VOLKSVERHALEN, SPOOKVERHALEN EN LEGENDES TE POESELE

door André Bollaert

 

Eind vorig jaar keken we vol belangstelling uit naar deel IV van ‘Op verhaal komen’ van prof. Stefaan Top de, als uniek algemeen sagenboek voor Oost-Vlaanderen, aangekondigde uitgave van het Davidsfonds. Ondanks de talrijk opgesomde verhalen sloeg onze belangstelling om in een zekere teleurstelling toen we vaststelden dat geen enkele sage uit het Land van Nevele in het meer dan 300 blz. tellende boek voorkwam. Ook de omgeving van Deinze en Aalter komt in het boek niet aan bod; nochtans lagen tientallen verhalen uit onze streek zo maar voor het grijpen.

Dit jaar is het exact dertig jaar geleden dat Theo Penneman de meeste volksverhalen uit het Land van Nevele publiceerde in ons tijdschrift dat toen nog “Driemaandelijks berichtenblad van de heemkundige kring Het Land van Nevele” heette.[1] Tot op heden is het nog steeds één van de meest gezochte en gevraagde tijdschriften door volkskundigen in die mate dat we overwegen om het reeds lang uitverkochte nummer integraal op onze website te plaatsen. Alleen al met de verhalen die door de heer Penneman werden genoteerd zou gemakkelijk een tweede Oost-Vlaams ‘Op verhaal komen’ kunnen worden uitgegeven.

Verscheidene van de oude Poeselse verhalen hadden we reeds als kind horen vertellen. Tijdens onze talrijke huisbezoeken, bij onze eerste passen in de heemkunde, noteerden en vervolledigden we de verhalen die door Theo Penneman te Poesele waren opgetekend en we kregen er zelfs nog enkele meer te horen.

Toen in oktober 2005 de Poeselse familiale vereniging ‘De Vrijblijvers’ de laatavondwandeling Poesele spookt organiseerde werd me gevraagd of ik voor enkele aangepaste verhalen zou kunnen zorgen. Zo werden deze verhalen terug vanonder het stof gehaald en raakten mijn notities van meer dan 25 jaar geleden uiteindelijk verwerkt.

In 1977 publiceerde volkskundige Theo Penneman de volksverhalen en -sagen
uit het Land van Nevele in ons toenmalig driemaandelijks berichtenblad.

 

1. De legendes

Het ontstaan van Poesele

Toen de parochiemaker met zijn kar, geladen met parochieaarde, van Nevele naar Lotenhulle reed viel er een grote kluit aarde van zijn wagen. De mensen die achter de kar liepen schopten de kluit open en zo ontstond Poesele. [2]

Tempeliers

In de Oude Kerkstraat[3] stond er volgens de overlevering een verblijf van de Tempeliers. Het is bij de bevolking gekend als het “motje”. Een stukje grond met een boeiende geschiedenis maar blijkbaar al meer dan 500 jaar onbewoond. Er was een mote, zeker tot omstreeks 1850, want ze staat op de oorspronkelijke kadastrale kaarten vermeld. De oudste vermelding van het perceel dateert van 1587, toen werd het perceel land “daude stede” genoemd, wat al inhield dat de stede niet meer in gebruik was. In 1609 wordt het perceel land “Bultinx stede” genoemd. In 1670 bestaat het gedeeltelijk uit bos en gedeeltelijk uit geweet (weidegrond) en heet het “Bils stede”. In 1724 is het een bos van 470 roeden groot zonder benaming en in 1867 wordt het voor het eerst vermeld als “het motje”.[4]

Zevenbrood

Oorspronkelijk heettte dit perceel land de Negenbroodsakker (voor het eerst vermeld in 1539). Het behoort tot het grondgebruik van het historische Goed ten Briele dat door de familie De Waele en hun nakomelingen wordt bewoond sinds 1800. Het werd door de familie De Waele steeds het Zevenbrood genoemd omdat het ooit zou verkocht geweest zijn voor zeven roggebroden.[5]

 

2. De spookverhalen

Algemene spookverhalen en spook- of schrikaanjagende figuren

- Van de moare bereden zijn (=besprongen worden door heksen of spookachtige wezens). Dergelijke verhalen werden rond de Leuvense stoof vooral verteld door oudere manspersonen die het zelf meegemaakt hadden of het zeker wisten van iemand die het had meegemaakt.[6]

- Korenventjes / korenpeten (= kleine kwaadaardige wezens die de mensen, vooral de kinderen, schrik aanjagen). Hier sprak men vooral over korenpeten, maar er werd weinig geloof aan gehecht. Het waren vooral jonge vrijers die hiervoor waarschuwden om te vermijden dat er kleine kinderen achter hen aan zouden komen. Maar ook de landbouwers vertelden er niet zo fraaie verhalen over omdat ze vreesden dat spelende kinderen hun oogst gingen plattrappellen. [7]

- Stalkaarsen: Een stalkaars is een uitgeholde biet waarin men een kaars zet om de mensen bang te maken. Deze stalkaarsen dansten 's avonds soms op het kerkhof rond de kerk. Vissers langs de Poekebeek zagen meermaals een stalkaars boven het water zweven. Ook op de molenberg in de Poekestraat zag men regelmatig stalkaarsen.

's Avonds zag men in de weiden deze stalkaarsen uit de grond naar boven komen.

Dat waren zielen uit het voorgeborchte van de hel (bedoeld wordt: het vagevuur) die hulp kwamen vragen. Alleen door te bidden kon men de lichtjes doen verdwijnen.

Lang geleden waren er jaarlijks op bepaalde tijstippen stalkaarsen te zien op de velden en weiden rond het Goed ten Briele. Ze kwamen uit de richting van de Neerschuurbeek en elk jaar naderden ze een meter de boerderijwoning. [8]

- Pompeluiten. Om rumoerige kinderen tot rust te brengen werd gezegd “Pas op, de pompeluiten lopen buiten”. Waarop de kinderen direct reageerden “waar?” en als antwoord kregen “Ze zijn al weg, maar ze kunnen terug komen”. [9] Toen keerde de rust (tijdelijk) weer.

 

Spookverhalen verteld door Poeselaars

Er kon in de jaren vijftig en zestig van vorige eeuw weinig gebeuren in de Poeselse Beentjesstraat dat Maria Slock niet had gezien.
Fragment van een foto genomen in het voorjaar van 1952 waarbij Maria zoals steeds “toevallig” buiten kwam om te kijken wat er gebeurde.
(Verzameling A. Bollaert)

 

Maria Slock (die vroeger met haar man Staf De Vreese in de Beentjesstraat woonde) vertelde dikwijls het verhaal dat er in Nevele “in ’t armhuis” (lees het Hospice Louise-Marie, nu Ter Leenen) een heks verbleef en er ook is gestorven. Ze wist haar naam niet meer en deed er zeer mysterieus over. Maria voedde het zoontje op van haar zuster en “dat ventje ging goed vooruit” tot ze het bezoek kregen van dat oud vrouwtje. Het kind werd elke keer ziek als dat vrouwtje langs was geweest. Men probeerde van alles opdat ’t kindje zou genezen. Gaan dienen naar Oostakker-Lourdes, bidden in de kerk en aan de kapelletjes enz. maar veel verbetering was er niet. Soms begon het kindje plots te schreien en wat bleek: elke keer dat dit gebeurde stond dat oud wijveke aan de deur. Maria heeft ze toen weggejaagd en verboden van nog tot bij haar te komen en ’t kindje genas.

Toen Maria Slock nog een kind was, vertelde haar moeder dat er op een boerenhof te Poesele, in de omgeving van de Poekebeek, een ratten- en muizenplaag is geweest. En dat kwam door twee vreemde knechten waarvan er gezegd werd dat ze voor pater of priester hadden gestudeerd. Ze slaagden echter niet in hun studies of hadden “hun kap over d’haag gesmeten”. Als de boerenfamilie zich aan tafel zette voor het avondeten, trokken de twee knechten naar hun voutekamer en deden ze honderden muizen en de ratten te voorschijn komen. Die liepen het huis rond en maakten kringetjes rond de boer, de boerin en de kinderen. Ze renden over tafels en stoelen, in de kookpannen en op de borden zodat de bewoners verstijfden van schrik en niets hierover durfden vertellen aan buren en vrienden. Het is maar geëindigd als die twee vertrokken waren. Hoe dat ze dat deden, heeft nooit iemand geweten. Ze zijn nooit nog naar Poesele teruggekeerd. [10]

De meeste spookverhalen die te Poesele verteld werden spelen zich af om en rond de eeuwenoude pachthoeve het “Goed ten Briele”,
thans bewoond door en eigendom van Ivan en Paula Cocquyt-Van Daele.
(Foto uit 1985, verzameling A. Bollaert)

 

Cyriel Cocquyt woonde tot aan zijn pensioenleeftijd op het Goed ten Briele. Als jonge landbouwer woonde hij, na zijn huwelijk met Maria De Waele, een tijdlang op het Goed ter Walle. Daar hoorde hij het navolgende verhaal vertellen.

Heel lang geleden, bij één van de gezinnen die op het Goed ter Walle woonden, werd op een dag het kleinste kindje ziek Het was plots hard beginnen huilen en het bleef steeds maar huilen. De boer en boerin wisten niet meer wat aan te vangen en op aanraden van de pastoor gingen ze hulp zoeken bij de paters Norbertijnen in Drongen. Die beseften vlug de ernst van de zaak en ze stuurden onmiddellijk twee kloosterlingen naar Poesele. Luid biddend doorliepen ze de boerderijwoning van de kelders tot de zolder en besprenkelden alle kamers met in wijwater gedrenkte palmtakken. Toen dit zonder resultaat bleef, zijn ze opnieuw beginnen bidden terwijl ze het huis van kop tot teen onderzochten. Op de voutekamer zijn ze voor een linnenkast blijven staan en in één van de bovenste schuiven vonden ze een onbekende lappenpop met daarin drie spelden. Toen ze die biddend uit de pop haalden, stopte het kind met wenen en genas het langzamerhand.

Enkele weken voordien waren bohemers aan de deur geweest die knopen, naalden en spelden ventten. De boerin had nog genoeg voorraad van alles en kocht niets. Eén van de vrouwen vroeg of ze een beetje water konden krijgen, want ze hadden dorst. De goedhartige boerin ging naar de pomp op het achterhof voor elk een tas water halen. Op dat moment moeten de kwaadaardige vrouwen hebben toegeslagen om de pop met de naalden in de kast te stoppen.

Het Goed ten Briele langs de Bredeweg is altijd bewoond geweest door paardenboeren. Vroeger werden de grote boeren zo genoemd omdat zij de enigen waren die meer dan één paard bezaten. De knechten en omliggende keuterboeren konden dan een paard lenen om hun eigen akkers om te rijden. Paarden speelden dus een zeer belangrijke rol in het dagelijkse leven van de kleine Poeselse leefgemeenschap. Maar ook bij paarden was er soms toverij en hekserij in het spel. Zo liepen er, heel lang geleden, spookpaarden rond het Goed ten Briele en tezelfdertijd begonnen op de zolder windmolens te draaien. De boer, de boerin, de kinderen en de knechten verkrampten binnen van de angst en als er dan toch iemand het aandurfde naar buiten of op zolder te gaan kijken was er niets meer te horen of te zien. Dat bleef zich maar herhalen en er werd hulp ingeroepen van de paters van Gent. De paters zijn schoorvoetend gekomen maar je kon hen aanzien dat ze dat werk niet graag deden. Ze zweetten als dassen en zagen er zeer vermoeid uit. Blijkbaar hadden ze na enige tijd toch iets gevonden maar niemand weet wat. Ze zouden het in de grond gestopt hebben op de verste uithoek van het land. Sedertdien waren de spookpaarden verdwenen.

Begin 1800 kwam de eerste De Waele zich vestigen op het Goed ten Briele. De huidige bewoner Yvan Cocquyt is de zoon van Cyriel en Maria De Waele zodat deze hoeve nu al twee eeuwen door dezelfde familie wordt uitgebaat. Rond 1800 maakte Poesele deel uit van het Franse keizerrijk. Het was een periode van oorlogen, hongersnood en plagen onder het vee. Er was ook een abnormale paardensterfte op het Goed ten Briele. Alle paarden stierven één na één op een onverklaarbare wijze. De kloosters waren gesloten en de paters gevlucht. Toch slaagde de familie De Waele erin om enkele paters naar Poesele te laten komen om te onderzoeken wat er zou kunnen gebeurd zijn. Ze kwamen tot de conclusie dat enkel Onze-Lieve-Vrouw hier iets kon aan doen. De bewoners kregen als raad om aan de ingang van hun hoeve een kapel te bouwen op paardenpoten toegewijd aan O.L.V. Het laatste dode paard werd naast de ingang van de hoeve begraven met de poten omhoog en daarop werd een kapel gebouwd. Er is nooit meer nog een abnormale dierensterfte geweest op het hof.

De oorspronkelijke kapel werd in 1951 bij de betonnering van de Bredeweg afgebroken. Ze werd vervangen door een nieuwe kapel, langs de nieuw aangelegde weg, enkele meters achter de plaats van de oorspronkelijke kapel.[11]

“De kapel op paardenpoten” voor het Goed ten Briele. De oorspronkelijke kapel werd gebouwd in het begin van de 19de eeuw en verdween in 1951.
De foto dateert uit 1946 en werd genomen door hoefsmid Aviel Afschrift.
(Verzameling A. Bollaert)

Wie destijds ook kon helpen tegen toverij was “Boekaardeken” van Waregem. Van de (dierengenezers/tovenaars) familie Bouckaert, die in Oost- en West-Vlaanderen zeer bekend was, is er nog een negentiende-eeuws document bewaard gebleven over de behandeling van dierenziekten.[12] Maria De Waele van het Goed ten Briele hoorde hierover vertellen door haar moeder. Haar zwangere grootmoeder zou behekst geweest zijn en door tussenkomst van Boekaardeken werd ze genezen. Bij Boekaardeken moesten de mensen niet betalen. Er stond wel een busje waar dat men geld kon in deponeren. Zijn remedie voor Maria’s grootmoeder was kort en eenvoudig: “Bij uw terugkeer zal je een leurdertovenaar tegenkomen die op Bruuntje Van Maele gelijkt. Maar je mag er in geen enkel geval tegen spreken.” Ze kwamen inderdaad een leurdertovenaar tegen maar ze negeerden hem. Toen ze terug op hun hof aankwamen, was de zieke genezen.

Spoken waren niet te pakken omdat ze ofwel te rap waren ofwel waren ze onstoffelijk, met andere woorden, als je erin slaagde toch een spook vast te grijpen, pakte je er gewoon midden door. Op het Goed ten Briele heeft men heel lang geleden toch zo’n spook te pakken gekregen maar niemand kon nog vertellen hoe dat exact in zijn werk is gegaan. Men heeft het in een fles gestoken en op de verste hoek van het land begraven. Dat leek vroeger blijkbaar de beste manier om van spoken af te geraken. Dergelijke verhalen bestaan ook over de vroegere hoven Welvaert in Landegem, Vlieghe in Poeke, Steenkiste in Vosselare, Meirhaeghe in Lotenhulle en het kasteel van Hansbeke. In de meeste gevallen kwam de fles met het spook (of de geest) elk jaar enkele meters dichter de boerderij of het kasteel. Op het Goed ten Briele was dit niet het geval en is de fles gebleven waar ze begraven werd.

Spookverhalen verteld over Poeselaars

Voor vreemden moest je altijd opletten. Zelfs nu is er bij de meeste mensen nog steeds een zekere terughoudendheid tegenover vreemdelingen omdat ze er anders uitzien. Maria De Pestel uit de Mortierstraat kreeg ooit een oogziekte toen ze achttien maanden oud was omdat haar vader Constant geld had aanvaard van vreemde vrouwen. Constant en zijn familie zouden toen in Bellem gewoond of verbleven hebben in een café niet ver van het station. De kinderen zaten in de keuken en er waren altijd buurmeisjes bereid om een oogje in het zeil te houden op de kleinsten als het te druk was in het café. Op een dag kwamen daar twee vreemde vrouwen binnen in het gezelschap van een ongure man die in de deuropening bleef staan. Ze vroegen naar kluiten, dat waren muntstukjes van 5 en 10 centiemen. De cafébaas vertrouwde het zaakje niet en zei dat hij dat niet wisselde. Daarna dronken ze een dzoorken[13] bier (= een half pintje) dat ze betaalden. Ze drumden de cafébaas bijna omver en gingen via de keuken terug naar buiten. De meisjes in de keuken zagen direct dat die vrouwen geen goede bedoelingen hadden en lieten ze niet bij het kindje komen maar het was al te laat. De kleine Maria begon te huilen en te schreeuwen dat horen en zien vergingen. Vader Constant had hun geld nooit mogen aanvaarden. Dat was het begin van de miserie. Het kindje heeft dagen aan een stuk gehuild. Het verdroeg geen daglicht en zag niets meer. Na een tijdje was het lichaam van het meisje totaal vergroeid van altijd over een schouder van een ouder te liggen. Iedereen ging naar het kindje kijken en men was er honderd procent van overtuigd dat het kindje betoverd was.

Ze zijn dan te voet met Maria naar de paters in Tielt geweest. Direct zagen de paters dat het kwaad ermee gemoeid was. Ze kregen er paasnagels die ze in ’t kindje zijn schapulier moesten steken. Voor hun terugkeer zeiden de paters “ge gaat dezelfde vrouwen tegenkomen en ge moogt er hoegenaamd niet tegen klappen. Ze zullen tegen u beginnen klappen maar ge moogt er niets tegen zeggen. Ge moet ze passeren en gebaren dat ge ze niet ziet.” Ze hebben dat gedaan en ’t kindje is beginnen genezen.[14]

 

3. Sporen van spokerij/hekserij/tovenarij in de toponymie

Naast de lage meers voor het hof van de familie Coen (Oude Kerkstraat 7) liep vroeger de “dreef van Poesele bos”. Later werd dit een slag naar de weiden langs de Poekebeek Op het einde van die slag of weg zetelde in de Middeleeuwen de Poeselse vierschaar (rechtbank). Daar werd soms beslist over leven en dood en een weinig verder westwaarts (juist voor de stallingen van het vroeger hof van Marc Van Parijs, Mortierstraat 8) lag de Nekkersput, voor het eerst in 1670 vermeld als Heckersput. Daarna werd deze plaats steeds vermeld als nekkersput en ze is tot op vandaag nog zo bekend. Nekkers of nikkers zijn in de Germaanse mythologie boosaardige watergeesten die vaak de mensen naar beneden trokken in het water. Het groot perceel land dat achter de nekkersput ligt en reikt tot aan de Poekebeek heette in 1587 en 1639 het gyselstick. Door de familie Van Parijs, die het perceel in gebruik had tijdens de 20ste eeuw, werd dit land ook de nekkersput genoemd. Op dat gyselstick werd volgens de vermelding in het landboek van 1587, de weduwe van een zekere Joos Ryckaert gerecht (gevonnist). Joos Ryckaert was tijdens het laatste kwart van de 16de eeuw de eigenaar van een leen van 4 bunder groot dat zich uitstrekte tussen de Poekestraat en de Mortierstraat. De korte uitleg bij de benaming van het perceel lijkt erop te wijzen dat de weduwe van Ryckaert er gegijzeld en gedood werd. Het lijkt erop dat de weduwe Ryckaert als gijzelaar zou gediend hebben om het nakomen van een afspraak te waarborgen. Vermoedelijk werd zij door het niet (kunnen?) nakomen van die afspraak terechtgesteld. Dergelijke gijzelingen kwamen in het Ancien Régime regelmatig voor tijdens de vele bezettingen die onze streek kende om de dorpelingen te verplichten de militaire opeisingen na te komen. Meestal werden enkele notabelen van het dorp als gijzelaar genomen (burgemeester, schepenen). Waarom deze weduwe gegijzeld werd, is niet duidelijk. Het einde van de 16de eeuw was een rumoerige periode met regelmatige invallen van de bosgeuzen vanuit Zeeuws-Vlaanderen en reacties daarop van de Spaanse troepen die onze streken bezetten. We vermoeden dat haar gijzeling en dood in het collectief geheugen van de lokale bevolking is blijven hangen. Het valt namelijk op dat de naam nekkersput voor het eerst verschijnt op het ogenblik dat de naam gyselstick niet meer voorkomt. Blijkbaar heeft het ene met het ander te maken en zijn de watergeesten pas komen opdagen enkele decennia na de dramatische dood van de weduwe Ryckaert.[15]

In de Poekestraat, halverwege tussen de vierweegse van de Poekestraat en de veldweg (vroeger de Bredestrate genoemd) die de grens vormt met Lotenhulle ligt een perceel land dat in het landboek van 1587 omschreven werd als 225 roeden land “int goockelstuck”. Deze vermelding komt in 1639 nog eens voor. Tijdens de 20ste eeuw wordt dit perceel land “het vierendeel” genoemd. Een vierendeel is ¼ van een bunder of 225 roeden. De volkse benaming van het perceel is dus vervangen door een zuiver meetkundige benoeming.

Het Middelnederlandse woord gokelen betekent ‘toveren, goochelen’. Om en rond dit perceel land gebeurden vermoedelijk in de 16de eeuw (of vroeger) enkele onverklaarbare zaken die als tovenarij werden bestempeld.[16]

 

4. Bezwerende planten en oude symbolen

Er was maar één plaats in Poesele waar vroeger overvloedig brem (sarothamus scopiarus) groeide en dat was op de westzijde van de Molenberg. Bremtwijgjes werden zowel door of tegen heksen gebruikt. Een molen was een zeer kwetsbare plaats. Is de brem er op natuurlijke wijze gekomen of werd hij aangeplant om zich te kunnen beschermen tegen hekserij? Op die vraag blijven we het antwoord schuldig.

De oude linde (met kapelletje) op de hoek van de Nieuwe Kerkstraat en de Spoelstraat die in februari 1990 werd vernield.
Het perceel land rechts van de linde noemde eertijds “het gemeente van Poesele”.
(Foto uit 1985, verzameling A. Bollaert)

 

De lindeboom (tilia cordata) was voor onze voorouders een heilige boom. Volgens het aloude volksgeloof werd hem een beschermende kracht toegemeten. Lindetakken werden gebruikt als amulet voor bescherming tegen heksen en boze geesten. Later werden er op vele plaatsen kapelletjes van OLV in gehangen. Hij werd aangeplant op de dorpspleinen, vóór een woning of aan de inkom van een hoeve. Nu zijn deze linden te Poesele allemaal verdwenen. De bekendste linden waren die vóór de bakkerij De Boever langs de Bredeweg (nu nr. 20-22) die gerooid werden voor de verbreding van de weg in 1951 en de linde op Poesele Kerrebroek op de hoek van de Spoelstraat en de Nieuwe Kerkstraat waarin een houten O.L.Vrouw-kapelletje hing. Deze oude linde werd in februari 1990 vernield door een windhoos. Op dezelfde plaats werd door de familie De Witte (Spoelstraat 3) onmiddellijk een nieuwe linde aangeplant. Het kapelletje bevindt zich nu aan de zijgevel van de woning rechtover de linde (Spoelstraat 1). Op de plaats van de vernielde linde stond vermoedelijk vroeger ook een linde. In het landboek van 1639 wordt deze plaats het “Ghemeente van Poessele” genoemd. Het woord gemeente is in het Middelnederlands een vergadering, een plaats waar het volk samenkomt. Het pleintje vóór de beek was zeker tot het midden van de 17de eeuw een plaats waar de lokale bevolking op regelmatige tijdstippen samenkwam.[17]

Het donderblad (Sempervivum tectorum), ook huislook genoemd vond je vroeger op alle lagere gebouwtjes van de boerderijen alhier. Volgens het volksgeloof biedt het bescherming tegen de bliksem en de blaadjes zouden tevens een remedie zijn tegen keelpijn. In Duitsland wordt dit plantje op sommige plaatsen Donatuswurz genoemd, verwijzende naar de donderheilige Donatus wiens verering in 1652 in Duitsland ontstond en die te Poesele sinds 1860 wordt vereerd in de parochiekerk.[18]

In de versiering van de hekken aan de inkom van de hoeven werden vaak bezwerende symbolen aangebracht. Alle oorspronkelijke oude hekken zijn nu verdwenen. Het oude hek aan de woning in de Beentjesstraat 29 vertoont nog het Germaanse odal-symbool. Het stelt de jaarlijkse loop van de zon voor, het dagelijks klimmen van de zon tot 21 juni en het weer dalen tot 22 december. Bij de Germanen betekende het odal-symbool bescherming van huis en hof.[19] Dit hek werd geplaatst in 1977 en is afkomstig van een boerderij uit Nazareth.

 

6. De levenscyclus

Bij een geboorte in een gezin werd aan de kinderen verteld dat het kindje uit de kolen kwam (vooral bloemkolen). Soms werd het ook gebracht door een ooievaar of kwam het per schip aan (via het kanaal van Schipdonk) te Nevele.

 

7. Andere sterke verhalen

De Romeinse heirweg

Pastoor Lieven Jamée vertelde in april 1997 dat de Poekestraat die uitmondt op Poeselekerk oorspronkelijk een Romeinse heirweg was. Toen pastoor Jamée, die een levendige interesse toonde voor het mysterieuze en het bovennatuurlijke, een helderziende dame op bezoek had, bleef deze bij het buitenkomen van de pastorie plots staan en begon aandachtig te luisteren. De pastoor hoorde niets en vroeg haar wat er scheelde. Ze antwoordde dat ze mannen hoorde praten in het Latijn, vermoedelijk waren het soldaten. Dit deed haar besluiten dat we hier te doen hadden met een heirweg met passerende Romeinse soldaten. [20]

Keizer Karels kleinste kindje

In de Mortierstraat stond ooit het café “De Morremande” waar de familie Van Speybroeck nog gewoond heeft. Er was daar vroeger een gebrekkig kind dat zijn hele leven in een kakstoel heeft gezeten. Het kind sprak slechts één zinnetje uit dat het steeds maar herhaalde : “Keizer Karel‘s kleinste kindje kakte kleine keutelkes.” [21]

Dertien is een ongeluksgetal

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak werden dertien Poeselse rekruten opgeroepen. Eén van hen trouwde nog kort voor zijn mobilisatie en ging te Lotenhulle wonen in de Molenhoek. Hij sneuvelde, de andere Poeselaars kwamen allen levend terug. Hij mocht Poesele nooit verlaten hebben want hij had de dertien doorbroken. Was hij te Poesele blijven wonen dan was hij waarschijnlijk ook levend terug gekeerd.[22]

Het puipelingske

De Poeselse vogelvanger Camiel De Backer uit de Oude Kerkstraat kon met overtuiging vertellen over de ongewone ingewandenstructuur van het puipelingske. Dit kleine zangvogeltje had volgens hem geen maag maar slechts één enkele darm in zijn lichaam, vandaar dat je het altijd zag schijten terwijl het aan het eten was.[23] Puipeling of pijpeling is de lokale dialectbenaming voor de graspieper (anthus pratensis). Het is een grijsbruin vogeltje met een gestreepte bovenrug dat men vaak terugvindt in vochtige weilanden. Het lijkt sprekend op de veldleeuwerik maar is kleiner. Zijn ijle piepende zang, waaraan hij waarschijnlijk zijn dialectbenaming te danken heeft, laat hij telkens bij het opvliegen horen.[24]

 

[1] PENNEMAN T., Volkgeloof en volksagen in het Land van Nevele (1840-1974), jg. VIII (1977), afl. 3 & 4, p. 95-238.

[2] DE POTTER F., BROECKAERT J, Geschiedenis der gemeente Poesele, Gent, Drukkerij C. Annoot-Braeckman, 1867 blz.31

[3] Achter de stallen rechtover de woning in de Oude Kerkstraat 14.

[4] BOLLAERT A, LUYSSAERT J., Perceelsreconstructie van Poesele in de 17e eeuw met toponymie van de 15e eeuw tot heden, in Het Land van Nevele, jg. XII (1981), afl. 2 & 3, blz. 98-99.

[5] BOLLAERT A. , LUYSSAERT J., ibidem, blz. 85-86.

[6] Verteld door Cyriel Cocquyt (1906-1993), Cyriel Lievens (1894-1974), Bertha De Wulf (1907-1995).

[7] Verteld door Hortense Verstuyft (1887-1982) in 1980.

[8] Verteld door Cyriel Cocquyt (1906-1993), Bertha De Wulf (1907-1995) en Maria Slock (1881-1973)

[9] Verteld door Bertha De Wulf. (1907-1995)

[10]Beide verhalen oorspronkelijk verteld door Maria Slock, waren ook gekend door mijn moeder Bertha De Wulf.

[11]De verhalen over het Goed ten Briele en het Goed ter Walle werden in 1980 verteld door Cyriel Cocquyt (1906 -1993) en zijn echtgenote Maria De Waele.

[12]Zie : www.svvf.be (Bouckaert J.)

[13]Djoore, dzoore is waarschijnlijk een dooreenhaspeling van Djoren ‘Joris’ en het Frans jarre ‘kruik’ (F. Debrabandere, Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek. De herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam/Antwerpen, 2005, p. 94).

[14]Verteld in 1972 door Marie Onderbeke in het rusthuis te Nevele. Zie PENNEMAN T., ibidem, blz. 175-176.

[15]BOLLAERT A., LUYSSAERT J., ibidem, blz. 123.

[16] BOLLAERT A., LUYSSAERT J., ibidem, blz. 105.

[17] BOLLAERT A., LUYSSAERT J, ibidem, blz. 128.

[18] BOLLAERT A., De verering van de H.Donatus, de donderheilige, Poesele 1985, blz.15.

[19] LUYSSAERT J., Volksgeloof in en om de hoeven in het Land van Nevele, in Het Land van Nevele, jg. X (, 1979), afl. 2 blz. 99.

[20] Verteld door E.H. Lieven Jamée (°Overboelare 1927 - + Deinze 2006) op paaszaterdag 1997.

[21] Verteld door een bezoeker aan de tentoonstelling “Toen Poesele nog Poesele was” op 10/09/1983.

[22] Verteld door Irma Mortier in 1983 (1895-1995).

[23] Verteld door Camiel De Backer (1912-1979) in september 1968.

[24]TAELDEMAN J., Enkele dialectbenamingen voor vogels in het Land van Nevele, in Het Land van Nevele, jg. XV (1984), afl.2, blz. 71 en VAN DEN HEEDE Vicky e.a., Woordenboek van Vlaamse dialecten, Algemene woordenschat, Aflevering 1: Vogels, blz. 142.