MONIKA VAN PAEMEL GEADELD

door André Bollaert

Naar aanleiding van de nationale feestdag ontvingen bij koninklijke besluiten van 16 juli 1993 eenendertig personen een adellijke titel. Onder hen de schrijfster Monika van Paemel en haar echtgenoot Theo Butzen. De verlening van adellijke gunsten is een jaarlijkse traditie ter gelegenheid van 21 juli. Het waren tevens de laatste adellijke gunsten die door koning Boudewijn werden verleend.

Na Cyriel Buysse in 1932 is Monika van Paemel de tweede auteur uit het Land van Nevele die tot de adelstand werd verheven.

Monika, barones van Paemel, zoals de schrijfster zich voortaan mag noemen, werd op 4 mei 1945 rond het middaguur in de Poekestraat te Poesele geboren als Monique, Maria Van Paemel. Zij is de dochter van Alfons, Leonce (°Vosselare) en van Irène, Germaine Verhoye (°Lotenhulle), toen wonende te Wilrijk. De schrijfster zag het levenslicht in de woning van de zuster van haar moeder Marie, Angèle Verhoye, gehuwd met timmerman René Lossy. In haar meesterwerk De vermaledijde vaders, op blz. 10, beschrijft Monika van Paemel haar geboorte en haar geboortehuis als volgt:

... Het huis lag aan de bocht van de weg voor de molenheuvel, het was een simpel huis met een deur in het midden, en aan weerszij­den van die deur een venster. De dorpen waarin dergelijke huizen stonden waren moeiteloos teruggevallen in de tijd, en overleefden deze oorlog zoals ze de vorige hadden overleefd: met de deuren dicht en de luiken gesloten.

Voor het huis was een kleine bloementuin waarin boerenrozen en pioenen bloeiden, naast de zijgevel stond een notelaar. Er was een moestuin en een geiteweitje. Aan de ene kant was het erf afgeslo­ten door een boomgaard en aan de andere kant door een dikke heg van christusdoorn, waarachter een zandweg lag, daar stonden tegen elkaar geleund ook twee daglonershuisjes zo klein dat ze twintig jaar later romantisch werden gevonden. Pam werd geboren in de linkervoorkamer die normaal de slaapkamer van haar tante en oom was, en in de smalle bijkeuken achteraan werden de eerste zorgen aan haar besteed. Ze onderging een nooddoop, daarna mocht de dokter haar gebarsten schedel aan elkaar spijkeren. Ook al geloofde men niet echt, men nam het zekere voor het onzekere, de schoe­nendoos stond al klaar in afwachting van het witte kistje dat oom­lief indien nodig zou ver­zorgen. Hij was een ouderwetse timmerman die naar traditie de resten hout zou uitsparen om zichzelf en zijn familie de laatste eer te bewijzen...

Haar kinderjaren bracht ze door in Poesele, Nevele, Lotenhulle en Deurle. Als ze negen jaar is wordt ze zwaar ziek en wordt ze overgebracht naar Essen in de Kempen. Gedurende deze periode van langzaam herstel volgt ze privé-lessen. Het werd een tijd van veel lectuur en het schrijven van de eerste gedichten. Met veertien gaat ze terug naar school en publiceert ze haar eerste teksten in de schoolkrant. In 1963 huwt ze met Theo Butzen en vestigt zich te Boechout in de provincie Antwer­pen.

Haar eerste roman Amazone met het blauwe voorhoofd (1971) is meteen een literaire voltreffer die in 1972 wordt bekroond met de prijs voor het beste literair debuut. Drie jaar later krijgt ze in Oost-Vlaanderen de literaire pro­vinciale prijs voor letterkunde voor de novelle Marguerite. Tussen deze twee bekroningen in verscheen in 1974 de roman De confrontatie. Haar meesterwerk De vermaledijde vaders kreeg in 1986 de Dirk Martensprijs en de Prijs van de Vlaamse provincies. De hoofdbekroning kwam er in 1987 toen aan het werk de driejaarlijkse staatsprijs voor verhalend proza werd toegekend. Als toemaatje ontving ze in 1988 de prijs van de Vlaamse lezer voor hetzelfde werk. Het boek werd ondertussen vertaald in het Frans, het Zweeds en het Duits. In 1988 verscheen ook de novelle De eerste steen die als boekenweekgeschenk werd aangeboden op de Antwerpse boekenbeurs.

Monika van Paemel is ook actief in de vrouwenbeweging in België. Eind van de jaren zeventig was ze in Nederland een gewaardeerde medewerkster aan het TROS-programma Week in Week uit dat zich vooral tot de huisvrouw richtte. Ze werkte mee aan programma's voor de Nederlandse VARA en de BRT-radio. Zo stelde ze onder meer een radiodocumentaire samen over de oorlogsgruwelen in Vinkt.

Verder publiceerde ze o.a. bijdragen in Dietsche Warande, Belfort, De Vlaamse Gids, Nieuw Vlaams Tijdschrift, Vrij Nederland, De Morgen, enz.

In 1988 werd ze voorzitster van het PEN-centrum Vlaanderen waarin ze vooral ijvert voor een beter statuut van de schrijver.

Bij het uitbreken van het geweld in het voormalige Joegoslavië startte ze een hulpactie voor de getroffen bevolking via de gemeentebesturen. De actie kende in Vlaanderen echter maar een matig succes.

Haar laatste roman De eerste steen (1992) werd door de pers op gemengde gevoelens onthaald wat niet belette dat nauwe­lijks drie maanden na de publikatie in Vlaanderen 7.000 en in Nederland niet minder dan 25.000 exemplaren over de toonbank gingen.

Het werk van Monika van Paemel bevat veel autobiografische gegevens en verwijzingen naar haar geboortestreek. Voor onze heemkring schreef ze in augustus 1983 ter gelegenheid van de heemkundige tentoonstelling Toen (Poesele) nog POESELE was een korte impressie over haar geboortedorp. Vorig jaar, naar aanleiding van Monumentendag 1992 werd ze door de Koning Boudewijnstichting aangezocht een bijdrage te verzorgen over een dorpsschool. Haar keuze liet ze hierbij vallen op de verdwenen meisjesschool in haar ge­boortedorp Poesele; een plaats die haar blijkbaar nog steeds nauw aan het hart ligt.

 

Bijlage - Poesele door Monika van Paemel

Na al die jaren kan ik het scenario: het voor mij zo bekende en intieme woord Poesele zorgt in bijvoorbeeld noordelijk gelegen gebieden voor geamuseerde verwondering en quasi grappige toespelingen: 'Waar ben ik geboren?' En wat te denken van de spraakverwarring die ontstaat als de administratie er zich gaat mee bemoeien: Poedelé of Poederlee, oorden die er mogen zijn maar waar ik ondanks de semi-officiële verbanning niets mee te maken heb. Het heeft geen zin de voorstellingen die achter deze reacties schuilgaan proberen recht te zetten, ik zwijg omdat ik beter weet en omdat alleen ingewijden mij kunnen volgen in die voor altijd verdwenen maar met niets uit te willen beelden uit de kinderjaren. "A la recherche du temps perdu". Er zijn andere plaatsen waar ik mij zal uitspreken. Poesele. Tussen de molen en de kerk. Het kasseibaantje waarvan ik alle putten en kuren ken. De dorpsschool, twee klassen bij elkaar, een nonnetje met wangen als een blinkende appel, gewijde geschiedenis, en het proeflapje als voorbereiding voor de witte katoenen onderbroek waar ik nooit een fatsoenlijk kruis in zal breien, en die op de duur zo beduimeld is dat ze alleen nog voor poetslap kan dienen! De processie waar ik als engeltje afgunstig ben op Johannes de Doper die in een schaapsvel mag meestappen. Het was geen Bokrijk avant la lettre of een verlate scène uit het literaire werk van die concurrent uit Nevele, maar een heuse micro-maatschappij waarin ik zonder het te weten veel leerde oer de menselijke- en de machtsverhoudingen. Er zijn in mijn persoonlijke geschiedenis voldoende factoren aanwe­zig om te verklaren waarom ik mij zo hartstochtelijk aan dit dorp ging hechten, één ervan is de rust en de zekerheid die het bood en die ik als eeuwigdurend interpreteerde.

Hoe verwachtingsvol stapte ik op het St.-Pietersplein in Gent op de tram die langs de meersen van Drongen (waar hij schuin overhelde) via Nevele waar de postzakken werden gelost naar Poesele schommelde waar de grote X van de molenwieken mij trouw opwachtten en dan wist ik dat ik thuis was. Er bestaat zoiets als een geboorterecht. En ik herinner mij nog goed de dag dat ik automatisch gas gevend (toen was de tram al vervangen door een autobus, een stadium dat ik oversloeg) Poesele naderde en er een gat in de hemel zat. De molen was weg. Onvergefelijk blijf ik het vind. De dingen moeten veranderen willen ze blijven bestaan; ik het het zelf geschreven, maar nu voeg ik eraan toe dat niet alle veranderingen verbeteringen zijn, en dat er in dit land vaak niets of een gedrocht voor in de plaats komt.

Poesele, waar ik heb leren lezen en schrijven in een taal die zich in het gestroomlijnder Nederlands blijft demonstreren. Als ik eens goed kwaad ben kan ik nog altijd lettergrepen lang vloeken, en dat is een hechtere binding tussen boven en beneden dan je op het eerste gezicht zou geloven.

Soms droom ik dat ik er terug kom, onzichtbaar, om het verleden op heterdaad te betrappen. Het kleine paradijs las uitgangspunt, de plaats waar ik wil keren als het einde nadert.