotenhulle 1933, vader: Meigem, moeder: Grammene, ouders sinds 1920 te Lotenhulle

LO 3b man, veldwachter, °Ruiselede 1919, vader: Ruiselede, moeder: Ruiselede, sinds 1926 te Lotenhulle

LO 4 De Craene Raymond, °Lotenhulle 88 j., vader: Lotenhulle, moeder: Lotenhulle

LO 5 Van der Beke Martha, °Lotenhulle 83 j.

LO 6a De Meyer Oscar, mulder, °Aalter 1881, vader: Aalter, moeder: Poeke, kwam op vijfjarige leeftijd naar Lotenhulle

LO 6b vrouw, dochter van de voorgaande

LO 7a Cocquyt Judith, °Aalter 1901, vader: Merendree, moeder: Aalter, woont reeds 31 jaar te Lotenhulle

LO 7b Van Gele Georges, onderwijzer, °Poeke 1895, vader: Poesele, moeder: Poesele

LO 8 De Groote Albert, bakker, °Lotenhulle 1908, vader: Lotenhulle, moeder: Lotenhulle

LO 9 Cortier Marinus, aannemer, °Aalter 1898, vader: Aalter, moeder: Aalter, woonrt reeds 50 jaar te Lotenhulle

LO 10 De Groote Irma, herbergierster, °Lotenhulle 1888, vader: Lotenhulle, moeder: Lotenhulle

LO 11 De Groote Gusta, herbergierster, °Lotenhulle 1894, zuster van voorgaande

LO 12 Schamp, onderwijzer, °Petegem-Leie 1901, vader: Deinze, moeder: Deinze, sinds 1942 te Lotenhulle

LO 13 De Meyer Antoinette, onderwijzeres, °Lotenhulle, vader: Lotenhulle, moeder: Lotenhulle

LO 14 De Moor Paul, onderwijzer, °Lotenhulle 1926, vader: Grammene, moeder: Hulste

Ondervraagd op 12 april 1972

LO 15a Onderbeke Marie, °Lotenhulle 1889, vader: Lotenhulle, moeder: Ruiselede, in het rusthuis te Nevele

LO 15b Anna, dochter van voorgaande

Ondervraagd op 4 mei 1972

LO 16 Verelst Gust, landbouwer (?), °Lotenhulle 1896, vader: Lotenhulle, moeder: Nevele, woont sinds 1943 te De Pinte. Woonde ook te Poeke, Hansbeke en Nazareth

Ondervraagd op 17 mei 1972

LO 17 Peirens Leon, °Meigem 1899, vader: Meigem, moeder Aarsele. Tot 1906 te Meigem, dan Lotenhulle. Sinds 1971 te Vinkt

Heemkundige vergadering op 23 september 1973

Onderwijzer 46 j., °Lotenhulle, vader: West-Vlaanderen, moeder: Gent

Vrouw van voorgaande, 45 j., °Wallonië, vader: Lotenhulle, moeder: Lotenhulle

Student 21 j., °Lotenhulle, vader: Lotenhulle, moeder: Vinkt

 

VINKT

Ondervraagd op 17 mei 1972

VI 1a Heyerick Irma, °Zeveren 1885, vader: Zeveren, moeder: Deinze, woont sinds 1912 te Vinkt

VI 1b Schoondochter van voorgaande, °Vinkt 1931, vader: Vinkt, moeder: Meigem

VI 2 Van Hamme Adolf, °Poeke 1885, vader: Lotenhulle, moeder: Poeke, is reeds 45 jaar te Vinkt

VI 3 Van Landuyt René, landbouwer, °Vinkt 1901, vader: Beernem/Vinkt, moeder: Meulebeke

VI 4 Martens Gustaaf, °Vinkt 1878, vader: Vinkt, moeder: Vinkt

VI 5 De Cloet Alfons, landbouwknecht, °Sint-Martens-Leerne 1903, vader: Bachte-M-L, moeder: Drongen, sinds 1928 te Vinkt

VI 6a Cornelis Gerard, °Vinkt 1905, vader: Vinkt, moeder: Deinze

VI 6b Vrouw van voorgaande, °Vinkt 1901

VI 7a Verstraete Raymond, koopman, °Vinkt 1891, vader: Vinkt, moeder: Vinkt

VI 7b Zoon van voorgaande, °VInkt 1930

VI 9 (?) Coene Germaine, °Vinkt 1910, vader: Vinkt, moeder: Vinkt

Heemkundige Vergadering op 23 september 1973

Student 20 j., vader: Vinkt, moeder: Dentergem

 

POEKE

Ondervraagd op 11 april 1972

PK 1a Van Hecke Camilla, herbergierster, °Poeke 1883, vader: Poeke, moeder: Poeke

PK 1b De Clercq Marie-Louise, schoonmaakster, °Poeke 1927, vader: Poeke, moeder: Poeke

PK 2 Van Hecke Imelda, herbergierster, °Poeke 1922, vader: Poeke, moeder: Poeke

PK 3 Zuster Amelberga, ° (kent haar afstamming niet) 1905

PK 4 Buysse Irene, onderwijzeres, °Poeke 1924, vader: Poeke, moeder: Poesele

PK 5a De Vos Julien, schrijnwerker, °Poeke 1918, vader, Poeke, moeder: Poeke

PK 5b De Vos, vader van voorgaande

PK 6a Galle Honoré, klompenmaker, °Lotenhulle 1890, vader: Dentergem, moeder: Lotenhulle. Sinds zijn 10 jaar te Poeke

PK 6b dochter van voorgaande

PK 7 Lievens Celina, °Ruiselede 1915, vader: Ruiselede, moeder: Ruiselede. Sinds haar zes jaar te Poeke

PK 8 Galle Bertha, °Lotenhulle, vader: Dentergem, moeder: Dentergem. Sinds haar twee jaar te Poeke

PK 9ab Gezusters Elodie en Sidonie Maes, °Poeke (alle vragen negatief)

PK 9c De Vriendt Aloïs, landbouwer, °Poeke 1888, vader: Poeke, moeder: Vinkt (alles negatief)

PK 9d Vrouw van voorgaande, °Poeke 83 j. (alles negatief)

PK 9e Zuster Bernarda, °Poeke 1906, vader: Poesele, moeder: Poesele (alles negatief)

Ondervraagd op 17 maart 1972

PK 10 Gillebert Stefanie, °Roubaix 1900, vader: Gent, moeder: Poeke, in rusthuis te Sint-Kruis-Winkel

Ondervraagd op vergadering van CMBV

Vrouwen uit Poeke

 

 

 

[1] Voor meer historische gegevens verwijzen we naar de monografieën van F. De Potter en J. Broeckaert, naar de studies van R.M. Van den Abeele en van J. Van Rompaey. Zie onze bibliografie.

[2] L. DE LEENHEER, Natuurspiegel…, blz. 524-525 en 527. Zie ook de stafkaart van het Militair Geografisch Instituut. Plaat 21/3-4 Aalter-Nevele, uitg. 1969.

[3] L. DE LEENHEER, Kaart II, 1.

[4] Cijfers van de werkelijke bevolking…

[5] E. BLANCQUAERT, Dialect-Atlas, gegevens bij de afzonderlijke gemeenten.

[6] J. TAELDEMAN, Dialektwoorden en –wendingen…, blz. 106.

[7] Voor een overzicht van de in de oudere literatuur vermelde spotnamen van de bewoners van de gemeenten uit het Land van Nevele, spotrijmen, volksgebruiken en klederdracht verwijzen we naar onze bijdrage T. PENNEMAN, Volksleven in het Land van Nevele.

[8] Het begrip ‘volkskundige grens’ blijft in de vakliteratuur zeer vaag. Dit is o.i. het gevolg van de onderzoeksmethode. Voor de schriftelijke enquêtes stelden de volkskundigen (in navolging van de dialectologen) zich (noodgedwongen?) tevreden met één of twee schriftelijke antwoorden in zoveel mogelijk gemeenten, op vragen naar bepaalde volkskundige gegevens. Men hoopt dat die antwoorden representatief waren voor de betrokken gemeente. De relatieve plaatselijke bekendheid van het onderzocht gegeven komt hierdoor niet op wetenschappelijke wijze aan het licht. En het is juist op grond van de relatieve bekendheid dat men had kunnen bepalen of men volkskundige grenzen zou voorstellen als lijnen of als procentueel gedifferentieerde stroken. Maar ook bij het direct onderzoek, dat meestal slechts door (onervaren) studenten gedaan werd, zoekt met tevergeefs naar de gestelde vragen en (wat erger is) naar de negatieve antwoorden. De aldus bereikte resultaten missen zodoende controleerbare samenhang. Uit geen der bestaande verzamelingen kunnen we met wetgenschapplijk bruikbare zekerheid vaststellen of het ontbreken van een bepaald motief moet toegeschreven worden aan te oppervlakkig onderzoek of aan het werkelijk onbekend zijn bij het volk.

Voor de volkssagen zou men misschien nog kunnen opwerpen wat de gegevens waarover de zegspersonen niet spontaan spreken, ook als onbekend mogen genoteerd worden. Mocht het mogelijk zijn uit de bestaande verzamelingen te zien welke motieven spontaan of slechts op vraag behandeld werden, dan zou dit argument enigszins steek houden. Blijft dan nog, dat het onderzoek naar sagen meestal verliep volgens een klassieke vrij ‘vlugge’ methode van vraag en antwoord. De bruikbaarheid van de gegevens door de studenten verzameld naar richtlijnen van Prof. dr. K.C. Peeters is voor wetenschappelijke cartografie dan ook zeer relatief.

[9] In de eerste jaargang van het Kunst- en Letterblad (1840) werd, voor zover we weten, voor het eerst een sage uit het Land van Nevele gepubliceerd. Op 22 februari 1972 begonnen wijzelf ons direct sagenonderzoek in Het Land van Nevele.

[10]De reeds vroeger gepubliceerde sagen krijgen elk een volgnummer, voorafgegaan door de hoofdletter P (van publicatie). Zodoende kan men gemakkelijk bedoelde sagen terugvinden.

[11]Op.cit., blz. 38, A.Martens, Sterke verhalen uit het Land van Nevele, bevat enkel de zgn. sterke verhalen uit de monografieën van F. De Potter en J. Broeckaert. Het overige sagenmateriaal nam hij niet over.

[12]Gezien bij een (niet nader bekende) onderwijzer te Hansbeke. A. Martens, Legende en werkelijkheid te Hansbeke, buigt zich over hetzelfde probleem. Zijn versie van de sage citeert hij uit (het gestencilde plaatselijke blad) Vlakaf, februari 1972. Genoemd nummer hebben we niet kunnen inzien.

[13]Op.cit., blz. 26. Ook De Seyn, Geschied- en Aardrijkskundig woordenboek… schrijft: “De overlevering beweert, dat dicht bij de kerk Tempeliers hebben gewoond”. De auteur geeft zijn bron niet op. Waarschijnlijk is dit echter de monograife van De Potter en Broeckaert.

[14]We willen hier reeds wijzen op het element slo- dat we in Vlaanderen en Brabant in veel (water)duivelbenamingen aantreffen. Zie hierover T. Penneman, Slokkerman, Slokkepier, Slokkebieze, Slokkebui, Sloekebaboe…, Een onderzoek naar de volkskundige dynamiek.

[15]Op. cit., blz. 32.

[16]Op. cit., blz. 31-32. Geciteerd uit Kunst- en Letterblad (1840). We hebben de tekst samengevat. Elders in de monografie van De Potter en Broeckaert lezen we nog in verband met deze weg: “… te Poeke ziet men nog de sporen van eene breede, lijnrechte baan naar Meenen, dwars door landen en beemden, en heden niet meer in gebruik. Volgens den schrijver der ‘Flandria Illustrata’ mocht de heer van Poeke ook dergelijke rechte wegen aanleggen naar Gent en Brugge”. (Op.cit., blz. 5-6).

[17]Op. cit., blz. 32-33. Geciteerd uit Kunst- en Letterblad I. Door ons samengevat.

[18]Op. cit., blz. 33.

[19]Op. cit., blz. 31.

[20]Op. cit., blz. 3-4.

[21]Op. cit., blz. 14-15.

[22]Op. cit., blz. 16 en 35.

[23]Op. cit., blz. 17.

[24]Op. cit., blz. 31-32.

[25]P. DE MONT, (Sagen), blz. 15.

[26]A. DE COCK, Vlaamsche sagen uit den Volksmond, blz. 104-105, nr. 132.

Blijkens de index op de namen der medewerkers werd deze sage bezorgd door: De Mont (Pol) van Wambeke, thans te Antwerpen.

Over deze hond schrijft J. Huyttens zonder plaatsvermelding: “ainsi le pristuragenhond est généralement connu de nos compagnards”. (J. HUYTTENS, Etudes…, blz. 328).

P. De Keyzer waagde bij de vermelding van de priesterazenhond in het werk van A. De Cock de volgende etymologische verklaring: “Het is geoorloofd zich af te vragen of die ‘priesterazenhond’ geen vervorming is van ‘pesteragiehond’, d.i. de pesthond van de pestheilige, den h. Rochus” (P. DE KEYZER, Een vergeten Oostvlaamschen Folklorist…, blz. 72-73). Waarom hij niet gewoon aan het alombekende woord ‘priesterage’ (= bezit van de kerk) gedacht heeft is ons niet duidelijk.

Zie ook de Priesterhage hond bij B. De Poortere.

[27]R. MINNAERT, V. Loveling…, blz. 135.

[28]V. LOVELING, loc. cit., blz. 78. Vgl. de versie van De Potter en Broeckaert (P11).

[29]V. LOVELING, loc. cit., blz. 180-182. Met voorbehoud voor de localisering in het Land van Nevele.

[30]V. LOVELING, loc. cit., blz. 14-19. J. Huyttens schrijft over dit kruis: A Bellem, dans un carrefour, au milieu des bois, on voit un endroit consacré à sainte Véronique et qu’on appelle Veronicakruis; l’image de cette sainte était appendue à un tilleul, qui témoignait par sa vétusté de l’ancienneté du pélerinage. (J. HUYTTENS, Etudes…, blz. 314). Op de omslag van het Driemaandelijks berichtenblad van de heemkundige kring Het Land van Nevele VI (1975), afl. 2 staat een afbeelding met als onderschrift: Het kruis van Veronika te Lotenhulle.

[31]V. Loveling schreef onder dit verhaal: Gent 1899. Hoorde zij de naam Osschaert in het land van Nevele? De opstellers van de Volkskunde-Atlas hebben op grond van deze tekst een Osschaert-vermelding te Nevele op de kaart gebracht. Dit gegeven is o.i. niet volledig gerechtvaardigd. Wel willen we nog wijzen op een Osschaert-sage die volgens F. De Potter en J. Broeckaert uit het nabije Lovendegem zou stammen (F. DE POTTER en J. BROECKAERT, Lovendegem, blz. 65). Zelf hebben we in het Land van Nevele spontane vermeldingen van Osschaert gehad.

[32]R. MINNAERT, V. Loveling…, blz. 63.

[33]V. LOVELING, loc. cit., blz. 244-148.

[34]V. LOVELING, Sophie 1884), gecit. door R. MINNAERT, V. Loveling…, blz. 50: … Dit Tempelgoed zou die naam gekregen hebben, omdat het oude hofsteden zijn van de Tempeliers (…) Maar men heeft geene eigenaars van kloostergoed weten welvaren: hare mans voorouders, de Monteinen, hebben er in den tijd durven kopen, vandaar hun rijkdom en vandaar ook hunne ongelukken. R. Minnaert merkt hierbij op dat Loveling hier het volksgeloof i.v.m. het zgn. ‘Zwart Goed’ uit de Franse tijd verwart met Tempeliersgoed. (R. MINNAERT, op. cit., blz. 109).

[35]De legende nr. 233 ‘Het kapelleken van den Oostbroek’ te Nevele, die eveneens door V. Loveling geleverd werd, gaan we in deze sagenverzameling voorbij. In hoeverre zij ook hier geïnspireerd werd door de legende over dit kapelletje in het werk van De Potter en Broeckaert, Nevele, blz. 88 laten we in het midden. Bovendien verschilt de versie die A. De Cock in zijn ‘Vlaamse Sagen…’ publiceert, enigszins van de versie hem door V. Loveling in een brief van 17 augustus 1894 medegedeeld. (brief gekopieerd in R. MINNAERT, V. Loveling…, blz. 130.

[36]G.P. BAERT, Folklore in de Leiestreek, blz. 52-55 en G.P. BAERT, Armand Pauwels…, blz. 131.

[37]Vreemd is wel dat het verhaal over ‘Een boer-slachter’ bij Baert samengevat lijkt naar een volledige versie, daar waar dit verhaal in het handschrift De Poortere enigszins verschilt en ook plots schijnt af te breken.

[38]Toponiem te Vinkt.

[39]boever: paardeknecht.

[40]We laten deze voor volkssagen ongewoon exacte datering voor rekening van de bewerker.

[41]De vergelijking met de ‘pisturagehond’ van J. Hyttens en de ‘priesterazenhond van A. De Cock dringt zich hier op. (zie eindnoot 26)

[42]G.P. Baert geeft: Nieuwhulpoorte.

[43]Vergelijk hermede de rol-gedaante van Sloder te Merendree.

[44]De Gipten of Zigeuners komen in talrijke historische documenten voor. Toch worden ze in de eigenlijke volkssagen in Oost-Vlaanderen voor zover we konden vaststellen bijna nooit genoemd. De datum 1880 die volgt zal wel een verschrijving voor 1780 zijn. Zie immers de datering van de volgende sage over Gipte Wanne.

[45]Als nr. 11 in het handschrift verschijnt onder de titel: De verschijning van een geest naar een oud familiehandschfit, een afschrift van een (authentiek?) stuk uit 1706, waarin een zekere Joannes Tytgat, in aanwezigheid van de pastoor van Vinkt, de pastoor van Aarsele en de onderpastoor van Deinze, verklaart dat zijn overleden broeder Joos, hem verschenen is. Het stuk bevat een relaas van wat door de priesters en het volk in die tijd voor mogelijk gehouden werd. De latere volkssagen over Weerkerende Doden gaan wel op dit vroeger geloof terug. Dit nr. 11 werd niet opgenomen in de bijdrage van G.P. Baert.

Als nr. 12 volgt het leugenverhaal ‘Een jager’, dat door G.P. Baert als sage wordt gepubliceerd. Het luidt in het handschrift (samengevat) als volgt: In de Broeken stond een wilde pruimeboom. Een jager verloor zijn zaadbeugel en als hij een haas zag, nam hij naar een pruimesteen. Enige jaren later was die jager weer op jacht in dezelfde streek. Hij zag weer een pruimeboom staan. Hij klom op de boom, maar de boom liep met hem voort. Tussen vel en vlees was de pruimesteen ontkiemd.

[46]De datering: XVIe eeuw is wel een bijvoegsel van de bewerker. De zogenaamde Duitse Schapers, die eigenlijk meestal uit het verre Nederlands Limburg en Noord-Brabant kwamen spraken een voor West-Vlamingen Duits-klinkend dialect. Voor zover we weten is de grote trek van deze schaapherders naar Vlaanderen pas in de 18e eeuw begonnen. Een historische en genealogische studie over deze ‘grote trek’ zou een belangrijk hiaat vullen.

[47]Jaarboek…, VI (1953), blz. 52. Zegspersoon: C. Van Heirzele, landbouwer, 74 jaar, gesitueerd te Nevele. Soms werden de leestekens en de stijl een weinig door ons bewerkt.

[48]Jaarboek…, VII (1954), blz. 22. Zegspersoon: H. Coddens, landbouwer, 83 jaar, gesitueerd te Nevele. Voor het zwepen van deze weerkerende dode verwijzen we naar de zwepende geest uit de Bruiloft van Lobinsmoortele te Vinkt. (P19)

[49]Jaarboek…, VII (1954), blz. 30. Zegspersoon: C. Van Heirzele.

[50]Jaarboek…, VIII (1955), blz. 47. Zegspersoon: H. Coddens, 85 jaar.

[51]Jaarboek…, VIII (1955), blz. 47. Zegspersoon: C. Van Heirzele, 74 jaar, gesitueerd te Nevele.

[52]Jaarboek…, IX (195§), blz. 16. Zegspersoon: A. Van Wontergem, landbouwer, 72 jaar, gesitueerd te Nevele. Men vergelijke de sage over de Waterduivel aan de Steenputten te Nevele (P13).

[53]Jaarboek…, X (1957), blz. 28. Zegspersoon: A.V.W. en E.O., landbouwer en landbouwster, 73 en 79 jaar. Gesitueerd te Nevele. Vergelijk hiermee de kat door het gootgat in onze (P21).

[54]Volkskunde-Atlas, Commentaar, Aflevering I, (I 233 = Nevele), (I 237 = Sint-Martens-Latem), (I 234 = Vosselare) en (O 13 = Zeveren).

[55]Volkskunde-Atlas en Commentaar, afl. I (I 233 = Nevele). Voor de Osschaertvermelding te Nevele op kaart 7 verwijzen we naaronze commentaar voetnoot 31.

[56]Zie onze voetnoten 31 en 55.

[57]Volkskunde-Atlas…, Commentaar, Aflevering II, (I 233 = Nevele) en (I 229 = Merendree).

[58]TEN BEUGEL, De Verdoemde Eik, blz. 41. N. KERCKHAERT, Kroniek van Bachte-Maria-Leerne, blz. 217 geeft een foto van die(?) Verdoemde Eik. De hier geciteerde novelle blijkt hem onbekend.

[59]R.M. VAN DEN ABEELE, De ‘Vrijheid van Nevele’…

[60]A. ROECK, op.cit., nrs. 545, 729, 869, 751, 1141 en 1152. Een paar vermeldingen komen op hun beurt uit de Volkskunde-Atlas. We konden deze dissertatie wegens bepaalde omstandigheden niet meer ter controle nazien.

[61]Wanneer men bovendien weet dat de kaarten van de Volkskunde-Atlas en de meeste kaarten bij licentiaatsvehandelingen gemaakt onder leiding en naar richtlijnen van Prof. Dr. K. C. Peeters (+) gebaseerd zijn op dergelijke schriftelijke enquêtes bij zogenaamd ‘betrouwbare’ plaatselijke correspondenten, dan kan wel de vraag naar de wetenschappelijkheid van genoemde kaarten gesteld worden. Voor een vergelijking van de resultaten van een schriftelijke enquête en het daaropvolgend onderzoek ter plaatse leze men T. Penneman, Een schriftelijke volkskundige enquête in het secundair onderwijs.

[62]Zie ook E. EYLENBOSCH, Woordgeografische Studies…, blz. 26.

[63]De spelling van plaats- en persoonsnamen wordt met voorbehoud gegeven, daar alles op het gehoor werd genoteerd. De taal werd omgezet naar het AN toe, met behoud van de oorspronkelijke zinsbouw. Typische dialectwoorden werden behouden.

Verklaring van de afkortingen en tekens:

(…) Onze eigen vragen en tussenkomsten staan tussen ronde haakjes.

[…] Onze kritische beschouwingen staan tussen vierkante haakjes.

Wanneer geen vraag voor de sage staat, werd ze spontaan verteld. De negatieve antwoorden volgen na elk motief.

De zegspersonen worden aangeduid door de afkorting van de naam van de gemeente die ze vertegenwoordigen, gevolgd door het volgnummer. Personen die slechts occasioneel tussenkomen krijgen meestal index a, b, c, enz.

Voor de personalia der zegspersonen verwijzen we naar de lijst in bijlage. De namen der gemeenten werden als volgt afgekort:

BML = Bachte-Maria-Leerne, HA = Hansbeke, LA = Landegem, LO = Lotenhulle, MEI = Meigem, ME = Merendree, NE = Nevele, PK = Poeke, PS = Poesele, SML = Sint-Martens-Leerne, VI = Vinkt, VO = Vosselare, ZE = Zeveren, CMBV = Vergadering CMBV, HK.Vg = Heemkundige Vergadering.

[64]We wijken hier bewust af van de klassieke volgorde van het sagenmotievenregister. Het begrip luchtgeest is o.i. totaal ‘verdwenen’ uit de spookdiersagen, indien het er ooit in geweest is.

[65]Voor geest van rijke boer op kerkhof te Poesele. Zie ons nr. 249.

[66]Zie nr. 204.

[67]Verteller geeft dan ‘historische’ uitleg over de Duitse Schapers. Zie hierover meer in ons Besluit bij dit kapittel. Vergelijk ook (P31)

[68]Zie ook reeds onze nrs. 42 en 213. Verder ook voorspellingen door paters in nrs. 198, 229 en 230.

[69]Voor dit gegeven zie ook onze nrs. (P 1a), (P10), (P15), (P21), (P23), (P35), 49, 58, 59, 68, 72 tot 77, 80, 83, 85, 88, 89, 91, 93, 94, 97, 99, 110, 113, 117, 123, 125, 129, 150, 153, 155, 160, 161, 166, 168, 169, 176, 177, 178, 181, 182, 186, 193, 207, 221, 222, 226. Een groot aantal der hierna volgende gegevens zijn geen sagen. We hebben deze gegevens dan ook niet genummerd. Ze mochten in deze sagenstudie o.i. echter niet ontbreken.

[70]T. PENNEMAN, Slokkeman, Slokkepier,… passim.

[71]Zie althans: A. ROECK, De weerwolf in de Nederlandse Volkssage…, passim.

[72]Zie ook (P16). Verder: afbeelding op omslag van Berichtenblad van (…) Het Land van Nevele; mei 1975, jrg. VI, afsl. 2 en vermelding van bestaan van legende over Veronica aldaar op blz. 126.

[73]Zie ook onze (P29). De Potter en Broeckaert publiceren een zeer gelijkende sage in hun monografie over Vinderhoute, p. 44-45.

[74]We hebben niets kunnen vinden.

[75]Graaf B. De Bousies-Borluut.

[76]We deden dezelfde vaststelling voor het Land van Waas. Zie hierover T. PENNEMAN, Een schriftelijke volkskundige enquête in het secundair onderwijs (1973-1974), in: De Souvereinen, Tijdschrift van de Heemkring van Lokeren en omgeving, V (1974), blz. 83-89.