Bachte-Maria-Leerne in de greep der toverij
door T. Penneman
Op 22 februari 1972 bezocht ik Bachte-Maria-Leerne. Ik wilde o.a. horen wat men in deze gemeente nog vertelde in verband met toverij. Nog 164 andere Oost-Vlaamse gemeenten werden zo door mij bezocht. Ongeveer 3000 mensen vertelden mij duizenden lange of korte verhalen over dit onderwerp. Neen, de mensen zijn niet zó achterdochtig, als ze horen dat ze eens ‘mogen’ vertellen, als ze horen dat het is om dikke boeken te schrijven voor de universiteit! Drie uur slechts bleef ik op Bachte-Maria-Leerne, negen mensen werden bezocht. Ik heb de gemeente verlaten met 32 sagen! Dat kon in het kader van mijn globaal onderzoek volstaan. Maar men zou hier zeker een dik sagenboek samenstellen, als men eens alle mensen van boven de 60 liet vertellen over de toverij! Moge wat nu volgt hiervan het bewijs zijn:
Luister nog eens, gij vriendelijke oude mensen van Bachte en van Leerne naar de verhalen uit uw tijd. Luister, jeugd, naar wat de ouderen mij vertelden. Gij kent hem, Jules Moeykens, 87 jaar, landbouwer op rust. Ik klop op de deur. Een stem roept iets. Ik stap binnen. Jules monstert die vreemde man met zijn regenjas en ik monster Jules. Ik heb het al gezien, hij is een man. Nauwelijks heb ik in een paar woorden gezegd wat ik kom doen, of wij zitten al rond de Leuvense stoof. Mijn klein bandopnemertje ligt onopvallend op mijn schoot. Jules scharrelt van tijd eens in een pot die op het vuur staat te pruttelen. Hij trekt nog zijn plan. Of ze hem nooit bang hebben gemaakt van ’t water, met een waterduvel of zo? Maar neen, hij was niet bang. Hij is aan de Leie geboren:
Zeg
Jules, hebt gij uw vader nog horen vertellen over de toverij?
Van wat?
Over de
toverij?
O, goddomme, jaak zunne!
Vertel
mij dat eens?
Ik hem er mijn vader horen van klappen. Mijn vader
is getrouwd met Stefanie van Nevele, van Martens-Leerne en ik heb hem dikwijls
horen zeggen, als hij van ginder kwam met den avond, op Martens-Leerne daar, de
Damstraat, dat er daar dit kwam en dat… Dat hij meende, hé, dat dat dat was,
maar dat dat dat niet was, die toverij zo! En mijn vader zei: Ge moet al dat
gerust laten en zere voortgaan. Daar heb ik hem dikwijls van horen klappen. O
ja! Ge moet alles gerust laten, zei hij. En als ge wijwater gepakt hebt ’s
ochtends, moet ge niet bang zijn.
En hier op Leerne nog geweest, van de boer Volkaert, Leonce Volkaert. Die partij
land heette de Duzeroen. En als ‘t avond was, dat ge er niet moest overgaan of
dat ge er niet meer van geraakte en dat ge er moest blijven lopen tot de morgen.
Ja, en er heeft er een geweest op Leerne, ik weet ik dat goed, Sabiene De
Ceuninck heette ze. Dat was de vrouw van een Fien (?) De Weirdt. Die had de naam
van toveresse. En ’t was zo een heel aardige van doening. En ze liep altijd zo
met een mannevolksvest aan, hé. En ik weet goed van die. Die kon alles. Wij op
’t hof, als ik klein was nog, mijn vader kocht een keer een zeug met zes
viggens. En ja, dat paard dat had geen wijwater gehad, als hij voortreed. En
ginder, waar dat hij die zeug oplaadde, die viggens, ze gaven dat ginder
wijwater en die Biene De Ceuninck, dat ik daar zeg, was daar op ’t hof. En ze
kwam zij daar ook naar kijken, ze was daar ook rond. En als mijn oudste broer ’s
avonds naar de paardenstal ging, ’t lag met een veulen, dat paard. Hij verschoot
ervan, die ogen waren juist lijk vuurkogels. Dat was wreed om zien. En hij ging
mijn vader halen. En ze gingen daarnaar kijken. En ’s avonds, ’t lag dood. Dat
was de schuld van haar! Ja dat kon zij allemaal.
En waar dat er zo vrouwen waren die een kind gekocht hadden of wat – nu is dat
allemaal in gestichten, maar dan, meneer, dat was allemaal thuis, nietwaar –
wel, en ze wist zij met alle truken daar binnen te geraken. Wel, en ’s
anderdaags dat was dood en dat was weg. Dat was dood dat kind. Ja, maar ze
kenden haar al goed, hoor. De deuren waren al vermaakt, als er een hoorde: Biene
De Weirdt komt daar af! Allemaal hun deur vermaakt, Kijk… o, dat is allemaal
gebeurd, hé. O, die deugnieterij dat er geweest heeft, o, o… ja, ja.
Hebt
gij nog gehoord van toverij met speldekes?
Wel, ik heb nog geweten dat ze deugnieterij deden
bij de beesten. Op het einde van hun staart, staat daar zo een beetje lang haar,
hé, en ze deden dat een beetje weg en ze taken daar een koperen speldeken in.
Ja, ik heb dat allemaal nog horen vertellen. Maar dat is jaren geleden, hoor.
Wel, en die beesten die werden lijk razend. En de veearts en gelijk wat erbij
gehaald werd, niemand kon peinze wat dat was! En allemaal weg en dood.
Gingen
ze dan niet bij de paters?
Ja, ja, maar wie peinsde dat altijd? Mijn vader in
den tijd, wij hebben wij dat zo dikwijls gehad dat zij daar liep die Biene. En
dikwijls naar de paters geweest naar Gent, zulle. En ik weet nog goed dat mijn
vader ging en dat ze nog bij ons geweest zijn op ’t hof. En dat ze een ding
gaven… een paasnagel. Dat weet ik allemaal nog goed.
Hebt
gij dan nooit gehoord van spoken aan de Leie?
Neen, dat niet. Vroeger werd dat bevaren met
zeilschipkes.
En de
weerwolf?
O, ik heb daar dikwijls van horen klappen van
weerwulven, godverdomme. Ja, ik hoorde daar dikwijls van klappen dat ze daar
bang van waren en alles. Maar ik heb dat nooit niet gezien hé! Dat liep daar,
heb ik mijn vader ook nog horen vertellen, godverdikke, ja, maar ik heb dat
nooit niet gezien neen.
Waren
er hier geen onderaardse gangen?
Neen, die hen ergens inschoten en die elders verre
ginder dan boven kwamen. Dat werd gegraven onder de grond. Ik heb mijn vader dat
nog horen zeggen, maar ik heb het niet gezien. Ik weet het niet. Maar die
toverij dat ik u daar gezegd heb hé, ik ga u dat een keer uiteendoen. Ik was
ginder een keer op de Leikant, hier op Leerne ginder op de Leikant. Daar, ze
woonde zij daartegen die. En die vent, heb ik vader goed horen vertellen
dikwijls, en die vent trouwde daar en woonde daar. En als het nacht was, als ze
in hun bed waren, ze hoorden zij daar soms meulenen in huis zo met een
graanmeulen. En alles zo, ze hoorden zij daar kernen. Zij hoorden zij daar alles
doen. En dat ze opvlogen en als ze gingen kijken, ze hoorden of ze zagen niets!
En als ze weerom in hun bed waren, dat was weerom hetzelfde. Ik heb mijn vader
dat dikwijls horen vertellen. En dan naar de paters gegaan omdat ze daarvan
gehoord hadden. En omdat ze daarvan wisten. En de paters en al daar gekomen. En
ik hoorde mijn vader dan zeggen dat dat daar dan helegans veel gestild en
verbeterd was. Dat het daar gedaan was. En dat al die dingen van toen, dat het
daarmee gedaan was als het Sint-Jansevangelie opgekomen was, zei mijn vader.
Maar ik weet niet wat dat allemaal was, niewaar.
Wat
hebt gij vroeger gedaan?
Ik was een boer.
Hebt ge
nooit gehoord dat ze door toverij in ’t water gesmeten werden?
Neen, maar weet ge wat ik mijn vader horen
vertellen heb, als hij te vrijen ging daar op Martens-Leerne en hij al de
Damstraat moest, alhier naar huis komen, en dat er daar een kat liep en zo
aardig. O dat was wreed om zien, zei mijn vader. Maar ja, met dat ik daar veel
van hoorde, zei mijn vader, ik was daar niet bang van en ik ging en ik liet ik
dat gerust. En er was daar nog enen die aldaar kwam en die gaf die kat een slag!
En als hij thuis kwam, heb ik mijn vader horen zeggen, zijn schoonste kalfveirze
lag haar bil af… En dat is eigenlijk waar. Dat heb ik mijn vader nog dikwijls
horen vertellen.
Zijn
kalfveirze?
Een kalfveirze, meneer, ik weet niet of ge dat
verstaat?
Een
koe?
Een koe, ja, die moest gaan kalven, hé… en hij
geeft die kat daar met een stok een slag en dat was die kat die toverij of wat
was in de Damstraat. En als hij goddomme thuis kwam, hij ging in de stallen, de
schoonste beeste lag haar bil af. Ik moest daar om lachen als mijn vader dat
vertelde. Ja maar, zei mijn vader, gij weet gij nog van niets. Gij zijt gij veel
te dom, als kleine jongen. Wel, ’t is echt waar geweest en dat weet ik goddomme
nog goed, hoor! En ik heb mijn vader nog horen zeggen dat ge altijd moest zien
als ge ergens ging of deed, moest ge ’s avonds of gelijk waar, dat ge moest,
wijwater pakken. En als ge wijwater gepakt had dat ze u dan niets konden doen.
En van die toverij… dat ze u konden ‘verleen’, dat ze een hele nacht altijd
moesten lopen en dat ge u nooit niet bekende. Dat ge dikwijls voor water en voor
alles kwam, ge weet wel. En dat ge nooit niet wist waar ge waart. En een hele
nacht rondlopen hé, tot ’s morgens. En als ze om wat kwamen bij u hé, dat ge
daar wijwater in moest doen, dat ze dan niet konden doen. Als ge in melk
wijwater ingedaan hebt of zout, kunnen ze u niets doen.
Hebt
gij nog gehoord dat ze niet konden karnen?
Ik heb mijn vader dat nog horen zeggen, dat ze
karnden en herkarnden en dat ze geen boter kregen. En dat ze daar ook over
peinsden ja. En in dien tijd werd daar veel van geklapt hé. Ze gingen naar de
paters. En mijn vader, ze kregen zo lijk kleine broodjes, heb ik mijn vader nog
horen zeggen, zo kleine dingskes en ze moesten daar alle dagen een beetje van
indoen en ze moesten dan lezen zelf.
En van
paasnagels onder een stoel?
Ze moet zij dan ook weg, zij kon zij daar niets
meer doen.
En van
‘dan aa man’?
O, den ‘aa man’, wel die die ik daar zag op de
Leikant. ’t Is daarmee dat allemaal die vrouwen daar zo bang van waren. En de
kinderen niewaar, zo zeiden ze: ‘t is den ‘aa man’ dat het heeft. Maar dat was
van die, dat dat goddomme betoverd was. En dat teerde uit en dat stierf, dat was
dood.
Hebt
gij dan nog gehoord van een ‘bomloze put’?
Ja, ja, ik weet daar heel goed van. Die lag
alginder ergens zie. Dat was een bomloze put. Ik heb er mijn vader dikwijls
horen van klappen.
Wat
gebeurde daar?
Ja, niemand durfde daarin of omtrent gaan. En in
Vinderhoute of aldaar heb ik nog gehoord van een bomloze put die daar ook was.
En dat ze met een koord machtig van lengte, om te weten hoe diep, geen bodem
vonden. O, een machtig lange koord en ze doen daar een steen aan, en ze lieten
in… Allemaal verloren, genen bodem, hé!
Wij zijn nu in de keurige woning van Theodoor Pieters, 82 jaar, oud-renner en oud-postbode:
Toverij?
Dat heeft bestaan, hé. Ze zeiden altijd Biene De
Weirdt.
Hoe was
haar echte naam?
Sabiena heette ze. De mensen niet gerust laten en
op hun rug en op hun hoofd kloppen. Ik heb daar nooit veel met in alliantie
geweest.
Waar
gingen ze hier naartoe als de beesten ziek waren?
Bij Boekaert van Waregem, Boekaerdeken.
Wie was
dat?
Een soort van een veearts of iets. En ook bij de
paters naar Gent, nietwaar.
Hebt
gij nog horen klappen van den ‘aa man’?
Ik heb een broer gehad, die heeft daar twee
kinders van dood schier van den aa man.
Ook
betoverd?
Ah?
Toch
niet van die Biene?
Ik weet het niet. Misschien met iets aan te geven,
niewaar. Ze kwam zij iets vragen of lenen en dan lapte zij het u.
Maar
kon men daar dan niets tegen toen?
Er waren veel mensen in den tijd die zo een
paasnagel van de paaskaars onder de deur staken. ’t Schijnt dat zij dan niet
binnen konden.
Was er
hier geen onderaardse gang?
Ja, van het kasteel en die komt daar tegen de kerk
in de meersen uit.
Hoe
lang is die?
800 meter.
Waarvoor heeft die gediend?
Ik weet dat niet. Het was van de leenroerigheid,
zeiden ze.
Wie in Bachte-Maria-Leerne komt, moet natuurlijk ook het kasteel van ooidonk eens gaan bekijken. Het is nog vroeg in het jaar. Er staat geen één auto… en het is weer beginnen regenen. Toevallig zei ik aan de poort Cyriel Dhaene geboren in 1914. Hij is hovenier op het kasteel. Ik val met de deur in huis:
Zeg
meneer, wat is dat hier geweest met die toverij?
Ja, op de Leikant, Bruun De Weirdt. Er was een
vrouw die ziek was. Virginie Volkaert. Dat was een ziekte die overgezet was. En
ze kwam weer uit haar bed. Ze deden die dekens in de Leie en ze haalden die
dekens daar zes weken nadien uit… en daar was nog niets aan. Dat was iets dat
een mirakel was. Dat heb ik moeder dikwijls horen vertellen.
Door
wie was die dan betoverd?
Ze wilden zij altijd hebben dat dat van Bruun De
Weirdt zijn vrouw kwam.
Nu komt
Jef Corijn aangereden met zijn tractor. Ook Godelieve Van Hee staat bij de
portierswoning. Zij is van 1921, haar man is wever. Jef heeft niet veel tijd te
verliezen en rijdt verder het park in, nadat hij mij de uitleg gedaan heeft over
de moord van Van Hoe-Verstuyft.
Met Godelieve Van Hee begin ik weer over de toverij:
Ge moet dat maar eens vragen aan Jef van zijn broerken.
Die
daar…?
Ja, die op de tractor. Zijn broerken die betoverd
was, als ze ermee naar den doop gingen. En als ze ermee naar den doop gingen,
kwamen ze Biene tegen, die toveresse. En ze was zo wreed geneigd om aan de
kinders te komen: Hé, dat is een schoon kindje. Zie ge dat. En ze had dat ook
gedaan. En dat kind begint te schreeuwen. En ze komen daarmee thuis, en huilen
en tieren dat dat kind doet. En dat waren die vroedvrouwen met die die dat kind
droegen, hé. En ze kwamen thuis en Guust, Jozef zijn vader, Guust zegt: Waar
hebt gij met dat kind geweest? Zijt gij misschien Biene tegengekomen? Ah ja, en
ze heeft ernaar gekeken, zei ze. En hij schiet hem daar naartoe. En ik weet niet
wat hij daar gezegd heeft. Ga maar naar huis, heeft ze gezegd… En dat kind was
kalm. ’t Was gedaan.
Wie had
dat kind kalm gemaakt?
Zij, al met ne keer, zij, zonder erbij te zijn
dan. Hij is er naartoe gegaan!
Hebt ge
zo nog van die stoten gehoord?
Ja!
Vertel
eens.
Waar dat Dobbelaars nu wonen, waar dat die mensen
nu wonen waar dat die moord is gepleegd van Van Hoe-Verstuyft, die mensen
woonden daar en ze hoorden zij dat ook altijd zeggen en zeggen. En ze kwam
daarbinnen: Nu wil ik toch wel eens weten of zij wel iets kan? En de stoelen
stonden allemaal rond de tafel. En we gaan onder één van die stoelen een gewijde
palmtak steken. En ze zetten die stoel waar dat zij altijd zat, niewaar. En ze
komt binnen, en dat ze achter melk kwam. En ze zette haar op die stoel niet! Ze
zette haar daar neven! En dan hebben ze gezegd: Ze kan wel wat. Ze zette haar
daar niet op. Ofwel was het, dat z’onder allemaal een palmtak staken en enen
niet. Ik peins dat het zo iets was! Ja en ik heb ook nog gehoord dat ze zo veel
dingen langs de grond smeet. Want mijn meter die woonde daar ook niet ver van.
Die had twaalf kinders en ze verbood altijd haar kinders dat ze niets mochten
oprapen van de grond. Maar een kind, hé! En één raapte wat op en het was ook
betoverd. Allez, zo veel dingen.
Hoe
heette die vrouw eigenlijk?
Zij heette Sabiene en haar dochter heette Marie.
Die Marie heb ik nog gekend. Die heb ik nog zien staan aan het hekken. En dat
was juist ook een toverhekse!
Hebt
gij nog van die dingen gehoord?
Mijn schoonvader was van Leerne. En bij hem thuis
hadden ze een tweeling. Twee broerkes van mijn schoonvader. Ze veranderden niet,
ze verzwaarden niet. Ik weet niet hoe ze dat noemden.
Den ‘aa
man’?
Ja, ja. En mijn grootvader ging naar Gent bij de
paters. En die zei: Ga naar huis en nog dezen avond zullen ze alle twee
gestorven zijn. En mijn grootvader kwam naar huis en tegen dat het avond was,
waren ze alle twee gestorven. En mijn schoonmoeder die woonde hier op dat groot
hof en ze was daar met twaalf kinders. En op een dag, op een voormiddag kwam ook
zo een manneken met een kasse…
Met
schoensmeer, nestelingen en… ik hoor het al.
Ja. En hij had de naam dat hij kon toveren. En ze
wisten dat. Zo mijn schoonmoeder haar moeder die kocht daar niet van, omdat ze
daar zo bang van waren, niewaar. Kijk, zegt hij, als ge niets koopt bij mij, ge
ziet daar uw stal staan, niewaar. En ’t is daar een deur aan, zegt hij, met zo
een deurken in. Wel, zegt hij, dat deurken staat open, hé. Als ge niet koopt bij
mij, gaat daar een koe voorkomen, een kop van een koe. En ze wilden niet kopen.
Ze keken en die koe stond daar met haar kop door. En ze gingen dan melken
niewaar, en ze konden geen één, geen één koe melken. Ze schopten en ze sloegen
en deden, ze konden niets doen. En ze zijn erachter gegaan zeker – dat was te
voet, ze gaan van ’t een naar ’t ander – en hij heeft dat dan ook weggepakt. Ze
hebben daar voorzeker van gekocht. Dat heb ik mijn schoonmoeder veel horen
vertellen. Ze was erbij. Zij woonde daar op dat hof.
Hebt
gij nooit gehoord van weerkerende doden?
Dat heb ik niet gehoord. Maar ik heb mijn vader
veel horen vertellen van Boekaerdeken van Waregem.
Dat was
een veearts, hé?
Ja, als er iets was met hun beesten, gingen ze
achter Boekaerdeken en Boekaerdeken leesde dat af. In mijnen thuis hebben ze dat
ook nog geweten, dat er een kalf niet wilde drinken of zo. En ze moesten daar om
gaan. En Boekaerdeken die zat een keer in de kerk en hij zat neven iemand, ja
mijn schoonvader heeft gezegd wie, maar ik weet dat niet meer. En zegt hij: Ik
moet naar huis, want mijn zoon is bezig met hem dood te lezen, zegt hij. En die
had dien boek gevonden en hij was daar in aan het lezen en hij werd dat gewaar.
Ik mot naar huis want mijn zoon is bezig met hem dood te lezen. Dat was waar. En
ge moet ook eens vragen aan Jules Vervennet of hij dat niet weet van hun oude
schaper en dat berevel.
Ik loop nu
verder het park in tot bij Jef Corijn die mest op de perken is aan het strooien.
Ik vraag hem of hij nooit gehoord heeft over toverij in de Leie. Hij begint
echter spontaan over Biene:
Hier heeft een toveresse gezeten. Biene De Weirdt. Dat heeft een toveresse
geweest, heb ik mijn vader dikwijls horen zeggen, maar ja, ook van horen zeggen…
en in stukken en… Maar ik kan daar geen uitleg over geven, verstaat ge.
Wij rijden
nu onmiddellijk naar het hof van Jules Vervennet, 72 jaar, boer en
oud-burgemeester. Clara d’Hulster zijn vrouw is van 1897. Vriendelijk worden wij
binnen gelaten. Alle drie zitten wij rond de tafel. Na mijn klassieke vragen
over de toverij in het water en roversbenden begin ik weer over de toverij. En
Clara vertelt:
Dat was één in de gebuurte en al de kinders in de gebuurte waren daar bang van.
Omdat ze zeiden dat dat een toveres was. En dat was pertang niet waarschijnlijk,
hé. En al de kinders, als ze naar school gingen deden een omweg.
Was dat
Biene?
Ja, Sabiene De Weirdt.
Wat
deed ze dan eigenlijk?
Ah jongen, dat was een rare. Ze woonde in ons huis
en wij waren daar zo bang van. En al de kinders waren daar bang van. En als wij
naar school gingen en wij zagen haar gaan: O, Sabien is daar, Sabien is daar! En
wij deden altijd een andere weg. Ze kwam hier eens en ze zei tegen mijn vader:
Ja maar, de kinders zijn altijd bang van mij. Waarbij komt dat, zegt ze. Ze
trapte zo altijd met haar voeten. Dat was zeker een ziekte peins ik. En Lieza
Kloede, zij had een jongetje met een arm af. En ze zei dat dat Sabiene was die
hen behekst had.
Wij zijn
nu een paar honderd meters verder, op Sint-Martens-Leerne. Theofiel Rogge woont
hier al 56 jaar, maar eigenlijk is hij geboortig van Nazareth. Ik vraag hem of
hij nog van Sabien De Weirdt heeft gehoord:
Door De Weirdt kon dat ook, maar zijn vrouw kon het nog beter, zei men. En Door
kwam eens uit de kerk en dien oude velorijder kwam ook uit de kerk. En Door
zegt: Hoe is ’t? En hij slaat op zijn schouder. En die mens: Hoe, gij, godver…
Pas op! En Door zei: ’t Is niets, ’t is niets. Zo, was die mens niet bang
geweest, hij zou hij dat toch niet gezegd hebben, hé? Maar daar was daar een
dochter. En hij ging een keer wandelen met zijn dochter. En ze komen daar langs
de baan aan een partij haver. Ge hebt dat ook nog horen zeggen misschien, in
haver, dat er daar wolftanden in komen, niewaar, zwarte bonen (??). Hij zegt: Ik
ga eens kijken of gij dat ook kunt, dat ze zeggen. Want ge weet dat ze zegden
dat dat altijd verviel.
Van
vader op dochter?
Ah ja, of van moeder op dochter. Hij zei: Ik heb
dat altijd horen zeggen, dat er waren die dat konden, dat zij dat vastpakten,
dat dat al zwart was. Ah, ge moet daar niet zo wreed over klappen, zei ze. En
zij pakte zij die haver vast en ’t was al zwart dat ze had. Heb ik altijd horen
zeggen, hoor! En dien Door. Hij zat op een zondag binst de mis in een café. Er
staat een nieuw huis nu. Dat was te Cesars en ’t was binst de hoogmis. En de
paster staat te preken en die Cesar zegt tegen hem: De paster is bezig met
preken. Ja maar, als ik wil, hij zal niet lang preken, zei hij. ’t Moet toch
zijn dat hij iets kon!
Ook verder
in Oost-Vlaanderen hebben wij mensen ontmoet die ons over Leerne iets konden
vertellen. Zo was er Ivo Dhanens uit de Kerkstraat te Meigem. Hij is 89
geworden. Hij zit zijn krant te lezen, wanneer ik bij hem binnen kom. Niemand
geeft hem 89! Hij vertelt:
Als mijn vader getrouwd is, is hij naar Leerne gegaan. Ik ben van Meigem maar
mijn oudste broer is op Leerne geboren. En daar woonde een oude boer. Kolle
heette hij, een zagerij. En hij gaat naar huis en hij komt een vent tegen achter
hun dreef voor naar ’t hof te gaan. Zegt die vent tegen hem: Ik ben daar bij die
boerinne geweest achter een boterham en ik heb genen gehad. Doet haar de
complementen dat het haar wel zal spijten. O, kust zijn kloten, zegt hij, hij
moet het maar weten. En ’s anderdaags ochtende lagen er drie beesten dood. En ze
hebben ook moeten naar Gent gaan om de paters, voor ’t kwaad weg te doen. En die
pater moest alleen in de stal. En als hij eruit kwam, hé, ’t zweet drupte van
hem. En ’t kwaad was ook weg!
Te
Machelen in het gesticht ontmoetten wij Oscar Naessens. Hij is 74 jaar.
Officieel was hij vlasbewerker, maar hij was o.a. ook een ‘diender’. Hij heeft
al duizenden genezen. Plane, nagelgaten, kathlienewielen, hij geneest alles met
zijn trouwring. Had hij gewild hij was de rijkste mens van Machelen geweest,
maar hij heeft nooit aan iemand een frank gevraagd. Hij heeft nooit iets in
zijn hand gepakt, hij liet het in zijn zakske steken.
Ik ging een keer naar Bachte met mijn baas, meneer Morreels van Antwerpen. Die
mens is nu ook dood. Ik was propagandist van ‘Zondagsvriend’ en de ‘Gazet van
Antwerpen’. En de mensen hun konijnen gingen dood en ze zeiden dat wijf daar,
die zwarte zo een dikke. Wel we kwamen wij daar in huis in Bachte en ze zeiden:
Ge moet zien dat ge daar niet gaat. Het is een toveresse. Ik zeg: Waar woont
die? En mijn baas was ook zo nogal een rare. Hij zegt: Karken, willen wij daar
eens naartoe gaan? Hij zegt: Madammeken, ’t schijnt dat gij een toveres zijt. Ge
moet hier oppassen, want hier is hier enen bij, die gaat u wat aandoen. ’s
Anderdaags was ze weg en vertrokken. En hij heeft ze nooit vanzeleven niet meer
gezien. Ze was vertrokken. Vraagt dat een keer in Bachten.
Baziel De
Waele werd in 1897 te Bachte-Maria-Leerne geboren. Hij woont nu te Astene:
Als er een aardig wijveken was op Bachte-Maria-Leerne, ’t waren al toveressen!
Maar dat was geen waar. Biene De Weirdt die had de naam. Pol De Weirdt was haar
zoon. En de kinderen waren bang, omdat die oude mensen altijd maar zeiden dat
het een toveresse was!
Leonce Van
Meenen werd in 1889 te Bachte-Maria-Leerne geboren. Hij woont nu te Astene:
Ik heb mijn vader nog horen vertellen dat Vosselare put genommeerd is, omdat, ik
weet niet in wat oorlog, ten tijde van een oorlog, dat de klokken van Vosselare
daar in die put zouden gesmeten zijn. En daardoor is dat de Vosselaar put
geheten.
En met
Leon Van Speybroeck in 1891 in Bachte-Maria-Leerne geboren, sluiten wij dan onze
reeks. Te Astene vertelde hij ons het volgende:
Weet ge waar toverij bestaan heeft? Op Bachte-Maria-Leerne. En dat was op de
Oude (?) Weg. Dat was de vrouw van Bruno De Weirdt. Hij was barbier, zijn broer
was ook barbier. Zij had de naam van een toveresse te zijn. Zij heette Marie Van
Laere. Biene De Weirdt, zeiden ze altijd, maar ze heette eigenlijk Van Laere. Ze
woonde in de Leikant, als ge van Leerne naar Bachte gaat.
Hebt ge
er nog toeren van gehoord?
Ja, katten op het huis lopen en lichten die
brandden, dat was Sabiene De Weirdt! En ik ga nog eens iets vertellen van
Sabiene. En dat was den dokteur Callewaert. Die moest komen naar de zieken, maar
in de wijk, niewaar. En als hij halfwege was, ’t paard keerde hem om. Hij keerde
weerom. En ze zeiden dat dat Sabiene De Weirdt was die dat tegengehouden had.
Hiermee zijn wij aan het einde van onze oude verhalen uit Bachte-Maria-Leerne. Men zal dit alles misschien met een lachend schouderophalen gelezen hebben. Maar men zal daarbij toch niet vergeten dat juist in deze verhalen een brok cultuurgeschiedenis vervat ligt die nooit in de geschiedenisboeken terecht kwam. Wie de geschiedenis der 19e eeuw schrijft en hieraan voorbijgaat verwaarloost een belangrijk aspect van de volkscultuur. En wij overdrijven nauwelijks wanneer wij stellen dat de door de historici wel eens gesmade volkskundige methode hier misschien wel dieper doordringt in het verleden dan de wetenschap, die zich er soms op verheft, ‘de wereld alles te zeggen wat wij over de verleden werkelijkheid kunnen vinden’.